Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Harmonisatie van wetgevingen - Etikettering en presentatie van levensmiddelen - Richtlijn 79/112 - Verplichting van lidstaten, om handel te verbieden van producten waarop vermeldingen niet in voor koper gemakkelijk te begrijpen taal voorkomen - Draagwijdte - Nationale regeling die gebruik van bepaalde taal voorschrijft en, als alternatief, gebruik van andere voor koper gemakkelijk te begrijpen taal - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 79/112 van de Raad, art. 14)
2 Harmonisatie van wetgevingen - Etikettering en presentatie van levensmiddelen - Richtlijn 79/112 - Verplichting om verplichte vermeldingen op etikettering zelf aan te brengen - Extra bordje in winkel - Ontoereikendheid
(Richtlijn 79/112 van de Raad, art. 14)
Samenvatting
3 Artikel 14 van richtlijn 79/112 inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, verzet zich niet tegen een nationale regeling die, wat de taalvereisten betreft, het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, maar tevens als alternatief het gebruik van een andere voor de kopers gemakkelijk te begrijpen taal toestaat.
De nationale rechter moet met inachtneming van alle omstandigheden van elk concreet geval beoordelen, of de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is. Die beoordeling moet worden gemaakt voor elk van de door de richtlijn verplicht gestelde vermeldingen, daarbij rekening houdend met het feit, dat de richtlijn de mogelijkheid biedt de verplichte vermeldingen niet enkel in woorden weer te geven, maar ook op andere wijze zoals door middel van tekeningen, symbolen of pictogrammen.
4 Alle verplichte vermeldingen als bedoeld in richtlijn 79/112 inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, moeten op de etikettering voorkomen in een voor de verbruikers in de betrokken staat of streek gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals door middel van tekeningen, symbolen of pictogrammen. Een extra bordje dat in de winkel bij het betrokken product is aangebracht, volstaat niet om de voorlichting en bescherming van de eindverbruiker te verzekeren.
Partijen
In zaak C-385/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Amtsgericht Aachen (Duitsland), in de aldaar dienende strafzaak tegen
H. J. Goerres,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward (rapporteur), J.-P. Puissochet en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij dezelfde directie, als gemachtigden,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door F. Cede, Botschafter bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, rättschef bij de afdeling Buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. J. Goerres, vertegenwoordigd door S. Gehrold, advocaat te Dinklage; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt, ter terechtzitting van 10 december 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 februari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 november 1996, ingekomen bij het Hof op 28 november daaraanvolgend, heeft het Amtsgericht Aachen krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1; hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in een strafrechtelijke procedure die de Oberkreisdirektor des Kreises Aachen (hierna: "Oberkreisdirektor") heeft ingesteld tegen Goerres wegens het feit dat hij in zijn winkel in Duitsland verscheidene levensmiddelen te koop heeft aangeboden die, in strijd met de bepalingen van § 3, lid 3, van de Verordnung über die Kennzeichnung von Lebensmitteln (hierna: "LMKV"), geen etiket in het Duits, maar enkel in het Frans, Italiaans of Engels droegen.
De bepalingen van Duits recht
3 Volgens § 3, lid 3, eerste zin, LMKV dienen vermeldingen zoals de verkoopbenaming, de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant, de lijst van ingrediënten, de houdbaarheidsdatum "in het Duits op de voorverpakking of op een daaraan gehecht etiket op een goed zichtbare plaats, begrijpelijk geformuleerd, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar worden aangebracht". Volgens de tweede zin van hetzelfde lid kunnen dergelijke vermeldingen "ook in een andere gemakkelijk te begrijpen taal worden aangebracht, indien dit geen gevolgen heeft voor de voorlichting van de verbruiker".
4 De tweede zin van § 3, lid 3, LMKV is in 1992 ingevoegd, teneinde de etikettering "in het Duits of in een andere gemakkelijk te begrijpen taal" mogelijk te maken (zie daarvoor de toelichting van de Duitse regering met betrekking tot de wijziging van de LMKV in Bundesratsdrucksache nr. 563/92 van 14 augustus 1992, blz. 11).
De feiten van het hoofdgeding
5 Goerres exploiteert een levensmiddelenwinkel te Eschweiler, vlakbij Aken. Op 13 januari 1995 bood hij in zijn winkel producten te koop aan, die geen etiket in het Duits, maar enkel in het Frans, Italiaans of Engels droegen. Het ging met name om de volgende producten: "Fanta orange, soda au jus d'orange" (geëtiketteerd in het Frans), "Corn Flakes" (geëtiketteerd in het Italiaans en in het Frans), "I Pelati di San Marzano - il Vero Gusto del Pomodoro" (geëtiketteerd in het Italiaans) en "Pasta sauce with olives and capers" (geëtiketteerd in het Engels).
6 Bij beschikking van 6 juli 1995 legde de Oberkreisdirektor Goerres een geldboete op van 2 000 DM wegens overtreding van § 3, lid 3, LMKV.
7 Goerres stelde tegen die beschikking beroep in bij het Amtsgericht Aachen. Zich baserend op een juridisch advies, op 14 juli 1994 opgesteld door M. Hilf, hoogleraar aan de universiteit van Hamburg, voerde hij aan, dat het gebruik van een bepaalde taal niet verplicht kon worden gesteld, dat overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn het beslissende criterium de begrijpelijkheid van de etikettering is, en dat bij producten die bij het publiek zeer bekend zijn, etikettering in een vreemde taal geen afbreuk doet aan de voorlichting van de verbruiker. Bovendien, zo vervolgde hij, had hij in zijn winkel bij de betrokken producten extra bordjes ("Zusatzschilder") aangebracht met de vereiste vermeldingen in het Duits.
De bepalingen van de richtlijn
8 Artikel 14, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten zich ervan onthouden, op andere dan de in de artikelen 3 tot en met 11 bepaalde wijze vast te stellen, hoe de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen moeten worden aangebracht.
9 Artikel 14, tweede alinea, luidt: "De lidstaten dragen er echter zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling staat het voorkomen van genoemde vermeldingen in meer dan één taal niet in de weg."
10 Artikel 3 bevat een opsomming van de verplichte vermeldingen, die in beginsel op de etikettering van levensmiddelen moeten voorkomen, zoals de verkoopbenaming, de lijst van ingrediënten, de nettohoeveelheid, de datum van minimale houdbaarheid, de bijzondere bewaarvoorschriften en gebruiksvoorwaarden, de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant of de verpakker of de verkoper, de plaats van oorsprong of herkomst van het levensmiddel, en een gebruiksaanwijzing indien het levensmiddel zonder gebruiksaanwijzing niet behoorlijk kan worden gebruikt. De artikelen 4 tot en met 14 bevatten speciale regels, definities of uitzonderingen op die verplichte vermeldingen van artikel 3.
11 Volgens artikel 4, lid 2, van de richtlijn kan in de communautaire voorschriften worden bepaald, dat nog andere vermeldingen moeten worden opgenomen.
12 Op 27 januari 1997 stelden het Europees Parlement en de Raad richtlijn 97/4/EG houdende wijziging van richtlijn 79/112 (PB L 43, blz. 21) vast. Bij artikel 1 van die richtlijn werd artikel 14, tweede alinea, geschrapt en vervangen door een nieuw artikel 13 bis, dat onder meer verlangt, dat de etikettering van levensmiddelen in een voor de verbruiker gemakkelijk te begrijpen taal is gesteld, en dat de lidstaten toestaat, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, voor te schrijven, dat de door de richtlijn verplicht gestelde vermeldingen ten minste in één of meer officiële talen van de Gemeenschap op de etikettering zijn aangebracht.
13 In onzekerheid verkerend over de uitlegging van artikel 14 van de richtlijn, heeft het Amtsgericht Aachen besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Handelt een handelaar in overeenstemming met artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, wanneer hij in de Bondsrepubliek Duitsland levensmiddelen in het verkeer brengt, die voorzien zijn van etiketten in het Italiaans, Frans of Engels?
2) Zo nee, voldoet de handelaar niettemin aan de vereisten van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG, wanneer hij in zijn winkel bij het betrokken product een extra bordje ($Zusatzschild') met de vereiste vermeldingen in het Duits aanbrengt?"
14 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in het kader van artikel 177 van het Verdrag niet bevoegd is de regels van het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen. Het Hof kan de nationale rechter echter wel alle interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht verschaffen, die voor hem van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van de bepalingen ervan (zie, met name, arrest van 24 september 1987, Coenen, 37/86, Jurispr. blz. 3589, punt 8).
15 Gelet op de gegevens in het dossier van het hoofdgeding wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag dus, kort samengevat, te vernemen, of artikel 14 van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, maar tevens het gebruik van een andere voor de kopers gemakkelijk te begrijpen taal toestaat. Met zijn tweede vraag wenst hij te vernemen, of het feit dat in de winkel bij het betrokken product een extra bordje ("Zusatzschild") is aangebracht, waarop de vereiste vermeldingen in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn gesteld, volstaat om de voorlichting van de verbruiker te verzekeren.
De eerste vraag
16 In zijn arrest van 18 juni 1991, Piageme (C-369/89, Jurispr. blz. I-2971), heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van de richtlijn eraan in de weg staan, dat een nationale wettelijke regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt, of dat de koper via andere maatregelen wordt ingelicht.
17 Voorts heeft het Hof in zijn arrest van 12 oktober 1995, Piageme e.a. (C-85/94, Jurispr. blz. I-2955; hierna: "arrest Piageme II"), voor recht verklaard, dat artikel 14 van de richtlijn eraan in de weg staat, dat een lidstaat, gelet op het vereiste van een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik van de taal verplicht stelt die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het product te koop wordt aangeboden, ook wanneer het gelijktijdig gebruik van een andere taal niet wordt uitgesloten.
18 In tegenstelling tot de regelingen die in die zaken in het geding waren, gaat het in casu om een nationale regeling, die weliswaar het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen verplicht stelt, maar tevens als alternatief het gebruik toestaat van een andere gemakkelijk voor de koper te begrijpen taal. Door een dergelijke regeling wordt geen strengere verplichting opgelegd dan de verplichting een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken.
19 Hieruit volgt, dat artikel 14 van de richtlijn, wat de taalvereisten betreft, zich niet tegen een dergelijke regeling verzet.
20 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat de nationale rechter in het licht van alle omstandigheden van elk concreet geval moet beoordelen, of de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is. Die beoordeling moet worden gemaakt voor elk van de door de richtlijn verplicht gestelde vermeldingen, daarbij rekening houdend met het feit, dat de richtlijn de mogelijkheid biedt de verplichte vermeldingen niet enkel in woorden weer te geven, maar ook op andere wijze zoals door middel van tekeningen, symbolen of pictogrammen (zie arrest Piageme II, punten 27 e.v.).
21 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 14 van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die, wat de taalvereisten betreft, het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, maar tevens als alternatief het gebruik van een andere voor de kopers gemakkelijk te begrijpen taal toestaat.
De tweede vraag
22 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter, kort samengevat, te vernemen, of het feit dat in de winkel bij het betrokken product een extra bordje ("Zusatzschild") met de vereiste vermeldingen in een gemakkelijk te begrijpen taal is aangebracht, volstaat om de voorlichting van de verbruiker te verzekeren.
23 Dienaangaande is het voldoende eraan te herinneren, dat het Hof in punt 26 van het arrest Piageme II heeft geoordeeld, dat de bescherming van de verbruiker niet wordt gewaarborgd door maatregelen die losstaan van de etikettering, zoals voorlichting op het verkooppunt of in het kader van grootscheepse informatiecampagnes.
24 Het Hof kwam tot die slotsom op grond van de overweging, dat het doel van artikel 14 van de richtlijn, te weten voorlichting en bescherming van de consument, niet zou worden bereikt, wanneer deze niet op elk tijdstip kennis kon nemen van alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen, niet enkel op het moment van aankoop, maar ook op het moment van verbruik van het product. Verder herinnerde het Hof eraan, dat de eindverbruiker niet noodzakelijkerwijs degene is die de levensmiddelen heeft gekocht (zie arrest Piageme II, punten 23-25).
25 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen op de etikettering moeten voorkomen in een voor de verbruikers in de betrokken staat of streek gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals door middel van tekeningen, symbolen of pictogrammen, en dat een extra bordje ("Zusatzschild") dat in de winkel bij het betrokken product is aangebracht, niet volstaat om de voorlichting en bescherming van de eindverbruiker te verzekeren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Belgische, de Franse, de Oostenrijkse en de Zweedse regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Amtsgericht Aachen bij beschikking van 6 november 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, verzet zich niet tegen een nationale regeling die, wat de taalvereisten betreft, het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, maar tevens als alternatief het gebruik van een andere voor de kopers gemakkelijk te begrijpen taal toestaat.
2) Alle in richtlijn 79/112 bedoelde verplichte vermeldingen moeten op de etikettering voorkomen in een voor de verbruikers in de betrokken staat of streek gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals door middel van tekeningen, symbolen of pictogrammen. Een extra bordje ("Zusatzschild") dat in de winkel bij het betrokken product is aangebracht, volstaat niet om de voorlichting en bescherming van de eindverbruiker te verzekeren.
Full & Egal Universal Law Academy