Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Grenzen - Wijziging van regeling betreffende gemeenschappelijke ordening der markten - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Stelsel van prijzen en premies - Vaststelling voor bepaalde soort van prijzen en premie voor oogst van 1991 na aanplant - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Schending - Geen
(Verordeningen nrs. 727/70, 1114/88, 1329/90 en 1738/91 van de Raad)
3 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Discriminatie van producenten of consumenten - Vaststelling van prijzen en premies in sector ruwe tabak - Verschil in behandeling naar gelang van verschillende tabakssoorten - Geen discriminatie
(EG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr. 1738/91 van de Raad)
Samenvatting
1 Ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers kunnen geen gewettigd vertrouwen stellen in de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd, en wel in het bijzonder op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist voortdurend moeten kunnen worden aangepast aan de wijzigingen van de economische situatie. Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet op een verkregen recht kunnen beroepen om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden.
2 Het feit dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening van ruwe tabak de prijzen en de bewerkingspremie voor de soort Burley I ten opzichte van het vorige jaar waren verlaagd bij verordening nr. 1738/91, die is bekendgemaakt op een datum waarop de telers van deze soort hun beslissingen voor het oogstjaar 1991 reeds hadden genomen, levert geen schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen op. De betrokken marktdeelnemers mochten immers niet vertrouwen op de handhaving van een zeker niveau van de prijzen en premies, aangezien verordening nr. 727/70, die de Raad verplichtte om elk jaar, met name gelet op de ontwikkeling van de markten en de schadelijkheid van de verschillende tabakssoorten, de prijzen en premies hiervoor vast te stellen, uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid van een verlaging van die prijzen en premies. Diezelfde marktdeelnemers moesten er na de bekendmaking van de verordeningen nrs. 1114/88 en 1329/90 overigens rekening mee houden, dat de aldus bepaalde prijzen en premies nogmaals konden worden verlaagd, naar evenredigheid van de eventuele overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid.
3 Het non-discriminatiebeginsel verzet zich niet tegen een gemeenschapsregeling die, in het kader van de vaststelling van prijzen en premies in de sector ruwe tabak, producenten van de tabakssoort Burley I anders en, eventueel, ongunstiger behandelt dan producenten van andere tabakssoorten. De verwezenlijking van de doelstellingen van de prijs- en premieregeling in deze sector, en in het bijzonder de omschakeling van de tabaksproductie op de soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn, houdt immers noodzakelijkerwijs in, dat naar gelang van de betrokken soort verschillende maatregelen worden vastgesteld.
Partijen
In zaak C-372/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Caserta (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Pontillo
en
Donatab Srl,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90 (PB L 163, blz. 13),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), D. A. O. Edward en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Pontillo, vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. De Caterini, advocaten te Rome, en door G. Pasquariello, advocaat te Santa Maria Capua Vetere,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de afdeling diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, juridisch medewerker bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en I. Chalkias, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseurs J. Carbery en T. Gallas, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Ziotti en A. M. Alves Vieira, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Pontillo, de Italiaanse regering, de Griekse regering, de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 12 februari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 april 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 oktober 1996, binnengekomen bij het Hof op 25 november daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Caserta het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90 (PB L 163, blz. 13; hierna: "bestreden verordening").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen A. Pontillo, tabaksproducent, en de te Caserta gevestigde onderneming Donatab Srl (hierna: "Donatab"), die tabak verwerkt. In dat geding gaat het om de vraag, wat de gevolgen voor Pontillo zijn van het feit dat Donatab, toen de Commissie had vastgesteld dat voor de oogst van 1991 de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor tabaksbladeren van de soort Burley I was overschreden, een gedeelte van de premie bedoeld in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 94, blz. 1), had moeten terugbetalen.
De communautaire regeling
3 Verordening nr. 727/70 voorzag in een steunregeling gebaseerd op streefprijzen en interventieprijzen voor tabaksbladeren uit de Gemeenschap, die door de Raad jaarlijks voor de oogst van het volgende kalenderjaar werden vastgesteld. Volgens die regeling konden telers hetzij hun productie verkopen aan de interventiebureaus, die verplicht waren ze tegen de interventieprijs te kopen, hetzij hun productie op de markt verkopen.
4 Ter bevordering van de aankopen bij de telers tegen een prijs die zo dicht mogelijk bij de streefprijs lag, bepaalde artikel 3, lid 1, van die verordening, dat onder bepaalde voorwaarden een premie werd toegekend aan kopers die de tabaksbladeren rechtstreeks van producenten van de Gemeenschap kochten en het gekochte product de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten. Ingevolge artikel 3, lid 2, werd de premie eveneens toegekend aan telers die hun eigen productie van tabaksbladeren de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten.
5 Om de toeneming van de tabaksproductie binnen de Gemeenschap binnen de perken te houden en terzelfder tijd de productie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan, tegen te gaan, werd bij verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 (PB L 110, blz. 35), aan artikel 4 van laatstgenoemde verordening een lid 5 toegevoegd, luidende als volgt:
"5. Elk jaar stelt de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap worden geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de eisen van de markt en de sociaal-economische en landbouwkundige omstandigheden van de betrokken gebieden. De totale maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988, 1989 en 1990 op telkens 385 000 ton tabaksbladeren vastgesteld.
Onverminderd de artikelen 12 bis en 13 wordt per procent waarmede de productie van een soort of van een groep soorten de gegarandeerde maximumhoeveelheid overschrijdt, op de interventieprijs en de premie voor de betrokken soort of groep soorten een verlaging met 1 % toegepast. Een correctie die overeenkomt met de verlaging van de premie wordt toegepast op de streefprijs van de betrokken oogst.
De in de tweede alinea bedoelde verlaging bedraagt maximaal 5 % voor de oogst van 1988 en maximaal 15 % voor die van 1989 en 1990.
(...)"
6 De eerste en de vierde alinea van dat lid 5, in de versie voortvloeiende uit verordening (EEG) nr. 1251/89 van de Raad van 3 mei 1989 (PB L 129, blz. 16), werden bij verordening (EEG) nr. 1329/90 van de Raad van 14 mei 1990 (PB L 132, blz. 25) gewijzigd als volgt:
"5. Elk jaar stelt de Raad voor de oogst van het volgende jaar volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap wordt geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld, een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de marktverhoudingen, de sociaal-economische situatie en de situatie in de landbouw in de betrokken gebieden. De Raad stelt deze gegarandeerde hoeveelheden voor de oogst van 1990 gelijktijdig met die voor de oogst van 1989 vast. De totale gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988 tot en met de oogst van 1993 op telkens 385 000 ton tabaksbladeren vastgesteld.
(...)
De in de derde alinea bedoelde verlaging bedraagt maximaal 5 % voor de oogst van 1988 en maximaal 15 % voor de oogst van 1989 tot en met die van 1993."
7 De prijs en de premie voor de soort Burley I werden voor de oogst van 1991 vastgesteld bij de bestreden verordening, die op 13 juni 1991 is vastgesteld en op 26 juni daaraanvolgend bekendgemaakt. De interventieprijs, die voor de oogst van 1990 2 421 ECU/kg bedroeg, werd op 2 102 ECU/kg bepaald, terwijl de bewerkingspremie, die voor de oogst van 1990 2 103 ECU/kg bedroeg, op 1 748 ECU/kg werd vastgesteld.
8 Blijkens bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2178/92 van de Commissie van 30 juli 1992 tot bepaling van de werkelijke productie voor tabakssoorten van de oogst 1991 en tot vaststelling van de geldende prijzen en premies in het kader van de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden (PB L 217, blz. 75), overschreed de tijdens de oogst van 1991 daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid tabak van de soort Burley I met 19,45 % de voor die tabakssoort vastgestelde gegarandeerde maximumhoeveelheid. Uit bijlage II bij die verordening blijkt, dat de bij de bestreden verordening vastgestelde interventieprijs en premie overeenkomstig artikel 4, lid 5, van verordening nr. 727/70, zoals gewijzigd, met 15 % zijn verlaagd tot 1 787 ECU/kg respectievelijk 1 486 ECU/kg.
Het hoofdgeding
9 Pontillo heeft een landbouwbedrijf in de provincie Caserta. Hij verkocht de tabaksoogst 1991 van de soort Burley I aan Donatab, die van het bevoegde interventiebureau, de Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo - Settore tabacco (hierna: "AIMA"), tegen zekerheidstelling de vooruitbetaling vroeg en verkreeg van de in artikel 3 van verordening nr. 727/70 bedoelde premie.
10 Toen bij verordening nr. 2178/92 de overschrijding werd vastgesteld van de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de tabakssoort Burley I, zag Donatab zich genoodzaakt de bedragen terug te betalen die overeenkwamen met de verlaging van de premie. Daarop verzocht zij Pontillo, haar zijn aandeel in de premieverlaging terug te betalen.
11 Daar Pontillo van mening was, dat de premieverlaging onwettig was wegens ongeldigheid van de verordeningen betreffende de vaststelling van de prijzen, de premies en de gegarandeerde maximumhoeveelheden voor het seizoen 1991, dagvaardde hij Donatab voor de Pretura circondariale di Caserta, teneinde voor recht te doen verklaren, dat de betrokken vermindering niet aan hem mocht worden doorberekend.
12 Bij beschikking van 22 juli 1993 stelde de Pretura circondariale di Caserta het Hof daarop een prejudiciële vraag over de geldigheid van de bestreden verordening, voor zover daarbij de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de tabakssoort Burley I met terugwerkende kracht was vastgesteld.
13 In zijn arrest van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a. (C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863; hierna: "arrest Crispoltoni II"), verklaarde het Hof voor recht, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de rechtsgeldigheid konden aantasten van de bestreden verordening, waarbij de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de soort Burley I niet was gewijzigd, aangezien deze reeds was vastgesteld bij bijlage V bij verordening (EEG) nr. 1331/90 van de Raad van 14 mei 1990 tot vaststelling van de voor de oogst van 1990 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de voor de oogst van 1991 gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1252/89 (PB L 132, blz. 28), en dus voordat de betrokken telers een beslissing over de oogst van 1991 hadden moeten nemen.
14 De nationale rechter merkt op, dat de onderhavige prejudiciële verwijzing opnieuw betrekking heeft op de geldigheid van de bestreden verordening voor zover deze de oogst van 1991 van de tabakssoort Burley I betreft, maar dat de verwijzing dit keer geen betrekking heeft op de vaststelling van de gegarandeerde maximumhoeveelheid, maar op de verlaging van de interventieprijs en de bewerkingspremie voor deze tabakssoort.
15 Volgens de verwijzende rechter miskent de bestreden verordening, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1991 is bekendgemaakt, het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien zij met terugwerkende kracht van toepassing is op een tabaksproductie ten aanzien waarvan reeds onherroepelijke keuzes waren gemaakt. De verlaging, bij deze verordening, van de interventieprijs en de bewerkingspremie voor de oogst van 1991 van de tabakssoort Burley I was immers noch op de datum waarop de telers hun planning voor de oogst van 1991 moesten maken, dat wil zeggen in november 1990, noch op de datum waarop de tabaksplanten in het veld moesten worden uitgeplant, dat wil zeggen in februari 1991, te voorzien geweest.
16 De Pretura circondariale di Caserta is van oordeel, dat bij deze verlaging niet kan worden gesproken van een normaal handelsrisico waarmee een zorgvuldig en goed geïnformeerd producent normaliter rekening moet houden; de beschikbare gegevens inzake de markt van Burleytabak, waarop de producenten hun productiekeuzes aan het begin van het seizoen 1991 in redelijkheid hadden gebaseerd, hadden er juist toe aangemoedigd in de cultures te investeren. Zo waren met name de premies die op dat moment voor de oogst van 1990 uitbetaald zouden worden, hoger dan die welke voor de oogst van 1989 waren vastgesteld, en was er nog geen overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid van de betrokken tabak geconstateerd.
17 Ofschoon bij een steunregeling die door de bepaling van een gegarandeerde maximumhoeveelheid wordt gekenmerkt, het exacte bedrag van de aan de telers voor bepaalde soorten te betalen prijzen en premies uiteindelijk afhangt van een eventuele overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid en de mate waarin dat gebeurt, gingen de economische consequenties van de ontijdige prijs- en premieverlaging door de bestreden verordening ruimschoots de marge van onzekerheid te buiten, die inherent is aan de steunregeling van verordening nr. 1114/88. Zo had de bij de bestreden verordening vastgestelde verlaging met 13 % een aanzienlijk multiplicatoreffect gehad op de verlaging met 15 % die de Commissie, na de officiële vaststelling dat de oogst van Burley I-tabak in 1991 de gegarandeerde maximumhoeveelheid had overschreden, bij verordening nr. 2178/92 had bepaald.
18 De verwijzende rechter voegt hieraan toe, dat de vaststelling vooraf van prijzen en premies juist zoals die van gegarandeerde maximumhoeveelheden noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de bij verordening nr. 1114/88 ingevoerde contingenteringsregeling, maar ook wanneer bij de late verlaging van de prijzen en de premies de gegarandeerde maximumhoeveelheid formeel ongewijzigd is gebleven, is het daardoor wel tot een wezenlijke wijziging van de waarde van die vooraf vastgestelde gegarandeerde maximumhoeveelheid gekomen.
19 Gelet op een en ander heeft de Pretore di Caserta de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Kan, gelet op het vertrouwensbeginsel en de $ratio' van de contingenteringsregeling, verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad geldig worden geacht, voor zover daarbij een onverwachte en onvoorziene verlaging van de prijzen en de bewerkingspremie voor de tabakssoort Burley italiano wordt doorgevoerd op een zo laat tijdstip in het tabaksseizoen, dat er ook voor de meest voorzichtige en oplettende producent geen enkele manoeuvreerruimte overblijft?
2) Is het vanuit het oogpunt van schending van wezenlijke vormvoorschriften laakbaar, dat de bepalingen betreffende de tabakssoort Burley in verordening nr. 1738/91 expliciet noch impliciet zijn gemotiveerd en strenger zijn dan de bepalingen betreffende andere tabakssoorten, waarvoor nog grotere productieoverschotten zijn geconstateerd?"
De eerste vraag
20 Verzoeker in het hoofdgeding merkt om te beginnen op, dat de oogst van de tabakssoort Burley I in 1988 noch in 1989 de gegarandeerde maximumhoeveelheid had overschreden, en dat zowel de interventieprijzen als de bewerkingspremie in die twee jaren ongewijzigd waren gebleven. Vervolgens heeft de Raad voor de oogst van 1990 weliswaar niet de interventieprijs gewijzigd, maar wel de gegarandeerde maximumhoeveelheid en de bewerkingspremie verhoogd. Ten slotte was bij verordening nr. 1331/90 de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 nogmaals verhoogd.
21 Deze bij de planning voor het seizoen 1991 bekende gegevens waren voor de betrokken producenten aanleiding geweest, door te gaan met de teelt van deze tabakssoort. Bovendien was de overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid van de tabakssoort Burley voor de oogst van 1990 pas bekend geworden door verordening (EEG) nr. 2267/91 van de Commissie van 29 juli 1991 tot bepaling van de werkelijke productie voor tabakssoorten van de oogst 1990 en tot vaststelling van de geldende prijzen en premies in het kader van de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden (PB L 208, blz. 26). De dubbele verlaging van de prijs en de premie, eerst met 13 % ingevolge de bestreden verordening, vervolgens met 15 % ingevolge verordening nr. 2178/92, was redelijkerwijze dus niet te voorzien geweest.
22 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (zie met name arrest Crispoltoni II, punt 57).
23 Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden (arrest Crispoltoni II, punt 58).
24 Gelijk de Raad en de Commissie terecht hebben opgemerkt, geldt dit te meer in een geval als dat van het hoofdgeding, waarin de toepasselijke gemeenschapsregeling - te weten verordening nr. 727/70, die de Raad verplichtte om elk jaar, met name gelet op de ontwikkeling van de markten en de schadelijkheid van de verschillende tabakssoorten, de prijzen en premies hiervoor vast te stellen - uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid van een verlaging van die prijzen en premies, in voorkomend geval overeenkomstig verordening nr. 727/70, zoals gewijzigd, gevolgd door een tweede verlaging met maximaal 15 %, indien de gegarandeerde maximumhoeveelheid werd overschreden.
25 In zijn arrest van 11 juli 1991, Crispoltoni (C-368/89, Jurispr. blz. I-3695, punt 21; hierna: "arrest Crispoltoni I"), oordeelde het Hof, dat de verordeningen nr. 1114/88 en (EEG) nr. 2268/88 van de Raad van 19 juli 1988 tot vaststelling van de voor de oogst 1988 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1975/87 (PB L 199, blz. 20), ongeldig waren voor zover zij voorzagen in een gegarandeerde maximumhoeveelheid voor in 1988 geoogste tabak van de soort Bright, zulks op grond dat, ook al moesten de betrokken marktdeelnemers rekening houden met de mogelijkheid dat maatregelen zouden worden genomen om de toeneming van de tabaksproductie in de Gemeenschap binnen de perken te houden en de productie tegen te gaan van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan, zij er niettemin van mochten uitgaan, dat eventuele maatregelen die consequenties zouden hebben voor hun investeringen, hun tijdig ter kennis zouden worden gebracht.
26 De thans bestreden verordening, waarbij de prijzen en premies voor de tabakssoorten voor de oogst van 1991 zijn vastgesteld, is op 26 juni 1991 bekendgemaakt, dat wil zeggen op een datum na het tijdstip waarop de telers van tabak van de soort Burley I hun beslissingen voor de oogst van 1991 moesten nemen.
27 Gelijk het Hof echter in het arrest van 26 maart 1998, Petridi (C-324/96, Jurispr. blz. I-1333, punt 45), heeft gepreciseerd, betrof het arrest Crispoltoni I het systeem van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, dat de betrokken ondernemers onbekend was, zowel wat de aard van de nieuwe maatregelen voor de ordening van de tabaksmarkt betreft als met betrekking tot de datum van inwerkingtreding ervan.
28 De context van de bestreden verordening is echter een geheel andere. Sinds de bekendmaking van verordening nr. 727/70 op 28 april 1970 wisten de betrokken marktdeelnemers immers dat er jaarlijks prijzen en premies werden vastgesteld, en dus dat deze van het ene op het andere jaar konden worden verlaagd. Verder moesten zij na de bekendmaking van verordening nr. 1114/88 op 29 april 1988 en, wat meer in het bijzonder de oogst van 1991 betreft, na de bekendmaking van verordening nr. 1329/90 op 23 mei 1990 er rekening mee houden, dat de aldus bepaalde prijzen en premies nogmaals verlaagd konden worden, naar evenredigheid van de eventuele overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid en met maximaal 15 % ten opzichte van de aanvankelijk vastgestelde bedragen.
29 Onder deze omstandigheden kan verzoeker in het hoofdgeding niet met een beroep op het arrest Crispoltoni I stellen, dat zijn gewettigd vertrouwen is geschonden.
30 Teneinde aan te tonen dat de bestreden maatregelen inbreuk hebben gemaakt op het gewettigd vertrouwen van de betrokken marktdeelnemers, stelt verzoeker in het hoofdgeding, gestaafd met cijfers, voorts dat de bestreden verordening bij de vaststelling van de prijzen en de premie voorbijgaat aan de doelstellingen van de contingentering van de productie, namelijk richting geven aan die productie en de kwaliteit ervan verbeteren, teneinde, rekening houdend met de mate van voorziening van de Gemeenschap, de afzet van de tabak te verzekeren. In de ingevoerde contingenteringsregeling nu zou de Raad juist door het uitoefenen van invloed op de prijzen en premies, de productie in de vereiste richting hebben kunnen sturen om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.
31 Voor zover de Raad met dit betoog wordt verweten de prijzen en de premie voor Burley I-tabak te hebben vastgesteld op een tijdstip waarop de productiekeuzes voor de oogst van 1991 reeds waren gemaakt, moet het om de bovengenoemde redenen worden afgewezen.
32 Voor zover de gemeenschapswetgever wordt verweten bij de vaststelling van de prijzen en premies geen rekening te hebben gehouden met de doelstellingen van de productiecontingentering, moet worden vastgesteld, dat verzoeker in het hoofdgeding niet heeft weten aan te tonen, dat de prijs- en premieverlagingen waartoe de Raad had besloten, kennelijk ongeschikt waren ter verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschapsregeling, daarbij in aanmerking genomen dat die instelling op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt.
33 Uit het voorgaande volgt, dat het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen niet is geschonden, aangezien de betrokken marktdeelnemers er niet op mochten vertrouwen, dat de betrokken prijzen en premies op een bepaald niveau gehandhaafd zouden blijven.
34 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de eerste vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de bestreden verordening kunnen aantasten.
De tweede vraag
35 Volgens de Griekse regering wordt in de considerans van de bestreden verordening niet uiteengezet, waarom de Raad de bestreden maatregelen heeft vastgesteld. Derhalve zou de verordening wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften ongeldig moeten worden verklaard.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de door artikel 190 EG-Verdrag vereiste motivering de redenering van de gemeenschapsinstelling die de handeling heeft verricht, weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, doch dat het niet noodzakelijk is, dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd (zie met name arrest van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 74). Meer in het bijzonder kan niet worden verlangd, dat de motivering een gedetailleerde opsomming geeft van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop zij is vastgesteld, en mag zeker niet een min of meer volledige beoordeling van die feiten worden verwacht (zie met name arrest van 13 maart 1968, Beus, 5/67, Jurispr. blz. 125).
37 In casu komt uit de considerans van de bestreden verordening duidelijk naar voren, welke criteria bij de vaststelling van de prijzen en premies in de sector ruwe tabak voor de oogst van 1991 zijn toegepast.
38 Zo moet volgens de eerste overweging van de considerans bij de vaststelling van de prijzen in de sector ruwe tabak rekening worden gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, te weten de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren, de voorziening veiligstellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers waarborgen. In de tweede overweging van de considerans wordt gepreciseerd, dat de streefprijzen en de interventieprijzen moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 727/70 bedoelde criteria, teneinde de productie een bepaalde oriëntatie te geven en met name de omschakeling te bevorderen op soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn.
39 Wat de premies betreft die aan kopers van in de Gemeenschap geproduceerde tabak worden toegekend, blijkt uit de zevende overweging van de considerans, dat zij de kopers in staat moeten stellen de producenten van tabaksbladeren een prijs te betalen die op het niveau ligt van de streefprijs, met inachtneming van de prijsontwikkeling op de wereldmarkt en van het uit vraag en aanbod op de markt van de Gemeenschap voortvloeiende prijspeil.
40 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de motivering van de bestreden verordening voldoende nauwkeurig is, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen; zij voldoet dus aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.
41 Voor zover de verwijzende rechter, gelijk verzoeker in het hoofdgeding stelt, met zijn tweede vraag tevens zou willen vernemen, of de producenten van de tabakssoort Burley I niet ongunstiger zijn behandeld dan de producenten van andere tabakssoorten, moet eraan worden herinnerd, dat het algemene gelijkheidsbeginsel van het gemeenschapsrecht, waarvan het in artikel 40, lid 3, EG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod een bijzondere uitdrukking is, verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.
42 De verwezenlijking van de doelstellingen van de prijs- en premieregeling, welke in de punten 38 en 39 van dit arrest zijn genoemd, en in het bijzonder de omschakeling van de tabaksproductie op de soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn, houdt echter noodzakelijkerwijs in, dat naar gelang van de betrokken soort verschillende maatregelen worden vastgesteld. Gelijk de Raad en de Commissie overigens terecht hebben opgemerkt, hebben voor andere soorten dan Burley I-tabak - bijvoorbeeld de soorten Mavra en Tsebelia, waarvan de productie de vastgestelde gegarandeerde maximumhoeveelheid in een zelfde mate had overschreden als bij de soort Burley I was vastgesteld - overeenkomstige prijs- en premieverlagingen voor de oogst van 1991 plaatsgevonden als voor Burley I-tabak.
43 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de tweede vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de bestreden verordening kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 De kosten door de Italiaanse en de Griekse regering, alsmede door de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Caserta bij beschikking van 14 oktober 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90.
Full & Egal Universal Law Academy