Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Conclusie van advocaat-generaal - Wijze waarop conclusie is genomen
2. Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Beperking van werking in tijd, voortvloeiend uit arrest van 8 april 1976, 43/75 - Geen beletsel voor nationale bepalingen die recht geven op aansluiting met terugwerkende kracht bij bedrijfspensioenregeling
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
Samenvatting
$$1. Het feit dat het beslissingsvoorstel van de conclusie van de advocaat-generaal wordt voorgelezen ter terechtzitting van een andere kamer dan die welke over de zaak moet oordelen, betekent niet dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in het hoofdgeding toegekende rechten zijn geschonden. De rechters van de betrokken kamer kunnen immers kennis nemen van de conclusie van de advocaat-generaal doordat deze ter griffie van het Hof wordt neergelegd en het openbare karakter van deze conclusie is met name verzekerd doordat het beslissingsvoorstel ter openbare terechtzitting wordt voorgelezen en ter griffie wordt neergelegd.
( cf. punten 26-27 )
2. De uit het arrest van 8 april 1976, Defrenne II, 43/75, volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten op grond waarvan deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
Deze beperking had niet de bedoeling, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten. Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven. In een dergelijk geval is het rechtszekerheidsbeginsel op grond waarvan het Hof bij wijze van uitzondering de mogelijkheid kan beperken om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
Voor deze uitlegging maakt het geen verschil dat de relevante nationale bepalingen verbieden werknemers te discrimineren op grond van het verrichten van deeltijdarbeid en niet op grond van hun geslacht.
( cf. punten 46-48, 50, 56, dictum 1-2 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-234/96 en C-235/96,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landesarbeitsgericht Hamburg (Duitsland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Deutsche Telekom AG
en
A. Vick (C-234/96),
U. Conze (C-235/96),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gehecht aan het EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Deutsche Telekom AG, vertegenwoordigd door G. Engelbrecht, advocaat te Hamburg,
- A. Vick, vertegenwoordigd door K. Neumann-Silkow, advocaat te Wedel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en M. Wolfcarius, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door K. Bertelsmann, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Deutsche Telekom AG en de Commissie ter terechtzitting van 1 juli 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee beschikkingen van 12 december 1995, ingekomen bij het Hof op 9 juli 1996, heeft het Landesarbeitsgericht Hamburg krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: protocol"), gehecht aan het EG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen Deutsche Telekom AG (hierna: Deutsche Telekom"), voorheen Deutsche Bundespost Telekom, enerzijds, en A. Vick (C-234/96) en U. Conze (C-235/96) anderzijds, over de voorwaarden voor aansluiting bij een aanvullende bedrijfspensioenregeling en de toekenning van een pensioen uit hoofde daarvan.
De nationale wettelijke regeling
3 Artikel 3, leden 1 tot en met 3, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (hierna: Grundgesetz") bepaalt:
1. Alle mensen zijn voor de wet gelijk.
2. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten. De staat bevordert de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke rechten voor vrouwen en mannen en zet zich in om aan bestaande ongelijkheden een einde te maken.
3. Niemand mag wegens zijn geslacht, afkomst, ras, taal, land van herkomst, geloofsovertuiging, religieuze of politieke opvattingen worden benadeeld of bevoordeeld. Niemand mag wegens zijn handicap worden benadeeld."
4 Bij artikel 1 van het Gesetz über die Gleichbehandlung von Männern und Frauen am Arbeitsplatz van 13 augustus 1980 (wet van 1980 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het werk) is aan § 612 van het Bürgerliche Gesetzbuch een nieuw lid 3 toegevoegd, dat luidt:
In een arbeidsverhouding mag voor gelijke of gelijkwaardige arbeid niet op grond van het geslacht van de werknemer een lagere beloning worden overeengekomen dan voor een werknemer van het andere geslacht. Het overeenkomen van een lagere beloning kan niet worden gerechtvaardigd doordat in verband met het geslacht van de werknemer bijzondere beschermingsvoorschriften gelden (...)"
