Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-311/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en Ph. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij deze directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1993, L 199, blz. 84), en, subsidiair, door te verzuimen de Commissie onverwijld van dergelijke maatregelen in kennis te stellen, de krachtens die richtlijn, inzonderheid artikel 45, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 september 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1993, L 199, blz. 84), en, subsidiair, door te verzuimen haar onverwijld van dergelijke maatregelen in kennis te stellen, de krachtens die richtlijn, inzonderheid artikel 45, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 45, lid 1, van richtlijn 93/38 moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om uiterlijk op 1 juli 1994 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie geen kennisgeving had ontvangen van maatregelen die de Franse regering had genomen om richtlijn 93/38 om te zetten, leidde zij bij aanmaningsbrief van 20 januari 1995 de in artikel 169 van het Verdrag bedoelde niet-nakomingsprocedure in.
4 Toen die aanmaningsbrief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 16 januari 1996 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Franse regering verzocht, binnen twee maanden na kennisgeving ervan de nodige maatregelen vast te stellen.
5 Bij brief van 17 augustus 1995 hadden de Franse autoriteiten de Commissie meegedeeld, dat bij de Senaat een wetsontwerp was ingediend.
6 Daar de Commissie niet heeft vernomen dat de wetgevingsprocedure was beëindigd, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Franse Republiek betwist de verweten niet-nakoming niet en beperkt zich tot de mededeling, dat een wetsontwerp en aanvullende uitvoeringsdecreten eerlang zullen worden goedgekeurd.
8 Daar de omzetting van richtlijn 93/38 niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
9 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan richtlijn 93/38 te voldoen, de krachtens artikel 45, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, is de Franse Republiek de krachtens artikel 45, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy