Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Communautair karakter van goederen - Bewijsmiddelen - Beperking tot documenten T2 of T2L - Verenigbaarheid met artikelen 9 en 10 van Verdrag
(EG-Verdrag, art. 9 en 10; verordening nr. 222/77 van de Raad; verordening nr. 223/77 van de Commissie)
2 Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Communautair karakter van goederen - Bewijsmiddelen - Vaststellingen gedaan door bevoegde autoriteiten van Lid-Staat bij controles in kader van regeling voor communautair douanevervoer - Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 222/77 van de Raad, art. 37, lid 2)
Samenvatting
3 De regel, gesteld in verordening nr. 222/77 betreffende communautair douanevervoer en verordening nr. 223/77 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten T2 of T2L, is in overeenstemming met de artikelen 9 en 10 van het Verdrag.
Enerzijds wordt namelijk in de artikelen 9 en 10 niets gezegd omtrent de bewijsmiddelen of de bewijslast met betrekking tot het communautaire karakter van een goed, doch wordt het aan het afgeleide gemeenschapsrecht overgelaten, deze vraagstukken te regelen. Anderzijds wordt het feit dat uniforme en eenvoudige bewijsmiddelen ter beschikking worden gesteld en daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om deze bewijzen zelfs nog na de grensoverschrijding over te leggen, gerechtvaardigd door de noodzaak om het vervoer van goederen binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken, hetgeen een van de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt uitmaakt.
4 Artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77 maakt het niet mogelijk, het communautaire karakter van een goed te bewijzen door vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer.
Deze bepaling kan immers niet afwijken van de regel, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten T2 of T2L. Het toelaten van de in artikel 37, lid 2, bedoelde vaststellingen als bewijsmiddel zou neerkomen op de herinvoering van de gelijktijdige toepassing van de nationale administratieve regelingen, die de verordening betreffende communautair douanevervoer juist wil vermijden.
Partijen
In zaak C-237/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Hof van Beroep te Bergen (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
E. Amelynck e.a.
en
Transport Amelynck BVBA, burgerlijk aansprakelijke partij,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1), en van verordening (EEG) nr. 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 20),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur) en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- C. Rinaldi, J. Boeki en P. Laznicka, verweerders in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R. Himpler, advocaat te Kraainem,
- M. Poznantek, J. Leidensdorf, J. Flaks, S. Ak, J. Bromberg, M. Suffys, B. Cornet en G. Szczekacz, verweerders in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Baltus, advocaat te Brussel,
- J. Scapardini, verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H. Remy-Libert, advocaat te Brussel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. C. Giorgi, adviseur bij de juridische dienst, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door B. van de Walle de Ghelcke, advocaat te Brussel; M. Poznantek, J. Leidensdorf, J. Flaks, S. Ak, J. Bromberg, M. Suffys, B. Cornet en G. Szczekacz, vertegenwoordigd door M. Baltus, J. Scapardini, vertegenwoordigd door H. Remy-Libert, de Raad, vertegenwoordigd door M. C. Giorgi, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Nolin, ter terechtzitting van 25 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 28 juni 1996, ingekomen bij het Hof op 9 juli daaraanvolgend, heeft het Hof van Beroep te Bergen krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1), en van verordening (EEG) nr. 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 20).
2 Die vraag is gerezen is een strafprocedure die de Belgische minister van Financiën in 1991 heeft ingeleid tegen E. Amelynck, douane-expediteur, en 29 anderen, die ervan worden verdacht van oktober 1984 tot maart 1985 confectiekleding uit Frankrijk, maar van onbekende oorsprong, in België te hebben vervoerd en opgeslagen zonder dat zij de voor de invoer van die goederen in België vereiste documenten hadden overgelegd.
3 De verdachten worden vervolgd op grond van een gezamenlijk onderzoek van de Belgische administratie van douane en accijnzen en de Franse Direction nationale des enquêtes douanières (hierna: "DNED"). In het kader van dat onderzoek had de DNED de Belgische autoriteiten bij telexbericht van 13 maart 1985 meegedeeld wat zij bij huiszoekingen bij een aantal verdachten had vastgesteld, namelijk:
"1. Smokkelpraktijken bij de uitvoer van kledingstukken (van oorsprong uit Frankrijk, bestemd voor België, met name voor Brussel); geraamde waarde 5 000 000 FF; nog geen verjaring;
2. Smokkelpraktijken bij de invoer van andere kledingstukken (van oorsprong uit Spanje, herkomst België) bestemd voor diverse klanten te Parijs; geraamde waarde: 2 000 000 FF."
4 Op grond van die vaststellingen heeft de Belgische minister van Financiën de verdachten strafrechtelijk vervolgd voor de Correctionele rechtbank te Doornik en betaling gevorderd van de over die invoer verschuldigde douanerechten, op grond dat de verdachten de documenten T2 of T2L, die krachtens de op het tijdstip van de feiten van het hoofdgeding van kracht zijnde verordeningen nrs. 222/77 en 223/77 waren voorgeschreven, niet hadden overgelegd en dus niet konden aantonen, dat de in België ingevoerde goederen van oorsprong uit de Gemeenschap waren.
5 Bij vonnis van 9 februari 1993 stelde de Correctionele rechtbank vast, dat de strafvordering was verjaard, maar dat de ten laste gelegde feiten bewezen waren, waarop zij 28 verdachten veroordeelde tot betaling van de douanerechten vermeerderd met vertragingsrente.
6 20 verdachten betwistten, dat de gevorderde douanerechten verschuldigd waren, daar de goederen volgens hen van communautaire oorsprong waren. Daarom stelden zij bij het Hof van Beroep te Bergen hoger beroep in tegen het vonnis. Als bewijs van de oorsprong van de goederen voerden zij het telexbericht van de DNED van 13 maart 1985 aan, dat vermeldde dat de goederen van Franse oorsprong waren.
7 De verwijzende rechter, die enerzijds werd geconfronteerd met de stelling van de verdachten en anderzijds met de stelling van het Belgische Ministerie van Financiën dat het overleggen van het document T2 of T2L de enige wijze is waarop het communautaire karakter van de goederen kan worden bewezen, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Zijn de verordeningen nrs. 222/77 en 223/77, waarin als regel wordt gesteld dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L, in overeenstemming met de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag, en zijn zij verenigbaar met de artikelen 37, lid 2, en 39, lid 2, van verordening nr. 222/77, volgens welke de vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat dezelfde bewijskracht hebben als de vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van elk van deze Lid-Staten?"
8 De vraag moet, gelet op de tekst en de inhoud ervan, in twee vragen worden gesplitst.
De eerste vraag
9 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de in de verordeningen nrs. 222/77 en 223/77 gestelde regel dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L, in overeenstemming is met de artikelen 9 en 10 EG-Verdrag.
10 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat verordening nr. 222/77 twee regelingen voor communautair douanevervoer bevat. De eerste, de zogenoemde "regeling voor extern communautair douanevervoer", geldt blijkens artikel 1, lid 2, van de verordening voornamelijk voor de goederen die niet aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag voldoen, dat wil zeggen de goederen uit derde landen die zich niet in het vrije verkeer in de Gemeenschap bevinden. De tweede, de zogenoemde "regeling voor intern communautair douanevervoer", geldt blijkens artikel 1, lid 3, van dezelfde verordening voornamelijk voor de goederen die aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag voldoen, dat wil zeggen de goederen die van oorsprong zijn uit de Lid-Staten of die zich in het vrije verkeer in de Gemeenschap bevinden; deze goederen worden "communautaire goederen" genoemd.
11 Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr. 222/77 moet voor de goederen die met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer worden vervoerd, aangifte worden gedaan op een formulier T1.
12 Artikel 39 van verordening nr. 222/77 regelt de bewijsmiddelen in verband met het intern communautair douanevervoer; lid 1 bepaalt, dat voor met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer te vervoeren goederen aangifte moet worden gedaan op een formulier T2.
13 Verordening nr. 222/77 voorziet in gevallen waarin de regeling voor communautair douanevervoer niet verplicht is. Communautaire goederen die op grond daarvan niet met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd, vallen onder verordening nr. 223/77; artikel 1, lid 8, voorziet als bewijsmiddel in formulier T2L, waarvan de inhoud overeenkomt met het document T2 voor intern communautair douanevervoer.
14 Artikel 9 van verordening nr. 222/77 luidt als volgt: "Wanneer in de gevallen bedoeld in deze verordening de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende het vrije verkeer van goederen slechts worden toegepast bij overlegging van een ten bewijze van het communautaire karakter van de goederen afgegeven document voor intern communautair douanevervoer, kan de belanghebbende, om welke geldige reden dan ook, dit document achteraf van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek verkrijgen." In een soortgelijke bepaling, artikel 71 van uitvoeringsverordening nr. 223/77, staat dat het document T2L achteraf kan worden afgegeven.
15 In het arrest van 7 maart 1990 (zaak C-117/88, Trend-Moden Textilhandel, Jurispr. 1990, blz. I-631, r.o. 19) overwoog het Hof, dat in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag niets wordt gezegd omtrent de bewijsmiddelen of de bewijslast met betrekking tot het communautaire karakter van een goed. Daarin wordt het aan het afgeleide gemeenschapsrecht overgelaten, deze vraagstukken te regelen.
16 Wat de bewijsmiddelen betreft, wordt in de verordeningen nrs. 222/77 en 223/77 als regel gesteld, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzondering, uitsluitend door middel van het document T2 of het document T2L kan worden geleverd (zie arrest Trend-Moden Textilhandel, reeds aangehaald, r.o. 14, en arrest van 22 maart 1990, zaak C-83/89, Houben, Jurispr. 1990, blz. I-1161, r.o. 17).
17 Wat de bewijslast betreft, blijkt uit verordening nr. 222/77, dat in de regel de belanghebbenden of hun gevolmachtigden instaan voor het aanvragen van die documenten, het doen van de vereiste aangiften, de andere formaliteiten, de overlegging van de documenten aan de bevoegde autoriteiten en het regelmatig verrichten van het douanevervoer (artikelen 12, lid 3, en 13). Die bepalingen, die deel uitmaken van titel II, betreffende het extern communautair douanevervoer, van verordening nr. 222/77, zijn op het intern communautair douanevervoer van toepassing verklaard bij artikel 39, lid 2, van verordening nr. 222/77, volgens hetwelk, behoudens andersluidende bepalingen van de artikelen 40 en 41, de bepalingen van titel II van overeenkomstige toepassing zijn op de regeling voor intern communautair douanevervoer. Soortgelijke bepalingen in verordening nr. 223/77 gelden voor document T2L.
18 In het arrest Trend-Moden Textilhandel (reeds aangehaald, r.o. 20) overwoog het Hof, dat deze regeling wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om het vervoer van goederen binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken, hetgeen een van de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt uitmaakt. Wanneer de marktdeelnemer op wie in beginsel de bewijslast rust, uniforme en eenvoudige middelen ter beschikking worden gesteld om het communautaire karakter van de goederen te bewijzen, en hem daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om deze bewijzen zelfs nog na de grensoverschrijding over te leggen, blijft zulks binnen de grenzen van dit doel en kan het niet in strijd met de artikelen 9 en 10 EG-Verdrag worden geacht.
19 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord, dat de in de verordeningen nrs. 222/77 en 223/77 gestelde regel dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L, in overeenstemming is met de artikelen 9 en 10 EG-Verdrag.
De tweede vraag
20 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77 het niet alleen mogelijk maakt het communautaire karakter van een goed te bewijzen aan de hand van de documenten T2 en T2L, maar ook door "vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer".
21 Volgens artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77, dat betrekking heeft op de regeling voor extern communautair douanevervoer, maar krachtens artikel 39, lid 2, van die verordening ook geldt voor de regeling voor intern communautair douanevervoer, hebben vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer, in de andere Lid-Staten dezelfde bewijskracht als de vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van elk van deze Lid-Staten.
22 Deze bepaling, die niet uitsluit dat vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat betrekking kunnen hebben op het communautaire karakter van een goed, kan niet afwijken van de hierboven aangehaalde regel, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten T2 of T2L.
23 Behoudens de in verordening nr. 222/77 uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld het vervoer door de lucht (artikel 45) of door middel van leidingen (artikel 46), alsmede het vervoer van goederen die deel uitmaken van de bagage van reizigers (artikel 49), kunnen dergelijke vaststellingen door de autoriteiten van een Lid-Staat niet worden gebruikt om het communautaire karakter van een goed te bewijzen, daar dit zou neerkomen op de herinvoering van de gelijktijdige toepassing van de nationale administratieve regelingen, die de verordening luidens de negende overweging van haar considerans juist wil vermijden. De opvatting dat die vaststellingen de documenten T2 of T2L kunnen vervangen, druist derhalve in tegen het door het Hof in het arrest Trend-Moden Textilhandel (reeds aangehaald, r.o. 16) geformuleerde doel van de betrokken regeling, namelijk het vervoer van goederen binnen de Gemeenschap vergemakkelijken door middel van vereenvoudiging en uniformisering van de formaliteiten die bij het overschrijden van de binnengrenzen moeten worden vervuld.
24 Deze uitlegging wordt trouwens bevestigd door de artikelen 9 van verordening nr. 222/77 en 71 van verordening nr. 223/77, die bepalen, dat de documenten T2 en T2L achteraf kunnen worden afgegeven. Zoals het Hof in het arrest Trend-Moden Textilhandel (reeds aangehaald, r.o. 15) overwoog, blijkt uit deze bepalingen dat de gemeenschapswetgever andere bewijsmiddelen wilde uitsluiten, doch tegelijkertijd de taak van de belanghebbende wilde vergemakkelijken.
25 Daaraan zij toegevoegd, dat artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77 eist, dat de vaststellingen door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat worden gedaan bij controles in het kader van de regeling voor - extern of intern - communautair douanevervoer. Daaruit volgt, dat de bewijskracht van die vaststellingen afhankelijk is van de voorwaarde, dat de betrokken goederen, zoals in het hoofdgeding, onder de regeling voor intern communautair douanevervoer vallen. Dat kan evenwel niet het geval zijn met goederen waarvan geen aangifte is gedaan op de formulieren T2 of T2L.
26 Gelet op hetgeen voorafgaat, moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77 het niet mogelijk maakt het communautaire karakter van een goed te bewijzen door vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Belgische en de Duitse regering en door de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Beroep te Bergen bij arrest van 28 juni 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) De in de verordeningen (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, en (EEG) nr. 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer, gestelde regel dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, voor zover niet anders is bepaald, uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L, is in overeenstemming met de artikelen 9 en 10 EG-Verdrag.
2) Artikel 37, lid 2, van verordening nr. 222/77 maakt het niet mogelijk het communautaire karakter van een goed te bewijzen door vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer.
Full & Egal Universal Law Academy