Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Gemeenschapsrecht - Rechtstreekse werking - Nationale heffingen die onverenigbaar zijn met gemeenschapsrecht - Terugbetaling - Modaliteiten - Toepassing van nationaal recht - Vervaltermijnen - Toelaatbaarheid - Voorwaarden - Inachtneming van beginsel van doeltreffendheid van gemeenschapsrecht - Inachtneming van beginsel van gelijkwaardigheid van voorwaarden voor terugvordering met voorwaarden welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden
2 Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Rechtstreekse werking - Gevolgen - Mogelijkheid aan justitiabele nationale regels betreffende beroepstermijnen tegen te werpen voordat richtlijn naar behoren is omgezet - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
Samenvatting
1 Bij ontbreken van een gemeenschapsregeling inzake de terugbetaling van ten onrechte geheven nationale heffingen is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, is het met het gemeenschapsrecht verenigbaar, dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de contribuabele als de administratie bescherming vindt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht. Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling, lijkt in dat opzicht redelijk.
Inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel onderstelt, dat wanneer het om gelijksoortige heffingen of rechten gaat, het betrokken voorschrift gelijkelijk van toepassing is op beroepen gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht en op beroepen gebaseerd op schending van het nationale recht. Dit beginsel kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste terugbetalingsregeling toe te passen op alle vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven heffingen of rechten. Het gemeenschapsrecht staat er dus niet aan in de weg, dat de wettelijke regeling van een lidstaat, naast een verjaringstermijn van gemeen recht die van toepassing is op vorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, minder gunstige bijzondere regels kent voor bezwaar en beroep in rechte tegen heffingen en andere belastingen. Dit zou slechts anders zijn, indien die regels enkel gelden voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van heffingen of belastingen.
Bijgevolg staat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die belastingen welke op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en op vorderingen welke op het nationale recht zijn gebaseerd.
2 Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met een richtlijn geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn die ingaat op de dag van betaling van de betrokken belastingen, ook al was de richtlijn op die dag nog niet correct in nationaal recht omgezet, mits die termijn niet ongunstiger is voor beroepen op grond van het gemeenschapsrecht dan voor beroepen op grond van het nationale recht en hij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en voorts niet vaststaat, dat de verzoeker door de gedraging van de nationale autoriteiten in samenhang met het bestaan van de betrokken termijn elke mogelijkheid is ontnomen om zijn rechten voor de nationale rechter te doen gelden.
Partijen
In zaak C-260/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Corte d'appello di Venezia (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Ministero delle Finanze
en
Spac SpA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, H. Ragnemalm, M. Wathelet en R. Schintgen, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), L. Sevón en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Spac SpA, vertegenwoordigd door C. Toniolo, advocaat te Vicenza,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Spac SpA, vertegenwoordigd door C. Toniolo; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia; de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Mignot; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door N. Paines, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door E. Traversa, ter terechtzitting van 3 februari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 18 april 1996, binnengekomen bij het Hof op 24 juli daaraanvolgend, heeft de Corte d'appello di Venezia krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde.
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen het Italiaanse Ministerie van Financiën en Spac SpA (hierna: "Spac") over de heffing op overheidsvergunningen voor de inschrijving van vennootschappen in het ondernemingsregister (hierna: "vergunningsheffing").
3 De vergunningsheffing is ingesteld bij decreet nr. 641 van de president van de Republiek van 26 oktober 1972 (GURI nr. 292 van 11 november 1972, supplement nr. 3; hierna: "decreet nr. 641/72"). Voor zover van toepassing op de inschrijving in het register van de oprichtingsakte van vennootschappen, heeft de heffing herhaaldelijk wijzigingen ondergaan wat betreft het bedrag en de periodieke verschuldigdheid ervan.
4 Om te beginnen is het bedrag van de vergunningsheffing substantieel verhoogd bij besluitwet nr. 853 van 19 december 1984 (GURI nr. 347 van 19 december 1984), omgezet in wet bij wet nr. 17 van 17 februari 1985 (GURI nr. 41 bis van 17 februari 1985). De besluitwet bepaalde tevens, dat de heffing voortaan niet slechts verschuldigd was bij de inschrijving van de oprichtingsakte van de vennootschap in het register, doch ook op 30 juni van ieder volgend kalenderjaar. Het bedrag van de heffing werd vervolgens in 1988 en 1989 opnieuw gewijzigd. In dit laatste jaar werd het gesteld op 12 miljoen LIT voor naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen, op 3,5 miljoen LIT voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en op 500 000 LIT voor de overige vennootschappen.
5 In zijn naar aanleiding van de vergunningsheffing gewezen arrest van 20 april 1993, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915; hierna: "arrest Ponente Carni"), verklaarde het Hof voor recht, dat artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), aldus moet worden uitgelegd, dat het, behoudens de afwijkingsbepalingen van artikel 12, een jaarlijkse belasting verschuldigd uit hoofde van de inschrijving van kapitaalvennootschappen verbiedt, ook indien de opbrengst van deze belasting bijdraagt aan de financiering van de dienst die belast is met het houden van het register waarin de vennootschappen worden ingeschreven. Het Hof verklaarde voorts, dat artikel 12 van richtlijn 69/335 aldus moet worden uitgelegd, dat de in lid 1, sub e, ervan genoemde rechten met het karakter van een vergoeding retributies kunnen zijn die worden geheven als tegenprestatie voor door de wet met een doel van algemeen belang voorgeschreven verrichtingen, zoals de inschrijving van kapitaalvennootschappen. Het bedrag van die rechten, dat verschillend kan zijn naar gelang van de rechtsvorm van de vennootschap, dient te worden berekend op basis van de kosten van de verrichting, welke kosten forfaitair geraamd kunnen worden.
6 Na dit arrest is de vergunningsheffing bij besluitwet nr. 331 van 30 augustus 1993 (GURI nr. 203 van 30 augustus 1993), in wet omgezet bij wet nr. 427 van 29 oktober 1993 (GURI nr. 255 van 29 oktober 1993), voor alle vennootschappen verlaagd tot 500 000 LIT en is de jaarlijkse inning ervan afgeschaft.
7 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft het Ministerie van Financiën beroep ingesteld tegen een vonnis van het Tribunale di Venezia, waarbij het was veroordeeld tot terugbetaling aan Spac van de door die vennootschap betaalde bedragen van de vergunningsheffing, op grond dat die heffing, zoals die gold tot en met 1993, in strijd was met richtlijn 69/335, zoals door het Hof uitgelegd in het arrest Ponente Carni. In zijn vonnis verwierp het Tribunale di Venezia, dat van oordeel was dat de tienjarige verjaringstermijn van het gemene recht van toepassing was, de aan verval van de terugbetalingsvordering ontleende exceptie van niet-ontvankelijkheid, die het ministerie had opgeworpen op basis van artikel 13 van decreet nr. 641/72. Volgens die bepaling "kan de belastingplichtige, op straffe van verval van recht, abusievelijk betaalde belastingen terugvorderen binnen een termijn van drie jaar vanaf de dag van betaling (...)".
8 Het Ministerie van Financiën komt inzonderheid op tegen dit onderdeel van het vonnis. Anders dan Spac, stelt het, dat de terugbetaling van de vergunningsheffing valt onder artikel 13 van decreet nr. 641/72, aangezien dit van toepassing is op alle onverschuldigd betaalde belastingen, ongeacht de oorzaak van de abusievelijke betaling.
9 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof overweegt de Corte d'appello in haar verwijzingsbeschikking, dat de rechten die de vennootschappen die de vergunningsheffing verschuldigd zijn, aan het gemeenschapsrecht ontlenen, voldoende zouden zijn gewaarborgd, indien de vordering tot terugbetaling van die heffing werd gekwalificeerd als vordering uit onverschuldigde betaling, waarvoor de tienjarige verjaringstermijn van het gemene recht geldt. Zij betwijfelt evenwel, of dit ook het geval zou zijn bij toepassing van de vervaltermijn van artikel 13 van decreet nr. 641/72, aangezien die termijn korter is, ingaat op de dag van de betwiste betaling en niet kan worden gestuit.
10 De verwijzende rechter merkt evenwel op, dat de Corte suprema di cassazione in arrest nr. 3458 van 23 februari 1996 heeft verklaard, dat de terugbetaling van de vergunningsheffing onder laatstgenoemde bepaling valt, en daarmee dus impliciet heeft erkend, dat die bepaling verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
11 In die omstandigheden heeft de Corte d'appello di Venezia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Wanneer voor de Italiaanse rechter terugbetaling wordt gevorderd van belastingen die zijn betaald krachtens wetsbepalingen die onverenigbaar zijn met artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitgelegd in het arrest van 20 april 1993, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915), zijn dan de in die richtlijn en de uitlegging daarvan neergelegde beginselen en de algemene beginselen van de communautaire rechtsorde, zoals door het Hof van Justitie geformuleerd in het arrest van 25 juli 1991, Emmott (C-208/90, Jurispr. blz. I-4269), verenigbaar met een bepaling van nationaal recht die bedoelde terugbetalingsvordering onttrekt aan de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling en brengt onder de speciale regeling voor terugbetaling van abusievelijk betaalde belastingen, en daarmee voor het instellen van de vordering een vervaltermijn voorschrijft die ingaat op het tijdstip van betaling en niet op het tijdstip waarop de gemeenschapsrichtlijn naar behoren in nationaal recht is omgezet?"
Het eerste onderdeel van de vraag
12 De Commissie merkt op, dat het eerste onderdeel van de vraag de uitlegging van Italiaans recht betreft en dus in de vorm die het heeft, niet-ontvankelijk is, en zij geeft derhalve in overweging het anders te formuleren. Haars inziens komt dit onderdeel van de gestelde vraag erop neer, of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die aan vorderingen tot terugbetaling van een in strijd met richtlijn 69/335 geheven belasting een vervaltermijn stelt, die een bevoegdheid tot belastingheffing en een fiscale schuldvordering van de staat onderstelt, in plaats van een verjaringstermijn die volgens dezelfde wettelijke regeling van toepassing is in het geval van een objectief onverschuldigde betaling, die het gevolg is van het ontbreken van een dergelijke bevoegdheid en schuldvordering.
13 Met het eerste onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt. De verwijzende rechter verzoekt het Hof derhalve om verduidelijking van zijn rechtspraak volgens welke de nationale procesregels voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (zie, onder meer, arresten van 16 december 1976, Rewe, 33/76, Jurispr. blz. 1989, en Comet, 45/76, Jurispr. blz. 2043).
14 De vraag dient derhalve te worden beantwoord.
15 Volgens Spac staat de rechtspraak van het Hof eraan in de weg, dat een lidstaat de vorderingen tot terugbetaling van de vergunningsheffing onttrekt aan de regeling van het gemene recht inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde, om ze onder een ongunstiger bijzondere regeling te brengen, zoals die van artikel 13 van decreet nr. 641/72. Enkel eerstgenoemde regeling kan voldoende waarborg bieden voor het recht van kapitaalvennootschappen op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen van de vergunningsheffing.
16 Volgens de drie regeringen evenwel die opmerkingen hebben ingediend, mag een lidstaat op belastinggebied een vervaltermijn bepalen die verschilt van de termijn van het gemene recht, wanneer die termijn gelijkelijk geldt voor op het gemeenschapsrecht en op het nationale recht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling, hetgeen in casu het geval is.
17 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft opgemerkt, blijkt bij vergelijking van de nationale stelsels, dat het vraagstuk van de betwisting van onwettig opgeëiste of de terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen in de verschillende lidstaten en zelfs binnen eenzelfde lidstaat uiteenlopende oplossingen heeft gevonden, afhankelijk van de soort belasting of heffing waarom het gaat. In sommige gevallen stelt de wet zowel ten aanzien van tot de belastingdienst gerichte bezwaarschriften als van beroepen in rechte strakke voorwaarden ten aanzien van de vorm waarin en de termijn waarbinnen dergelijke rechtsvorderingen of verzoeken kunnen worden ingediend. In andere gevallen moeten beroepen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen voor de gewone rechter worden ingesteld, met name in de vorm van een actie uit onverschuldigde betaling; daarbij gelden voor deze beroepen meer of minder lange termijnen, in bepaalde gevallen de normale verjaringstermijn van het gemene recht (zie arresten van 27 februari 1980, Just, 68/79, Jurispr. blz. 501, punten 22 en 23; 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punten 23 en 24; 10 juli 1980, Ariete, 811/79, Jurispr. blz. 2545, punten 10 en 11, en Mireco, 826/79, Jurispr. blz. 2559, punten 11 en 12).
18 Deze verscheidenheid van de nationale stelsels is met name een gevolg van het ontbreken van een gemeenschapsregeling inzake de terugbetaling van ten onrechte geheven nationale heffingen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in een dergelijke situatie immers een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arresten Rewe, punt 5, en Comet, punten 13 en 16, beide reeds aangehaald, en, meer recent, arrest van 14 december 1995, Peterbroeck, C-312/93, Jurispr. blz. I-4599, punt 12).
19 Wat laatstgenoemd beginsel betreft, is het volgens het Hof met het gemeenschapsrecht verenigbaar, dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de contribuabele als de administratie bescherming vindt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (arresten Rewe, punt 5, Comet, punten 17 en 18, en Denkavit italiana, punt 23, alle reeds aangehaald; zie ook arresten van 10 juli 1997, Palmisani, C-261/95, Jurispr. blz. I-4025, punt 28, en 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C-90/94, Jurispr. blz. I-4085, punt 48). Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling, lijkt in dat opzicht redelijk (zie arrest van heden, Edis, C-231/96, Jurispr. blz. I-4951, punt 35).
20 Inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel onderstelt, dat wanneer het om gelijksoortige heffingen of rechten gaat, het in geding zijnde voorschrift gelijkelijk van toepassing is op beroepen gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht en op beroepen gebaseerd op schending van het nationale recht. Dit beginsel kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste terugbetalingsregeling toe te passen op alle vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven heffingen of rechten (arrest Edis, reeds aangehaald, punt 36).
21 Het gemeenschapsrecht staat er dus niet aan in de weg, dat de wettelijke regeling van een lidstaat, naast een verjaringstermijn van gemeen recht die van toepassing is op vorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, minder gunstige bijzondere regels kent voor bezwaar en beroep in rechte tegen heffingen en andere belastingen. Dit zou slechts anders zijn, indien die regels enkel gelden voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van die heffingen of belastingen (arrest Edis, reeds aangehaald, punt 37).
22 De hier bedoelde vervaltermijn geldt niet slechts voor de in geding zijnde vergunningsheffing, doch voor alle heffingen op overheidsvergunningen. Bovendien is volgens niet betwiste verklaringen van de Italiaanse regering een overeenkomstige termijn eveneens van toepassing op vorderingen tot terugbetaling van een aantal indirecte belastingen. Voorts blijkt niet uit de tekst van de litigieuze bepaling, dat zij enkel van toepassing is op beroepen op grond van het gemeenschapsrecht, en zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 26 van zijn conclusie in samenhang met de punten 62 tot en met 64 van zijn conclusie in de zaak Edis, volgt overigens uit de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione, dat de termijnen in belastingzaken eveneens gelden voor vorderingen tot terugbetaling van heffingen of belastingen die zijn geheven op grond van wetten die in strijd met de Italiaanse Grondwet zijn verklaard (arrest Edis, reeds aangehaald, punt 38).
23 Mitsdien moet op het eerste onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die belastingen, welke op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd.
Het tweede onderdeel van de vraag
24 Met het tweede onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met een richtlijn geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn die ingaat op de dag van betaling van de betrokken belastingen, hoewel de richtlijn op die dag nog niet correct in nationaal recht was omgezet.
25 De drie regeringen die opmerkingen hebben ingediend, geven, in tegenstelling tot Spac, in overweging deze vraag ontkennend te beantwoorden. Volgens hen mag een lidstaat zich op een nationale vervaltermijn als de hierbedoelde beroepen wanneer die termijn voldoet aan de in de arresten Rewe en Comet (reeds aangehaald) gestelde voorwaarden. Volgens die regeringen moet het arrest Emmott (reeds aangehaald) worden gelezen tegen de achtergrond van de zeer uitzonderlijke omstandigheden van die zaak, hetgeen het Hof trouwens heeft bevestigd in zijn arresten van 27 oktober 1993, Steenhorst-Neerings (C-338/91, Jurispr. blz. I-5475), en 6 december 1994, Johnson (C-410/92, Jurispr. blz. I-5483).
26 Aanvankelijk betoogde de Commissie, dat de arresten Steenhorst-Neerings en Johnson (reeds aangehaald) betrekking hadden op klachten over ten onrechte geweigerde sociale uitkeringen en in casu dus irrelevant waren. Zij was derhalve van mening, dat de oplossing van het arrest Emmott toepassing moest vinden op vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen, omdat de in gebreke gebleven lidstaat anders voordeel zou kunnen halen uit de door hem gepleegde inbreuk. Ter terechtzitting heeft de Commissie die stelling echter niet meer verdedigd en erkend, dat zij door het arrest van 2 december 1997, Fantask e.a. (C-188/95, Jurispr. blz. I-6783), was weerlegd.
27 Naar uit het antwoord op het eerste onderdeel van de gestelde vraag blijkt, staat het gemeenschapsrecht in beginsel er niet aan in de weg, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar.
28 In het arrest Emmott (reeds aangehaald, punt 23) heeft het Hof weliswaar verklaard, dat tot het moment waarop een richtlijn correct is uitgevoerd, een in gebreke gebleven lidstaat zich niet op termijnoverschrijding kan beroepen tegenover een particulier die een procedure tegen hem instelt ter bescherming van de rechten die de bepalingen van een richtlijn de particulier toekennen, en dat een in het nationale recht bepaalde beroepstermijn niet vóór dat moment kan gaan lopen.
29 Uit het arrest Steenhorst-Neerings, zoals bevestigd door het arrest Johnson (punt 26), blijkt evenwel, dat de oplossing van het arrest Emmott werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin door het verval van recht de verzoekster in het hoofdgeding geen enkele mogelijkheid meer had, haar recht op gelijke behandeling ingevolge een gemeenschapsrichtlijn te doen gelden (zie eveneens arrest Haahr Petroleum, reeds aangehaald, punt 52, en arrest van 17 juli 1997, Texaco en Olieselskabet Danmark, C-114/95 en C-115/95, Jurispr. blz. I-4263, punt 48).
30 Zo overwoog het Hof in het arrest Fantask e.a. (reeds aangehaald), dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat, dat een lidstaat die richtlijn 69/335 niet correct heeft omgezet, zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met die richtlijn geheven rechten beroept op een nationale verjaringstermijn van vijf jaar, die ingaat op de datum van opeisbaarheid van die rechten (zie ook arrest Edis, reeds aangehaald, punt 47).
31 Uit de stukken van de zaak en de debatten ter terechtzitting blijkt voorts niet, dat verzoekster in het hoofdgeding door de gedraging van de Italiaanse autoriteiten in samenhang met het bestaan van de litigieuze termijn elke mogelijkheid heeft verloren om haar rechten voor de nationale rechter te doen gelden, zoals in de zaak Emmott het geval was.
32 Mitsdien moet op het tweede onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met een richtlijn geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn die ingaat op de dag van betaling van de betrokken belastingen, ook al was de richtlijn op die dag nog niet correct in nationaal recht omgezet.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Italiaanse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Corte d'appello di Venezia bij beschikking van 18 april 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die belastingen, welke op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd.
2) In omstandigheden als die van het hoofdgeding staat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg, dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met een richtlijn geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn die ingaat op de dag van betaling van de betrokken belastingen, ook al was de richtlijn op die dag nog niet correct in nationaal recht omgezet.
Full & Egal Universal Law Academy