Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Milieu - Waterverontreiniging - Richtlijn 76/464 - Verplichting, programma's tot vermindering van verontreiniging, veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen, vast te stellen en aan Commissie mee te delen - Draagwijdte - Verzuim relevante basisinformatie te verstrekken - Schending van artikel 5 van Verdrag
(EG-Verdrag, art. 5; richtlijn 76/464 van de Raad, art. 7, leden 1 en 6)
Samenvatting
Onder "verontreiniging" van het water, waarvan de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 bedoelde programma's de vermindering tot doel hebben, wordt volgens de definitie van artikel 1, lid 2, sub e, van die richtlijn verstaan "het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de ecosystemen in het water kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd". De verplichting tot vaststelling van de programma's in de zin van artikel 7, lid 1, geldt dus met betrekking tot wateren waarin dergelijke lozingen plaatsvinden.
Bovendien betreft de door artikel 7, lid 6, van de richtlijn opgelegde verplichting, de programma's en de resultaten van de toepassing ervan aan de Commissie mee te delen, enkel de reeds vastgestelde programma's. Een lidstaat die de Commissie niet de door haar gevraagde inlichtingen over de mate van waterverontreiniging op zijn grondgebied verstrekt, teneinde de instelling in staat te stellen de omvang van de voor de lidstaat uit artikel 7 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kennen, schendt dus artikel 5 van het Verdrag.
Partijen
In zaak C-285/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. zur Hausen en P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door in strijd met artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in lijst I van de bijlage genoemde 99 gevaarlijke stoffen vast te stellen, dan wel de programma's en de resultaten van de toepassing ervan niet in beknopte vorm aan de Commissie mee te delen, en door haar in strijd met artikel 5 EG-Verdrag niet de ter zake gevraagde inlichtingen te verstrekken, de krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, R. Schintgen, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn en G. Hirsch (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juni 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 augustus 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door in strijd met artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23; hierna: "richtlijn"), niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in de bijlage genoemde 99 gevaarlijke stoffen vast te stellen, dan wel die programma's en de resultaten van de toepassing ervan niet in beknopte vorm aan de Commissie mee te delen, en door haar in strijd met artikel 5 EG-Verdrag de ter zake gevraagde inlichtingen niet te verstrekken, de krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De richtlijn beoogt de beëindiging van de verontreiniging van het aquatisch milieu door bepaalde bijzonder gevaarlijke stoffen die worden genoemd in lijst I van de bijlage bij de richtlijn, en de vermindering van de verontreiniging van het aquatisch milieu door bepaalde andere gevaarlijke stoffen die in lijst II van de bijlage worden genoemd. Om dit doel te bereiken moeten de lidstaten ingevolge artikel 2 van de richtlijn passende maatregelen nemen.
3 Lijst I omvat stoffen die voornamelijk zijn geselecteerd op grond van hun toxiciteit, persistentie en bioaccumulatie. Krachtens de artikelen 3 en 6 van de richtlijn moeten de lidstaten iedere lozing van deze stoffen in het aquatisch milieu onderwerpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteiten en moeten zij emissienormen vaststellen die de grenswaarden die door de Raad zijn vastgesteld op basis van de werking van de stoffen op het aquatisch milieu, niet mogen overschrijden.
4 Lijst II omvat volgens het eerste streepje om te beginnen de onder lijst I vallende stoffen waarvoor de Raad nog geen grenswaarden heeft vastgesteld. Zo maken thans 99 stoffen die op lijst I voorkomen, deel uit van lijst II.
5 Lijst II omvat volgens het tweede streepje verder de stoffen waarvan de schadelijke werking op het milieu tot een bepaald gebied beperkt kan zijn en afhangt van de kenmerken en de plaats van het water waarin zij worden geloosd. Tijdens een vergadering van nationale deskundigen op 31 januari en 1 februari 1989 is een lijst van dergelijke als prioritair beschouwde stoffen opgesteld.
6 Ter vermindering van de verontreiniging van de wateren door de stoffen van lijst II moeten de lidstaten ingevolge artikel 7 van de richtlijn programma's opstellen, voor de uitvoering waarvan zij met name iedere lozing die een van de stoffen van lijst II bevat, aan een voorafgaande vergunning onderwerpen en kwaliteitsdoelstellingen voor het water vaststellen. Ingevolge artikel 7, lid 6, van de richtlijn moeten de programma's en de resultaten van de toepassing hiervan in beknopte vorm aan de Commissie worden medegedeeld.
7 In de richtlijn wordt geen implementatietermijn genoemd. Artikel 12, lid 2, bepaalt echter, dat de Commissie, voor zover mogelijk binnen een termijn van 27 maanden na de kennisgeving van de richtlijn, de Raad de eerste voorstellen toezendt, die op basis van het vergelijkend onderzoek van de door de lidstaten opgestelde programma's worden gedaan. Van mening dat de lidstaten niet in staat waren, haar binnen deze termijn relevante gegevens te verstrekken, stelde de Commissie hun bij brief van 3 november 1976 voor, de 15e september 1981 aan te houden als datum voor de opstelling van de programma's en 15 september 1986 als datum voor de uitvoering ervan.
8 Na de vergadering van deskundigen op 31 januari en 1 februari 1989 nodigde de Commissie bij schrijven van 26 september 1989 de Italiaanse regering uit, haar gegevens te verstrekken over de vaststelling van de programma's voor de in het tweede streepje van lijst II bedoelde, als prioritair beschouwde stoffen. De Italiaanse regering heeft niet op dit verzoek gereageerd.
9 Bij brief van 4 april 1990 verzocht de Commissie de Italiaanse regering haar mee te delen, in de eerste plaats, een bijgewerkte lijst waarop aangegeven welke van de 99 stoffen van lijst I, die volgens het eerste streepje van lijst II als stoffen van deze lijst moeten worden behandeld, in het aquatisch milieu van Italië werden geloosd; in de tweede plaats, de kwaliteitsdoelstellingen die golden op het moment waarop de vergunningen voor lozingen die een van deze stoffen kunnen bevatten, werden verleend, en, ten slotte, de redenen waarom die doelstellingen niet waren vastgesteld, alsmede een tijdschema met de data waarop deze doelstellingen zouden worden vastgesteld. Ook deze brief bleef onbeantwoord.
10 Bij brief van 10 juli 1991 maande de Commissie de Italiaanse regering aan, binnen twee maanden haar opmerkingen te maken, hetgeen zij niet heeft gedaan.
11 Op 25 mei 1993 deed de Commissie de Italiaanse regering een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij verklaarde, dat de Italiaanse Republiek, door in strijd met artikel 7 van de richtlijn niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in de bijlage genoemde 99 gevaarlijke stoffen vast te stellen, dan wel de programma's en de resultaten van de toepassing ervan niet in beknopte vorm aan de Commissie mee te delen, en door in strijd met artikel 5 van het Verdrag niet de ter zake gevraagde inlichtingen te verstrekken, de krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen. De Commissie nodigde de Italiaanse Republiek uit, de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan het met redenen omkleed advies te voldoen. Dit advies vermocht al evenmin een reactie van de Italiaanse Republiek los te maken.
12 Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. De Italiaanse regering, regelmatig in het geding geroepen, heeft binnen de haar verleende termijn geen enkele memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft de Commissie gevorderd dat het Hof haar conclusies toewijst.
13 Alvorens de grieven van de Commissie te onderzoeken, zij eraan herinnerd, dat wanneer het Hof, zoals in de onderhavige zaak, bij verstek uitspraak doet, het om de gegrondheid van het verzoekschrift te beoordelen, overeenkomstig artikel 94, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering enkel heeft te onderzoeken "of de conclusies van verzoeker gegrond voorkomen".
De eerste grief
14 In de eerste plaats verwijt de Commissie de Italiaanse Republiek, dat zij, door in strijd met artikel 7 van de richtlijn niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in bijlage bij de richtlijn genoemde 99 gevaarlijke stoffen vast te stellen, dan wel de programma's en de resultaten van de toepassing ervan niet in beknopte vorm aan de Commissie mee te delen, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
15 Er zij aan herinnerd, dat de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn bedoelde programma's de vermindering van de verontreiniging van het water tot doel hebben. Onder "verontreiniging" wordt volgens de definitie van artikel 1, lid 2, sub e, van de richtlijn verstaan "het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de ecosystemen in het water kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd". De verplichting tot vaststelling van de programma's in de zin van artikel 7, lid 1, geldt dus met betrekking tot wateren waarin dergelijke lozingen plaatsvinden (zie arrest Hof van 11 juni 1998, Commissie/Luxemburg, C-206/96, Jurispr. blz. I-3401, punt 20).
16 Daar de Italiaanse regering deze verplichting niet heeft betwist, moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in lijst I van de bijlage genoemde 99 gevaarlijke stoffen niet vast te stellen, de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De tweede grief
17 Als tweede grief voert de Commissie aan, dat de Italiaanse Republiek, door haar niet de gevraagde inlichtingen over de mate van waterverontreiniging in Italië te verstrekken, teneinde haar in staat te stellen de omvang van de uit artikel 7 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kennen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5 van het Verdrag, bepalende dat de lidstaten met de instellingen van de Gemeenschap moeten samenwerken om de vervulling van hun taak te vergemakkelijken.
18 In dit verband moet worden vastgesteld, dat de Commissie, om de mate van waterverontreiniging in Italië en, bijgevolg, de omvang van de uit artikel 7 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kennen, de Italiaanse regering herhaaldelijk heeft verzocht mee te delen, in de eerste plaats, een bijgewerkte lijst waarop aangegeven welke van de 99 stoffen van lijst I, die volgens het eerste streepje van lijst II als stoffen van deze lijst moeten worden behandeld, in het aquatisch milieu van Italië worden geloosd; in de tweede plaats, de kwaliteitsdoelstellingen die golden op het moment waarop de vergunningen voor lozingen die een van deze stoffen kunnen bevatten, werden verleend, en, ten slotte, de redenen waarom die doelstellingen niet waren vastgesteld, alsmede een tijdschema met de data waarop deze doelstellingen zouden worden vastgesteld.
19 Aangezien de door artikel 7, lid 6, van de richtlijn opgelegde mededelingsplicht enkel de reeds vastgestelde programma's betreft, heeft de Italiaanse Republiek, door de Commissie niet de gevraagde inlichtingen over de mate van waterverontreiniging in Italië te verstrekken, teneinde haar in staat te stellen de omvang van de uit artikel 7 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kennen, artikel 5 van het Verdrag geschonden.
20 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek,
1) door niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen voor de in lijst I van de bijlage bij de richtlijn genoemde 99 gevaarlijke stoffen vast te stellen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en
2) door de Commissie niet de gevraagde inlichtingen over de mate van waterverontreiniging in Italië te verstrekken, teneinde haar in staat te stellen de omvang van de uit artikel 7 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kennen, de krachtens artikel 5 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Bijgevolg moet de Italiaanse Republiek in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de programma's tot vermindering van de verontreiniging met kwaliteitsdoelstellingen vast te stellen voor de 99 gevaarlijke stoffen, genoemd in lijst I van de bijlage bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, is de Italiaanse Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, en
2) door de Commissie niet de gevraagde inlichtingen over de mate van waterverontreiniging in Italië te verstrekken, teneinde haar in staat te stellen de omvang van de uit artikel 7 van richtlijn 76/464 voortvloeiende verplichtingen te kennen, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 5 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy