Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beschikking nr. 2131/88 van Commissie waarbij definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië - Werkingssfeer - Producten van oorsprong uit Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië - Daaronder begrepen
Samenvatting
De anti-dumpingrechten die bij beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, luidens artikel 1 daarvan worden ingesteld op de invoer van bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië", zijn ook van toepassing op dergelijke producten indien deze zijn vervaardigd door een producent en exporteur die was gevestigd in de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, maar die op het tijdstip van de invoer van de betrokken producten, na de onafhankelijkheidsverklaring, in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is gevestigd.
Daar anti-dumpingmaatregelen naar hun aard betrekking hebben op bepaalde producten van oorsprong uit een bepaald gebied, en derhalve van toepassing zijn naar gelang van de herkomst van de goederen, heeft een wijziging in de benaming of de politieke structuur van het geografisch gebied dat in een beschikking tot instelling van een voorlopig of definitief anti-dumpingrecht als land van oorsprong of van uitvoer wordt vermeld, geen enkele invloed op het economisch doel van het ingestelde anti-dumpingrecht, en kan zij dus op zich niet ten gevolge hebben, dat dat recht niet van toepassing is op uit dit gebied afkomstige producten.
Indien een leverancier van dumpingproducten de anti-dumpingrechten kon ontwijken op de enkele grond, dat hij is gevestigd op een grondgebied dat door de autoriteiten onafhankelijk is verklaard, zouden de anti-dumpingmaatregelen hun doel, namelijk te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap, kunnen missen. Het feit dat die leverancier volkenrechtelijk onder de bevoegdheid van een nieuwe staat valt, belet immers niet, dat zijn dumpingpraktijken een bedrijfstak van de Gemeenschap schade blijven berokkenen.
De volkenrechtelijke beginselen inzake statenopvolging gelden niet rechtstreeks voor anti-dumpingrechten, daar deze geen schulden van de staat zijn, maar door particulieren verschuldigde heffingen.
Deze uitlegging van beschikking nr. 2131/88 is verenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel, een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, dat onder meer verlangt, dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen. Dienaangaande toont het gebruik van de uitdrukking "Joegoslavië" in beschikking nr. 2131/88 duidelijk aan, dat deze op het gehele grondgebied binnen de grenzen van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië van toepassing is. Ten tijde van de vaststelling van de beschikking kon de uitdrukking "Joegoslavië" immers geen andere betekenis hebben, en sinds het uiteenvallen van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië kan deze uitdrukking slechts zien op het grondgebied van deze voormalige republiek.
Partijen
In zaak C-177/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgische Staat
en
Banque Indosuez e.a., Europese Gemeenschap,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie van 18 juli 1988 waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en waarbij het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer werd ingesteld, definitief wordt ingevorderd (PB 1988, L 188, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, R. Schintgen, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door B. van de Walle de Ghelcke, advocaat te Brussel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet en N. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 13 mei 1996, ingekomen bij het Hof op 22 mei daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie van 18 juli 1988 waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en waarbij het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer werd ingesteld, definitief wordt ingevorderd (PB 1988, L 188, blz. 14).
2 Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Banque Indosuez (hierna: "Indosuez"), vennootschap naar Zwitsers recht, Stahlhandel Schmitz GmbH (hierna: "Schmitz"), vennootschap naar Duits recht, en Rijn- en Kanaalvaart Expeditie NV, vennootschap naar Belgisch recht (hierna: "Rijn- en Kanaalvaart Expeditie"), en de Belgische Staat, ter zake van anti-dumpingrechten die deze laatste op grond van beschikking nr. 2131/88 heeft ingevorderd bij de invoer in de Gemeenschap van bepaalde staalproducten van oorsprong uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (hierna: "VJRM").
3 Schmitz voerde de litigieuze producten tussen 1 mei 1992 en 31 juli 1992 in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie in. Blijkens het dossier waren de goederen afkomstig van de onderneming Rudnici i Zelezarnica Skopje (hierna: "Rudnici"), gevestigd te Skopje (VJRM).
4 Beschikking nr. 2131/88 was aanvankelijk gebaseerd op beschikking nr. 2177/84/EGKS van de Commissie van 27 juli 1984 (PB 1984, L 201, blz. 17), en vervolgens op beschikking nr. 2424/88/EGKS van de Commissie van 29 juli 1988 (PB 1988, L 209, blz. 18), die beide betrekking hebben op beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Beschikking nr. 2424/88 heeft beschikking nr. 2177/84 ingetrokken en vervangen.
5 Luidens de achtste overweging van de considerans van beschikking nr. 2177/84 en de tweede overweging van de considerans van beschikking nr. 2424/88, is de in deze beschikkingen opgenomen anti-dumpingregeling vastgesteld in overeenstemming met de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder met die welke voortvloeien uit artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en uit de Overeenkomst inzake de toepassing van dat artikel VI (Anti-dumpingcode van 1979).
6 Op basis van artikel 11 van beschikking nr. 2177/84 stelde de Commissie beschikking nr. 2767/86/EGKS van 5 september 1986 vast (PB 1986, L 254, blz. 18), waarbij voor bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal "van oorsprong uit Joegoslavië" een voorlopig recht van 68 ECU per 1 000 kilogram werd ingesteld. In punt 14 van de considerans van deze beschikking werd Rudnici uitdrukkelijk genoemd als één van de Joegoslavische exporteurs van die producten.
7 Bij besluit 86/639/EGKS van 23 december 1986 houdende aanvaarding van een verbintenis in het kader van het anti-dumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en houdende beëindiging van het onderzoek (PB 1986, L 371, blz. 84), aanvaardde de Commissie de verbintenis van drie Joegoslavische exporteurs, waaronder Rudnici, om geen verdere schade te veroorzaken door de invoer van producten met dumping. Nadat zij klachten had ontvangen over de niet-nakoming van deze verbintenis, trok de Commissie evenwel bij beschikking nr. 229/88/EGKS van 25 januari 1988 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië (PB 1988, L 23, blz. 13), het besluit houdende aanvaarding van de verbintenissen van deze exporteurs in en stelde zij het voorlopig anti-dumpingrecht opnieuw in.
8 Vervolgens werd bij artikel 1 van beschikking nr. 2131/88 een definitief anti-dumpingrecht van 48 ECU per 1 000 kg ingesteld op de invoer van de betrokken producten "van oorsprong uit Joegoslavië". De beschikking trad op 20 juli 1988 voor een termijn van vijf jaar vanaf die datum in werking.
9 Nadat de Joegoslavische Federatie voor kolen en staal in februari 1990 daarom had verzocht, heropende de Commissie op basis van artikel 14 van beschikking nr. 2424/88 het onderzoek inzake de invoer van de betrokken producten.
10 Op 17 september 1991, tijdens dit onderzoek, verklaarde de VJRM zich onafhankelijk.
11 Na afloop van het nieuwe onderzoek kwam de Commissie tot de conclusie, dat er nog steeds sprake was van dumping, zij het dat de dumpingmarge was verminderd. Daarop stelde zij beschikking nr. 2297/92/EGKS van 31 juli 1992 vast, houdende wijziging van beschikking nr. 2131/88/EGKS tot aanvaarding van verbintenissen die waren aangeboden in verband met de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit de Republiek Slovenië en de Joegoslavische Republieken Macedonië, Montenegro en Servië, en tot beëindiging van de anti- dumpingprocedure met betrekking tot de Republiek Kroatië en de Republiek Bosnië-Herzegovina (PB 1992, L 221, blz. 36). Deze beschikking wijzigde beschikking nr. 2131/88 in dier voege, dat een enigszins lager definitief anti-dumpingrecht van 44 ECU per 1 000 kilogram werd vastgesteld. Beschikking nr. 2131/88, zoals gewijzigd, heeft volgens artikel 1 betrekking op de betrokken producten "van oorsprong uit de Republiek Slovenië (...) en de Joegoslavische Republieken Macedonië (...), Montenegro (...) en Servië (...)". Dit artikel bepaalt tevens, dat het definitieve anti-dumpingrecht op de producten van drie exporteurs, waaronder Rudnici, niet van toepassing is op grond van de door deze producenten tijdens het heronderzoek aangegane verbintenissen.
12 Beschikking nr. 2297/92 is evenwel pas op 7 augustus 1992 in werking getreden en is dus niet van toepassing op de invoer die in het hoofdgeding aan de orde is.
13 Schmitz, haar borg Indosuez en douaneagentschap Rijn- en Kanaalvaart Expeditie verzochten de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de geïnde anti-dumpingrechten.
14 Bij vonnis van 29 juni 1994 veroordeelde deze rechterlijke instantie de Belgische Staat bij verstek tot terugbetaling van die rechten.
15 De Belgische Staat tekende tegen dit vonnis verzet aan en riep bovendien de Europese Gemeenschap in het geding. De Europese Gemeenschap verscheen echter niet. In het kader van dit geding stellen Schmitz, Indosuez en Rijn- en Kanaalvaart Expeditie, dat beschikking nr. 2131/88 op de litigieuze invoer niet van toepassing is. Daar de VJRM in 1991 is erkend als onafhankelijke staat, zouden de litigieuze producten, die in 1992 zijn betrokken van een producent in Skopje, niet meer van oorsprong zijn uit Joegoslavië, maar uit de VJRM. In de tweede plaats zou uit de toepasselijke volkenrechtelijke regels inzake statenopvolging volgen, dat enkel de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), met uitsluiting dus van de VJRM, de opvolger is van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië; derhalve zou enkel de Federale Republiek Joegoslavië de verbintenissen van deze laatste inzake heffingen hebben overgenomen, zodat in de betrokken periode geen anti-dumpingrechten konden worden geheven op producten uit de VJRM.
16 Daarop heeft de nationale rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende twee vragen voor te leggen:
"1) Slaat de benaming $Joegoslavië' in de beschikking 2131/88/EGKS ook op de staat Macedonië-Skopje nadat deze zich van (Klein-)Joegoslavië had afgescheurd?
2) Zijn de invoerrechten die bij toepassing van de beschikking 2131/88/EGKS dienen geheven te worden bij invoer in de BLEU van staalproducten waarvan de oorsprong ligt in Joegoslavië, ook van toepassing op zulke invoer met oorsprong in de staat Macedonië-Skopje in de periode van 1 mei 1992 tot en met 31 juli 1992?"
17 Blijkens de feiten in het hoofdgeding wenst de verwijzende rechter met deze twee vragen in hoofdzaak te vernemen, of de bij artikel 1 van beschikking nr. 2131/88 ingestelde anti-dumpingrechten op de invoer van bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië", ook van toepassing zijn op dergelijke producten indien deze zijn vervaardigd door een producent en exporteur die was gevestigd in de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, maar die op het tijdstip van de invoer van de betrokken producten, na de onafhankelijkheidsverklaring, in de VJRM was gevestigd.
18 Zoals het Hof bij herhaling heeft beklemtoond, moet bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar ook met de context en de doelstellingen ervan (arrest van 30 juli 1996, zaak C-84/95, Bosphorus, Jurispr. 1996, blz. I-3953, r.o. 11).
19 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de betrokken anti-dumpingmaatregelen ertoe strekken, de communautaire productie te beschermen tegen producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden ingevoerd tegen een prijs die onder de normale waarde ligt en die de communautaire producenten dus schade kunnen berokkenen.
20 Kernpunt van de anti-dumpingmaatregelen zijn derhalve de producten en hun oorsprong. Om het ontstaan van schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap te vermijden, voorzien zij namelijk in de instelling van anti-dumpingrechten op de invoer uit een bepaald geografisch gebied. Zo bepaalt artikel 13, lid 2, van beschikking nr. 2424/88, dat in een beschikking tot instelling van een voorlopig of definitief anti-dumpingrecht in het bijzonder het betrokken product, het land van oorsprong of van uitvoer en de naam van de leverancier worden vermeld.
21 Daar de geografische herkomst van de producten het relevante criterium is op het gebied van anti-dumpingrechten, heeft een wijziging in de benaming of de politieke structuur van het geografisch gebied dat in een beschikking tot instelling van een voorlopig of definitief anti-dumpingrecht als land van oorsprong of van uitvoer wordt vermeld, geen enkele invloed op het economisch doel van het ingestelde anti-dumpingrecht, en kan zij dus op zich niet ten gevolge hebben, dat dat recht op uit dit gebied afkomstige producten niet van toepassing is.
22 Indien een leverancier van dumpingproducten de anti-dumpingrechten kon ontwijken op de enkele grond, dat hij is gevestigd op een grondgebied dat door de autoriteiten onafhankelijk is verklaard, zouden de anti-dumpingmaatregelen, zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, hun doel, namelijk te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap, kunnen missen. Het feit dat die leverancier volkenrechtelijk onder de bevoegdheid van een nieuwe staat valt, belet immers niet, dat zijn dumpingpraktijken een bedrijfstak van de Gemeenschap schade blijven berokkenen.
23 In casu was beschikking nr. 2131/88, die volgens haar bewoordingen een definitief anti-dumpingrecht instelde op de invoer van bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië", ten tijde van de vaststelling ervan bedoeld om te worden toegepast op het gehele grondgebied van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië. Ofschoon deze republiek intussen in meerdere staten uiteen is gevallen, kan het in beschikking nr. 2131/88 gebruikte woord "Joegoslavië" slechts zien op het geografische gebied dat voorheen het grondgebied van die republiek was en thans de grondgebieden van die staten, waaronder dat van de VJRM, omvat.
24 Daaruit volgt, dat de bij beschikking nr. 2131/88 ingestelde anti-dumpingrechten van toepassing zijn op staalproducten die zijn vervaardigd door een producent en exporteur die was gevestigd in de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, maar die op het tijdstip van de invoer van de betrokken producten, na de onafhankelijkheidsverklaring, in de VJRM is gevestigd.
25 Met betrekking tot het argument van Schmitz, Indosuez en Rijn- en Kanaalvaart Expeditie, dat beschikking nr. 2131/88 op grond van de volkenrechtelijke regels inzake statenopvolging niet van toepassing is op goederen afkomstig uit de VJRM, volstaat de opmerking, dat die beginselen niet rechtstreeks gelden voor anti-dumpingrechten, daar deze geen schulden van de staat zijn, maar door particulieren verschuldigde heffingen.
26 Zoals de advocaat-generaal in de punten 33 en volgende van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet ten slotte worden onderzocht, of het verenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel, indien onder "Joegoslavië" wordt verstaan alle staten op het grondgebied van de vroegere Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië.
27 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het rechtszekerheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht is, hetwelk onder meer verlangt, dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen (arrest van 13 februari 1996, zaak C-143/93, Van Es Douane Agenten, Jurispr. 1996, blz. I-431, r.o. 27).
28 Derhalve moet worden onderzocht, of beschikking nr. 2131/88 de justitiabelen in staat stelt nauwkeurig hun rechtspositie te kennen met betrekking tot de betaling van anti-dumpingrechten op producten die zij in het betrokken tijdvak uit de VJRM hebben ingevoerd.
29 Dienaangaande toont het gebruik van de uitdrukking "Joegoslavië" in beschikking nr. 2131/88 duidelijk aan, dat deze op het gehele grondgebied binnen de grenzen van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië van toepassing is. Ten tijde van de vaststelling van de beschikking kon de uitdrukking "Joegoslavië" immers geen andere betekenis hebben.
30 Zoals in rechtsoverweging 23 reeds werd opgemerkt, kan deze uitdrukking in voormelde beschikking sinds het uiteenvallen van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië slechts zien op het grondgebied van deze voormalige republiek.
31 Bijgevolg zijn de justitiabelen in staat, nauwkeurig de strekking te kennen van beschikking nr. 2131/88, met name van hun verplichting, anti-dumpingrechten te betalen op producten die zij uit de VJRM hebben ingevoerd.
32 Gelet op het voorgaande moeten de vragen aldus worden beantwoord, dat de anti-dumpingrechten die beschikking nr. 2131/88 luidens artikel 1 daarvan instelt op de invoer van bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië", ook van toepassing zijn op dergelijke producten indien deze zijn vervaardigd door een producent en exporteur die was gevestigd in de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, maar die op het tijdstip van de invoer van de betrokken producten, na de onafhankelijkheidsverklaring, in de VJRM is gevestigd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bij beschikking van 13 mei 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De anti-dumpingrechten die beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie van 18 juli 1988 waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en waarbij het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer werd ingesteld, definitief wordt ingevorderd, luidens artikel 1 daarvan instelt op de invoer van bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië", zijn ook van toepassing op dergelijke producten indien deze zijn vervaardigd door een producent en exporteur die was gevestigd in de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, maar die op het tijdstip van de invoer van de betrokken producten, na de onafhankelijkheidsverklaring, in de VJRM is gevestigd.
Full & Egal Universal Law Academy