Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Richtlijn 79/7 - Toegestane afwijking inzake vaststelling van pensioengerechtigde leeftijd - Draagwijdte - Beperking tot discriminaties die objectieve en noodzakelijke band hebben met verschil in pensioenleeftijd - Verschillende berekeningswijze van rustpensioenen - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
Samenvatting
Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de werknemer.
De vaststelling van de leeftijd voor toekenning van het rustpensioen is inderdaad bepalend voor de periode gedurende welke de betrokkenen bijdragen voor het pensioenstelsel kunnen betalen. Indien een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers is gehandhaafd, een feitelijke kwestie die ter beoordeling van de nationale rechter staat, houdt een discriminatie betreffende de wijze van berekening van de pensioenen noodzakelijk en objectief verband met dit verschil en valt zij daarmee onder de afwijking van eerdergenoemde bepaling.
Partijen
In zaak C-154/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
L. Wolfs
en
Rijksdienst voor Pensioenen (RVP),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. F. Mancini, J. L. Murray, H. Ragnemalm (rapporteur) en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- L. Wolfs,
- de Rijksdienst voor Pensioenen, vertegenwoordigd door G. Perl, administrateur-generaal, als gemachtigde,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door A.-M. Snyers, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van L. Wolfs; de Rijksdienst voor Pensioenen, vertegenwoordigd door J.-P. Lheureux, adjunct-adviseur, als gemachtigde; de Belgische regering, vertegenwoordigd door A.-M. Snyers, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, ter terechtzitting van 22 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 april 1996, ingekomen bij het Hof op 7 mei daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen L. Wolfs en de Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: "RVP") over de berekening van zijn pensioen.
3 Koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258; hierna: "koninklijk besluit nr. 50"), dat van toepassing was tot 1 januari 1991, bepaalde de normale pensioenleeftijd voor mannen op 65 jaar en voor vrouwen op 60 jaar.
4 Volgens artikel 10 van koninklijk besluit nr. 50 werd het recht op rustpensioen verworven per kalenderjaar naar rato van een breuk van de lonen waarvan het bedrag volgens bepaalde specifieke regels werd vastgesteld. Voor mannen was het pensioenbedrag per kalenderjaar gelijk aan 1/45 en voor vrouwen aan 1/40 van het aldus berekende loon.
5 Wanneer de duur van de loopbaan langer was dan 40 of 45 jaar, werden de gunstigste kalenderjaren uit deze periode in aanmerking genomen.
6 Ingevolge een nieuw stelsel, ingevoerd bij de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor de werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990, blz. 15875; hierna: "wet van 1990"), kunnen sinds 1 januari 1991 zowel mannen als vrouwen ten vroegste met pensioen gaan op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de belanghebbende de leeftijd van 60 jaar bereikt.
7 Voor de berekening van het pensioen bepaalde de wet van 1990, dat het recht op het rustpensioen per kalenderjaar werd verkregen naar rato van een bij koninklijk besluit nr. 50 vastgestelde breuk van het loon van de belanghebbende, en dat de noemer van deze breuk voor mannen 45 en voor vrouwen 40 bleef.
8 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn verbiedt iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, met betrekking tot de berekening van de prestaties, waaronder begrepen de ouderdomsuitkeringen.
9 Artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, op grond waarvan afwijkingen van dat beginsel mogelijk zijn, bepaalt evenwel:
"1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;
(...)"
10 In de zaak Van Cant, die geleid heeft tot het arrest van 1 juli 1993 (C-154/92, Jurispr. blz. I-3811), had de Arbeidsrechtbank te Antwerpen het Hof gevraagd, of de wijze van berekening van het rustpensioen van mannelijke gerechtigden, zoals uiteengezet, een discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 4 van de richtlijn opleverde.
11 In zijn arrest in die zaak overwoog het Hof (punt 13), dat ingeval een nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft opgeheven - een feitelijke kwestie die ter beoordeling van de nationale rechter staat -, artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 niet meer kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de handhaving van een verschil in de wijze van berekening van het rustpensioen, dat samenhing met dat verschil in pensioenleeftijd.
12 In dat arrest verklaarde het Hof derhalve voor recht, dat de artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, van de richtlijn zich ertegen verzetten, dat een nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat verband houdt met het in de vroegere wettelijke regeling bestaande verschil in pensioenleeftijd.
13 In het onderhavige geval blijkt uit de stukken, dat de RVP Wolfs een rustpensioen voor werknemers heeft toegekend van 109 026 BFR per jaar. Dat pensioen is berekend op basis van een naar rato van zijn loopbaan berekende breuk gelijk aan 13/45, waarbij de jaren 1955-1967 in aanmerking zijn genomen. Wolfs heeft België in 1968 verlaten.
14 Wolfs heeft bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep ingesteld tot nietigverklaring van de pensioenbeschikking van de RVP, waarbij hij onder verwijzing naar het arrest Van Cant heeft gesteld, dat de berekeningswijze voor het pensioen voor vrouwen, waarbij wordt uitgegaan van de 40 gunstigste jaren van arbeid, tot een hoger pensioen zou leiden dan wat hem is toegekend.
15 In het kader van dat beroep heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Geldt de uitsluiting bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 (betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid) nog steeds voor een stelsel van flexibele rustpensioenen dat door een lidstaat is ingesteld overeenkomstig aanbeveling 82/857/EEG van de Raad van 10 december 1982 (betreffende de beginselen van een communautair beleid inzake de pensioenleeftijd), in die zin dat de vaststelling van een flexibele pensioenleeftijd voor mannen en voor vrouwen, bijvoorbeeld tussen 60 en 65 jaar, niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met de vaststelling van een voor iedereen identieke vertrekleeftijd en, zelfs zo daarbij een verschillende wijze van berekening van het pensioen van mannen en vrouwen wordt gehandhaafd, niet noodzakelijkerwijs in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG, daar in een dergelijk stelsel elke toekomstige gepensioneerde de mogelijkheid heeft vrij te bepalen, met inachtneming van zijn loopbaan, wanneer hij met pensioen gaat; en dit in het bijzonder indien de ingevoerde regeling beantwoordt aan een dwingende doelstelling van sociaal beleid van de lidstaat en haar rechtvaardiging vindt in redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht?
2) Zo niet, legt dan de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 79/7/EEG en van aanbeveling 82/857/EEG, te weten de invoering van een flexibele pensioenleeftijd voor iedereen en de gelijkheid van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, enerzijds, en de gelijktijdige inaanmerkingneming van de formele gelijkheid en van de nog bestaande reële discriminaties tussen mannen en vrouwen ter zake van de wettelijke rustpensioenen, anderzijds, een lidstaat automatisch de verplichting op, de voorwaarden voor toegang tot het rustpensioen naar beneden toe gelijk te maken, door mannen en vrouwen naar keuze van de belanghebbende recht op een rustpensioen toe te kennen vanaf de laagste leeftijd en berekend op de wijze die tot dan toe gold voor de categorie die al op die leeftijd recht op rustpensioen had; en dit ongeacht de gevolgen daarvan voor het financiële evenwicht van pensioenstelsels die niet op basis van die beginselen zijn ingevoerd?
3) Nog steeds indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet de gunstigste oplossing voor de belanghebbende ingevolge het gemeenschapsrecht voor de gehele loopbaan van de betrokkene gelden, of kan zij enkel worden toegepast voor de jaren van de loopbaan van ofwel na de inwerkingtreding van de wet waarbij de flexibele pensioenleeftijd is ingevoerd, ofwel na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 juli 1993 in de zaak Van Cant/Rijksdienst voor Pensioenen?"
16 Bij brief van 12 mei 1997 heeft de verwijzende rechterlijke instantie het Hof meegedeeld, dat de RVP bij het Arbeidshof te Brussel hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking van 22 april 1996 en met name had geconcludeerd tot intrekking van de prejudiciële vragen. Overeenkomstig het advies van de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel heeft het Hof daarop de prejudiciële procedure geschorst.
17 Bij brief van 18 juni 1998 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel het Hof verzocht de behandeling van de prejudiciële vragen voort te zetten.
De eerste vraag
18 Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter, kort samengevat, vernemen, of een pensioenregeling waarbij zowel mannen als vrouwen op de leeftijd van 60 jaar met pensioen kunnen gaan, maar waarin de berekeningswijze naar geslacht verschillend blijft, onder de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn valt.
19 Deze vraag komt inhoudelijk overeen met die welke in het arrest Van Cant is onderzocht. In tussentijd heeft zich echter een nieuwe ontwikkeling voorgedaan met betrekking tot het stelsel dat zowel ten tijde van het arrest Van Cant als op het tijdstip van de verwijzing van de onderhavige zaak van toepassing was.
20 Op 19 juni 1996, dus na de verwijzingsbeschikking, heeft het Belgische parlement namelijk een wet tot interpretatie van de wet van 1990 vastgesteld (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1996, blz. 19579; hierna: "interpretatieve wet"). Sedertdien wordt de wet van 1990 geacht, vanaf zijn inwerkingtreding op 1 januari 1991 de strekking te hebben die er door de interpretatieve wet aan wordt gegeven.
21 Volgens artikel 2 van de interpretatieve wet wordt voor de toepassing van de artikelen 2, §§ 1, 2, 3, en 3, §§ 1, 2, 3, 5, 6, 7, van de wet van 1990 "onder het woord $rustpensioen' verstaan het vervangingsinkomen dat toegekend wordt aan de gerechtigde die wordt geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te zijn geworden, welke toestand voor de mannelijke gerechtigden wordt geacht te ontstaan op de leeftijd van 65 jaar en voor de vrouwelijke gerechtigden op de leeftijd van 60 jaar".
22 Voor een nuttig antwoord aan de nationale rechter moeten de bepalingen van de richtlijn derhalve worden uitgelegd met het oog op de thans geldende nationale voorschriften.
23 Daarbij moet erop worden gewezen, dat het Hof zich reeds in zijn arrest van 30 april 1998, De Vriendt e.a. (C-377/96-C-384/96, Jurispr. blz. I-2105), hiermee heeft beziggehouden.
24 In punt 25 van dat arrest herinnerde het Hof eraan, dat volgens vaste rechtspraak de in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn geregelde afwijking strikt moet worden uitgelegd (zie, onder meer, arrest van 30 maart 1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. blz. I-1247, punt 8). Wanneer een lidstaat met toepassing van dat artikel voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, is de werkingssfeer van de toegestane afwijking beperkt tot de discriminaties die objectief en noodzakelijk verband houden met het verschil in pensioenleeftijd (arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, en arrest van 19 oktober 1995, Richardson, C-137/94, Jurispr. blz. I-3407, punt 18). Indien daarentegen een nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd heeft opgeheven, mag de lidstaat geen verschil op grond van geslacht in de wijze van berekening van het pensioen handhaven (arrest Van Cant, reeds aangehaald, punt 13).
25 In punt 26 van het arrest De Vriendt e.a. merkte het Hof voorts op, dat uit de aard van de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn voorkomende uitzonderingen kan worden afgeleid, dat de communautaire wetgever de lidstaten heeft willen toestaan tijdelijk de aan vrouwen toegekende voordelen op pensioengebied te handhaven, teneinde hen in staat te stellen hun pensioenstelsels op dit punt geleidelijk aan te passen zonder het ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels - een aspect dat niet kon worden genegeerd - te verstoren (arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities Commission, C-9/91, Jurispr. blz. I-4297, punt 15).
26 Gelet op deze constateringen concludeerde het Hof in punt 27 van het arrest De Vriendt e.a., dat dus moet worden vastgesteld, of de discriminatie met betrekking tot de wijze van berekening van de rustpensioenen noodzakelijk en objectief verband houdt met de handhaving van nationale bepalingen die de pensioenleeftijd verschillend vaststellen naar gelang van het geslacht, en derhalve onder de afwijking van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn vallen.
27 Dienaangaande herinnerde het Hof in punt 28 van het arrest De Vriendt e.a. eraan, dat blijkens punt 13 van het arrest Van Cant de vraag, of de nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, een feitelijke kwestie is die ter beoordeling van de nationale rechter staat.
28 Voor het geval dat dit verschil zou zijn gehandhaafd, merkte het Hof in punt 29 van het arrest De Vriendt e.a. op, dat de vaststelling van de leeftijd voor toekenning van het rustpensioen inderdaad bepalend is voor de periode gedurende welke de betrokkenen bijdragen voor het pensioenstelsel kunnen betalen.
29 Het Hof concludeerde in punt 30 van genoemd arrest, dat in een dergelijk geval een discriminatie bij de berekening van de pensioenen, zoals die welke uit de betrokken nationale wettelijke regeling voortvloeit, noodzakelijk en objectief verband houdt met het verschil dat met betrekking tot de pensioenleeftijd is gehandhaafd.
30 Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de werknemer.
De tweede en de derde vraag
31 Daar de tweede en de derde vraag slechts zijn gesteld voor het geval dat de eerste ontkennend zou worden beantwoord, kunnen zij onbesproken blijven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Belgische regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking van 22 april 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de werknemer.
Full & Egal Universal Law Academy