Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-341/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij dit ministerie, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1993, L 199, blz. 1), subsidiair, door de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde maatregelen niet onmiddellijk aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag en artikel 34, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 oktober 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1993, L 199, blz. 1), subsidiair, door de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde maatregelen niet onmiddellijk aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag en artikel 34, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 34, lid 1, van richtlijn 93/36 moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 14 juni 1994 aan deze richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie geen mededeling over de omzetting van richtlijn 93/36 in de Duitse rechtsorde had ontvangen en niet anderszins over informatie beschikte waaruit zij kon opmaken, dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen was nagekomen, heeft zij de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 van het Verdrag ingesteld en deze Lid-Staat op 9 augustus 1994 een aanmaningsbrief gezonden.
4 Bij brief van 6 oktober 1994 verwees de Duitse regering de Commissie naar een mededeling van 25 juli 1994, waarin zij had opgemerkt, dat richtlijn 93/36 zou worden omgezet door middel van een wijziging van de Verdingungsordnung für Leistungen - ausgenommen Bauleistungen - Teil A (hierna: "VOL/A") en dat die wijziging in de herfst van 1994 zou worden bekendgemaakt.
5 Aangezien zij verder geen bericht over de aangekondigde omzettingsmaatregelen ontving, zond de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland op 16 januari 1996 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verzocht, de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dat advies de uit richtlijn 93/36 voortvloeiende verplichtingen na te komen.
6 In een mededeling van 10 april 1996 stelde de Duitse regering de Commissie ervan in kennis, dat richtlijn 93/36, voor zover zij een herziening inhield van de herhaaldelijk gewijzigde richtlijn 77/62/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de coördinatie voor de procedures van het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1977, L 13, blz. 1), in Duits recht was omgezet door middel van regelingen die begin 1994 in werking waren getreden.
7 Wat de nieuwe bepalingen in richtlijn 93/36 betreft, verklaarde de Duitse regering in dezelfde mededeling, dat de omzetting daarvan in voorbereiding was. De betrokken ontwerpteksten, die reeds ter kennis van de Commissie waren gebracht, moesten door de regering worden vastgesteld en door de Bundesrat worden goedgekeurd. Wegens de federale structuur van de Bondsrepubliek Duitsland was de vaststellingsprocedure echter niet binnen de gestelde termijn voltooid.
8 Aangezien de Commissie omtrent de vaststelling van die ontwerpteksten of de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen geen enkele mededeling ontving, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
9 De Bondsrepubliek Duitsland ontkent de verweten niet-nakoming niet. Zij wijst er echter op, dat de belangrijke wijziging van richtlijn 93/36 met betrekking tot het begrip aanbestedende dienst reeds is verwerkt in § 57a, lid 1, van het Zweite Gesetz zur Änderung des Haushaltsgrundsätzegesetzes (BGBl. I, blz. 1928).
10 Voorts merkt de Duitse regering op, dat er ontwerpen voorliggen tot wijziging van de VOL/A alsmede van de regeling betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen. Volgens dit laatste ontwerp zou de gewijzigde VOL/A kracht van wet krijgen. Deze regeling zou in de loop van het eerste halfjaar van 1997 in werking kunnen treden.
11 Daar de omzetting van richtlijn 93/36 niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, dient het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan richtlijn 93/36 te voldoen, de krachtens artikel 34, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 34, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy