Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Voedselhulp - Uitvoering - Aanbesteding voor beschikbaarstelling en levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil - Verplichtingen van degene aan wie is gegund - Levering binnen vastgestelde termijnen - Niet-uitvoering - Gevolgen - Aansprakelijkheid voor alle bijkomende kosten ongeacht verbeurte van waarborg - Vermindering van verschuldigde schadevergoeding met bedrag van waarborg - Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 1354/83 van de Commissie, art. 25, lid 1, eerste alinea, en 26, lid 6)
Samenvatting
Verordening nr. 1354/831 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer degene aan wie is gegund, zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen niet binnen de gestelde termijn uitvoert zonder dat er sprake is van overmacht, hij overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening alle financiële gevolgen van de niet-levering moet dragen, zelfs indien de inschrijvingswaarborgen reeds krachtens artikel 26, lid 6, van die verordening verbeurd zijn verklaard. Daarbij kunnen de inschrijvingswaarborgen niet worden afgetrokken van de bedragen die uit hoofde van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening moeten worden betaald ter vergoeding van de uit de niet-levering voortvloeiende schade.
Partijen
In zaak C-346/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, in het aldaar aanhangige geding tussen
Belgisch Interventie- en Restitutiebureau
en
Prolacto NV,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp (PB L 142, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, vertegenwoordigd door M. Fruy en B. De Moor, advocaten te Brussel,
- Prolacto NV, vertegenwoordigd door F. Lebacq, advocaat te Antwerpen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet, lid van haar juridische dienst, en B. Vilà Costa, bij deze dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, vertegenwoordigd door B. De Moor; Prolacto NV, vertegenwoordigd door M. Buyens, advocaat te Antwerpen, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet, ter terechtzitting van 2 oktober 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 november 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 11 oktober 1996, bij het Hof ingekomen op 21 oktober daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp (PB L 142, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (hierna: "Bureau") en de vennootschap naar Belgisch recht Prolacto NV (hierna: "Prolacto") over een vordering tot betaling van een schadevergoeding ter dekking van alle bijkomende kosten veroorzaakt door een tweede openbare inschrijving voor de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder als communautaire voedselhulp, die moest worden gehouden wegens de niet-uitvoering door degene aan wie de eerste levering was gegund, wanneer de door laatstgenoemde gestelde waarborgen door het Bureau reeds verbeurd zijn verklaard.
Rechtskader
3 Verordening nr. 1354/83 van de Commissie bevat de algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil, bestemd voor voedselhulp.
4 Uit artikel 9, lid 1, ervan blijkt, dat overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 vastgestelde bepalingen een openbare inschrijving wordt gehouden voor de bepaling van de leveringskosten van mageremelkpoeder, met inbegrip van de prijs voor de aankoop en het verpakken van het product wanneer het niet door een interventiebureau ter beschikking wordt gesteld van degene aan wie is gegund, maar op de markt van de Gemeenschap moet worden gekocht.
5 Artikel 11, lid 6, sub b, bepaalt, dat de offerte van de inschrijver slechts geldig is indien tevens het bewijs wordt verstrekt dat de in artikel 12 bedoelde inschrijvingswaarborg is gesteld vóór het verstrijken van de voor de indiening van de offertes vastgestelde termijn.
6 Volgens artikel 12, lid 1, tweede streepje, bedraagt de inschrijvingswaarborg voor producten die op de markt van de Gemeenschap zijn gekocht, 3 % van de interventieprijs van mageremelkpoeder over de hoeveelheid waarop de offerte betrekking heeft.
7 Volgens artikel 11, lid 7, mag een offerte niet worden ingetrokken.
8 Ingevolge artikel 14, lid 1, wordt gegund aan de inschrijver wiens offerte het laagst is.
9 Artikel 16, lid 2, bepaalt, dat degene aan wie is gegund, niet unilateraal kan afzien van de uitvoering van de hem gegunde opdracht, en artikel 16, lid 4, schrijft voor, dat degene aan wie is gegund, zo snel mogelijk alle nuttige inlichtingen verstrekt aan de betrokken bevoegde instanties, die deze onmiddellijk mededelen aan de Commissie.
10 Artikel 25 van verordening nr. 1354/83 luidt als volgt:
"1. Degene aan wie is gegund draagt alle financiële gevolgen van niet-levering, geheel of ten dele, van de goederen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden, indien de begunstigde levering op deze voorwaarden mogelijk heeft gemaakt.
Indien de goederen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in het schip zijn geladen binnen een tijdvak van drie maanden na de datum waarop het in het inschrijvingsbericht vastgestelde of overeenkomstig artikel 17, punt 5, gewijzigde tijdvak voor het laden van de goederen verstrijkt, ontheft de met de betaling belaste instantie degene aan wie is gegund van zijn verplichtingen. De Commissie neemt in zulk een geval de nodige maatregelen.
2. De kosten in verband met niet-levering van de goederen ten gevolge van overmacht komen ten laste van de met betaling belaste instantie."
11 Overeenkomstig artikel 26, lid 5, van deze verordening houdt het betrokken interventiebureau per dag vertraging naar rata van de niet geladen hoeveelheden 1 % van de inschrijvingswaarborg af indien het in het bericht van inschrijving vastgestelde of overeenkomstig artikel 17, punt 5, gewijzigde tijdvak waarbinnen de goederen moesten worden geladen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in acht wordt genomen.
12 Artikel 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83 bepaalt:
"Alle waarborgen worden verbeurd in geval degene aan wie is gegund overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, lid 1, tweede alinea, van zijn verplichtingen wordt ontheven."
13 Bij besluit 87/203/EEG van 10 maart 1987 tot vaststelling van de totale hoeveelheden voedselhulp en de opstelling van de lijst van de uit hoofde van steun te verstrekken producten voor 1987 (PB L 80, blz. 32), stelde de Commissie de voor 1987 als voedselhulp te verstrekken hoeveelheid melkpoeder vast op maximaal 94 100 ton.
14 Verordeningen (EEG) nr. 345/87 van 3 februari 1987 (PB L 34, blz. 8) en nr. 1358/87 van 15 mei 1987 (PB L 131, blz. 1) van de Commissie voorzagen overeenkomstig verordening nr. 1354/83 in de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder als voedselhulp door de interventiebureaus (voor België ging het om het Bureau) tegen de in hun respectieve bijlagen vermelde bijzondere voorwaarden.
Het hoofdgeding
15 Prolacto diende op de laatste nuttige dag, te weten 23 februari 1987, uit hoofde van verordening nr. 345/87 offertes in met betrekking tot een partij van 232 ton tegen 82 070 BFR per ton en een partij van 270 ton tegen 82 360 BFR per ton. Het betrokken mageremelkpoeder diende door Prolacto op de markt van de Gemeenschap te worden gekocht.
16 Op 5 maart 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat haar offertes waren aanvaard, waarbij het eraan herinnerde dat de levering van de melk volgens de voorschriften van verordening nr. 1354/83 diende te gebeuren. De betrokken melk moest uiterlijk op 30 april 1987 in door de begunstigde van de voedselhulp ter beschikking gestelde schepen zijn geladen.
17 Op 17 juni 1987 deelde de begunstigde van de door Prolacto te leveren partijen het Bureau mee, dat de betrokken melk nog steeds niet was geleverd.
18 Op 30 juni 1987 stuurde het Bureau Prolacto een aanmaning, waarbij het wees op de aanzienlijke vertraging bij het laden van de melk en waarbij het de onderneming verzocht hem van de uitvoering van de leveringen op de hoogte te brengen. Deze brief bevatte een verwijzing naar de artikelen 25, lid 1, en 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83.
19 Prolacto verzocht op 6 juli 1987 om verlenging van de leveringstermijn tot eind augustus 1987, hetgeen evenwel werd geweigerd omdat verordening nr. 1354/83 niet in die mogelijkheid voorzag.
20 Na het verstrijken van de termijn van drie maanden vanaf de uiterste leveringsdatum verzocht het Bureau Prolacto op 5 augustus 1987, te bevestigen dat zij de leveringen niet zou verrichten.
21 Op 7 augustus 1987 deelde Prolacto het Bureau mee, dat zij niet in staat was de leveringen uit te voeren.
22 Bij aangetekende brief van 20 augustus 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat de gestelde inschrijvingswaarborgen, die voor de twee betrokken partijen 573 330 BFR respectievelijk 667 238 BFR bedroegen, wegens de niet-levering verbeurd zouden worden verklaard, tenzij Prolacto de overeenstemmende bedragen zou betalen, hetgeen deze deed. Deze brief bevatte de volledige tekst van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1354/83.
23 Op 20 mei 1987, te weten de laatste nuttige dag, diende Prolacto opnieuw uit hoofde van verordening nr. 1358/87 offertes in met betrekking tot vier partijen van respectievelijk 425 ton tegen 81 590 BFR per ton, 235 ton tegen 81 340 BFR per ton, 320 ton tegen 81 390 BFR per ton en 720 ton tegen 81 690 BFR per ton. Het betrokken mageremelkpoeder moest door Prolacto op de markt van de Gemeenschap worden gekocht.
24 Op 22 mei 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat haar offertes waren aanvaard, waarbij het eraan herinnerde dat de levering volgens de voorschriften van verordening nr. 1354/83 diende te gebeuren. De betrokken melk moest uiterlijk op 30 juni 1987 in door de begunstigde van de voedselhulp ter beschikking gestelde schepen zijn geladen.
25 Prolacto voerde de levering waartoe zij zich had verbonden, niet uit.
26 Na het verstrijken van de termijn van drie maanden vanaf de uiterste leveringsdatum vroeg het Bureau Prolacto op 5 oktober 1987, of de partijen waren geleverd. Deze brief bevatte een verwijzing naar de artikelen 25, lid 1, en 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83.
27 Op 13 oktober 1987 deelde Prolacto het Bureau mee, dat zij niet in staat was de levering te verrichten.
28 Bij brief van 16 oktober 1987, die een verwijzing naar de artikelen 25, lid 1, en 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83 en de volledige tekst van artikel 25, lid 1, eerste alinea, bevatte, liet het Bureau Prolacto weten, dat het zich verplicht zag de gestelde waarborgen, die voor de vier betrokken partijen respectievelijk 1 150 281 BFR, 580 744 BFR, 790 800 BFR en 1 779 300 BFR bedroegen, verbeurd te verklaren.
29 Overeenkomstig artikel 25, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, van verordening nr. 1354/83 besloot de Commissie een nieuwe openbare inschrijving te houden voor de door Prolacto niet geleverde partijen.
30 Voor de twee partijen die Prolacto op grond van verordening nr. 345/87 had moeten leveren, organiseerde de Commissie een nieuwe openbare inschrijving bij verordening (EEG) nr. 2966/87 van 30 september 1987 met betrekking tot de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder in het kader van de voedselhulp (PB L 281, blz. 20). De nieuwe openbare inschrijving voor de vier partijen die Prolacto op grond van verordening nr. 1358/87 had moeten leveren, gebeurde bij verordening (EEG) nr. 3182/87 van 23 oktober 1987 met betrekking tot de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder in het kader van de voedselhulp (PB L 305, blz. 8). Ingevolge de verordeningen nrs. 2966/87 en 3182/87 was de levering van de betrokken partijen mageremelkpoeder onderworpen aan de voorschriften van verordening (EEG) nr. 2200/87 van de Commissie van 8 juli 1987 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling in de Gemeenschap van producten voor levering als communautaire voedselhulp (PB L 204, blz. 1).
31 Bij deze nieuwe openbare inschrijving werden de partijen toegewezen aan de inschrijver met de laagste offerte. Deze bedroeg evenwel respectievelijk 104 100 BFR per ton, 104 034 BFR per ton, 105 013 BFR per ton, 105 000 BFR per ton, 105 000 BFR per ton en 104 952 BFR per ton, zodat de Gemeenschap voor de aankoop van melk in het kader van de voedselhulp voor de zes oorspronkelijk aan Prolacto toegewezen partijen in totaal 50 781 099 BFR meer moest betalen. Dit bedrag is het verschil tussen de totale kostprijs van de nieuwe openbare inschrijving voor de zes door Prolacto niet geleverde partijen en de prijs waartegen die partijen oorspronkelijk aan Prolacto waren toegewezen.
32 Uit een brief van de Commissie aan het Koninkrijk België van 17 juli 1991 blijkt, dat dit bedrag van 50 781 099 BFR ten laste van de Belgische Staat kwam, die werd aangemaand het van Prolacto terug te vorderen. Bij beschikking 92/235/EEG van 31 maart 1992 tot goedkeuring van de door bepaalde lidstaten voor de begrotingsjaren 1984, 1985, 1986 en 1987 voorgelegde rekeningen voor de levering van landbouwproducten als voedselhulp (PB L 121, blz. 29), bracht de Commissie dit bedrag in mindering op het bedrag dat zij aan het Koninkrijk België diende te betalen voor de uitgaven van deze lidstaat in het kader van de voedselhulp.
33 Bij aangetekende brief van 3 oktober 1991 maande het Bureau Prolacto uit hoofde van artikel 25 van verordening nr. 1354/83 aan, het bedrag van 50 781 099 BFR te betalen, en deelde zij deze onderneming mee, dat vanaf 1 november 1991 moratoire interessen zouden worden aangerekend.
34 Aangezien Prolacto dit bedrag niet betaalde, dagvaardde het Bureau deze onderneming op 15 april 1992 voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel tot betaling van 50 781 099 BFR, vermeerderd met de kosten en met moratoire interessen vanaf 1 november 1991 tot aan de betaling.
35 Het Bureau baseerde zijn vordering op de artikelen 11, lid 7, en 25, lid 1, van verordening nr. 1354/83. Volgens het Bureau vormen het verlies van de waarborg en de betaling van een vergoeding uit hoofde van artikel 25, lid 1, twee verschillende en los van elkaar staande maatregelen die cumulatief moeten worden toegepast om de niet-nakoming van de verbintenissen van degene aan wie is gegund, op passende wijze te sanctioneren.
36 Prolacto voerde vijf verweermiddelen aan, waarvan de eerste vier door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel ongegrond zijn verklaard. De Rechtbank was met name van oordeel, dat Prolacto niet had verkeerd in een situatie van overmacht die levering onmogelijk maakte.
37 Met haar vijfde middel betoogde Prolacto voor de nationale rechter, dat artikel 25 van verordening nr. 1354/83 tezamen met artikel 26 van deze verordening moest worden gelezen, en dat wanneer degene aan wie is gegund, zijn verplichtingen niet nakomt, de financiële gevolgen daarvan volgens verordening nr. 1354/83 niet hoger mogen zijn dan het bedrag van de waarborg die hij had gesteld.
38 Dienaangaande vroeg de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich af, waartoe degene aan wie is gegund, verplicht is wanneer hij in gebreke blijft. Zij vroeg zich inzonderheid af, of verordening nr. 1354/83 aldus moet worden uitgelegd, dat in geval van niet-uitvoering van de levering door degene aan wie is gegund, artikel 26, lid 6, en artikel 25, lid 1, eerste alinea, van deze verordening cumulatief mogen worden toegepast, en of het interventiebureau derhalve enerzijds de gestelde inschrijvingswaarborgen verbeurd mag verklaren, en anderzijds schadevergoeding mag vorderen ter dekking van de financiële gevolgen van niet-levering van de betrokken goederen.
39 Van oordeel, dat uitlegging van verordening nr. 1354/83 nodig was om vonnis te kunnen wijzen, besloot de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vraag voor te leggen:
"Kan een rechtspersoon, in het kader van een offerte, strekkende tot levering van mageremelkpoeder in het kader van voedselhulp, gebaseerd op de EEG-verordeningen nrs. 345/87 en 1358/87 van de Commissie van respectievelijk 3 februari 1987 en 15 mei 1987, en de hiermee gepaard gaande inschrijvingswaarborgen verstrekt conform artikel 12 van de EEG-verordening 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983, die nadien zijn verplichtingen niet nakwam en de levering niet uitvoerde, nog worden aangesproken door het Belgisch interventie- en restitutiebureau, tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 25, lid 1, van voornoemde EEG-verordening nr. 1354/83, nadat alle inschrijvingswaarborgen werden verbeurdverklaard ten voordele van voormeld bureau?"
40 Uit de context van het hoofdgeding blijkt, dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag in wezen wil vernemen, of verordening nr. 1354/83 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer degene aan wie is gegund, zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen niet binnen de gestelde termijn uitvoert zonder dat er sprake is van overmacht, hij overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening alle financiële gevolgen van de niet-levering moet dragen, zelfs indien de inschrijvingswaarborgen reeds krachtens artikel 26, lid 6, van voornoemde verordening verbeurd zijn verklaard.
41 Dienaangaande merkt Prolacto op, dat de niet-nakoming van haar leveringsverplichting volgens verordening nr. 1354/83 weliswaar tot verbeurte van de door haar gestelde waarborgen moet leiden, maar dat de betaling van die waarborgen uitsluit, dat degene aan wie is gegund, indien hij in gebreke blijft, daarnaast de schade moet vergoeden die het gevolg is van het niet-leveren van de betrokken goederen. Uit artikel 25, lid 1, juncto artikel 26, lid 6, van de verordening blijkt volgens Prolacto, dat de sanctie voor de niet-nakoming van haar verplichtingen beperkt blijft tot betaling van de waarborg wanneer, zoals in casu, degene aan wie is gegund, krachtens artikel 25, lid 1, tweede alinea, van zijn verplichtingen is ontheven. Het bevoegde interventiebureau zou dan niet meer gerechtigd zijn, later bijkomende vergoedingen te vorderen.
42 Deze stelling kan evenwel niet worden aanvaard.
43 In de eerste plaats vindt de door Prolacto bepleite uitlegging geen enkele steun in de tekst zelf van artikel 25 van verordening nr. 1354/83.
44 Artikel 25, lid 1, eerste alinea, bepaalt immers in zeer algemene bewoordingen: "Degene aan wie is gegund draagt alle financiële gevolgen van niet-levering, geheel of ten dele, van de goederen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden (...)"
45 De verplichting die aldus aan degene aan wie is gegund, wordt opgelegd wanneer hij in gebreke blijft, is slechts afhankelijk van de voorwaarde, dat de begunstigde van de voedselhulp levering op de vastgestelde voorwaarden mogelijk heeft gemaakt.
46 Niet betwist wordt, dat in een situatie als die van het hoofdgeding aan deze voorwaarde is voldaan.
47 Bovendien komen de kosten in verband met niet-uitvoering door degene aan wie is gegund, volgens artikel 25, lid 2, enkel dan ten laste van het betrokken interventiebureau wanneer de niet-levering van de goederen te wijten is aan overmacht.
48 In haar verwijzingsbeschikking heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel evenwel uitdrukkelijk vastgesteld, dat Prolacto zich in casu niet in een situatie van overmacht bevond.
49 In die omstandigheden moet enerzijds worden vastgesteld, dat artikel 25 van verordening nr. 1354/83 duidelijk bepaalt, dat wanneer degene aan wie is gegund, in gebreke blijft, hij in beginsel alle bijkomende kosten draagt die voortvloeien uit de niet-nakoming van zijn leveringsverplichting, indien de niet-levering van de goederen hem kan worden toegerekend. Deze bepaling bevat met name geen enkele aanwijzing, dat betaling van de waarborg uitsluit, dat degene aan wie is gegund, alle door zijn gedrag veroorzaakte schade moet vergoeden.
50 Anderzijds zijn in een geval als dat van het hoofdgeding, alle voorwaarden voor toepassing van dat artikel vervuld, aangezien de betrokken marktdeelnemer niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot levering van verschillende partijen mageremelkpoeder, welke opdracht hem was gegund, zonder dat de niet-nakoming te wijten was aan de begunstigde van de betrokken goederen, of door overmacht kan worden verklaard.
51 In de tweede plaats verdraagt het door Prolacto gevoerde betoog zich niet met de opzet van verordening nr. 1354/83, zoals die onder meer naar voren komt uit het samenstel van de artikelen 25 en 26.
52 Volgens artikel 11, lid 7, van de verordening mag een offerte niet worden ingetrokken, en artikel 16, lid 2, bepaalt, dat degene aan wie is gegund, niet unilateraal kan afzien van de uitvoering van de hem gegunde opdracht.
53 Volgens verordening nr. 1354/83 kan degene aan wie is gegund, slechts van zijn verplichtingen worden ontheven bij wege van een formeel besluit van het betrokken interventiebureau.
54 Artikel 25, lid 1, tweede alinea, van de verordening bepaalt immers:
"Indien de goederen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in het schip zijn geladen binnen een tijdvak van drie maanden na de datum waarop het in het inschrijvingsbericht vastgestelde (...) tijdvak voor het laden van de goederen verstrijkt, ontheft de met de betaling belaste instantie degene aan wie is gegund van zijn verplichtingen."
55 Wanneer het interventiebureau dus vaststelt, dat degene aan wie is gegund, zijn opdracht niet binnen een termijn van drie maanden heeft uitgevoerd zonder dat er sprake is van overmacht, ziet het ervan af de geplande verrichting met hem voort te zetten.
56 Dit besluit heeft ingevolge artikel 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83 tot gevolg, dat degene aan wie is gegund, alle door hem gestelde waarborgen verliest, en ingevolge artikel 25, lid 1, tweede alinea, in fine, van die verordening, dat de Commissie de nodige maatregelen kan nemen door een nieuwe openbare inschrijving te houden om de niet-nakoming door de onderneming waaraan eerst was gegund, te verhelpen.
57 Bijgevolg wordt degene aan wie is gegund, krachtens artikel 25, lid 1, tweede alinea, ontheven van zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen aan de begunstigde van de voedselhulp, maar niet van de krachtens artikel 25, lid 1, eerste alinea, op hem rustende verplichting om alle financiële gevolgen te dragen van de niet-levering binnen de voor het laden van de goederen gestelde termijn.
58 Hieraan moet overigens worden toegevoegd, dat de brieven die in het hoofdgeding door het Bureau na het verstrijken van de termijn van drie maanden aan Prolacto zijn gezonden, en de brieven waarbij de inschrijvingswaarborgen verbeurd zijn verklaard, naast de vermelding van artikel 26, lid 6, van verordening nr. 1354/83, een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 25, lid 1, van deze verordening bevatten, en in enkele gevallen zelfs de volledige tekst van de eerste alinea van laatstgenoemd artikel. De ondernemer waaraan was gegund, kon zich bijgevolg niet vergissen omtrent de draagwijdte van de verplichtingen die als gevolg van zijn verzuim op hem rustten, zodat hij niet op goede gronden kon betogen, dat het interventiebureau na de verbeurdverklaring van de waarborgen niet meer het recht had om van hem vergoeding van de door zijn houding veroorzaakte schade te vorderen.
59 Uit een en ander volgt, dat verordening nr. 1354/83 aldus moet worden uitgelegd, dat de betaling van de inschrijvingswaarborgen niet uitsluit, dat wanneer degene aan wie is gegund, in gebreke blijft, hij alle financiële gevolgen van de hem toerekenbare niet-levering van de goederen moet dragen.
60 Subsidiair betoogt Prolacto, dat het bedrag van de inschrijvingswaarborgen die ten gunste van het interventiebureau verbeurd zijn verklaard, moet worden afgetrokken van het bedrag van de door laatstgenoemde uit hoofde van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1354/83 gevorderde schadevergoeding.
61 Dienaangaande heeft de Commissie terecht beklemtoond, dat de waarborg een ander doel nastreeft dan de verplichting van degene aan wie is gegund, tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een hem toerekenbare niet-levering.
62 De waarborg beoogt immers te verzekeren, dat degene aan wie is gegund, zijn verplichtingen nakomt. Zij zet hem ertoe aan, de voedselhulp binnen de gestelde termijn, of althans zo snel mogelijk na het verstrijken van die termijn, te leveren, doordat wordt gedreigd met inhouding van een percentage van de gestelde financiële waarborg dat toeneemt naar gelang van de omvang van de vertraging bij de uitvoering. De waarborg heeft tevens tot doel, degene aan wie is gegund, te bestraffen met het volledige verlies van de waarborg, wanneer na afloop van een redelijk geachte termijn duidelijk wordt, dat hij zijn verplichting tot levering niet uitvoert, en dat er derhalve geen reden meer is om de verrichting met hem voort te zetten.
63 Overeenkomstig artikel 26, lid 5, van verordening nr. 1354/83 houdt het interventiebureau per dag vertraging bij de levering naar rata van de niet geladen hoeveelheden 1 % van de inschrijvingswaarborg af indien het in het bericht van inschrijving vastgestelde tijdvak waarbinnen de goederen moesten worden geladen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in acht wordt genomen.
64 Volgens artikel 26, lid 6, van deze verordening wordt de waarborg verbeurd ten gunste van het interventiebureau wanneer door de schuld van degene aan wie is gegund, de goederen niet zijn geladen binnen drie maanden na het verstrijken van genoemd tijdvak voor het laden van de goederen.
65 De verbeurte van de gestelde waarborg vormt bijgevolg een sanctie wanneer na het verstrijken van een termijn, die bij verordening nr. 1354/83 op drie maanden is vastgesteld, definitief vaststaat, dat degene aan wie is gegund, ondanks de comminatoire bepaling van artikel 26, lid 5, zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen niet is nagekomen zonder dat deze niet-uitvoering te wijten is aan overmacht of aan de begunstigde van de voedselhulp kan worden toegerekend.
66 Artikel 25, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1354/83 geeft daarentegen uitvoering aan het beginsel van de contractuele aansprakelijkheid van degene aan wie is gegund. Volgens dit beginsel moet degene aan wie is gegund, het interventiebureau alle bijkomende kosten vergoeden die voortvloeien uit de niet-uitvoering van zijn verplichting tot leveren.
67 Deze bepaling heeft derhalve tot doel, de contractpartij van degene aan wie is gegund, alle schade te vergoeden die zij heeft geleden doordat degene aan wie is gegund, zijn verplichtingen niet is nagekomen.
68 Aangezien het forfaitaire verlies van de waarborg bij niet-inachtneming van de termijn voor de levering van de goederen een andere functie vervult dan de verplichting tot vergoeding van de schade die daadwerkelijk voortvloeit uit de schending van de contractuele verplichtingen door degene aan wie is gegund, en de twee relevante bepalingen van verordening nr. 1354/83 derhalve los van elkaar staan, is er geen reden om het bedrag van de krachtens artikel 26, lid 6, verbeurdverklaarde waarborg af te trekken van het bedrag van de uit hoofde van artikel 25, lid 1, eerste alinea, verschuldigde schadevergoeding. Wanneer er geen sprake is van overmacht en de niet-uitvoering niet te wijten is aan de begunstigde van de voedselhulp, moet degene aan wie is gegund, zowel het verlies van de waarborg als de volledige schadeloosstelling van het interventiebureau dragen wanneer hij in gebreke blijft.
69 Deze uitlegging is overigens de enige die in overeenstemming is met de tekst van artikel 25, lid 1, eerste alinea, volgens welke degene aan wie is gegund, "alle" financiële gevolgen van een hem toerekenbare niet-levering draagt. Enkel wanneer de niet-levering van de goederen te wijten is aan de schuld van de begunstigde van de voedselhulp of aan overmacht, is degene aan wie is gegund volgens verordening nr. 1354/83 niet gehouden, de eruit voortvloeiende bijkomende kosten te dragen.
70 Anders dan Prolacto heeft betoogd, moet deze verdeling van de kosten die voortvloeien uit de niet-levering van de goederen, als billijk worden aangemerkt. Het zou immers onrechtvaardig zijn, de bijkomende kosten van een nieuwe openbare inschrijving die moest worden gehouden omdat degene aan wie de eerste levering was gegund, door zijn eigen schuld niet heeft geleverd, zij het slechts ten dele, door het interventiebureau te doen dragen.
71 Gelet op een en ander, moet op de vraag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden geantwoord, dat verordening nr. 1354/83 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer degene aan wie is gegund, zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen niet binnen de gestelde termijn uitvoert zonder dat er sprake is van overmacht, hij overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening alle financiële gevolgen van de niet-levering moet dragen, zelfs indien de inschrijvingswaarborgen reeds krachtens artikel 26, lid 6, van die verordening verbeurd zijn verklaard. Daarbij kunnen de inschrijvingswaarborgen niet worden afgetrokken van de bedragen die uit hoofde van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening moeten worden betaald ter vergoeding van de uit de niet-levering voortvloeiende schade.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
72 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis van 11 oktober 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 1354/831 van de Commissie van 17 mei 1983 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer degene aan wie is gegund, zijn verplichting tot levering van de betrokken goederen niet binnen de gestelde termijn uitvoert zonder dat er sprake is van overmacht, hij overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening alle financiële gevolgen van de niet-levering moet dragen, zelfs indien de inschrijvingswaarborgen reeds krachtens artikel 26, lid 6, van die verordening verbeurd zijn verklaard. Daarbij kunnen de inschrijvingswaarborgen niet worden afgetrokken van de bedragen die uit hoofde van van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening moeten worden betaald ter vergoeding van de uit de niet-levering voortvloeiende schade.
Full & Egal Universal Law Academy