5 In 1985 is het Gesetz über arbeitsrechtliche Vorschriften zur Beschäftigungsförderung (wet inzake arbeidsrechtelijke bepalingen ter bevordering van de werkgelegenheid; hierna: BeschFG") aangenomen. De §§ 2 tot en met 6 daarvan hebben betrekking op arbeid in deeltijd. § 2, lid 1, verbiedt de werkgever een deeltijdwerknemer anders te behandelen dan voltijds werkzame werknemers, tenzij er objectieve gronden zijn voor ongelijke behandeling. Ingevolge § 6 kan evenwel bij collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken van het bepaalde in deze afdeling, ook ten nadele van de werknemer.
6 Krachtens § 24 van het Tarifvertrag für Arbeiter der Deutschen Bundespost (CAO voor werknemers van de Deutsche Bundespost) moeten deze werknemers worden verzekerd bij de Versorgungsanstalt der Deutschen Bundespost (pensioenfonds van de Deutsche Bundespost; hierna: VAP") volgens de voorwaarden van het Tarifvertrag über die Versorgung der Arbeitnehmer der Deutschen Bundespost (CAO betreffende de pensioenen van werknemers van de Deutsche Bundespost; hierna: collectieve pensioenregeling").
7 Tot en met 31 december 1987 luidde § 3 van de collectieve pensioenregeling:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste de helft bedraagt van de normale arbeidsduur per week van een vergelijkbare werknemer die voltijds werkzaam is (...)"
8 Deze bepaling is met ingang van 1 januari 1988 als volgt gewijzigd:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste 18 uur per week bedraagt."
9 Bij CAO van 22 september 1992 is § 3 van de collectieve pensioenregeling met terugwerkende kracht tot 1 april 1991 opnieuw gewijzigd, en wel als volgt:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) zijn arbeidsverhouding niet enkel werkzaamheden van geringe duur bevat in de zin van § 8, lid 1, Sozialgesetzbuch IV."
De hoofdgedingen
10 A. Vick is in deeltijd werkzaam geweest bij Deutsche Bundespost Telekom, aanvankelijk voor 24 uur per week tussen 1 juli 1971 en 30 september 1972, vervolgens voor 16 uur per week tussen 1 oktober 1972 en 30 juni 1991, de datum waarop zij met pensioen ging. Sinds 1 juli 1991 ontvangt zij een wettelijk ouderdomspensioen.
11 Vick was van 1 juli 1971 tot en met 30 september 1972 bij de VAP verzekerd. Na de vermindering van haar wekelijkse arbeidstijd per 1 oktober 1972 werd de verzekering beëindigd en kreeg zij haar aan de VAP betaalde premies terug.
12 U. Conze is in deeltijd werkzaam geweest bij Deutsche Bundespost Telekom, aanvankelijk voor 24 uur per week tussen 13 september 1971 en 30 april 1972, vervolgens voor 16 uur per week met ingang van 1 mei 1972. Zij werkt thans nog steeds bij Deutsche Telekom.
13 Conze was van 13 september 1971 tot 30 april 1972 bij de VAP verzekerd. Na de vermindering van haar wekelijkse arbeidstijd per 1 mei 1972 werd de verzekering beëindigd. Na de wijziging van § 3 van de collectieve pensioenregeling werd zij vanaf die datum opnieuw bij de VAP verzekerd.
14 Vick vorderde voor het Arbeitsgericht Hamburg van Deutsche Telekom betaling van een aanvullend ouderdomspensioen vanaf 1 juli 1991 ter hoogte van het bedrag dat zij zou hebben ontvangen indien zij sinds 1 juli 1971 bij de VAP verzekerd was geweest, met rente. Ook Conze heeft Deutsche Telekom voor het Arbeitsgericht Hamburg aangesproken en gevorderd, dat zij bij uitkering van de aanvullende pensioenverzekering in de situatie wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd, indien zij tussen 1 januari 1983 en 31 maart 1991 bij de VAP verzekerd was geweest.
15 Beiden stelden, dat de uitsluiting van werknemers met een dienstverband van minder dan 18 uur per week van het recht op aanvullend pensioen een bij artikel 119 van het Verdrag, artikel 3 Grundgesetz en § 2, lid 1, BeschFG verboden discriminatie was.
