Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-329/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou- Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van deze dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door E. Skandalou, juridisch medewerker eerste klasse bij de bijzondere juridische dienst voor de Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door N. Daphniou, juridisch medewerker tweede klasse bij deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), de krachtens het EG-Verdrag en die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, L. Sevón, C. Gulmann (rapporteur), D. A. O. Edward en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 april 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 oktober 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7; hierna: "richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag en die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 23 van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om binnen twee jaar na kennisgeving ervan, aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Daar de richtlijn op 5 juni 1992 ter kennis van de Griekse autoriteiten is gebracht, is de gestelde termijn om ze uit te voeren, op 5 juni 1994 verstreken.
3 Toen de Commissie vaststelde, dat die termijn was verstreken zonder dat zij kennisgeving van maatregelen tot omzetting van de richtlijn in Grieks recht had ontvangen, leidde zij de in artikel 169 van het Verdrag bedoelde niet-nakomingsprocedure in. Bij brief van 9 augustus 1994 maande zij de Griekse regering aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 Toen de Griekse regering niet antwoordde op deze brief, deed de Commissie haar op 21 juni 1995 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan, aan dat advies te voldoen.
5 Daar de Commissie geen kennisgeving van enige omzettingsmaatregel had ontvangen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
6 In haar verweerschrift betwist de Griekse regering niet, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet. Zij wijst er enkel op, dat de vertraging in de omzetting van de richtlijn aan wetgevingstechnische problemen is te wijten.
7 Daar de omzetting van de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan richtlijn 92/43 te voldoen, de krachtens artikel 23 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 in zake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 23 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy