Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties - Coördinatieregeling van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 - Werkingssfeer - Niet op premie- of bijdragebetaling berustende, van draagkracht van ontvanger onafhankelijke uitkering voor gehandicapten - Prestatie, vermeld in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 - Daaronder begrepen
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 4, lid 2 bis, art. 10 bis en bijlage II bis, onderdeel L, sub f, en nr. 1247/92)
Samenvatting
Artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, gelezen in samenhang met bijlage II bis, moet aldus worden uitgelegd, dat een prestatie voor gehandicapten die niet op premie- of bijdragebetaling berust, onafhankelijk is van draagkracht van de ontvanger en wordt vermeld in bijlage II bis, zoals de attendance allowance van het Verenigd Koninkrijk, onder de werkingssfeer ervan valt en bijgevolg als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van die verordening moet worden aangemerkt, zodat de situatie van iemand die na 1 juni 1992, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92, aan de voorwaarden voor toekenning van die prestatie voldoet, uitsluitend wordt beheerst door de bij artikel 10 bis ingevoerde coördinatieregeling.
Partijen
In zaak C-297/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Social Security Commissioner (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
V. A. Partridge
en
Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, Barrister,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Anton en A. P. Feeney, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, juridisch adviseur, en C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 2 september 1996, ingekomen bij het Hof op 11 september daaraanvolgend, heeft de Social Security Commissioner krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen V. A. Partridge, Brits onderdaan, en de Adjudication Officer over de toekenning van de attendance allowance (verzorgingstoelage voor gehandicapten; hierna: "AA"), waarin de Britse wetgeving voorziet.
De nationale regeling
3 Vóór 1 april 1992 kende de Britse wettelijke regeling twee prestaties bij invaliditeit: de AA en de mobility allowance (mobiliteitstoelage; hierna: "MA").
4 Op 1 april 1992 werd bij de Disability Living Allowance and Disability Working Allowance Act 1991 (wet van 1991 betreffende de onderhoudsuitkering en de arbeidsuitkering voor gehandicapten) de disability living allowance (onderhoudsuitkering voor gehandicapten; hierna: "DLA") ingesteld. Om deze uitkering ging het in de zaak die geleid heeft tot het arrest van 4 november 1997, Snares (C-20/96, Jurispr. blz. I-6057). De DLA bestaat uit twee componenten: een "verzorgingscomponent" voor hulpbehoevenden, die overeenkomt met de vroegere AA, en een "mobiliteitscomponent" voor personen die niet of nauwelijks in staat zijn te lopen, overeenkomend met de vroegere MA. De verzorgingscomponent kent drie verschillende uitkeringsbedragen, afhankelijk van de aard van de handicap van de betrokkene en de mate van hulpbehoevendheid, terwijl de mobiliteitscomponent twee verschillende uitkeringsbedragen kent, afhankelijk van de aard en de mate van aantasting van het loopvermogen. De twee eerste uitkeringsbedragen van de verzorgingscomponent komen overeen met de bedragen van de AA, en het eerste bedrag van de mobiliteitscomponent met dat van de MA.
5 Met ingang van 1 april 1992 werden de bestaande rechten op AA (voor uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar) en op MA omgezet in rechten op de verzorgingscomponent en de mobiliteitscomponent van de DLA. Vanaf dat tijdstip werden dus geen nieuwe rechten op AA of MA meer toegekend, behalve rechten op AA voor personen ouder dan 65 jaar. In dit geval wordt de AA, waarop voorheen de Social Security Act 1975 van toepassing was, betaald krachtens Section 64(1) van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 en de Social Security (Attendance Allowance) Regulations 1991.
6 De AA is, evenals de DLA en voordien de MA, een niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie; zij onderstelt geen arbeidsongeschiktheid en de aanspraak erop is niet afhankelijk van de draagkracht. De aanvrager moet wel voldoen aan voorwaarden inzake woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.
7 Regulation 2(1) en (2) van de Social Security (Attendance Allowance) Regulations 1991 bepaalt namelijk:
"1) Onder voorbehoud van het hierna bepaalde dient de aanvrager voor iedere dag dat hij aanspraak maakt op toepassing van Section 64(1) van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992, aan te tonen, dat hij aan de volgende voorwaarden inzake woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië voldoet, namelijk
a) dat hij op die dag
i) zijn gewone woonplaats heeft in Groot-Brittannië, en
ii) feitelijk verblijft in Groot-Brittannië, en
iii) in de 52 weken onmiddellijk voorafgaand aan die dag gedurende een tijdvak van ten minste 26 weken of gedurende tijdvakken die tezamen ten minste 26 weken vormen, feitelijk heeft verbleven in Groot-Brittannië; en
(...)
2) Voor het bepaalde in lid 1, sub a-ii en iii, wordt de rechthebbende, ondanks dat hij op enige dag niet in Groot-Brittannië verblijft, beschouwd als verblijvend in Groot-Brittannië, indien zijn afwezigheid uitsluitend wordt veroorzaakt doordat op die dag
(...)
d) zijn afwezigheid uit Groot-Brittannië een tijdelijk doel heeft (en dit op het tijdstip van aanvang daarvan reeds had) en niet langer heeft geduurd dan 26 weken achtereen; of
e) zijn afwezigheid uit Groot-Brittannië van tijdelijke aard is en uitdrukkelijk verband houdt met de vóór het verlaten van Groot-Brittannië aangevangen behandeling van een handicap of gebrek, en de Secretary of State een verklaring heeft afgegeven, dat het in overeenstemming is met de behoorlijke uitvoering van de wet, dat hij, mits is voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarde, wordt behandeld als verbleef hij in Groot-Brittannië."
De gemeenschapsregeling
8 Vóór 1 juni 1992, de datum waarop verordening nr. 1247/92 in werking trad, luidde artikel 4 van verordening nr. 1408/71 als volgt:
"1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
(...)
b) prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;
(...)
2. Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie- of bijdragebetaling berusten, (...)
(...)
4. Deze verordening is noch op de sociale en medische bijstand (...) van toepassing."
9 Artikel 5 van verordening nr. 1408/71 bepaalde:
"De lidstaten vermelden de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde wettelijke regelingen en stelsels, (...) in verklaringen, waarvan overeenkomstig artikel 97 kennisgeving en bekendmaking plaatsvindt."
10 In onderdeel L (Verenigd Koninkrijk) van de bijwerking van de verklaringen van de lidstaten bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 1408/71 (PB 1986, C 338, blz. 1), wordt de regeling inzake de AA vermeld.
11 Ten slotte bepaalde artikel 10 van verordening nr. 1408/71:
"1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.
(...)"
12 Bij verordening nr. 1247/92, vastgesteld op de grondslag van de artikelen 51 en 235 EEG-Verdrag, is aan artikel 4 van verordening nr. 1408/71 een lid 2 bis toegevoegd, dat luidt als volgt:
"2 bis. Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die welke krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:
a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, onder a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;
b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten."
13 Tegelijkertijd werd artikel 5 van verordening nr. 1408/71 aldus gewijzigd, dat de verklaring van de lidstaten uit hoofde van dit artikel eveneens betrekking moet hebben op "de in artikel 4, lid 2 bis, bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties". Het Verenigd Koninkrijk heeft geen verklaring over deze prestaties afgegeven.
14 Voorts werd in verordening nr. 1247/92 artikel 10 bis ingevoegd, dat bepaalt:
"1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voor zover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.
2. Het orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving het recht op de in lid 1 bedoelde prestaties afhankelijk stelt van het vervullen van tijdvakken van arbeid, van anders dan in loondienst verrichte beroepswerkzaamheden of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de op het grondgebied van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van arbeid, van anders dan in loondienst verrichte beroepswerkzaamheden of van wonen, alsof de tijdvakken op het grondgebied van de eerste lidstaat waren vervuld.
3. Wanneer de wetgeving van een lidstaat het recht op een aanvullende prestatie als bedoeld in lid 1 afhankelijk stelt van het ontvangen van een prestatie als bedoeld onder a tot en met h van artikel 4, lid 1, en krachtens die wetgeving geen prestatie van deze aard verschuldigd is, wordt elke overeenkomstige prestatie die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat wordt toegekend, voor de toekenning van de aanvullende prestatie beschouwd als een krachtens de wetgeving van de eerste lidstaat toegekende prestatie.
4. Wanneer de wetgeving van een lidstaat de toekenning van voor invaliden of gehandicapten bestemde prestaties als bedoeld in lid 1 afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de invaliditeit of de handicap voor de eerste maal op het grondgebied van die lidstaat is geconstateerd, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer de vaststelling voor de eerste maal op het grondgebied van een andere lidstaat is geschied."
15 De AA wordt genoemd in bijlage II bis, onderdeel L (Verenigd Koninkrijk), sub d, bij verordening nr. 1408/71.
16 Ten slotte bepaalt artikel 89 van verordening nr. 1408/71, dat in bijlage V de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten worden vermeld. Deze bijlage, in de in het hoofdgeding geldende versie, bepaalt in punt 11 van onderdeel L (Verenigd Koninkrijk):
"Voor de toepassing van de artikelen 10 (...) van de verordening wordt de verzorgingstoelage (attendance allowance) die krachtens de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk aan een werknemer of zelfstandige wordt toegekend, als een invaliditeitsuitkering beschouwd."
17 Na de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1249/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1408/71, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 136, blz. 28), bepaalt bijlage VI, onderdeel L, punt 5, bij verordening nr. 1408/71 verder:
"Voor de toepassing van artikel 10 bis, lid 2, op de bepalingen inzake het recht op de verzorgingstoelage ($attendance allowance') (...) wordt een tijdvak van arbeid, een tijdvak van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden en een tijdvak van wonen op het grondgebied van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk in aanmerking genomen, voorzover dit noodzakelijk is om te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk, vóór de datum waarop het recht op de toelage of uitkering ontstaat."
Het hoofdgeding
18 Partridge (hierna: "verzoekster") ontving in het Verenigd Koninkrijk een staatspensioen alsmede een ambtenarenpensioen, toen de Adjudication Officer haar op de leeftijd van 83 jaar met ingang van 21 juli 1992 het recht op de AA volgens het lage uitkeringsbedrag toekende.
19 Op 27 juli 1993 verliet verzoekster het Verenigd Koninkrijk om zich in Frankrijk bij haar zoon te vestigen, alwaar zij op 11 november 1996 is overleden.
20 Van oordeel dat verzoeksters afwezigheid uit het Verenigd Koninkrijk van het begin aan geen tijdelijk doel had en dat derhalve niet meer werd voldaan aan een van de voorwaarden van Regulation 2(1) en (2) van de Social Security (Attendance Allowance) Regulations 1991, besloot de Adjudication Officer op 29 juli 1993 verzoeksters recht op de AA in te trekken. Deze beslissing werd op 20 september daaraanvolgend bevestigd.
21 Op 11 juli 1994 verwierp het Blackpool Social Security Appeal Tribunal verzoeksters beroep tegen deze beslissing, op grond dat zij vanaf 28 juli 1993 niet meer voldeed aan het criterium van Regulation 2(1) en (2) van de Social Security (Attendance Allowance) Regulations 1991. In deze uitspraak werd geen gewag gemaakt van de gemeenschapsregeling.
22 Verzoekster ging van die uitspraak in hoger beroep bij de Social Security Commissioner, die de beslissing van het Blackpool Social Security Appeal Tribunal vernietigde, voorzover dit Tribunal geen standpunt had bepaald omtrent de invloed van het gemeenschapsrecht op de oplossing van het geschil.
23 Met betrekking tot het gemeenschapsrecht merkt de verwijzende rechter om te beginnen op, dat niet wordt betwist, dat verzoekster onder de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, zoals deze in artikel 2 ervan wordt omschreven.
24 De nationale rechter merkt vervolgens op, dat indien verzoekster de AA had ontvangen en vervolgens het Verenigd Koninkrijk had verlaten vóór 1 juni 1992, toen verordening nr. 1247/92 van kracht werd, zij haar recht op de toelage overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 1408/71 had kunnen behouden; de toelage was toen immers erkend als prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zulks gelet op de rechtspraak van het Hof (zie in die zin, arrest van 20 juni 1991, Newton, C-356/89, Jurispr. blz. I-3017), op bijlage VI, onderdeel L, punt 11, bij verordening nr. 1408/71 en op de verklaring van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1408/71, waarin die toelage wordt genoemd als een van de in artikel 4, lid 1, van de verordening bedoelde regelingen.
25 Daar in casu verzoeksters recht op de toelage na 1 juni 1992 is ontstaan, moeten de rechten die zij aan de verordening ontleent, worden beoordeeld in het licht van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, zonder dat zij zich kan beroepen op de toepassing van de overgangsbepalingen daarvan, volgens welke verordening nr. 1247/92 geen invloed heeft op het behoud van de rechten van degenen die vóór de inwerkingtreding van de verordening de prestatie reeds ontvingen of aan de toekenningsvoorwaarden voldeden.
26 De verwijzende rechter is van oordeel, dat verzoeksters situatie zeer sterk lijkt op die van Snares, ook al gaat het in die zaak om de DLA. Zou het Hof in zijn arrest in de zaak Snares antwoorden, dat het recht op export van de DLA ingevolge artikel 10, lid 1, wordt gehandhaafd in weerwil van het feit dat deze toelage behoort tot de categorie van de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, dan zou ook verzoekster het recht moeten hebben de AA te exporteren. Indien het Hof daarentegen in het licht van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, zou beslissen dat de DLA in het geval van Snares niet kan worden geëxporteerd, moet volgens de Adjudication Officer in het geval van verzoekster voor de AA dezelfde beslissing worden genomen, ondanks de verklaring van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1408/71 en punt 11 van onderdeel L van bijlage VI.
27 Gelet op een en ander heeft de Social Security Commissioner de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Zouden de antwoorden op de in zaak C-20/96 (Snares/Adjudication Officer) voorgelegde vragen anders luiden in geval van een verzoeker die krachtens de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk als werknemer of zelfstandige recht heeft op de attendance allowance, gelet op de verklaring van het Verenigd Koninkrijk van 31 december 1986 overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad en op onderdeel O (voorheen onderdeel L), sub 11, van bijlage VI bij die verordening, en zo ja, hoe?"
De prejudiciële vraag
28 In het arrest Snares (reeds aangehaald) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, gelezen in samenhang met bijlage II bis, aldus moet worden uitgelegd, dat de DLA onder de werkingssfeer ervan valt en bijgevolg is aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van die verordening, zodat de situatie van iemand die na 1 juni 1992, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92, aan de voorwaarden voor toekenning van die prestatie voldoet, uitsluitend wordt beheerst door de bij artikel 10 bis ingevoerde coördinatieregeling.
29 Verder verklaarde het Hof, dat bij onderzoek van verordening nr. 1247/92, voorzover zij met betrekking tot de DLA de toepassing van het in artikel 10 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel van opheffing van de bepalingen inzake woonplaats uitsluit, niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan konden aantasten.
30 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, de personen waarop de verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, ontvangen overeenkomstig de daarin omschreven coördinatieregels, mits die prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. Dat is het geval met de AA, die in onderdeel L (Verenigd Koninkrijk), sub f, van die bijlage wordt genoemd.
31 Uit de omstandigheid dat de gemeenschapswetgever een regeling als die inzake de AA in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 vermeldt, moet worden afgeleid, dat de op basis van die regeling verleende prestaties bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties zijn, die onder de werkingssfeer van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 vallen (zie, in die zin, met name arrest Snares, reeds aangehaald, punt 30).
32 Voorts blijkt uit de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling, dat de daar bedoelde prestaties tevens vallen onder artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/97 (arrest Snares, reeds aangehaald, punt 31).
33 In die omstandigheden valt een prestatie als de AA, doordat zij in bijlage II bis wordt genoemd, onder de coördinatieregels van artikel 10 bis en is zij bijgevolg aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis (zie, in die zin, arrest Snares, reeds aangehaald, punt 32).
34 Deze uitlegging vindt steun in de derde, de vierde, de vijfde en de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1247/92, waaruit blijkt, dat het de bedoeling van de wetgever was, te voorzien in een specifieke coördinatieregeling die rekening houdt met de bijzondere kenmerken van bepaalde prestaties die zowel aan de bijstand als aan de sociale zekerheid verwant zijn en die, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof, werden beschouwd als socialezekerheidsuitkeringen ten aanzien van werknemers die reeds vallen onder het stelsel van sociale zekerheid van de staat op welks wettelijke regeling een beroep wordt gedaan (zie, met name, arresten Newton en Snares, reeds aangehaald). Gelijk de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is een uitkering als de AA inderdaad als een dergelijke prestatie aan te merken.
35 De omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk geen bijzondere verklaring heeft afgelegd uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, bepalende dat de lidstaten de in artikel 4, lid 2 bis, bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties moeten vermelden, vormt voorts geen beletsel om de AA aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van laatstgenoemde bepaling (zie, in die zin, arrest Snares, reeds aangehaald, punt 34).
36 Zoals het Hof in punt 35 van het arrest Snares (reeds aangehaald) in herinnering heeft gebracht, is immers de omstandigheid dat een regeling niet in de in artikel 5 van verordening nr. 1408/71 bedoelde verklaringen is vermeld, daarvoor niet beslissend en bewijst zij op zich niet, dat die regeling niet onder de werkingssfeer van bedoelde bepaling valt.
37 Aan die kwalificatie kan ook niet worden afgedaan door de omstandigheid dat, enerzijds, in bijlage VI, onderdeel L, punt 11, bij verordening nr. 1408/71 de AA voor de toepassing van artikel 10 van die verordening wordt omschreven als een invaliditeitsuitkering, en dat, anderzijds, overeenkomstig de verklaring van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 5, de AA onder artikel 4, lid 1, valt.
38 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van de definitie in bijlage VI, onderdeel L, punt 11, dat de AA als invaliditeitsuitkering wordt gekwalificeerd met het oog op de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 1408/71, wat evenwel niet uitsluit, dat artikel 10 bis van die verordening in voorkomend geval eveneens op die uitkering van toepassing kan zijn.
39 Daarbij moet worden opgemerkt, dat volgens haar artikel 2 verordening nr. 1247/92 geen invloed heeft op het behoud van de rechten van degenen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening de prestatie reeds ontvingen (lid 1) of aan de toekenningsvoorwaarden voldeden (lid 2). Ofschoon bijlage VI, onderdeel L, punt 11, bij verordening nr. 1408/71 betrekking heeft op degenen die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92 de AA ontvingen of aan de toekenningsvoorwaarden voldeden, en die zich kunnen blijven beroepen op het in artikel 10 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel van opheffing van de bepalingen inzake woonplaats, belet die bijlage niet, dat de situatie van degenen die vanaf 1 juni 1992 aan de voorwaarden voor toekenning van het recht op de AA voldoen, naar uit dit arrest volgt, wordt beheerst door artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71.
40 Deze uitlegging, volgens welke de AA, naargelang het tijdstip waarop de handicap is ontstaan, valt onder de bij artikel 10 of de bij artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 ingevoerde regeling, vindt steun in onderdeel L, punt 5, van de bijlage, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1249/92, waarin uitdrukkelijk sprake is van het geval dat artikel 10 bis, lid 2, op de bepalingen inzake het recht op de AA van toepassing is.
41 Wat vervolgens voornoemde verklaring van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1408/71 betreft, moet worden opgemerkt, dat het feit dat zij bij de inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92 niet is aangepast, niet kan afdoen aan de uitlegging van de bepalingen van deze verordening, volgens welke iemand als verzoekster, wier handicap, uit hoofde waarvan haar de AA is toegekend, is ontstaan na de inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92, uitsluitend onder de toepassing van de bepalingen daarvan valt.
42 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, gelezen in samenhang met bijlage II bis, aldus moet worden uitgelegd, dat de AA onder de werkingssfeer ervan valt en bijgevolg is aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van die verordening, zodat de situatie van iemand als verzoekster in het hoofdgeding, die na 1 juni 1992, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92, aan de voorwaarden voor toekenning van die prestatie voldoet, uitsluitend wordt beheerst door de bij artikel 10 bis ingevoerde coördinatieregeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Social Security Commissioner bij beschikking van 2 september 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992, gelezen in samenhang met bijlage II bis, moet aldus worden uitgelegd, dat de attendance allowance onder de werkingssfeer ervan valt en bijgevolg is aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van die verordening, zodat de situatie van iemand als verzoekster in het hoofdgeding, die na 1 juni 1992, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1247/92, aan de voorwaarden voor toekenning van die prestatie voldoet, uitsluitend wordt beheerst door de bij artikel 10 bis ingevoerde coördinatieregeling.
Full & Egal Universal Law Academy