16 Deutsche Telekom concludeerde tot afwijzing van de vorderingen, met name op grond dat de rechten waarop Vick en Conze zich beriepen, hen in het gunstigste geval eerst toekwamen vanaf 17 mei 1990, de datum van uitspraak van het arrest Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889).
17 Bij vonnissen van 7 december 1993 en 21 maart 1995 wees het Arbeitsgericht de vordering van Vick respectievelijk Conze in volle omvang toe. In zijn tweede vonnis overwoog het, dat dit resultaat reeds voortvloeide uit het algemene beginsel van gelijke behandeling van artikel 3, lid 1, Grundgesetz en dat derhalve, gelet op de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht, de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag niet relevant was.
18 Deutsche Telekom stelde van deze vonnissen hoger beroep in bij het Landesarbeitsgericht Hamburg. Zij betoogde in het bijzonder, dat het protocol voorrang heeft boven artikel 3 Grundgesetz en dat de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag derhalve moet gelden in alle gevallen van seksediscriminatie op het gebied van ondernemings- of sectorale regelingen inzake sociale zekerheid.
19 Vick en Conze brachten daartegen in, dat het door hen gestelde recht op bedrijfspensioen voortvloeit uit het algemene sociaalrechtelijke beginsel van gelijke behandeling en uit § 2, lid 1, BeschFG. De beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag zou dan ook niet gelden voor de bepalingen die zij aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, en zou een beroep op de nationale bepalingen inzake gelijke behandeling niet in de weg staan.
20 Tijdens de mondelinge behandeling voor het Landesarbeitsgericht erkenden alle partijen, dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers met een dienstverband van minder dan een bepaald aantal uren van het recht op bedrijfspensioen, indirecte discriminatie op grond van geslacht is in de zin van artikel 119 van het Verdrag. Door deze uitsluiting werd immers een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen getroffen zonder dat voor die uitsluiting een objectieve reden bestond.
De prejudiciële vragen
21 Het Landesarbeitsgericht is overeenkomstig de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht van oordeel, dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling niet alleen in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, maar ook een nationaalrechtelijk ongeoorloofde discriminatie wegens deeltijdarbeid is. Naar nationaal recht zou de mogelijkheid om zich op de relevante nationale bepalingen te beroepen niet in de tijd beperkt zijn; het is echter de vraag, of het verbod van terugwerkende kracht als neergelegd in het protocol ook geldt voor op het nationale recht gebaseerde aanspraken.
22 In dit verband overweegt de verwijzende rechter, dat het doel van artikel 119 van het Verdrag niet is, de deelneming van deeltijdwerknemers aan bedrijfspensioenregelingen te regelen, maar seksediscriminatie op het gebied van de beloning tegen te gaan. Bijgevolg zou zelfs wanneer discriminatie van deeltijdwerknemers tevens in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, het protocol niet kunnen prevaleren boven de nationale bepalingen die andere discriminatie dan seksediscriminatie verbieden.
23 Aangezien echter het gestelde inzake de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag niet kennelijk ongegrond voorkwam, heeft het Landesarbeitsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in beide zaken de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Hebben artikel 119 EG-Verdrag, het tweede Barber-protocol en de desbetreffende rechtspraak van het Hof als primair gemeenschapsrecht voorrang boven het in de Bondsrepubliek geldende constitutionele recht (artikel 3 Grundgesetz) en het gewone recht (§ 2, lid 1, Beschäftigungsförderungsgesetz, algemeen sociaalrechtelijk beginsel van gelijke behandeling), zodat, wanneer is voldaan aan de feitelijke voorwaarden voor een vordering krachtens artikel 119 EG-Verdrag wegens indirecte seksediscriminatie in een bedrijfspensioenregeling waarin deeltijdwerknemers worden achtergesteld, op grond van nationale constitutionele bepalingen of bepalingen van lagere rang slechts aanspraak op uitkering kan worden gemaakt onder dezelfde beperkingen als gelden voor de concurrerende gemeenschapsrechtelijke aanspraak op grond van artikel 119 EG-Verdrag, zodat in afwijking van de naar nationaal recht te geven beoordeling ook op grond van de nationale bepalingen slechts uitkeringen verschuldigd zijn voor na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens voor werknemers die vóór deze datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend?
2) Geldt dit ook, wanneer volgens de concurrerende nationale rechtsgrondslag reeds recht op gelijke behandeling bestaat wegens achterstelling van deeltijdwerknemers zonder objectieve rechtvaardiging, zonder dat van belang is of er ook sprake is van indirecte seksediscriminatie, omdat naar verhouding meer vrouwelijke werknemers nadelig worden behandeld?"
24 Bij beschikking van de president van het Hof van 25 september 1996 zijn de twee zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.
Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
25 Bij brief van 10 november 1998 heeft Deutsche Telekom om heropening van de mondelinge behandeling verzocht. In de eerste plaats zou de conclusie van de advocaat-generaal onregelmatig zijn genomen, omdat zij is voorgelezen in een zitting van de Vijfde kamer en niet van de Zesde kamer, die de zaak behandelt. In de tweede plaats wenste zij opmerkingen in te dienen over de inhoud van die conclusie, met name in het licht van een beschikking van het Bundesverfassungsgericht van 5 augustus 1998, dus na de terechtzitting in de onderhavige zaak. Volgens Deutsche Telekom is een weigering om na de conclusie van de advocaat-generaal, waarmee overeenkomstig artikel 59, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de mondelinge behandeling wordt afgesloten, bij wijze van uitzondering heropening van de mondelinge behandeling toe te staan teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te wijzen op kennelijke fouten of leemten in de uiteenzetting van de feiten of in de juridische beoordeling, dan wel te antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal, in strijd met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM").
26 In dit verband dient in de eerste plaats te worden vastgesteld, dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in het hoofdgeding toegekende rechten niet zijn geschonden door de wijze waarop de conclusie in de onderhavige zaak is genomen.
27 De rechters van de Zesde kamer, die over de onderhavige zaak moeten oordelen, hebben immers kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal, aangezien deze ter griffie van het Hof is neergelegd; het openbare karakter ervan is verzekerd doordat zij ter openbare terechtzitting is voorgelezen en ter griffie is neergelegd.
28 In de tweede plaats volgt uit de beschikking van het Hof van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-665, punt 18), dat juist in verband met artikel 6 EVRM en het doel van het recht van eenieder op een procedure op tegenspraak en een eerlijk proces in de zin van deze bepaling, het Hof ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering kan heropenen, indien het van oordeel is, dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden.
29 In casu is het Hof echter, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel, dat Deutsche Telekom in haar verzoek niets naar voren heeft gebracht op grond waarvan heropening van de mondelinge behandeling zinvol of noodzakelijk voorkomt.
30 Het verzoek van Deutsche Telekom moet derhalve worden afgewezen.
De eerste vraag
31 Met het eerste deel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling. Zo ja, dan vraagt de verwijzende rechter in het tweede deel van deze vraag, of de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid het gemeenschapsrecht moet toepassen, verplicht is de volle werking van die normen te verzekeren en zo nodig daarmee strijdige bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten.
Het eerste deel van de eerste vraag
32 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een pensioenregeling van het type als in de hoofdgedingen aan de orde is, die voornamelijk afhankelijk is van de door de betrokkene vervulde dienstbetrekking, deel uitmaakt van de door deze ontvangen beloning en onder artikel 119 van het Verdrag valt (zie in deze zin met name arrest van 13 mei 1986, Bilka, 170/84, Jurispr. blz. 1607, punt 22; arrest Barber, reeds aangehaald, punt 28, en arrest van 28 september 1994, Beune, C-7/93, Jurispr. blz. I-4471, punt 46). De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een dergelijke pensioenregeling kan derhalve in strijd zijn met artikel 119 (zie in deze zin arrest Bilka, reeds aangehaald, punt 29).
33 Wat de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag betreft, heeft het Hof in het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 40), voor recht verklaard, dat voor de nationale rechterlijke instanties een beroep kan worden gedaan op het in artikel 119 van het Verdrag vervatte beginsel van gelijke beloning en dat zij de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan die bepaling ontlenen, moeten verzekeren. In de punten 74 en 75 van dat arrest preciseerde het Hof evenwel, dat dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle, openbare zowel als particuliere, belangen meebrengen, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 geen beroep kan worden gedaan voor loonaanspraken over tijdvakken voorafgaande aan de dag waarop het arrest werd uitgesproken, dus 8 april 1976, behoudens wanneer een werknemer reeds een beroep in rechte of een daarmee gelijk te stellen vordering had ingediend.
34 Ten aanzien van bedrijfspensioenregelingen verklaarde het Hof in de punten 44 en 45 van het arrest Barber voor recht, dat op grond van dwingende overwegingen van rechtszekerheid geen beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag kan worden gedaan ter verkrijging van een pensioenrecht vanaf een eerdere datum dan die van de uitspraak van dat arrest, 17 mei 1990, behoudens door degenen die vóór die datum een rechtsvordering hadden ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingediend.
35 Zoals het Hof preciseerde in het arrest van 6 oktober 1993, Ten Oever (C-109/91, Jurispr. blz. I-4879, punt 20), kan ingevolge het arrest Barber op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
36 Deze beperking staat eveneens in het protocol, dat bepaalt dat voor de toepassing van artikel 119 uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
37 Niettemin volgt uit de arresten van 28 september 1994, Vroege (C-57/93, Jurispr. blz. I-4541, punten 20-27), en Fisscher (C-128/93, Jurispr. blz. I-4583, punten 17-24), en 11 december 1997, Magorrian en Cunningham (C-246/96, Jurispr. blz. I-7153, punten 27-35), dat de zowel uit het arrest Barber als uit het protocol volgende beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag alleen betrekking heeft op de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden (arrest van 24 oktober 1996, Dietz, C-435/93, Jurispr. blz. I-5223, punt 19).
38 Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen heeft het Hof evenwel vastgesteld, dat uit niets kon worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hadden kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119 van het Verdrag (arrest Magorrian en Cunningham, reeds aangehaald, punt 28).
39 Sinds het arrest Bilka, reeds aangehaald, is het immers duidelijk, dat discriminatie op grond van geslacht bij de toekenning van bedoeld recht strijdig is met artikel 119 van het Verdrag (reeds aangehaalde arresten Vroege, punt 29; Fisscher, punt 26; Dietz, punt 20, en Magorrian en Cunningham, punt 29).
40 Aangezien het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd bevat, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 derhalve worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne II, reeds aangehaald, waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend (reeds aangehaalde arresten Dietz, punt 21, en Magorrian en Cunningham, punt 30).
41 Overigens heeft het Hof in punt 23 van het arrest Dietz en in punt 33 van het arrest Magorrian en Cunningham reeds verklaard, dat de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling voor de werknemer elke zin zou verliezen, indien deze hem geen recht gaf op ontvangst van de uit hoofde van de betrokken regeling verstrekte uitkeringen. Het Hof achtte het recht om uit hoofde van een bedrijfsregeling een ouderdomspensioen te ontvangen, dan ook onlosmakelijk verbonden met het recht op aansluiting bij een dergelijke regeling. Het Hof verklaarde echter ook, dat een werknemer zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, kan onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premies (reeds aangehaalde arresten Fisscher, punt 37, en Dietz, punt 34).
42 Bijgevolg is de enige beperking in de tijd die geldt voor de mogelijkheid om zich met betrekking tot de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als de onderhavige en de latere uitkering van een pensioen, op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, die welke volgt uit het arrest Defrenne II.
43 Wat de vraag betreft, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat op grond van nationale bepalingen rekening wordt gehouden met tijdvakken van arbeid gelegen vóór 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne II, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punten 16 en 17, en Salumi e.a., 66/79, 127/79 en 128/79, Jurispr. blz. 1237, punten 9 en 10) de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 van het Verdrag verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert, voor zover dat nodig is. Slechts bij uitzondering zal het Hof van Justitie, zoals het in zijn arrest Defrenne II heeft erkend, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid en in verband met de ernstige problemen die zijn arrest voor het verleden zou kunnen meebrengen voor te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, aanleiding kunnen vinden, voor alle belanghebbenden beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op de aldus uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen.
44 Voorts heeft het Hof in punt 65 van het arrest Defrenne II erop gewezen, dat de toepassing van artikel 119 van het Verdrag ten volle moet worden verzekerd door de oorspronkelijke lidstaten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, vanaf 1 januari 1962, de aanvangsdatum van de tweede etappe van de overgangsperiode. Uit punt 68 van dat arrest volgt trouwens, dat ook op de gebieden waarop artikel 119 niet rechtstreeks werkt, de tenuitvoerlegging van deze bepaling voor zover nodig kan voortvloeien uit het gecombineerde effect van communautaire en nationale bepalingen.
45 Ten slotte overwoog het Hof in het arrest Defrenne II, toen het de mogelijkheid beperkte om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, dat bij wijze van uitzondering rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat door het gedrag van verscheidene lidstaten en het herhaaldelijk ter kennis van de betrokken kringen gebrachte standpunt van de Commissie de belanghebbende partijen ertoe waren gebracht lange tijd praktijken te blijven toepassen die, hoewel nog niet door hun nationaal recht verboden, in strijd waren met artikel 119 van het Verdrag (arrest Defrenne II, reeds aangehaald, punt 72).
46 Uit het voorgaande volgt, dat de beperking van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet de bedoeling had, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten.
47 Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven overeenkomstig de sinds 1 januari 1962 op de oorspronkelijke lidstaten rustende verplichtingen.
48 In een dergelijk geval is het aan de communautaire rechtsorde inherente beginsel van rechtszekerheid, dat het Hof bij wijze van uitzondering aanleiding kan geven tot beperking van de mogelijkheid om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
49 In dit verband is niet relevant, dat de in geding zijnde nationale bepalingen eerst na de datum waarop het arrest Defrenne II is gewezen, in met artikel 119 van het Verdrag conforme zin zijn uitgelegd en die uitlegging in voorkomend geval kan worden toegepast op situaties die vóór die datum zijn ontstaan. Het is immers niet de taak van het Hof, zich uit te spreken over de toepassing in de tijd van regels van nationaal recht.
50 Op het eerste deel van de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
Het tweede deel van de eerste vraag
51 Gezien het antwoord op het eerste deel van de eerste vraag behoeft het tweede deel van deze vraag geen beantwoording.
De tweede vraag
52 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het voor het antwoord op de eerste vraag verschil maakt, dat de relevante nationale bepalingen verbieden werknemers te discrimineren op grond van het verrichten van deeltijdarbeid en niet op grond van hun geslacht.
53 In dit verband behoeft slechts te worden opgemerkt, in de eerste plaats dat bepalingen waarbij andere vormen van discriminatie verboden worden, onder omstandigheden ertoe kunnen bijdragen de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers te verzekeren, overeenkomstig de verplichtingen van de lidstaten.
54 Dit geldt met name ten aanzien van nationale bepalingen die discriminatie van deeltijdwerknemers, een categorie die veelal een hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers telt, op het gebied van de beloning verbieden.
55 In de tweede plaats kan, gezien het antwoord op de eerste vraag, de omstandigheid dat de relevante nationale bepalingen andere vormen van discriminatie verbieden, a fortiori niet tot een beperking van de toepassing daarvan in de tijd leiden, alleen omdat de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, in de tijd beperkt is door het arrest Defrenne II.
56 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het voor het antwoord op de eerste vraag geen verschil maakt, dat de relevante nationale bepalingen verbieden werknemers te discrimineren op grond van het verrichten van deeltijdarbeid en niet op grond van hun geslacht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landesarbeitsgericht Hamburg bij beschikkingen van 12 december 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De uit het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75), volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
2) Voor het antwoord op de eerste vraag maakt het geen verschil, dat de relevante nationale bepalingen verbieden werknemers te discrimineren op grond van het verrichten van deeltijdarbeid en niet op grond van hun geslacht.
Full & Egal Universal Law Academy