Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-284/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Briey (Frankrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
D. Tabouillot
en
Directeur des services fiscaux de Meurthe-et-Moselle
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 95 EG-Verdrag, teneinde te kunnen beoordelen of het Franse belastingstelsel voor motorvoertuigen zich met die bepaling verdraagt,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- D. Tabouillot, vertegenwoordigd door G. Benabes, advocaat te Lorient,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en R. Nadal, adjunct-secretaris buitenlandse zaken bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Michard en E. Traversa, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van D. Tabouillot, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 5 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 8 augustus 1996, ingekomen bij het Hof op 22 augustus daaraanvolgend, heeft het Tribunal de grande instance de Briey krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 van het Verdrag, teneinde te kunnen beoordelen of het Franse belastingstelsel voor motorvoertuigen zich met die bepaling verdraagt.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Tabouillot en de Franse belastingadministratie betreffende de toepassing, bij de bepaling van het fiscaal vermogen van Tabouillots voertuig, dat van buitenlandse makelij is, van een berekeningswijze die tot een hogere belasting leidt dan die welke op soortgelijke voertuigen van nationale makelij wordt toegepast.
3 Met de artikelen 1599 C tot en met 1599 J van de Code général des impôts heeft de Franse wetgever een differentiële belasting op motorvoertuigen ingesteld. Bij wet zijn belastingschijven voor verschillende fiscale vermogens vastgesteld; met elke belastingschijf stemt een coëfficiënt overeen. Het bedrag van de differentiële belasting wordt berekend door een jaarlijks door de "conseillers généraux" van de verschillende departementen bij wege van stemming goedgekeurd basistarief te vermenigvuldigen met de coëfficiënten die overeenkomen met de betrokken belastingschijf.
4 Verzoeker in het hoofdgeding komt op tegen de berekeningswijze van het administratief vermogen van personenauto's.
5 De wijze van berekening van het administratief vermogen van personenauto's is geregeld in twee circulaires: de circulaire van 28 december 1956 (JORF van 22 januari 1957, blz. 910) en circulaire nr. 77-191 van 23 december 1977 (JORF van 8 februari 1978, blz. 1052). Deze circulaires zijn met terugwerkende kracht door de wetgever bekrachtigd, ingevolge artikel 35 van de loi des finances rectificative voor 1993 (wet nr. 93-859 van 22 juni 1993, JORF van 23 juni 1993, blz. 8815).
6 De circulaire van 28 december 1956 bevat de volgende formule voor de berekening van het fiscaal vermogen: P = K n D2 L ù, waarin P het administratief vermogen in paardekracht uitdrukt, n het aantal cilinders, D de boring in centimeter, L de zuigerslag in centimeter, ù het toerental per seconde; K is een numerieke coëfficiënt. Volgens de Commissie, op dit punt niet weersproken, kan deze lineaire formule eenvoudiger worden samengevat als de vermenigvuldiging van de cilinderinhoud van het voertuig in liter met een coëfficiënt van 5.7294 voor voertuigen met benzinemotor en 4.0106 voor voertuigen met dieselmotor. Het resultaat van de toepassing van deze formule varieert dus uitsluitend naargelang van de cilinderinhoud van de motor.
7 Sedert 1 januari 1978 geldt ingevolge de circulaire van 23 december 1977 een nieuwe formule, volgens welke P = m (0,0458 . C/K)1,48. In deze formule geeft P het administratief vermogen aan, en is m gelijk aan 1 voor benzinemotoren en aan 0,7 voor dieselmotoren; C is de cilinderinhoud van de motor in kubieke centimeter, en K is een parameter die de overbrenging van de beweging uitdrukt, en die wordt verkregen door berekening van "het gewogen rekenkundig gemiddelde van de theoretische snelheden van het voertuig in de verschillende versnellingen voorwaarts, uitgedrukt in kilometer per uur, bij een motortoerental van duizend toeren per minuut".
8 De circulaire van 23 december 1977 is van toepassing op "personenauto's met minder dan negen zitplaatsen, uitgerust met viertakt-verbrandingsmotoren en voorzien van een overbrenging die tot een van de in bijlage beschreven types behoort, (...) en waarvoor er per 1 januari 1978 een typegoedkeuring bestaat". De werkingssfeer van die circulaire is gewijzigd bij circulaire nr. 87-56 van 24 juni 1987 (hierna: "circulaire nr. 87-56"). Om "bepaalde distorsies bij equivalente modellen die per type of afzonderlijk worden goedgekeurd" te verhelpen, is besloten dat de bepalingen van de circulaire van 23 december 1977 "ook van toepassing zijn op afzonderlijk goedgekeurde personenauto's die overeenstemmen met een goedgekeurd type of die, wat de berekening van het administratief vermogen betreft, als gelijkwaardig worden beschouwd met een goedgekeurd type waarvan het administratief vermogen overeenkomstig de onderhavige circulaire is berekend".
9 In circulaire nr. 87-56 is gepreciseerd, dat "andere dan de hierboven bedoelde personenauto's onderworpen blijven aan de bepalingen van de circulaire van 1956".
10 Sedert 1 januari 1978 bestaan er in Frankrijk dus naast elkaar twee verschillende manieren om het administratief vermogen te berekenen.
11 Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt, dat de overgrote meerderheid van de in Frankrijk goedgekeurde voertuigen onder de formule van de circulaire van 23 december 1977 vallen. Niettemin is de formule van de circulaire van 28 december 1956 residueel nog steeds van toepassing op:
- per type dan wel afzonderlijk goedgekeurde personenauto's waarvan het type vóór 1 januari 1978 is goedgekeurd;
- voertuigen die afzonderlijk ter goedkeuring worden aangeboden en die niet overeenstemmen met een na 1 januari 1978 in Frankrijk goedgekeurd type;
- personenauto's die overeenstemmen met een na 1 januari 1978 goedgekeurd type, doch die wat het fiscaal vermogen betreft, niet als gelijkwaardig worden beschouwd met een goedgekeurd type waarvan het administratief vermogen is berekend overeenkomstig de circulaire van 23 december 1977 (circulaire nr. 87-56).
12 Tabouillot is eigenaar van een Chevrolet Corvette met een cilinderinhoud van 5 735 cm3, die op 1 januari 1980 voor het eerst in het verkeer is gebracht, en die op 29 mei 1992 op basis van een op de grijze kaart vermelde ministeriële afwijking van 5 mei 1992 voor het eerst in Frankrijk is ingeschreven.
13 De belastingadministratie stelde het administratief vermogen van dit voertuig vast op 33 PK, overeenkomstig de in de circulaire van 28 december 1956 vastgestelde berekeningswijze.
14 Op 10 september 1994 is tegen Tabouillot proces-verbaal opgesteld omdat hij het belastingvignet voor het aanslagjaar 1993-1994 niet op de voorruit van zijn auto had gekleefd. Van hem werd betaling verlangd van het belastingbedrag van 6 031 FF en van een boete van 11 710 FF krachtens artikel 1840 N quater van de Code général des impôts, dus in totaal 17 741 FF, na vermindering teruggebracht tot 17 152 FF.
15 Van mening dat deze belasting in strijd was met artikel 95 van het Verdrag, heeft Tabouillot bij de belastingadministratie bezwaar gemaakt tegen de van hem gevorderde bedragen. Zijn bezwaarschrift is op 25 september 1995 afgewezen.
16 Bij verzoekschrift van 14 november 1995 daagde Tabouillot de belastingdirecteur van Meurthe-et-Moselle voor het Tribunal de grande instance de Briey, stellende dat de fiscale bepalingen betreffende de differentiële motorvoertuigenbelasting, die voertuigen met een vermogen van meer dan 16 PK treft, buiten toepassing moet worden verklaard wegens strijd met artikel 95 van het Verdrag.
17 Tot staving van zijn beroep betoogde Tabouillot met name, dat de gelijktijdige toepassing van twee berekeningswijzen voor het administratief vermogen, namelijk die van de circulaire van 28 december 1956 en die van de circulaire van 23 december 1977, ongunstige gevolgen had voor buiten Frankrijk gekochte en voor invoer in dat land bestemde voertuigen, en dus het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig kon beïnvloeden.
18 De belastingdirecteur concludeerde tot afwijzing van Tabouillots vordering. Zijns inziens is het stelsel van differentiële belasting van motorvoertuigen, zoals neergelegd in wet nr. 87-1061 van 30 december 1987 en in de daaropvolgende circulaires, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, wat overigens door de Conseil d'Etat bij arrest van 20 maart 1992 is bevestigd.
19 In die omstandigheden heeft het Tribunal de grande instance te Briey het Hof de twee navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"Moet artikel 95 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van een methode voor de vaststelling van het administratief vermogen van voertuigen, die tot gevolg heeft dat het administratief vermogen van bepaalde voertuigen hoger is, zodat de consumenten minder geneigd zijn deze te kopen, nu in de zwaarst belaste categorieën alleen ingevoerde voertuigen vallen die rechtstreeks in concurrentie komen met in Frankrijk verkochte soortgelijke voertuigen, die evenwel in gunstiger fiscale categorieën worden ingedeeld?
Moet artikel 95 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen het gelijktijdig gebruik van twee berekeningswijzen voor de vaststelling van het administratief vermogen van voertuigen, waarvan de minst gunstige met name op uit andere Lid-Staten ingevoerde voertuigen wordt toegepast en tot gevolg heeft, dat deze voor de Franse consumenten minder aantrekkelijk worden, zodat deze de voorkeur geven aan in Frankrijk verkochte soortgelijke voertuigen?"
20 Bij brief van 8 december 1997, ingekomen bij het Hof op 10 december daaraanvolgend, dus na de conclusie van de advocaat-generaal, heeft Tabouillot opmerkingen gemaakt over sommige punten van de conclusie, in verband met de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag, en het Hof verzocht het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te verklaren.
21 Te deze moet worden vastgesteld, dat de tot staving van deze standpuntbepaling aangewende argumenten niet van dien aard zijn, dat zij de heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof noodzakelijk maken.
22 Opgemerkt zij, dat de advocaat van Tabouillot op een vraag van het Hof heeft geantwoord, dat diens voertuig rechtstreeks uit de Verenigde Staten van Amerika in Frankrijk is ingevoerd.
23 Het is evenwel vaste rechtspraak (zie arresten van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787, r.o. 23; 9 juni 1992, gevoegde zaken C-228/90 tot en met C-234/90, C-339/90 en C-353/90, Simba e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3713, r.o. 14, en 13 juli 1994, zaak C-130/92, OTO, Jurispr. 1994, blz. I-3281, r.o. 18), dat artikel 95 van het Verdrag alleen van toepassing is op uit andere Lid-Staten afkomstige producten en, in voorkomend geval, op producten welke van oorsprong zijn uit derde landen en zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden. Daaruit volgt, dat die bepaling niet van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten.
24 Bijgevolg is artikel 95 van het Verdrag niet van toepassing op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
25 Ter terechtzitting betoogde de advocaat van verzoeker in het hoofdgeding evenwel, dat het Hof de voorgelegde vragen toch diende te beantwoorden, omdat hij zich naar nationaal recht op de uitspraak van het Hof kan beroepen in het kader van het beginsel van gelijke behandeling van de Franse belastingplichtigen en burgers ten aanzien van de belastingheffing en de wet.
26 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat niets in het verwijzingsvonnis erop wijst, dat met de voorgelegde vragen een antwoord op dit punt werd beoogd. Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de verwijzende rechter deze vragen integendeel gesteld in de veronderstelling dat het betrokken voertuig uit een andere Lid-Staat was ingevoerd.
27 Mitsdien moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat een situatie als die welke het gevolg is van de invoer in een Lid-Staat van een voertuig dat rechtstreeks uit een derde land afkomstig is, niet binnen de werkingssfeer van artikel 95 van het Verdrag valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Briey bij vonnis van 8 augustus 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Een situatie als die welke het gevolg is van de invoer in een Lid-Staat van een voertuig dat rechtstreeks uit een derde land afkomstig is, valt niet binnen de werkingssfeer van artikel 95 EG-Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy