Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-138/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij dit ministerie, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB 1993, L 62, blz. 1), de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris (rapporteur), P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 april 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 april 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag een beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB 1993, L 62, blz. 1; hierna: "richtlijn"), de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 3, lid 1, van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 1 januari 1994 aan deze richtlijn te voldoen, behalve voor de inrichtingen in onder meer de nieuwe deelstaten van de Bondsrepubliek Duitsland die in aanmerking komen voor herstructureringsprogramma's, ten aanzien waarvan de richtlijn uiterlijk op 1 januari 1995 moest zijn omgezet. Volgens de tweede alinea van deze bepaling moesten de Lid-Staten de Commissie onverwijld in kennis stellen van de genomen maatregelen.
3 Omdat de Commissie van de Bondsrepubliek Duitsland geen mededeling had ontvangen over de omzetting van de richtlijn, zond zij deze op 10 februari 1994 overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag een aanmaningsbrief. Daarin verzocht zij de Duitse regering, binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de brief haar opmerkingen kenbaar te maken.
4 Bij brief van 28 april 1994 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat het ontwerp van het Geflügelfleischhygienegesetz waarbij de richtlijn zou worden omgezet, vóór het einde van het eerste kwartaal van 1994 bij de Bundestag zou worden ingediend.
5 Omdat de Commissie nadien geen mededeling van de Duitse regering meer had ontvangen, stuurde zij haar bij schrijven van 5 oktober 1994 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verweet, dat zij de uit de richtlijn en het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet was nagekomen, en haar verzocht, de nodige maatregelen te treffen om dit advies binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan op te volgen.
6 Naar aanleiding van dit met redenen omkleed advies deelde de Duitse regering de Commissie bij schrijven van 12 december 1994 mee, dat het in de brief van 28 april 1994 vermelde tijdschema voor de vaststelling van de wet niet in acht had kunnen worden genomen. Zij voegde er echter aan toe, dat het wetsontwerp ondertussen in de Bundesrat was besproken en begin 1995 aan de Bundestag zou worden voorgelegd, zodat de wet in het voorjaar van 1995 zou kunnen worden vastgesteld. Ter nadere informatie zond de Duitse regering de Commissie het wetsontwerp als bijlage bij haar mededeling.
7 Bij mededeling van 15 augustus 1995 liet de Duitse regering de Commissie weten, dat er problemen waren gerezen waardoor de wet waarschijnlijk pas in het eerste kwartaal van 1996 zou kunnen worden afgekondigd.
8 Omdat de Commissie geen mededeling ontving die de conclusie wettigde, dat de Bondsrepubliek Duitsland inmiddels aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen had voldaan, heeft zij het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
9 De Duitse regering betwist de verweten niet-nakoming niet. Zij verklaart evenwel, dat het Geflügelfleischhygienegesetz op 23 juli 1996 is gepubliceerd (Bundesgesetzblatt I, blz. 991) en dat de procedure tot vaststelling van de uitvoeringsregeling van deze wet, en dus de omzetting van de richtlijn, uiterlijk eind 1996 zal zijn voltooid.
10 Van mening dat de niet-tijdige omzetting van de richtlijn niet tot belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer leidde, heeft de Duitse regering het Hof verzocht, de onderhavige procedure te schorsen totdat de nationale uitvoeringsregeling zal zijn vastgesteld. Dit verzoek werd afgewezen.
11 Daar de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden verklaard.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy