Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag - Toepasselijkheid op recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregeling - Vaststelling in arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84) - Beperking van werking in tijd - Geen - In deeltijd werkzame werknemers die gediscrimineerd zijn met betrekking tot toegang tot specifieke bedrijfspensioenregeling welke recht geeft op aanvullende prestaties - Mogelijkheid met terugwerkende kracht gelijke behandeling te eisen vanaf erkenning van rechtstreekse werking van artikel 119 door Hof op 8 april 1976
(EG-Verdrag, art. 119)
2 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag - Verzoek om erkenning van recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregeling - Nationale wettelijke regeling die werking van recht, ingeval beroep slaagt, beperkt tot periode van twee jaar vóór instellen van beroep - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 119; Protocol nr. 2 betreffende artikel 119)
Samenvatting
3 De beperking in de tijd van de werking van het arrest van 17 mei 1990, C-262/88, Barber, geldt noch voor het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen, noch voor het recht op ontvangst van een ouderdomspensioen in het geval van een werknemer die in strijd met artikel 119 van het Verdrag van de aansluiting bij een dergelijke regeling is uitgesloten. De beperking van de werking in de tijd van dat arrest geldt immers enkel voor de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden. Daartoe behoort noch discriminatie inzake de aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen, waarvan in het arrest van 13 mei 1986, Bilka, 170/84, waarin in geen enkele beperking van de werking in de tijd is voorzien, is verklaard dat zij in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, noch discriminatie bij de verstrekking van uitkeringen uit hoofde van een dergelijke regeling, aangezien het recht op uitkering onlosmakelijk verbonden is met het recht op aansluiting bij een dergelijke regeling.
Hetzelfde geldt, wanneer de discriminatie van in deeltijd werkzame werknemers het gevolg is van discriminatie op het gebied van de toegang tot een bijzondere regeling die recht geeft op aanvullende prestaties. De dienstjaren van in deeltijd werkzame werknemers die indirect worden gediscrimineerd op grond van geslacht, moeten dan ook in aanmerking worden genomen vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne, 43/75, waarin voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 is erkend voor de berekening van de aanvullende prestaties waarop zij recht hebben.
4 Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat op een op artikel 119 van het Verdrag gebaseerde vordering die ertoe strekt, het recht van de verzoekers op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te doen erkennen, een nationale bepaling wordt toegepast volgens welke de werking in de tijd van dat recht, ingeval het beroep slaagt, beperkt is tot een periode ingaand twee jaar vóór de datum waarop het beroep werd ingesteld. In een dergelijk geval strekt het verzoek er immers niet toe met terugwerkende kracht bepaalde prestaties te verkrijgen, maar is het gericht op de erkenning van het recht van betrokkenen om zich volledig bij een bedrijfsregeling aan te sluiten, en maakt de toepassing van het betrokken nationale voorschrift enerzijds de vordering van justitiabelen die zich op het gemeenschapsrecht beroepen onmogelijk, en anderzijds zou deze erop neerkomen, dat de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag in de tijd wordt beperkt in gevallen waarin een dergelijke beperking noch is neergelegd in de rechtspraak van het Hof, noch in Protocol nr. 2 gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Partijen
In zaak C-246/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Office of the Industrial Tribunals and the Fair Employment Tribunal (Belfast), in het aldaar aanhangig geding tussen
M. T. Magorrian, I. P. Cunningham
en
Eastern Health and Social Services Board, Department of Health and Social Services,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag en Protocol nr. 2 betreffende deze bepaling, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. F. Mancini (rapporteur), P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- M. T. Magorrian en I. P. Cunningham, vertegenwoordigd door J. O'Hara, Barrister-at-law, en E. McCaffrey, Solicitor,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, R. Weatherup, QC, en N. Paines, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Bury, M. Wolfcarius en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. T. Magorrian en I. P. Cunningham, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, ter terechtzitting van 5 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 juli 1996, ingekomen bij het Hof op 17 juli daaraanvolgend, heeft het Office of the Industrial Tribunals and the Fair Employment Tribunal (Belfast) krachtens artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag en Protocol nr. 2 betreffende deze bepaling, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen M. T. Magorrian en I. P. Cunningham enerzijds, en de Eastern Health and Social Services Board en het Department of Health and Social Services anderzijds, over bepaalde aanvullende prestaties in het kader van een vervangende onderdomspensioenregeling.
De nationale bepalingen
3 Ingevolge Section 2(4) van de Equal Pay Act (Northern Ireland) 1970 (hierna: "EPA") moeten vorderingen in verband met gelijke beloning worden ingediend binnen zes maanden na de beëindiging van het dienstverband. Section 2(5) bepaalt, dat vrouwen in procedures ter zake van de niet-inachtneming van een bepaling inzake gelijke beloning, geen betaling van achterstallig loon of schadevergoeding kunnen verkrijgen voor een tijdvak gelegen meer dan twee jaar vóór de inleiding van de procedure.
4 Overeenkomstig Section 56 van de Social Security Pensions (Northern Ireland) Order 1975, moet in geval van een overheidspensioenregeling de minister, de dienst van het ministerie of de persoon of organisatie die belast is met de uitvoering daarvan, de maatregelen nemen die hem ter beschikking staan om de pensioenregeling in overeenstemming te brengen met de vereisten van gelijke toegang.
5 Section 12 van de Occupational Pension Schemes (Equal Access to Membership) Regulations (Northern Ireland) 1976 nr. 238 (hierna: "Occupational Pension Regulations"), waarbij de EPA is gewijzigd, bepaalt, dat in procedures betreffende de toegang tot bedrijfspensioenregelingen het recht om tot de regeling te worden toegelaten niet eerder kan ingaan dan twee jaar vóór de datum van inleiding van een procedure.
6 Volgens Rule 3 van de Health and Personal Social Services (Superannuation) Regulations (Northern Ireland) 1984 (hierna: "Superannuation Regulations"), is een Mental Health Officer (hierna: "MHO") een voltijds medewerker van de medische of de verpleegkundige staf van een ziekenhuis dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor de verpleging van personen met een geestelijke stoornis, die zijn werktijd geheel of nagenoeg geheel wijdt aan de behandeling van dergelijke personen.
7 Ingevolge Section 50(2) van de Superannuation Regulations tellen bij een persoon die 50 jaar of ouder is, die gedurende 20 jaar als MHO werkzaam is geweest en als zodanig werkzaam blijft, voor de berekening van het pensioen de laatste tijdvakken van arbeid dubbel en heeft zulk een persoon recht op ouderdomspensioen op de leeftijd van 55 jaar, in plaats van op de normale pensioenleeftijd van 60 jaar.
Het hoofdgeding
8 Magorrian en Cunningham waren als gediplomeerd verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg in dienst van een overheidsinstantie belast met medische en andere zorg in een streek in Noord-Ierland.
9 Zij begonnen hun loopbaan als voltijds-MHO. Toen hun gezinsverantwoordelijkheden toenamen, gingen zij beiden in deeltijd werken, waardoor zij de status van MHO verloren. Niettemin waren zij belast met de leiding over een afdeling en daarmee met de verantwoordelijkheid over voltijds werkzame verpleegkundigen.
10 Het verschil tussen deeltijdfuncties en voltijdfuncties was heel gering. Na een reorganisatie in 1981 werd de werktijd van deeltijdverpleegkundigen gesteld op 31 uur en 5 minuten per week en die van voltijdwerknemers teruggebracht van 40 uur naar 37 uur en 30 minuten per week.
11 Verzoeksters in het hoofdgeding waren beiden aangesloten bij en droegen premies af aan het Health and Personal Social Services Superannuation Scheme (hierna: "Superannuation Scheme"), een vrijwillige vervangende pensioenregeling waaraan zowel werkgevers als werknemers premies afdragen. Sinds 1973 staat deze regeling open voor deeltijdwerknemers die gedurende een bepaald aantal uren werkzaam zijn, en sinds 1991 kunnen alle deeltijdwerknemers aan de regeling deelnemen, ongeacht het aantal gewerkte uren. Ingevolge deze regeling ontvangen de pensioengerechtigden een bedrag ineens bij hun pensionering en daarna een maandelijkse uitkering.
12 Op 18 oktober 1992 ging Magorrian op de leeftijd van 59 jaar en 355 dagen met pensioen. Zij had toen tussen 1951 en 1963 gedurende 9 jaar en 111 dagen voltijds als MHO gewerkt en tussen 1979 en 1992 het equivalent van 11 jaar en 25 dagen in deeltijd. Tussen 1969 en 1979 had zij eveneens in deeltijd gewerkt, maar met een werktijd die geen toegang gaf tot de pensioenregeling.
13 Cunningham ging in april 1994 met pensioen op de leeftijd van 56 jaar en 80 dagen. Zij had toen tussen 1956 en 1974 gedurende 15 jaar en 175 dagen voltijds als MHO gewerkt en tussen 1979 en 1992 het equivalent van 11 jaar en 105 dagen in deeltijd. Tussen 1974 en 1980 had zij eveneens in deeltijd gewerkt, met een werktijd die geen toegang tot de pensioenregeling gaf; zij had besloten, in dat tijdvak geen premies voor de pensioenregeling af te dragen.
14 Magorrian heeft dus niet gewerkt tussen het tijdvak waarin zij voltijds werkte en het moment waarop zij in deeltijd begon te werken, terwijl Cunningham zonder onderbreking is overgegaan van een voltijdfunctie naar een deeltijdfunctie.
15 Bij hun pensionering ontvingen verzoeksters in het hoofdgeding het hen toekomende bedrag ineens, alsook het basisouderdomspensioen, maar niet bepaalde aanvullende prestaties waarop zij ingevolge Section 50(2) van het Superannuation Scheme aanspraak hadden kunnen maken, indien zij op het tijdstip van hun pensionering de status van MHO hadden gehad. Naar ter terechtzitting is komen vast te staan, hadden verzoeksters in het hoofdgeding, indien zij deze status hadden gehad, de aanvullende prestaties ontvangen zonder extra premies te hoeven betalen.
16 Bij verzoekschrift van 22 september 1992 wendden verzoeksters in het hoofdgeding zich tot de nationale rechter, waarbij zij zich op artikel 119 van het Verdrag beriepen voor hun aanspraak op aanvullende prestaties op basis van hun diensttijd sinds 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455), dan wel 13 mei 1986, de datum van het arrest Bilka (zaak 170/84, Jurispr. 1986, blz. 1607). Naar zij stellen, mag bij de berekening van hun diensttijd niet worden uitgegaan van de in de EPA gestelde periode van twee jaar, noch van de datum van het arrest Barber, 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Jurispr. 1990, blz. 1889), aangezien hen daardoor een doeltreffende rechtsbescherming zou worden onthouden.
17 Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn alle partijen het erover eens, dat de uitkering van deze prestaties uit hoofde van de bedrijfspensioenregeling van verzoeksters "beloning" vormt in de zin van artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19). Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt tevens, dat beide belanghebbenden hun beroep hebben ingesteld vóór de beëindiging van hun dienstverband.
18 In zijn tussenvonnis van 12 september 1995 stelde de nationale rechter vast, dat de niet-toekenning van de MHO-status aan in deeltijd werkende verpleegkundigen in de psychiatrie, een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormde, voor zover in de sector geestelijke gezondheidszorg in Noord-Ierland een veel geringer aantal vrouwen dan mannen kan voldoen aan de verplichtingen die voltijdse arbeid meebrengt. Hij stelde voorts vast, dat deze discriminatie niet gerechtvaardigd was.
De prejudiciële vragen
19 Van oordeel, dat voor de beslechting van het geschil de uitlegging van het gemeenschapsrecht vereist is, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"Indien:
a) een vrouwelijke werknemer in dienst is geweest van een Health Board, hetgeen een overheidsinstantie is, in een functie in de geestelijke gezondheidszorg waarvoor een bedrijfspensioenregeling geldt;
b) de vrouwelijke werknemer op alle relevante tijdstippen aangesloten is geweest bij deze pensioenregeling of aan de voorwaarden voor aansluiting voldeed;
c) deze pensioenregeling een bepaling bevat volgens welke personen die voltijds werken en hun gehele of nagenoeg gehele arbeidstijd wijden aan de verzorging van geesteszieken ($Mental Health Officers'), recht hebben op de volgende aanvullende voordelen, welke niet gelden voor werknemers die hetzelfde werk, maar deeltijds, verrichten:
Indien een persoon 50 jaar of ouder is en gedurende 20 jaar als Mental Health Officer werkzaam is geweest ($relevante dienstjaren') en als zodanig werkzaam blijft,
i) tellen de daaropvolgende dienstjaren voor de pensioenberekening dubbel ($dubbele dienstjaren'), en
ii) heeft deze persoon recht op pensioen op de leeftijd van 55 jaar in plaats van op de normale leeftijd van 60 jaar;
d) de vrouwelijke werknemer niet de status van Mental Health Officer heeft en geen recht heeft op de bijbehorende aanvullende voordelen, op de enkele grond dat zij in deeltijd werkzaam was;
e) de nationale rechter heeft vastgesteld, dat de hiervóór onder c) en d) weergegeven bepalingen discriminatie op grond van geslacht vormen ten nadele van vrouwen die in deeltijd in de geestelijke gezondheidszorg werkzaam zijn;
f) het pensioen dat vrouwelijke werknemers ontvangen en de aanvullende voordelen waarop zij aanspraak maken, pas betaalbaar zijn vanaf hun respectieve pensionering in 1992 en 1994, na de instelling van hun beroep bij de nationale rechter; en
g) bij de berekening van de aanvullende voordelen vanaf hun respectieve pensioendata in 1992 en 1994 hun dienstjaren vóór 1992 zouden worden meegeteld,
hoe moet dan het antwoord op de volgende vragen luiden:
Vraag 1: Vanaf welke datum moeten de dienstjaren van deze vrouwelijke werknemers voor de berekening van de aanvullende voordelen waarop zij recht hebben worden meegeteld:
i) 8 april 1976
ii) 17 mei 1990
iii) een andere datum, en zo ja, welke?
Vraag 2: Indien de relevante nationale wetgeving de terugwerkende kracht van een aanspraak bij het slagen van een beroep beperkt tot een periode ingaand twee jaar vóór de datum waarop het beroep werd ingesteld, komt dit er dan op neer, dat deze vrouwelijke werknemers een doeltreffende rechtsbescherming uit hoofde van het gemeenschapsrecht wordt onthouden, en is het Industrial Tribunal verplicht om een dergelijke bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten, indien het dit noodzakelijk acht?"
De eerste vraag
20 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, vanaf welke datum de dienstjaren van in deeltijd werkzame vrouwelijke werknemers die indirect worden gediscrimineerd op grond van geslacht, in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de aanvullende prestaties waarop zij recht hebben.
21 Om te beginnen moet worden beklemtoond, dat niet in geschil is dat de uitkering van aanvullende prestaties uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in beginsel onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt.
22 Vervolgens zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat het Hof in het arrest Defrenne (reeds aangehaald) voor recht verklaarde, dat voor de nationale rechterlijke instanties een beroep kan worden gedaan op het in artikel 119 vervatte beginsel van gelijke beloning en dat deze instanties de rechten die de justitiabelen aan deze bepaling ontlenen, moeten verzekeren. In de rechtsoverwegingen 74 en 75 van genoemd arrest preciseerde het Hof evenwel ook, dat om dwingende overwegingen van rechtszekerheid, verband houdend met alle betrokken, openbare zowel als particuliere belangen, op de rechtstreekse werking van artikel 119 geen beroep kan worden gedaan tot staving van loonaanspraken over tijdvakken voorafgaande aan de datum van uitspraak van het arrest, te weten 8 april 1976, behalve in het geval van werknemers die reeds beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
23 In de tweede plaats erkende het Hof in het arrest Bilka (reeds aangehaald, r.o. 20 en 22) reeds, dat voor zover een pensioenregeling, ofschoon vastgesteld overeenkomstig de krachtens de nationale wetgeving geldende bepalingen, haar oorsprong vindt in een akkoord met de werknemers of hun vertegenwoordigers, en voor zover de overheid niet bij de financiering ervan betrokken is, een dergelijke regeling geen rechtstreeks bij wet geregeld en uit dien hoofde buiten de werkingssfeer van artikel 119 vallend stelsel van sociale zekerheid is, en dat de uitkeringen die krachtens een dergelijke regeling aan de werknemers worden toegekend, als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel 119, tweede alinea, zijn aan te merken.
24 Deze beginselen werden in het arrest Barber weliswaar bevestigd met betrekking tot "vervangende" bedrijfspensioenregelingen, maar het Hof preciseerde in de rechtsoverwegingen 44 en 45 van dit arrest tevens, dat op grond van dwingende overwegingen van rechtszekerheid op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag geen beroep kan worden gedaan om aanspraak te maken op een pensioen vanaf een tijdstip gelegen vóór de datum van het arrest, behalve door personen die tijdig stappen hebben ondernomen om hun rechten veilig te stellen.
25 Zoals het Hof verklaarde in het arrest van 6 oktober 1993 (zaak C-109/91, Ten Oever, Jurispr. 1993, blz. I-4879, r.o. 19 en 20), kan ingevolge het arrest Barber (reeds aangehaald) op de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-Verdrag slechts een beroep worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990, de datum van genoemd arrest, vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
26 Dezelfde beperking is opgenomen in Protocol nr. 2 gehecht aan het Verdrag betreffende Europese Unie, dat bepaalt: "Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld."
27 In de arresten van 28 september 1994 (zaak C-57/93, Vroege, Jurispr. 1994, blz. I-4541, r.o. 20-27, en zaak C-128/93, Fisscher, Jurispr. 1994, blz. I-4583, r.o. 17-24), overwoog het Hof evenwel, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber enkel gold voor de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden (arrest van 24 oktober 1996, zaak C-435/93, Dietz, Jurispr. 1996, blz. I-5223, r.o. 19).
28 Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen stelde het Hof tevens vast, dat uit niets kon worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hadden kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119.
29 Sinds het arrest Bilka (reeds aangehaald) is het immers duidelijk, dat discriminatie op grond van geslacht bij de toekenning van bedoeld recht strijdig is met artikel 119 (reeds aangehaalde arresten Vroege, r.o. 29, Fisscher, r.o. 26, en Dietz, r.o. 20).
30 Aangezien in het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd is voorzien, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 derhalve worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (reeds aangehaald), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend (arrest Dietz, reeds aangehaald, r.o. 21).
31 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft het hoofdgeding betrekking op de hoogte van een ouderdomspensioen dat wordt uitgekeerd uit hoofde van een bedrijfsregeling van sociale zekerheid en niet op het recht van aansluiting bij een dergelijke regeling. Bijgevolg zou artikel 119 slechts aan de orde komen om de omvang van de prestaties waarop een persoon in de situatie van verzoeksters in het hoofdgeding recht heeft, te wijzigen, en zouden enkel tijdvakken na 17 mei 1990 voor deze berekening in aanmerking kunnen worden genomen.
32 Aangaande het recht op prestaties ter aanvulling van een ouderdomspensioen uit hoofde van een bedrijfsregeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, moet worden opgemerkt, dat ofschoon de betrokkenen steeds recht hebben gehad op een ouderdomspensioen in het kader van het Superannuation Scheme, zij niettemin slechts gedeeltelijk zijn toegelaten tot het afdragen van premies aan die regeling. Op de enkele grond immers dat zij in deeltijd werkten, werd hun de status van MHO, die toegang verschaft tot een bijzondere regeling in het kader van het Superannuation Scheme, uitdrukkelijk geweigerd.
33 In dit verband behoeft er slechts aan te worden herinnerd, dat het Hof in het arrest Dietz (reeds aangehaald; r.o. 23) reeds heeft verklaard, dat de aansluiting bij een regeling voor de werknemer elke zin zou verliezen, indien deze hem geen recht gaf op ontvangst van de uit hoofde van de betrokken regeling verstrekte uitkeringen. In een situatie als in die zaak aan de orde was, achtte het Hof het recht om uit hoofde van een bedrijfsregeling een ouderdomspensioen te ontvangen, onlosmakelijk verbonden met het recht op aansluiting bij een dergelijke regeling.
34 Hetzelfde geldt, wanneer de discriminatie van in deeltijd werkzame vrouwelijke werknemers het gevolg is van discriminatie op het gebied van de toegang tot een bijzondere regeling die recht geeft op aanvullende prestaties.
35 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de dienstjaren van in deeltijd werkzame vrouwelijke werknemers die indirect worden gediscrimineerd op grond van geslacht, voor de berekening van de aanvullende prestaties waarop zij recht hebben in aanmerking moeten worden genomen vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (reeds aangehaald).
De tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat op een op artikel 119 van het Verdrag gebaseerde vordering een nationale bepaling wordt toegepast, volgens welke de werking van het recht in de tijd, ingeval het beroep slaagt, beperkt is tot een periode ingaand twee jaar vóór de datum waarop het beroep werd ingesteld.
37 In dit verband dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak bij ontbreken van een communautaire regeling ter zake, een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke Lid-Staat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procedurevoorschriften vast te stellen voor rechtsvorderingen ter verzekering van de bescherming van de rechten welke de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande evenwel dat deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken (zie in die zin, arresten van 16 december 1976, zaak 33/76, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 1989, r.o. 5 en 6; zaak 45/76, Comet, Jurispr. 1976, blz. 2043, r.o. 13; arrest Fisscher, reeds aangehaald, r.o. 39, en arrest van 6 december 1994, zaak C-410/92, Johnson, Jurispr. 1994, blz. I-5483, r.o. 21).
38 Volgens verzoeksters in het hoofdgeding rechtvaardigt niets in het arrest Fisscher (reeds aangehaald) een beperking van de hun toe te kennen prestaties, althans voor het tijdvak na 1976. Het zou in feite weinig zinvol zijn, te bepalen dat personen in hun situatie recht hebben op aansluiting bij een bedrijfsregeling van sociale zekerheid, maar dat de prestaties die zij aan die aansluiting ontlenen, slechts kunnen worden berekend op basis van door hen vanaf 1990 vervulde dienstjaren.
39 Ter terechtzitting heeft de Commissie gesteld, dat Section 12 van de Occupational Pension Regulations verzoeksters in het hoofdgeding inderdaad belet, hun rechten uit hoofde van artikel 119 van het Verdrag geldend te maken, en dat de toepassing van dit voorschrift derhalve in strijd is met het beginsel van rechtsbescherming.
40 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt daarentegen, dat een nationale beperkende bepaling zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, tot gevolg heeft dat de omvang van een vordering die teruggaat tot een tijdvak gelegen vóór het instellen van deze vordering, wordt beperkt, en dat deze bepaling derhalve vergelijkbaar is met die welke in het arrest Johnson (reeds aangehaald) in het geding was.
41 In dit verband moet worden vastgesteld, dat de toepassing van een regel van procesrecht als Section 12 van de Occupational Pension Regulations, ingevolge welke in procedures betreffende de toegang tot de aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen het recht om tot een regeling te worden toegelaten niet eerder kan ingaan dan twee jaar vóór de datum van instelling van het beroep, verzoeksters in het hoofdgeding de aanvullende prestaties onthoudt die voortvloeien uit de regeling waarbij zij het recht hebben te zijn aangesloten, aangezien deze prestaties slechts zouden kunnen worden berekend op basis van hun dienstjaren vanaf 1990, dat wil zeggen twee jaar vóór de indiening van hun verzoeken.
42 Opgemerkt zij evenwel, dat in een dergelijk geval het verzoek er niet toe strekt, met terugwerkende kracht bepaalde aanvullende prestaties te verkrijgen, maar is gericht op de erkenning van het recht van betrokkenen om zich volledig bij een bedrijfsregeling aan te sluiten door verkrijging van de status van MHO, die recht geeft op aanvullende prestaties.
43 Terwijl de voorschriften die in het arrest van 27 oktober 1993 (zaak C-338/91, Steenhorst-Neerings, Jurispr. 1993, blz. I-5474) en het arrest Johnson (reeds aangehaald) in geding waren, enkel de vóór de indiening van het verzoek gelegen periode waarover achterstallige prestaties konden worden verkregen, beperkten, belet het in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorschrift derhalve, dat alle dienstjaren van de belanghebbenden van 8 april 1976 tot 1990 in aanmerking worden genomen voor de berekening van de aanvullende prestaties die zelfs na de datum van het verzoek verschuldigd zouden zijn.
44 Anders dan de voorschriften die in de zojuist aangehaalde arresten in geding waren en die enkel, in het belang van de rechtszekerheid, de terugwerkende kracht van een verzoek strekkende tot het verkrijgen van bepaalde prestaties beperkten en derhalve de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet in hun wezen aantastten, maakt een voorschrift als het onderhavige bijgevolg de vordering van justitiabelen die zich op het gemeenschapsrecht beroepen, in de praktijk onmogelijk.
45 Bovendien moet worden beklemtoond, dat ingevolge dit nationale voorschrift de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag in de tijd wordt beperkt in gevallen waarin een dergelijke beperking noch is neergelegd in de rechtspraak van het Hof, noch in Protocol nr. 2 gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie.
46 Ten slotte doet het argument van de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat een beperking in de tijd tot doel heeft, tot de rechtszekerheid bij te dragen door de verzoekers aan te zetten tot voortvarendheid, aan deze conclusie niet af. In dit verband volstaat de opmerking, dat de in geding zijnde nationale voorschriften zelfs van toepassing zijn op personen die, zoals Magorrian en Cunningham, hun beroep hebben ingesteld voordat zij met pensioen gingen en voordat zij in aanmerking kwamen voor het in geding zijnde ouderdomspensioen.
47 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat op een op artikel 119 van het Verdrag gebaseerde vordering die ertoe strekt, het recht van de verzoekers op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te doen erkennen, een nationale bepaling wordt toegepast volgens welke de werking van dat recht in de tijd, ingeval het beroep slaagt, beperkt is tot een periode ingaand twee jaar vóór de datum waarop het beroep werd ingesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Office of the Industrial Tribunals and the Fair Employment Tribunal, Belfast, bij beschikking van 9 juli 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De dienstjaren van in deeltijd werkzame vrouwelijke werknemers die indirect worden gediscrimineerd op grond van geslacht, moeten voor de berekening van de aanvullende prestaties waarop zij recht hebben in aanmerking worden genomen vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (zaak 43/75).
2) Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat op een op artikel 119 EG-Verdrag gebaseerde vordering die ertoe strekt, het recht van de verzoekers op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te doen erkennen, een nationale bepaling wordt toegepast volgens welke de werking van dat recht in de tijd, ingeval het beroep slaagt, beperkt is tot een periode ingaand twee jaar vóór de datum waarop het beroep werd ingesteld.
Full & Egal Universal Law Academy