Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Hogere voorziening - Middelen - Middel ontleend aan vermeende schending door Gerecht van artikel 48, lid 2, van Reglement voor procesvoering, volgens hetwelk in loop van geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen - Afwijzing
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2, eerste alinea)
Samenvatting
Artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, bepalende dat in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, is een bepaling die geldt ten aanzien van de partijen, en niet van het Gerecht.
Derhalve kan het Gerecht niet worden verweten, die bepaling te hebben geschonden door een middel op te werpen dat niet door partijen was opgeworpen.
Partijen
In zaak C-252/96 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Peter en J. L. Rufas Quintana, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 22 mei 1996, Gutiérrez de Quijano y Lloréns/Parlement (T-140/94, JurAmbt. blz. II-689), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
E. Gutiérrez de Quijano y Lloréns, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, Rue de Beggen 53, vertegenwoordigd door S. Sequero Marcos, advocaat te Málaga, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Gutiérrez de Quijano,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 april 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 juli 1996, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van het Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 22 mei 1996, Gutiérrez de Quijano y Lloréns/Parlement (T-140/94, JurAmbt. blz. II-689; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht van eerste aanleg het besluit van het Parlement van 10 januari 1994 houdende afwijzing van de klacht van E. Gutiérrez de Quijano tegen de afwijzing van zijn sollicitatie naar de in kennisgeving nr. PE/LA/91 bedoelde vacature, nietig heeft verklaard (hierna: "omstreden besluit").
De feiten
2 Uit het bestreden arrest blijkt, dat Gutiérrez de Quijano, die op 6 januari 1986 als Spaanstalige tolk in dienst van het Parlement was getreden, op 1 januari 1990 is overgegaan naar het Hof van Justitie.
3 Op 4 juli 1991 stuurde hij de directeur van de dienst Vertolking van het Parlement een brief waarin hij te kennen gaf, dat hij wenste te worden herplaatst in de post die hij vóór zijn overgang naar het Hof van Justitie bij het Parlement bekleedde. Omdat hij daarop geen antwoord ontving, gaf hij bij een aan zijn vroegere hiërarchieke meerdere bij het Parlement gerichte brief van 5 februari 1992 te kennen, dat hij een schriftelijk antwoord wenste te krijgen op zijn verzoek tot overgang. Bij brief van 19 maart 1992 liet deze laatste hem weten, dat zijn dossier aan de bevoegde diensten van de administratie van het Parlement was voorgelegd. Bij een aan de dienst Personeel van het Parlement gerichte brief van 24 mei 1992 vroeg verzoeker nogmaals om een schriftelijk antwoord op zijn verzoek tot overgang. Omdat hij daarop geen antwoord ontving, wendde hij zich op persoonlijke titel tot die dienst, waar hem werd meegedeeld, dat zijn verzoek om herplaatsing nooit was aangekomen.
4 Bij brief van 30 juli 1992 deelde het directoraat-generaal Administratie van het Parlement Gutiérrez de Quijano mee, dat in de posten van tolk bij deze instelling werd voorzien volgens de talencombinaties, en dat niet werd overwogen personeelsleden aan te werven met een "talenpakket" als het zijne.
5 Op 26 november 1992 werd aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA voor de aanwerving van Spaanstalige tolken gepubliceerd. Bij brief van 11 januari 1993 herinnerde Gutiérrez de Quijano het hoofd van de afdeling Personeel van het Parlement eraan, dat volgens artikel 29 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") de procedure van vergelijkend onderzoek moet worden voorafgegaan door een procedure van overgang, en herhaalde hij formeel zijn verzoek om herplaatsing in deze instelling.
6 Op 15 maart 1993 publiceerde het Parlement kennisgeving van vacature nr. 7281 betreffende post nr. VI/LA/2759 van Spaanstalige tolk, te vervullen bij wege van overplaatsing. Op dezelfde dag publiceerde het Parlement ook kennisgeving van vacature nr. PE/LA/91 betreffende dezelfde post nr. VI/LA/2759, te vervullen bij wege van overgang uit andere gemeenschapsinstellingen. Deze twee kennisgevingen waren identiek wat de aard van de functie en de van de kandidaten geëiste kwalificaties en kennis betreft. Een van deze eisen was de "bekwaamheid in te staan voor bepaalde coördinatietaken" en de "bijzondere kennis van de problemen binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschappen", voorwaarden die niet voorkwamen in aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA.
7 Op 22 maart 1993 solliciteerde Gutiérrez de Quijano naar de in de kennisgeving van overgang bedoelde post. Bij brief van 16 augustus 1993 deelde het Parlement hem mee, dat het geen gunstig gevolg kon geven aan zijn verzoek tot overgang. Op 30 september 1993 diende Gutiérrez de Quijano een klacht in tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek tot overgang. Die klacht werd afgewezen bij besluit van 10 januari 1994.
8 Op 8 april 1994 stelde Gutiérrez de Quijano beroep in tot nietigverklaring van het omstreden besluit, en tot vergoeding van de morele schade die hij zijns inziens door de afwijzing van zijn verzoek tot overgang had geleden.
Het bestreden arrest
9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de vordering tot nietigverklaring toegewezen en het beroep verworpen voor het overige.
10 Voor het Gerecht betoogde Gutiérrez de Quijano, dat het Parlement zich niet heeft gehouden aan de in artikel 29 van het Statuut vastgestelde rangorde, die het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht eerst de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen te onderzoeken, alvorens tot een extern vergelijkend onderzoek over te gaan, en de beginselen van behoorlijk bestuur en goed beheer, goede trouw en bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. De schending van artikel 29 van het Statuut en van voormelde beginselen zou het gevolg zijn geweest van het feit, dat het Parlement was begonnen met de publicatie, op 26 november 1992, van aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA voor de aanwerving van tolken met hetzelfde talenpakket als Gutiérrez de Quijano, vervolgens, op 15 maart 1993, kennisgeving van vacature nr. PE/LA/91 had gepubliceerd, in het kader waarvan verzoekers sollicitatie werd afgewezen, hoewel hij volledig aan de gestelde voorwaarden voldeed en de enige kandidaat was, en ten slotte de sollicitaties had aanvaard van de voor het algemeen vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten, wier kwalificaties nochtans onderdeden voor de zijne.
11 In punt 41 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er enerzijds aan herinnerd, dat artikel 29, lid 1, van het Statuut het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht, eerst de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, alvorens over te gaan tot een van de volgende fasen, te weten, in die volgorde, het onderzoek van de mogelijkheid van een intern vergelijkend onderzoek, vervolgens het onderzoek van de verzoeken tot overgang uit een andere instelling, en daarna eventueel een algemeen vergelijkend onderzoek (arrest Gerecht van 12 februari 1992, Volger/Parlement, T-52/90, Jurispr. blz. II-121, punt 19). Verder heeft het Gerecht eraan herinnerd, dat de gelijktijdige publicatie van kennisgevingen die overeenkomen met de verschillende achtereenvolgende fasen die in artikel 29, lid 1, van het Statuut zijn genoemd, zoals een interne kennisgeving van vacature en een kennisgeving van een bij wege van overgang uit een andere instelling te vervullen vacature, ook al wordt in die kennisgevingen niet uitdrukkelijk melding gemaakt van de in artikel 29, lid 1, van het Statuut vastgestelde volgorde, niet eraan in de weg staat, dat eerst de interne sollicitaties worden onderzocht alvorens eventuele verzoeken tot overgang uit een andere instelling in aanmerking worden genomen (arrest Volger/Parlement, reeds aangehaald, punt 20).
12 Het Gerecht heeft in punt 42 van zijn arrest daaruit afgeleid, dat het feit dat de publicatie, op 26 november 1992, van aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA voorafging aan de publicatie, op 15 maart 1993, van kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91, niet automatisch een schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut kon opleveren, aangezien de in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA ingediende sollicitaties slechts in aanmerking zouden zijn genomen, nadat het onderzoek van de in het kader van kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91 ingediende sollicitaties was beëindigd.
13 Vervolgens heeft het Gerecht er in punt 43 van zijn arrest aan herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer het, zoals in het onderhavige geval, in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid besluit zijn keuzemogelijkheden in het belang van de dienst te verruimen en aldus van de ene fase van de aanwervingsprocedure over te gaan tot een volgende fase, overeenkomstig de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde, verplicht is deze bevoegdheid uit te oefenen binnen het juridisch kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld, door ervoor te zorgen dat de in die kennisgeving genoemde voorwaarden worden overgenomen in de kennisgevingen betreffende de latere fasen en met name, zoals in het onderhavige geval, in de aankondiging van vergelijkend onderzoek; zouden de instellingen de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de procedure van voorziening in een ambt kunnen wijzigen, met name door ze te versoepelen, dan zouden zij namelijk de vrije hand hebben om externe aanwervingsprocedures te organiseren zonder de interne sollicitaties of, zoals in het onderhavige geval, de tijdens de fase van overgang uit een andere instelling ingediende sollicitaties te moeten onderzoeken (zie arrest Hof van 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie, 341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511, punt 52, en arrest Gerecht van 22 maart 1995, Kotzonis/Economisch en Sociaal Comité, T-586/93, JurAmbt. blz. II-203, punt 45).
14 Bij vergelijking van de betrokken kennisgevingen heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest vastgesteld, dat kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91 van de betrokken sollicitanten de "bekwaamheid [verlangde] in te staan voor bepaalde coördinatietaken", welke voorwaarde niet voorkwam in aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA. Daar de rechtspraak een strikte overeenstemming tussen de kennisgevingen voorschrijft, was het Gerecht van oordeel, dat het Parlement niet op goede gronden kon stellen, dat die voorwaarde, die in zijn standaardkennisgeving van vacature enkel voor ambten in de rang LA 5/LA 4 wordt gesteld, in de praktijk geen enkel gevolg had, en dat geen enkele sollicitant naar een ambt in de rang LA 7/LA 6, op grond van dat criterium is toegelaten of afgewezen.
15 Het Gerecht heeft ook in punt 45 vastgesteld, dat kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91 een voorwaarde inzake de "bijzondere kennis van de problemen binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschappen" bevatte, in tegenstelling tot aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA, die in de beschrijving van de verplichte proeven (punt B) slechts een voorwaarde betreffende de "kennis van de belangrijkste gebieden van de communautaire activiteit" oplegde. Het Gerecht was van oordeel, dat de kennisgeving van vacature, voor zover zij een "bijzondere" kennis van de problemen binnen de "bevoegdheidssfeer" van de Gemeenschappen verlangde, in feite een strengere voorwaarde stelde dan die welke in de aankondiging van extern vergelijkend onderzoek was neergelegd; een "bijzondere" kennis impliceert immers het bezit van een grondige en specifieke kennis op een gebied, de "bevoegdheidssfeer" van de Gemeenschappen, dat verwijst naar het geheel van de gebieden waarop de Gemeenschappen over een precieze bevoegdheid beschikken, terwijl de "kennis van de belangrijkste gebieden van de communautaire activiteit", vereist in de aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA, enkel het bezit impliceert van een algemene kennis op de belangrijkste gebieden van de communautaire activiteit, die niet noodzakelijk alle gebieden van de communautaire bevoegdheidssfeer bestrijken.
16 Het Gerecht heeft in punt 46 geconcludeerd, dat kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91, die net als interne kennisgeving van vacature nr. 7281 op 15 maart 1993 is gepubliceerd, strengere voorwaarden bevatte dan de op 26 november 1992 gepubliceerde aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA (arrest Van der Stijl en Cullington/Commissie, reeds aangehaald, punt 50). In die omstandigheden kon het tot aanstelling bevoegd gezag niet meer binnen het kader blijven dat het zich aanvankelijk had gesteld toen het, ondanks de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde, aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA publiceerde vóór interne kennisgeving van vacature nr. 7281 en kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91, en evenmin binnen het kader dat het zich later door de publicatie van die twee kennisgevingen had gesteld. Voor zover die kennisgevingen en die aankondiging betrekking hadden op dezelfde post, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag belet, dat zij de essentiële rol vervullen die hun volgens artikel 29, lid 1, van het Statuut in het kader van de aanwervingsprocedure toekomt, namelijk de belanghebbenden zo nauwkeurig mogelijk te informeren over de aard van de voorwaarden om in de betrokken post te worden aangesteld (arresten Gerecht van 3 maart 1993, Booss en Fischer/Commissie, T-58/91, Jurispr. blz. II-147, punt 67; Kotzonis/Economisch en Sociaal Comité, reeds aangehaald, punt 67, en van 19 oktober 1995, Obst/Commissie, T-562/93, JurAmbt. blz. II-737, punt 46). Indien het tot aanstelling bevoegd gezag in het onderhavige geval tot de bevinding was gekomen, dat de voorwaarden die in de interne kennisgeving van vacature, in de kennisgeving van overgang en in de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek waren gesteld, strenger of minder streng waren dan voor de behoeften van de dienst was vereist, stond het dit gezag vrij de aanwervingsprocedure te herbeginnen door de aanvankelijke kennisgeving van vacature in te trekken en te vervangen door een in de ene of de andere zin gecorrigeerde kennisgeving (arrest Gerecht van 18 februari 1993, Mc Avoy/Parlement, T-45/91, Jurispr blz. II-83, punt 48), teneinde op basis van die kennisgeving de in artikel 29, lid 1, van het Statuut genoemde latere fasen van de aanwervingsprocedure regelmatig te kunnen voortzetten.
17 Het Gerecht heeft in punt 47 echter vastgesteld, dat het Parlement de kennisgevingen niet had ingetrokken, maar de aanwervingsprocedure had voortgezet op grond van de twee kennisgevingen met verschillende inhoud. Het concludeerde daaruit in punt 49, dat de afwijzing van de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano in onregelmatige omstandigheden was geschied, en een schending vormde van artikel 29, lid 1, van het Statuut.
18 In punt 50 heeft het Gerecht erop gewezen, dat uit het feit dat het Parlement de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano definitief heeft afgewezen op grond dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht was een vacature te vervullen en over meer keuze- en vergelijkingsmogelijkheden wenste te beschikken, verder blijkt dat het Parlement de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano in feite niet heeft getoetst aan de in kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91 gestelde voorwaarden, en overigens evenmin aan de in aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA gestelde voorwaarden, daar de sollicitatie reeds was afgewezen op het ogenblik dat de op die aankondiging binnengekomen sollicitaties werden onderzocht. Het Parlement had de verdiensten van Gutiérrez de Quijano en de verdiensten van de op basis van aankondiging nr. PE/161/LA toegelaten sollicitanten dus niet onderling vergeleken teneinde in casu te verzekeren dat de aanwerving voldeed aan de criteria van artikel 29 van het Statuut, ofschoon een dergelijke vergelijking duidelijk is genoemd als rechtvaardigingsgrond voor het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om via de publicatie van aankondiging nr. PE/161/LA, die juist werd geacht ruimere keuze- en vergelijkingsmogelijkheden te bieden, over te gaan tot de fase van het algemeen vergelijkend onderzoek, en zulks niettegenstaande die vergelijking mogelijk was, nu het Parlement gelijktijdig in het bezit was van de sollicitaties voor het extern vergelijkend onderzoek en van die van Gutiérrez de Quijano.
19 Het Gerecht heeft op deze gronden in punt 51 besloten tot nietigverklaring van het omstreden besluit, zonder dat de andere door Gutiérrez de Quijano aangevoerde middelen behoefden te worden onderzocht.
De hogere voorziening
20 De hogere voorziening van het Parlement strekt ertoe, dat het Hof zijn conclusies in eerste aanleg toewijst en het oorspronkelijke beroep ongegrond verklaart. Zij berust op een enkel middel, ontleend aan schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, bepalende dat in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, doordat het Gerecht het omstreden besluit nietig heeft verklaard wegens gebrek aan overeenstemming tussen de tekst van de kennisgeving van overgang en de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, terwijl dat middel door Gutiérrez de Quijano nooit was opgeworpen, niet in het stadium van de klacht, en niet in het stadium van de schriftelijke behandeling voor het Gerecht. Het Gerecht zelf zou dat middel eigener beweging hebben opgeworpen, toen het het Parlement een aantal vragen stelde met het oog op de voorbereiding van de mondelinge fase van de procedure. Wat verboden is voor partijen, zou dat a fortiori ook zijn voor het Gerecht zelf.
21 Het Parlement is bovendien van mening, dat zelfs indien het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging een nieuw middel is, en deze omstandigheid niet de niet-ontvankelijkheid van dit middel meebrengt, de niet-ontvankelijkheid ervan zou voortvloeien uit het ontbreken van een bezwarend besluit en procesbelang. Aangezien Gutiérrez de Quijano niet aan vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA heeft deelgenomen, kan de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek immers niet worden geacht hem te hebben bezwaard. Bovendien brengt het feit dat hij niet aan het vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen, ook mee dat hij geen procesbelang heeft.
22 Zou het Hof niettemin van oordeel zijn, dat de door het Gerecht aangevoerde grond voor nietigverklaring ontvankelijk was, en dat het ontbreken van een bezwarend besluit geen probleem van ontvankelijkheid doet rijzen, herhaalt het Parlement, onder verwijzing naar een bijlage bij de hogere voorziening, de voor het Gerecht aangevoerde argumenten volgens welke de verschillen tussen de tekst van de kennisgeving en die van de aankondiging geen enkele rol zouden hebben gespeeld bij het onderzoek van de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano.
23 In zijn verweerschrift betwist Gutiérrez de Quijano allereerst, dat artikel 48, lid 2, van toepassing is op het Gerecht. Het tegendeel beweren zou erop neerkomen, de instructiebevoegdheden van het Gerecht of de functie van een rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechterlijke bevoegdheid te miskennen. Met name zou het beginsel iura novit curia de burgerlijke rechter toestaan, de rechtsregels toe te passen die hij passend acht en de rechtsgrondslag van de aanspraken van partijen te wijzigen, zonder echter de oorzaak van de vordering te veranderen of de aard van het gestelde probleem te wijzigen. Bovendien zou de door het Parlement verdedigde oplossing de rechter verplichten, zijn redenering te beperken tot de door partijen opgeworpen middelen, ook al zijn deze onjuist.
24 Gutiérrez de Quijano betoogt in de tweede plaats, dat het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging geen middel in de enge zin is, maar een argument dat noodzakelijk besloten ligt in de in het verzoekschrift voorgedragen middelen. Hij heeft zich onder meer beroepen op schending van artikel 29 van het Statuut en niet-inachtneming, door het Parlement, van het rechtskader dat het zich in de achtereenvolgende fasen van de selectieprocedure had gesteld, alsook op niet-inachtneming van het beginsel van behoorlijk bestuur. Hij zou ook, ter terechtzitting en in zijn voorafgaande stukken, hebben verwezen naar het door het Gerecht aangehaalde arrest Van der Stijl en Cullington/Commissie. De strengere voorwaarden van de kennisgeving van vacature, vergeleken met de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarop het Gerecht heeft gewezen, waren slechts een bewijs te meer van één en dezelfde onregelmatigheid in de handelwijze van het Parlement.
25 In de derde plaats is Gutiérrez de Quijano van mening, dat de vaststelling van het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging een feitelijke vaststelling is, gedaan in het kader van het onderzoek van het middel ontleend aan schending van artikel 29 van het Statuut. Daar een hogere voorziening slechts kan steunen op middelen die de schending van rechtsregels betreffen, zou de hogere voorziening van het Parlement niet-ontvankelijk zijn.
26 Gutiérrez de Quijano beklemtoont vervolgens, dat het arrest van het Gerecht niet enkel is gemotiveerd door het gebrek aan overeenstemming tussen de tekst van de kennisgeving en die van de aankondiging, maar ook door de schending van artikel 29 van het Statuut, voor zover deze als een afzonderlijk middel wordt beschouwd. Deze laatste rechtsgrond, die is neergelegd in de punten 49 en 50 van het bestreden arrest, zou volstaan ter rechtvaardiging van de nietigverklaring door het Gerecht (arrest van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie, C-30/91 P, Jurispr. blz. I-3755, punt 28).
27 In antwoord op het argument van het Parlement, dat het middel ontleend aan het gebrek aan overeenstemming tussen de tekst van de kennisgeving en die van de aankondiging in ieder geval niet-ontvankelijk zou zijn geweest wegens ontbreken van een bezwarend besluit en gebrek aan procesbelang, aangezien Gutiérrez de Quijano niet aan het vergelijkend onderzoek had deelgenomen, herinnert verweerder eraan, dat de in het Statuut voorziene procedure om van instelling te veranderen, de overgang naar een andere instelling is, en niet de deelneming aan een vergelijkend onderzoek. Hij heeft dus niet ten onrechte nagelaten aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen.
28 In zijn memorie van repliek zet het Parlement onder meer uiteen, dat de verschillen tussen de tekst van de kennisgeving en die van de aankondiging enkel van redactionele aard waren, dat zij geen weerslag hadden op het onderzoek van de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano, en dat de nietigverklaring van een besluit wegens dergelijke verschillen blijk zou geven van een overdreven formalisme. Het beklemtoont ook, dat in de zaken die tot de door het Gerecht aangehaalde arresten (Van der Stijl en Cullington/Commissie, en Kotzonis/Economisch en Sociaal Comité) hebben geleid, de omstandigheden verschillend waren, onder meer doordat de verzoekers uitdrukkelijk het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgevingen als onderscheiden en specifiek middel tot nietigverklaring hadden aangevoerd.
Beoordeling door het Hof
29 Artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt: "Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken."
30 Reeds uit de tekst van die bepaling tegen de achtergrond van artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en, ruimer, in de context van titel II, hoofdstuk I, van dat Reglement, getiteld "Van de schriftelijke behandeling", blijkt duidelijk, dat het gaat om een bepaling die geldt ten aanzien van de partijen, en niet van het Gerecht.
31 Daaruit volgt, dat het middel ongegrond is, voor zover het Gerecht het verwijt wordt gemaakt zich niet te hebben gehouden aan een regel die voor hem niet geldt.
32 Ook indien dat middel aldus moest worden begrepen, dat het Gerecht het verwijt wordt gemaakt dat het ultra petita uitspraak heeft gedaan, is het ongegrond.
33 Uit punt 49 van het bestreden arrest blijkt immers, dat het Gerecht het omstreden besluit nietig heeft verklaard wegens schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut, op grond dat de afwijzing van de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano in onregelmatige omstandigheden heeft plaatsgevonden, aangezien die sollicitatie is onderzocht op grond van een kennisgeving van overgang die voorzag in strengere aanwervingsvoorwaarden dan de aankondiging van vergelijkend onderzoek voor de sollicitaties naar dezelfde post.
34 Daaruit volgt, dat het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging geen afzonderlijk middel was, maar een onderdeel van de redenering van het Gerecht waarbij de gegrondheid van het middel ontleend aan schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut werd vastgesteld.
35 Wat het subsidiaire middel van het Parlement betreft, dat enerzijds is ontleend aan het feit dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek geen bezwarend besluit is, en anderzijds aan het ontbreken van procesbelang, op grond dat Gutiérrez de Quijano niet aan het vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG juncto artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest van het Gerecht waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (beschikking van 26 september 1994, X/Commissie, C-26/94 P, Jurispr. blz. I-4379, punten 11 en 12).
36 In de onderhavige zaak geeft rekwirant niet nauwkeurig aan, in welke fase van zijn redenering het Gerecht zou hebben erkend, dat het besluit dat Gutiérrez de Quijano bezwaart in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut, en in het kader waarvan moet worden onderzocht of hij een procesbelang heeft, anders gezegd het besluit waarvan Gutiérrez de Quijano de nietigverklaring heeft gevorderd, de aankondiging van vergelijkend onderzoek zou zijn.
37 Reeds uit de tekst van het bestreden arrest blijkt integendeel, dat het enige besluit waarvan Gutiérrez de Quijano overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Statuut de nietigverklaring heeft gevorderd, het besluit was van het Parlement van 10 januari 1994, tot afwijzing van zijn klacht tegen de afwijzing van zijn sollicitatie naar de in kennisgeving van overgang nr. PE/LA/91 bedoelde post.
38 Daaruit volgt, dat het subsidiaire middel ontleend aan het ontbreken van een bezwarend besluit en het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
39 Wat betreft de verwijzing door het Parlement naar de voor het Gerecht aangevoerde argumenten, volgens welke de verschillen tussen de tekst van de kennisgeving en die van de aankondiging geen enkele rol zouden hebben gespeeld, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak een verzoek dat in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van de voor het Gerecht ontwikkelde middelen beoogt, aan de bevoegdheid van het Hof ontsnapt (zie arrest van 22 december 1993, Eppe/Commissie, C-354/92 P, Jurispr. blz. I-7027, punt 8, en beschikking X/Commissie, reeds aangehaald, punt 13).
40 Uit een en ander volgt, dat de hogere voorziening deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Nu zulks is gevorderd, moet het Parlement in de kosten worden verwezen, aangezien het in het ongelijk is gesteld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst het Europees Parlement in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy