Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Alleen met argumenten gestaafde middelen ontvankelijk
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2 Hogere voorziening - Middelen - Ontoereikende motivering - Beginsel van gezond beheer - Ziektekostenverzekering - Ziektekosten - Aanvullende vergoedingsregeling welke van toepassing is op ambtenaren die zijn tewerkgesteld in derde land - Werkingssfeer - Afwijzing van hogere voorziening
(Ambtenarenstatuut, art. 72; bijlage X, art. 24)
Samenvatting
3 Een hogere voorziening kan ingevolge artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut slechts gebaseerd zijn op middelen ontleend aan schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke betwisting inzake de feiten zoals het Gerecht die soeverein heeft vastgesteld, en moet ingevolge artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens vermelden. Uit deze bepalingen volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
4 Een arrest van het Gerecht is niet ontoereikend of tegenstrijdig gemotiveerd, wanneer daarin enerzijds op basis van het beginsel van een gezond beheer de toepassing gerechtvaardigd wordt geacht van de regeling van artikel 24 van bijlage X bij het Statuut, die voorziet in een aanvullende verzekering voor de ambtenaren die zijn tewerkgesteld in een derde land, hun echtgenoot, hun kinderen en andere personen te hunnen laste die het verschil dekt tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van de in artikel 72 van het Statuut bedoelde dekkingsregeling van de ziektekostenverzekering, wanneer de in een derde land gemaakte kosten niet hoger zijn dan in de Gemeenschap of wanneer de kosten tijdens tijdelijke verblijven in de Gemeenschap zijn gemaakt en er anderzijds op wijst dat dit artikel 24 slechts een reden van bestaan heeft in het geval van aanwezigheid van de specifieke ongemakken omwille waarvan een afwijkende vergoedingsregeling is vastgesteld.
De wetgever kon immers in een streven naar eenvoud rechtmatig kiezen voor een administratief beheerbaar systeem omdat het voor elk land bepalen van de werkelijke kosten van geneeskundige verzorging of van het niveau van de ziekterisico's overdreven zou zijn geweest, gelet op de inspanningen die daarvoor zouden moeten worden gedaan, het kleine aantal landen waarin de ziektekosten of -risico's niet hoger zijn dan in de Gemeenschap, het geringe aantal ambtenaren dat in deze landen is tewerkgesteld en de moeilijkheid om de geneeskundige praktijken van de verschillende landen onderling te vergelijken.
Er is daarentegen geen reden om de regeling van artikel 24 van bijlage X toe te passen, wanneer het ontbreken van aan een tewerkstelling in een derde land verbonden specifieke ongemakken veeleer de regel dan de uitzondering is, dat wil zeggen wanneer de verblijfplaats in de Gemeenschap permanent is.
Partijen
In zaak C-153/96 P,
J. R. de Rijk, ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, wonende te Praag (Tsjechische Republiek), vertegenwoordigd door N. Lhoëst, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 7 maart 1996 in zaak T-362/94 (De Rijk/Commissie, JurAmbt. 1996, blz. II-365), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 5 december 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 mei 1996, heeft De Rijk krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 7 maart 1996 (in zaak T-362/94, De Rijk/Commissie, JurAmbt. 1996, blz. II-365; hierna: "bestreden arrest"), voor zover het Gerecht afwijzend heeft beslist op zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 18 januari 1994 waarbij hem uit hoofde van de aanvullende ziektekostenverzekering een bedrag van 4 412 BFR is vergoed, alsmede, voor zoveel nodig, van het besluit van de Commissie van 15 juli 1994 houdende afwijzing van zijn klacht, op zijn vordering tot veroordeling van de Commissie tot betaling van het volledige verschil tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering, te weten het bedrag van 4 950 BFR, en ten slotte op zijn vordering tot vaststelling dat de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24, eerste en tweede alinea, van bijlage X bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") onwettig zijn, en derhalve op zijn vordering tot nietigverklaring daarvan.
2 Uit de vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest blijkt:
"(...)
Rechtskader
1 De bepaling waaromtrent het onderhavige geschil draait, staat in artikel 24, eerste alinea, van bijlage X bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: $bijlage X' respectievelijk $Statuut'). Deze bijlage is bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3019/87 van de Raad van 5 oktober 1987 tot vaststelling van bijzondere afwijkende bepalingen voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die zijn tewerkgesteld in een derde land (PB 1987, L 286, blz. 3; hierna: $verordening nr. 3019/87') aan het Statuut toegevoegd. Artikel 24, eerste alinea, van bijlage X luidt als volgt:
$De ambtenaar, zijn echtgenoot, zijn kinderen en andere personen die te zijnen laste komen zijn verzekerd krachtens een aanvullende ziektekostenverzekering die het verschil dekt tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van de in artikel 72 van het statuut bedoelde dekkingsregeling, met uitzondering evenwel van lid 3 van dat artikel.'
2 Aan dit artikel is uitvoering gegeven bij algemene uitvoeringsbepalingen, gepubliceerd in de Mededelingen van de administratie nr. 642 van 17 september 1990 (blz. 33). Artikel 2 van de algemene uitvoeringsbepalingen luidt als volgt:
$Krachtens de aanvullende ziektekostenverzekering zijn de volgende personen verzekerd:
1) de ambtenaar met standplaats buiten de Gemeenschap;
2) de personen die uit hoofde van de in punt 1 bedoelde aangesloten ambtenaar zijn verzekerd krachtens artikel 72 van het Statuut, zoals gepreciseerd in de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen (hierna "Regeling" genoemd) indien zij permanent verblijven in de standplaats van de overeenkomstig punt 1 verzekerde ambtenaar.
Wanneer zij elders verblijven, zijn zij verzekerd tijdens verblijf in de standplaats van de ambtenaar alsmede, na advies van de raadgevend arts, ingeval de medische kosten uitsluitend een gevolg zijn van het feit dat de aangeslotene daar zijn standplaats heeft;
3) de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard krachtens artikel 40, lid 2, vierde alinea, van het Statuut, wanneer hij permanent verblijft in de standplaats van zijn uit hoofde van punt 1 verzekerde echtgenoot.
Op verzoek van de ambtenaar geldt de in de punten 2 en 3 bedoelde dekking ook tijdens de periode dat hij de in artikel 3 van bijlage X van het Statuut bedoelde bijscholingsstage volgt, mits de betrokkenen in de standplaats van de ambtenaar buiten de Gemeenschap blijven wonen.'
De feiten
3 Verzoeker is een ambtenaar in de rang B 2 die is tewerkgesteld bij de delegatie van de Commissie in Finland.
4 In de zomer 1993 betaalde hij de kosten van geneeskundige hulp verstrekt aan te zijnen laste komende personen, met name aan zijn zoon die zijn gewone verblijfplaats in België heeft. Op 18 augustus 1993 diende hij bij verweerster een aanvraag om vergoeding van in totaal 26 631 BFR in.
5 Op 6 oktober 1993 zond het afwikkelingsbureau van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor de instellingen van de Europese Gemeenschappen hem een afrekening waaruit bleek, dat het 21 681 van de in totaal 26 631 BFR ten laste nam. De aangeslotene zou eventueel op basis van artikel 24 van bijlage X vergoeding kunnen krijgen voor het saldo van 4 950 BFR.
6 Bij brief van 18 januari 1994 deelde verweerster verzoeker mee, dat zij hem uit hoofde van artikel 24 van bijlage X slechts 4 412 BFR van de gevraagde 4 950 BFR zou vergoeden. Het saldo van 538 BFR zou te zijnen laste blijven, op grond dat de kosten die waren gemaakt voor zijn zoon die zijn gewone verblijfplaats in België had, slechts uit hoofde van artikel 72 van het Statuut konden worden vergoed.
7 Op 18 april 1994 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen dit besluit in.
8 Bij besluit van 15 juli 1994, dat verzoeker op 4 augustus 1994 officieel ter kennis is gebracht, wees verweerster deze klacht af. In haar besluit zette zij uiteen, dat de zoon van De Rijk permanent in België verbleef en dat de ziektekosten die hij aldaar had gemaakt, anders dan die welke hij in Helsinki had gemaakt, niet uit hoofde van artikel 24 van bijlage X konden worden vergoed. Ter rechtvaardiging van haar besluit wees zij er enerzijds op, dat de bestaansreden van de aanvullende verzekering waarin dit artikel voorziet, de dekking is van de risico's die aan de bijzondere levensomstandigheden van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren zijn te wijten, en anderzijds dat artikel 24 van bijlage X niet toepasselijk is wanneer er geen verband bestaat tussen de gemaakte kosten en het verblijf buiten de Gemeenschap. Zij voegde eraan toe, dat elke andere analyse tot een kennelijke discriminatie van de in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren zou leiden."
3 Onder deze omstandigheden heeft De Rijk bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 november 1994, een beroep ingesteld waarin hij nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 18 januari en 15 juli 1994 vorderde, alsmede vaststelling dat de algemene bepalingen ter uitvoering van artikel 24, eerste en tweede alinea, van bijlage X onwettig waren en derhalve nietig moesten worden verklaard.
4 Tot staving van zijn beroep voerde verzoeker twee middelen aan, te weten schending van artikel 24 van bijlage X en onwettigheid van de algemene uitvoeringsbepalingen op basis waarvan het bestreden besluit was genomen.
5 Het Gerecht heeft het beroep van De Rijk verworpen.
6 Aangaande de twee door verzoeker voorgedragen middelen overwoog het Gerecht om te beginnen in rechtsoverweging 30, dat zij in wezen betrekking hadden op de vraag of voor volledige vergoeding van de ziektekosten voor het ten laste komend kind van een buiten de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaar enkel is vereist, dat de ambtenaar buiten de Gemeenschap is tewerkgesteld, dan wel ook dat het kind zijn vaste verblijfplaats heeft in het land van tewerkstelling van de ambtenaar.
7 In de rechtsoverwegingen 31 tot en met 33 oordeelde het Gerecht allereerst, dat artikel 24 van bijlage X moest worden uitgelegd en daartoe hield het, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, rekening met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt. Zo overwoog het Gerecht enerzijds, dat volgens de considerans van verordening nr. 3019/87 de bijzondere levensomstandigheden van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren tot de vaststelling van de specifieke regeling van bijlage X hebben geleid, en anderzijds dat volgens punt 22 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening dat tot verordening nr. 3019/87 heeft geleid, de zeer hoge kosten van gezondheidszorg in bepaalde landen en het extra risico dat de ambtenaren en hun gezinnen lopen, de aanvullende verzekering rechtvaardigen.
8 Vervolgens stelde het Gerecht in rechtsoverweging 34 vast, dat aangezien artikel 24 van bijlage X ertoe strekt dergelijke ongemakken te compenseren, de aanvullende vergoeding waarin dit artikel voorziet, slechts dient te worden toegepast ten aanzien van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaar en van de te zijnen laste komende personen die aldaar verblijven. De algemene regeling van artikel 72 van het Statuut is daarentegen van toepassing op de ziektekosten die door een in een dergelijk land tewerkgestelde ambtenaar worden gemaakt voor een te zijnen laste komend persoon die zijn gewone verblijfplaats in de Gemeenschap heeft, want in dat geval ontbreken de specifieke ongemakken die de wetgever beoogde te compenseren.
9 Bovendien verwierp het Gerecht in rechtsoverweging 35 verzoekers argument, dat de bijzondere regeling van bijlage X ook van toepassing is wanneer het gaat om een derde land waarin de ziektekosten of ziekterisico's niet hoger zijn dan in de Gemeenschap. Het Gerecht was van oordeel, dat de wetgever met het oog op een gezond beheer heeft geopteerd voor een systeem waarbij wordt vermoed dat de ziektekosten of -risico's in derde landen hoger zijn, en het voegde eraan toe, dat de toepassing van de regeling van artikel 24 van bijlage X ook gemakkelijkheidshalve niet is uitgesloten voor de gevallen waarin de ziektekosten door de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren of door de te hunnen laste komende personen tijdens een tijdelijk verblijf in de Gemeenschap zijn gemaakt. Een dergelijke keuze doet evenwel niets af aan het doel van dit artikel, zoals dit hierboven is omschreven.
10 Voorts was het Gerecht in rechtsoverweging 36 van oordeel, dat een andere uitlegging van artikel 24 van bijlage X zich niet verdraagt met het non-discriminatiebeginsel. Volgens het Gerecht verschilt de situatie van een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar slechts van die van een andere ambtenaar wanneer de persoon die de geneeskundige hulp ontvangt, blootstaat aan de ongemakken die verbonden zijn aan de standplaats van de ambtenaar uit wiens hoofde hij is verzekerd, dat wil zeggen wanneer deze persoon zijn gewone verblijfplaats in het land van tewerkstelling heeft. Wanneer dit niet het geval is, is de situatie van deze ambtenaar identiek aan die van een in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaar.
11 Wat ten slotte verzoekers argument betreft, dat de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, anders dan de andere ambtenaren, een speciale premie aan het stelsel van de ziektekostenverzekering betalen, oordeelde het Gerecht in rechtsoverweging 37, dat deze premie een bijdrage is aan de financiering van de dekking van de risico's die zijzelf en de te hunnen laste komende personen door hun aanwezigheid in het land van tewerkstelling lopen, welke risico's voortvloeien uit het feit dat de ziektekosten en -risico's in de derde landen over het algemeen hoger zijn dan in de Gemeenschap.
12 In het kader van de onderhavige hogere voorziening draagt rekwirant drie middelen voor, te weten schending van artikel 24 van bijlage X, schending van het rechtszekerheids- en het non-discriminatiebeginsel en niet-nakoming van de in artikel 33 van 's Hofs Statuut-EG neergelegde motiveringsplicht. Met betrekking tot het middel inzake schending van het non-discriminatiebeginsel zij opgemerkt, dat dit beginsel door het Gerecht wordt gebruikt tot staving van de uitlegging van artikel 24 van bijlage X, zodat de door rekwirant dienaangaande geuite kritiek niet losstaat van het eerste middel.
De ontvankelijkheid
13 In haar memorie van antwoord betoogt de Commissie, dat De Rijk slechts herhaalt wat hij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, zodat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
14 Zij voegt eraan toe, dat het argument van De Rijk, dat de artikelen 10 en 20 van bijlage X beperkingen inzake de verblijfplaats van de kinderen of de levensomstandigheden bevatten, terwijl dit bij artikel 24 van bijlage X niet het geval is, waaruit zou blijken dat de gemeenschapswetgever voor de toepassing van deze bepaling geen woonplaatsvereiste heeft willen stellen, een nieuw argument is dat niet aan het oordeel van het Gerecht is onderworpen en dus niet-ontvankelijk is.
15 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een hogere voorziening ingevolge artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut slechts gebaseerd kan zijn op middelen ontleend aan schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke betwisting inzake de feiten zoals het Gerecht die soeverein heeft vastgesteld, en ingevolge artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet vermelden. Uit deze bepalingen volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie, met name, arrest van 19 juni 1992, zaak C-18/91 P, V., Jurispr. 1992, blz. I-3997, r.o. 15, en beschikkingen van 7 maart 1994, zaak C-338/93 P, De Hoe, Jurispr. 1994, blz. I-819, r.o. 17 en 18, en 26 september 1994, zaak C-26/94 P, X, Jurispr. 1994, blz. I-4379, r.o. 11 en 12).
16 De door rekwirant voorgedragen middelen voldoen evenwel aan dit vereiste, aangezien hij het Gerecht precies verwijt, artikel 24 van bijlage X onjuist te hebben uitgelegd en zijn arrest niet te hebben gemotiveerd. Deze middelen zijn dus ontvankelijk.
17 Daarentegen draagt De Rijk het middel inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel voor zonder nadere argumenten tot staving ervan aan te voeren. Dit middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
18 Voorts zij eraan herinnerd, dat uit vaste rechtspraak van het Hof tevens blijkt, dat nieuwe middelen, die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet in hogere voorziening kunnen worden voorgedragen (arrest V., reeds aangehaald, r.o. 21).
19 Door erop te wijzen, dat artikel 24 van bijlage X, anders dan de artikelen 10 en 20, geen enkele beperking inzake de verblijfplaats van de kinderen of de levensomstandigheden bevat, draagt De Rijk in casu geen nieuw middel voor, doch voert hij een argument aan tot staving van een middel dat door het Gerecht reeds is onderzocht, te weten de onjuiste uitlegging van artikel 24 van bijlage X.
20 De door De Rijk voorgedragen middelen moeten dus worden onderzocht met uitsluiting van het middel inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
Ten gronde
Het middel inzake schending van artikel 24 van bijlage X
21 De Rijk stelt allereerst dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, de bewoordingen van artikel 24 van bijlage X duidelijk zijn, zodat deze bepaling geen uitlegging behoeft. Indien een uitlegging nodig zou zijn, moet evenwel niet alleen rekening worden gehouden met de aan de vaststelling van deze tekst voorafgaande onderhandelingen, maar ook met de toelichting erbij.
22 Hij wijst er in dit verband op, dat de Commissie voor de toepassing van artikel 24 van bijlage X een woonplaatsvereiste heeft willen invoeren, in die zin dat deze bepaling van toepassing zou zijn op de ambtenaren en rechtverkrijgenden die samenwonen. Het feit dat deze voorwaarde tijdens de aan de vaststelling van deze bijlage voorafgaande onderhandelingen is geschrapt, moet in aanmerking worden genomen voor de uitlegging van artikel 24, in die zin dat de aanvullende verzekering waarin dit artikel voorziet, wordt toegekend zonder dat enig woonplaatsvereiste wordt gesteld voor de ten laste van de ambtenaar komende personen.
23 Voorts merkt hij op, dat in punt 22 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening dat tot verordening nr. 3019/87 heeft geleid, was gepreciseerd, dat een aanvullende verzekering gerechtvaardigd was gelet op de zeer hoge kosten van gezondheidszorg en op het extra risico dat de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en hun gezinnen in bepaalde landen lopen. In weerwil van deze vaststelling heeft de gemeenschapswetgever evenwel artikel 24 van bijlage X bij het Statuut vastgesteld, dat zonder enig woonplaatsvereiste algemeen voorziet in volledige vergoeding van de ziektekosten.
24 De Rijk betoogt vervolgens, dat artikel 24 van bijlage X, anders dan de artikelen 10 en 20 van deze bijlage, geen enkele beperking inzake de verblijfplaats van de kinderen of de levensomstandigheden bevat, en concludeert daaruit, dat de gemeenschapswetgever deze aanvullende verzekering aan alle in een derde land tewerkgestelde ambtenaren heeft willen toekennen, ongeacht de verblijfplaats van hun kinderen.
25 Ten slotte was het Gerecht volgens De Rijk ten onrechte van oordeel, dat de door hem voorgestane uitlegging zich niet verdraagt met het non-discriminatiebeginsel. Hij stelt enerzijds, dat door het feit dat de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren uit hoofde van artikel 24 van bijlage X bij het Statuut een speciale premie betalen, zijzelf en hun gezinnen financiële verplichtingen hebben die verschillen van die van de andere ambtenaren, en dus een specifieke categorie van ambtenaren vormen wier verschillende situatie een verschillende behandeling rechtvaardigt. Anderzijds merkt hij op, dat wanneer de redenering van het Gerecht zou worden gevolgd, een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar wiens kind permanent in zijn standplaats verblijft, in dezelfde situatie zou verkeren als een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar wiens kind in een ander derde land verblijft, doch deze laatste zou anders worden behandeld, aangezien artikel 24 van bijlage X niet op hem van toepassing zou zijn.
26 Geen enkel van de door rekwirant tot staving van zijn middel voorgedragen argumenten kan slagen.
27 Zoals het Gerecht heeft opgemerkt, blijkt uit de considerans van verordening nr. 3019/87 alsmede uit de toelichting bij het voorstel voor deze verordening, dat de aanvullende verzekering tot dekking van de ziektekosten gerechtvaardigd is gelet op de zeer hoge kosten van gezondheidszorg in sommige landen en op het extra risico dat deze ambtenaren en hun gezinnen lopen.
28 Het ware in strijd met het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel, deze verzekering uit te breiden tot de ten laste van de verzekerde komende personen die in de Gemeenschap verblijven en dus blootstaan aan dezelfde kosten en risico's als de personen die ten laste van niet in een derde land tewerkgestelde ambtenaren komen.
29 Een dergelijke uitbreiding zou, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt, het beginsel van gelijke behandeling schenden, daar de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren zonder enige rechtvaardiging gunstiger zouden worden behandeld dan degenen die in de Gemeenschap zijn tewerkgesteld. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de op eerstgenoemden rustende verplichting om een speciale premie te betalen geen grond is om een onderscheid te maken tussen hen en de anderen, aangezien deze verplichting tot de specifieke risico's van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren beperkt is.
30 Het argument van De Rijk inzake het verschil in behandeling tussen enerzijds de in een derde land tewerkgestelde ambtenaar met een kind dat permanent in zijn standplaats verblijft, en anderzijds de in een derde land tewerkgestelde ambtenaar wiens kind in een ander derde land verblijft, dient overigens te worden verworpen.
31 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Gerecht zich alleen over de verenigbaarheid van de relevante algemene uitvoeringsbepalingen met artikel 24 van bijlage X heeft uitgesproken voor zover deze uitsluiten dat dit artikel van toepassing is op het geval van een ten laste van een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar komend kind dat permanent in de Gemeenschap verblijft. De vraag of artikel 2 van de algemene uitvoeringsbepalingen de volledige vergoeding van de ziektekosten in het door rekwirant genoemde geval uitsluit, en in voorkomend geval of het verenigbaar is met artikel 24 van bijlage X, behoeft daarentegen in casu niet te worden beantwoord.
32 Gelet op een en ander kunnen de argumenten inzake enerzijds het verschil in formulering tussen de artikelen 10 en 20 van bijlage X en artikel 24 van bijlage X, en anderzijds de aan de vaststelling van verordening nr. 3019/87 voorafgaande onderhandelingen tot geen andere uitlegging van artikel 24 van bijlage X leiden dan die welke in het bestreden arrest is gegeven.
33 Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld, dat de relevante bepalingen van artikel 2 van de algemene uitvoeringsbepalingen niet in strijd zijn met artikel 24 van bijlage X bij het Statuut.
34 Het eerste middel van de hogere voorziening moet dus worden afgewezen.
Het middel inzake niet-nakoming van de in artikel 33 van 's Hofs Statuut-EG neergelegde motiveringsplicht
35 De Rijk stelt, dat de door het Gerecht gegeven rechtvaardigingsgrond voor de vergoeding van de ziektekosten wanneer het gaat om derde landen waar de ziektekosten of -risico's niet hoger zijn dan in de Gemeenschap of wanneer deze kosten tijdens tijdelijke verblijven van de ambtenaren of de te hunnen laste komende personen in de Gemeenschap zijn gemaakt, te weten het beginsel van een gezond beheer, ontoereikend is en in strijd is met de redenering van het Gerecht, volgens welke artikel 24 van bijlage X slechts kan worden toegepast in het strikte geval van de aanwezigheid van de specifieke ongemakken omwille waarvan het is vastgesteld.
36 Dienaangaande zij vastgesteld, dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld, dat het voor elk land bepalen van de werkelijke kosten van geneeskundige verzorging of van het niveau van de ziekterisico's overdreven zou zijn geweest, gelet op de inspanningen die daarvoor zouden moeten worden gedaan, het kleine aantal landen waarin de ziektekosten of -risico's niet hoger zijn dan in de Gemeenschap, het geringe aantal ambtenaren dat in deze landen is tewerkgesteld en de moeilijkheid om de geneeskundige praktijken van de verschillende landen onderling te vergelijken. Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld, dat de compensatie van de ongemakken omwille waarvan de specifieke regeling van bijlage X is vastgesteld, niet opnieuw in het geding wordt gebracht door het feit dat de wetgever er enerzijds de voorkeur aan heeft gegeven, te vermoeden dat de ziektekosten of -risico's in alle derde landen hoger zijn, en anderzijds de toepassing van de betrokken regeling niet heeft uitgesloten voor de gevallen waarin de ziektekosten door in een derde land tewerkgestelde ambtenaren of te hunnen laste komende personen tijdens een tijdelijk verblijf in de Gemeenschap zijn gemaakt, waarbij hij aldus in een streven naar eenvoud voor een administratief werkbaar systeem heeft gekozen.
37 Het op basis van het beginsel van een gezond beheer toepassen van deze regeling op de in rechtsoverweging 35 van het bestreden arrest genoemde gevallen is dus niet in strijd met de door het Gerecht in rechtsoverweging 34 van het bestreden arrest gevolgde redenering, volgens welke artikel 24 van bijlage X slechts een reden van bestaan heeft in het geval van aanwezigheid van de specifieke ongemakken omwille waarvan een afwijkende vergoedingsregeling is vastgesteld. Er is daarentegen geen reden om deze regeling toe te passen wanneer het ontbreken van deze specifieke ongemakken veeleer de regel dan de uitzondering is, dat wil zeggen wanneer de verblijfplaats in de Gemeenschap permanent is.
38 Mitsdien moeten het tweede middel en de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat reglement blijven evenwel de kosten, in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van dit Reglement is artikel 70 echter niet van toepassing, indien de hogere voorziening door ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen is ingesteld. Daar rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten van deze aanleg te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst rekwirant in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy