Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door Lid-Staten - Omzetting van richtlijn zonder optreden van wetgever - Ontoelaatbaarheid wanneer uitdrukkelijke verwijzing naar richtlijn is voorgeschreven
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
2 Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen - Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen - Richtlijn 91/414 - Uitvoering door Lid-Staten - Noodzaak van omzetting binnen voorgeschreven termijn - Uitvoeringsmaatregel van Gemeenschap nog niet vastgesteld - Geen invloed
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea; richtlijn 91/414 van de Raad)
Samenvatting
3 Een reeds bestaande nationale wetgeving kan niet worden geacht de omzetting van een richtlijn te verzekeren, wanneer die richtlijn de Lid-Staten uitdrukkelijk voorschrijft, bepalingen vast te stellen die een verwijzing naar de richtlijn bevatten of die van een dergelijke verwijzing vergezeld gaan.
4 Richtlijn 91/414 die de door de Lid-Staten toe te passen voorschriften inzake de voorwaarden en procedures voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen omschrijft, schrijft in het belang van het vrije verkeer van goederen de invoering voor van een communautaire lijst van toegelaten werkzame stoffen en van een systeem van wederzijdse erkenning van de door de Lid-Staten verleende toelatingen. In dit verband kan de omstandigheid dat op die lijst nog geen enkele werkzame stof is opgenomen, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in die zin, de Lid-Staten niet ontslaan van hun verplichting binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijn te voldoen. De omzetting van de relevante bepalingen moet namelijk juist verzekeren, dat zodra de lijst van werkzame stoffen effect sorteert, onmiddellijk toepassing kan worden gegeven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van nationale toelatingen.
Partijen
In zaak C-137/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en S. Maaß, Regierungsrätin bij dat ministerie, als gemachtigden, D-53107 Bonn,
verweerster,
betreffende een verzoek tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1) in nationaal recht om te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens het EG-Verdrag op haar rusten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, J.-P. Puissochet (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 oktober 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 april 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1; hierna: "richtlijn") in nationaal recht om te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens het EG-Verdrag op haar rusten.
2 De richtlijn, vastgesteld op de grondslag van artikel 43 EEG-Verdrag, omschrijft de door de Lid-Staten toe te passen voorschriften inzake de voorwaarden en procedures voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 4, lid 1, schrijft de Lid-Staten met name voor, erop toe te zien, dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien het voldoet aan de sub a genoemde voorwaarden: de werkzame stoffen van het middel moeten in bijlage I zijn vermeld, en het product moet, na toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI, voldoen aan de sub b tot en met e genoemde vereisten. Artikel 10, lid 1, van de richtlijn bevat de voorschriften die een uitvloeisel zijn van het beginsel van wederzijdse erkenning van de toelating door andere Lid-Staten.
3 Ingevolge artikel 23, lid 1, van de richtlijn moeten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de richtlijn te voldoen binnen een termijn van twee jaar na de kennisgeving ervan; die bepalingen moeten naar de richtlijn verwijzen of van een dergelijke verwijzing vergezeld gaan. Artikel 23, lid 2, bepaalt, dat de Lid-Staten de bepalingen voor de toepassing van artikel 10, lid 1, tweede streepje, niet eerder dan één jaar na de aanneming van de uniforme beginselen in werking behoeven te doen treden.
4 Omdat zij geen mededeling had ontvangen over de omzetting van de richtlijn in Duitsland, zond de Commissie de Bondsregering op 5 oktober 1993 overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag een aanmaningsbrief, waarop de Duitse instanties bij schrijven van 1 december 1993 reageerden. De Commissie bracht vervolgens op 3 oktober 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij stelde dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen niet was nagekomen, en waarin zij de Duitse regering uitnodigde binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen. Niet tevreden gesteld door het antwoord dat de Duitse regering haar op 10 november 1994 deed toekomen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De ontvankelijkheid
5 De Duitse regering betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het de niet-omzetting van artikel 10, lid 1, tweede streepje, van de richtlijn betreft. De in artikel 23 bedoelde uniforme beginselen werden immers eerst vastgesteld bij richtlijn 94/43/EG van de Raad van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage VI van richtlijn 91/414 (PB 1994, L 227, blz. 31), welke richtlijn bij arrest van 18 juni 1996 (zaak C-303/94, Parlement/Raad, Jurispr. 1996, blz. I-2943) door het Hof nietig is verklaard.
6 Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat de Commissie in haar laatste memorie het voorwerp van haar beroep heeft beperkt tot de andere bepalingen van de richtlijn dan artikel 10, lid 1, tweede streepje. Met deze beperking is het beroep dus ontvankelijk.
Ten gronde
7 De Duitse regering bestrijdt niet, dat de richtlijn nog niet in nationaal recht is omgezet: zij zegt toe, zich te zullen inspannen om de behandeling van het ontwerp van eerste wijziging van het Pflanzenschutzgesetz te bespoedigen. Nochtans wijst zij erop, dat genoemde wet in haar huidige versie reeds bepalingen bevat die grotendeels met de bepalingen van de richtlijn overeenstemmen, dat de voltooiing van het ontwerp van wijziging door bepaalde uitleggingsproblemen werd gecompliceerd en, ten slotte, dat van de door artikel 10 van de richtlijn beoogde harmonisatie van het handelsverkeer in gewasbeschermingsmiddelen geen sprake kan zijn zolang in bijlage I van de richtlijn nog geen enkele werkzame stof is opgenomen.
8 Met betrekking tot het eerste punt volstaat het vast te stellen, dat de huidige Duitse wetgeving op geen enkele wijze kan worden geacht de omzetting van de richtlijn te verzekeren. Artikel 23, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn schrijft de Lid-Staten immers uitdrukkelijk voor, bepalingen vast te stellen die een verwijzing naar de richtlijn bevatten of die van een dergelijke verwijzing vergezeld gaan. De Bondsregering erkent trouwens zelf, dat de omzetting van de richtlijn nieuwe wetgeving vergt.
9 Wat het tweede punt betreft, heeft de Commissie - door de Duitse regering onweersproken - verklaard, dat haar één enkel uitvoeringsprobleem onder de aandacht is gebracht, met betrekking tot een voorschrift in artikel 13 van de richtlijn, dat eventueel op nationaal niveau zou kunnen worden opgelost, maar dat hoe dan ook de omzetting van deze bepaling in de andere Lid-Staten geenszins heeft belet of vertraagd.
10 Dat in bijlage I van de richtlijn nog geen enkele werkzame stof is opgenomen, kan ten slotte, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in die zin, de Lid-Staten niet ontslaan van hun verplichting, binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijn te voldoen. Deze verplichting geldt immers los van de vraag, of reeds aan alle voorwaarden voor toepassing van de communautaire bepalingen is voldaan. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, moet de omzetting van de relevante bepalingen nu juist verzekeren, dat zodra de lijst van werkzame stoffen in bijlage I van de richtlijn effect sorteert, onmiddellijk toepassing kan worden gegeven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van nationale toelatingen.
11 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in nationaal recht van de richtlijn, met uitzondering van artikel 10, lid 1, tweede streepje, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens die richtlijn op haar rusten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in nationaal recht van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van artikel 10, lid 1, tweede streepje, is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die krachtens die richtlijn op haar rusten.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy