Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Uitkeringen - Wijziging van berekeningsregels bij verordening nr. 1248/92 - Toepassing van nieuwe berekeningsregels op invaliditeitspensioen dat voor datum van inwerkingtreding van verordening is vastgesteld - Voorwaarden - Verzoek van betrokkene - Herziening ambtshalve van invaliditeitspensioen ten nadele van betrokkene - Ontoelaatbaarheid - Eerdere vaststellingsbeschikking die na datum van inwerkingtreding van verordening is gecorrigeerd - Geen invloed
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 95 bis, en nr. 1248/92)
Samenvatting
Uit de termen en de systematiek van artikel 95 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, blijkt dat de toepassing van de bepalingen van deze laatste verordening op de vóór 1 juni 1992 ontstane pensioenrechten afhangt van een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene. Het bevoegde orgaan kan zich dus niet in de plaats van betrokkene stellen, in het bijzonder niet wanneer de herziening ambtshalve in diens nadeel uitvalt.
Artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 verzet zich er dus tegen, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat de in deze wijzigingsverordening vervatte berekeningsregels ambtshalve toepast ten nadele van de betrokkene, wanneer diens invaliditeitspensioen vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 1 juni 1992 overeenkomstig de vóór deze datum toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld en de beschikking betreffende dit pensioen na 31 mei 1992 is gecorrigeerd.
Partijen
In zaak C-307/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
S. Baldone
en
Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- S. Baldone, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde van het Algemeen Christelijk Vakverbond,
- het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, vertegenwoordigd door J.-J. Masquelin, advocaat te Brussel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 5 september 1996, ingekomen bij het Hof op 29 september daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7; hierna: "wijzigingsverordening").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Baldone en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV") over de beschikking van laatstgenoemde tot herberekening van de vanaf 1 juni 1992 - datum van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening - aan Baldone verschuldigde invaliditeitsuitkering.
3 Op 4 mei 1970 werd Baldone arbeidsongeschikt in België. Aangezien hij achtereenvolgens in Italië (169 weken), in Duitsland (30 maanden) en in België (2 366 dagen) verzekerd was geweest, werden zijn rechten op invaliditeitsuitkeringen ingevolge artikel 40 van verordening nr. 1408/71 onderzocht door het Italiaanse, het Duitse en het Belgische bevoegde orgaan en vastgesteld overeenkomstig artikel 46 van die verordening.
4 Het RIZIV stelde op 13 september 1985 het bedrag van de Belgische uitkering vast; deze uitkering, vastgesteld uitsluitend volgens de regels van de Belgische wettelijke regeling, was overeenkomstig diezelfde wettelijke regeling aangepast op basis van de wijzigingen van de buitenlandse uitkeringen en de ontwikkeling van de muntpariteiten.
5 Op 1 oktober 1985 stelde Baldone bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep in tegen de beschikking van het RIZIV van 13 september 1985, stellende dat het bedrag van de uitkering onjuist was berekend. In die procedure beriep hij zich op het in 's Hofs arrest van 18 februari 1993 (zaak C-193/92, Bogana, Jurispr. 1993, blz. I-755) geformuleerde beginsel, dat de aanpassing van een invaliditeitsuitkering, met name in verband met wijzigingen in de gemiddelde wisselkoersen of de algemene ontwikkeling van de sociaal-economische situatie in de betrokken staat, niet volgens het nationale recht, doch overeenkomstig artikel 51, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet geschieden.
6 Ingevolge dat arrest corrigeerde het RIZIV op 4 mei 1994 het bedrag van het invaliditeitspensioen ten gunste van Baldone en stelde het hem in kennis van die rectificatie, die terugwerkte tot 1 oktober 1972. Het RIZIV kende deze geherwaardeerde uitkering evenwel slechts toe voor de periode tot 31 mei 1992. Voor de periode daarna verminderde het RIZIV ambtshalve het bedrag van de uitkering volgens de nieuwe regels van de wijzigingsverordening. Deze laatste, waarbij de inhoud van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 en dus de berekeningswijze van de pensioenuitkeringen werd gewijzigd, was namelijk minder gunstig voor Baldone.
7 Op 30 mei 1994 stelde Baldone bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een nieuw beroep in tegen de rectificatiebeschikking van 4 mei 1994, stellende dat het RIZIV door de pensioenuitkering ambtshalve te herberekenen, het bij de wijzigingsverordening ingevoerde artikel 95 bis, leden 4 tot en met 6, van verordening nr. 1408/71 had geschonden. Volgens het RIZIV daarentegen moet de beschikking van 4 mei 1994, daar zij de eerste is waarbij Baldone's pensioenrechten juist zijn vastgesteld, als een nieuwe beschikking tot toekenning van het pensioen worden beschouwd, zodat ingevolge artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1408/71 de bij de wijzigingsverordening ingevoerde berekeningsregels moeten worden toegepast.
8 Het bij de wijzigingsverordening ingevoerde artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
"Overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 1248/92
1. Aan verordening (EEG) nr. 1248/92 kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan 1 juni 1992 voorafgaat.
2. Voor de bepaling van de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering of van wonen dat krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vóór 1 juni 1992 is vervuld.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens verordening (EEG) nr. 1248/92 zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór 1 juni 1992 heeft plaatsgevonden.
4. De rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen op hun verzoek met inachtneming van verordening (EEG) nr. 1248/92 worden herzien.
5. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat met betrekking tot het verval of de verjaring van rechten op de betrokkenen kunnen worden toegepast.
6. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend verkregen, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat van toepassing zijn."
9 Wegens twijfel omtrent de aan deze bepaling te geven uitlegging heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moeten de leden 1 tot en met 3 van het bij verordening nr. 1248/92 ingevoegde artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het orgaan van een Lid-Staat, wanneer het na 31 mei 1992 de rechten van een invalide in het kader van de verordeningen vaststelt, voor het tijdvak eindigend op 31 mei 1992 de bepalingen van verordening nr. 1408/71 (met name artikel 46) in de geconsolideerde versie van verordening nr. 2001/83 moet toepassen, en met ingang van 1 juni 1992 de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92?
2) Zo ja, zijn de bepalingen dan op dezelfde wijze van toepassing:
a) wanneer de in geding zijnde beschikking de eerste vaststelling door dat orgaan is van de rechten van de verzekerde in het kader van de verordeningen,
b) wanneer bij een vóór 1 juni 1992 vastgestelde eerste beschikking de rechten volgens de verordeningen niet correct waren vastgesteld en die beschikking na 1 juni 1992 moest worden geannuleerd en vervangen door een rectificatiebeschikking, die dus de eerste is waarbij de rechten in het kader van de verordeningen correct zijn vastgesteld,
c) wanneer een vóór 1 juni 1992 vastgestelde en overigens correcte eerste beschikking na 1 juni 1992 moet worden geannuleerd en vervangen, omdat een ander betrokken orgaan een rectificatiebeschikking heeft vastgesteld?
3) Indien de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, kan de nieuwe vaststelling van de uitkering per 1 juni 1992 tot gevolg hebben, dat de verschuldigde uitkering beneden het bedrag komt te liggen dat op 31 mei 1992 ingevolge de tot die datum toepasselijke verordeningsbepalingen verschuldigd was, nu de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 119 bis van verordening nr. 574/72 bij verordening nr. 1248/92 niet zijn gewijzigd of aangevuld om ze per 1 juni 1992 toepasselijk te maken?"
10 Met zijn prejudiciële vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter, kort samengevat, te vernemen, of het bij de wijzigingsverordening ingevoegde artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 zich ertegen verzet, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat de in deze wijzigingsverordening vervatte berekeningsregels ambtshalve toepast ten nadele van de betrokkene, wanneer diens invaliditeitspensioen vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 1 juni 1992 overeenkomstig de vóór die datum toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld en de beschikking betreffende dit pensioen na 31 mei 1992 is gecorrigeerd.
11 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat wanneer de invaliditeitsuitkering vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening is vastgesteld, de leden 1 tot en met 3 van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, niet van toepassing zijn.
12 Dergelijke situaties vallen daarentegen onder de leden 4 tot en met 6 van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd.
13 Deze laatste bepalingen zijn van toepassing in een geval zoals dat van het hoofdgeding. De omstandigheid dat de bevoegde instanties van een Lid-Staat, na een onjuiste berekening van de verschuldigde uitkering, een uitkering herberekenen na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening en het verschuldigde bedrag corrigeren, kan immers geen nieuw recht doen ontstaan, doch heeft enkel tot gevolg, dat het bedrag van de uitkering waarop voordien recht was verkregen, correct wordt vastgesteld.
14 Artikel 95 bis, lid 4, bepaalt uitdrukkelijk, dat de rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, op hun verzoek met inachtneming van de wijzigingsverordening kunnen worden herzien. De leden 5 en 6 leggen vervolgens de toe te passen regels vast, al naar gelang dat verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 dan wel na afloop van deze termijn is ingediend.
15 Artikel 95 bis, lid 4, beoogt de betrokkene in staat te stellen, te verzoeken om herziening van de onder vigeur van de niet gewijzigde verordening vastgestelde uitkeringen wanneer de regels van de wijzigingsverordening gunstiger voor hem blijken te zijn, en in het genot te blijven van de uitkeringen die volgens de bepalingen van de niet gewijzigde verordening zijn toegekend, wanneer deze bepalingen voordeliger zijn dan die van de wijzigingsverordening.
16 Uit de termen en de systematiek van artikel 95 bis, lid 4, blijkt dus duidelijk, dat de toepassing van de bepalingen van de wijzigingsverordening op de vóór 1 juni 1992 ontstane pensioenrechten afhangt van een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene. Het bevoegde orgaan kan zich dus niet in de plaats van de betrokkene stellen, in het bijzonder niet wanneer de herziening ambtshalve in diens nadeel uitvalt (zie in die zin arrest van 13 oktober 1976, zaak 32/76, Saieva, Jurispr. 1976, blz. 1523, r.o. 15-17).
17 Herziening ambtshalve door het bevoegde orgaan van een vóór de wijzigingsverordening vastgestelde invaliditeitsuitkering zou immers de ontkenning zijn van het recht van initiatief dat artikel 95 bis, lid 4, uitsluitend aan de betrokkene toekent.
18 Mitsdien moet op de vragen van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat het bij de wijzigingsverordening ingevoegde artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 zich ertegen verzet, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat de in deze wijzigingsverordening vervatte berekeningsregels ambtshalve toepast ten nadele van de betrokkene, wanneer diens invaliditeitspensioen vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 1 juni 1992 overeenkomstig de vóór die datum toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld en de beschikking betreffende dit pensioen na 31 mei 1992 is gecorrigeerd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking van 5 september 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992, verzet zich ertegen, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat de in deze laatste wijzigingsverordening vervatte berekeningsregels ambtshalve toepast ten nadele van de betrokkene, wanneer diens invaliditeitspensioen vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 1 juni 1992 overeenkomstig de vóór die datum toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld en de beschikking betreffende dit pensioen na 31 mei 1992 is gecorrigeerd.
Full & Egal Universal Law Academy