Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vervoer - Wegvervoer - Sociale bepalingen - Afwijking voor voertuigen die door overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren - Werkingssfeer - Voertuig dat toebehoort aan onderneming die werkt in kader van contract waarbij haar voor bepaalde tijd uitsluitend recht is verleend - Daarvan uitgesloten
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad, art. 13, lid 1, sub b)
2 Vervoer - Wegvervoer - Sociale bepalingen - Geregeld personenvervoer - Verplichting uittreksel uit dienstrooster en afschrift van dienstregeling bij zich te hebben - Draagwijdte - Overlegging van uittreksel uit dienstrooster dat enkel betrekking heeft op dag van controle - Verplichting niet nagekomen
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad, art. 14, lid 5)
Samenvatting
3 De afwijking die artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer op haar voorschriften toestaat voor voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren, is niet van toepassing op voertuigen die toebehoren aan een onderneming waarvan het kapitaal in handen is van een overheidsdienst en die een openbare dienst van personenvervoer onderhoudt in het kader van een contract waarbij haar voor bepaalde tijd een uitsluitend recht is verleend na een aanbesteding waarop alle concurrenten konden inschrijven.
Zodra deze onderneming zich concurrerend moet gedragen om de vernieuwing van het contract op de vervaldag te kunnen verkrijgen, voldoet zij namelijk niet aan de voorwaarde betreffende het niet beconcurreren van de beroepsvervoerders.
4 Aan het in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer gestelde vereiste, dat iedere bestuurder van een voertuig in het geregeld personenvervoer een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich moet hebben, is niet voldaan, wanneer het uittreksel uit het dienstrooster enkel betrekking heeft op de dag van de controle.
Aan de hand van dit uittreksel en afschrift moet namelijk doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, of de bestuurder de bepalingen betreffende de rij- en rusttijden in acht heeft genomen, wat impliceert dat hij op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren de uittreksels moet kunnen tonen voor de lopende week, en in elk geval voor de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden.
Partijen
In zaak C-387/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van Svea hovrätt (Zweden), in de aldaar dienende strafzaak tegen
A. Sjöberg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 13 en 14 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 370, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Oldfelt, juridisch hoofdadviseur, en L. Pignataro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Sjöberg, vertegenwoordigd door O. Jansson, advocaat te Stockholm; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, rättschef bij de dienst buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en K. Svahn-Starrsjö, hovrättsassessor bij deze dienst, als gemachtigden; de Franse regering, vertegenwoordigd door A. de Bourgoing; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door S. Masters, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door K. Oldfelt en L. Pignataro, ter terechtzitting van 23 oktober 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 november 1996, ingekomen bij het Hof op 27 november daaraanvolgend, heeft Svea hovrätt krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 13 en 14 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 370, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen A. Sjöberg wegens overtreding van artikel 27, leden 1, tweede alinea, en 2, van de Zweedse förordning (1993:184) om kör- och vilotider samt färdskrivare vid vägtransporter (verordening betreffende de rij- en rusttijden en tachografen in het wegvervoer; hierna: "Zweedse verordening") en artikel 14 van verordening nr. 3820/85.
3 Artikel 13 van verordening nr. 3820/85 bepaalt onder meer het volgende:
"1. Elke lidstaat kan voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat afwijkingen van de bepalingen van deze verordening toestaan voor vervoer dat wordt verricht met een voertuig dat behoort tot één of meer van onderstaande categorieën:
(...)
b) voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren;
(...)
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de afwijkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben toegestaan."
4 Artikel 14 bepaalt:
"1. In onderstaande gevallen worden door de onderneming een dienstregeling en een dienstrooster opgesteld:
- binnenlands geregeld personenvervoer;
(...)
waarop deze verordening van toepassing is.
2. Het dienstrooster moet voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster bevatten van de verschillende rijtijden, de overige werktijden en de beschikbaarheid.
3. Het dienstrooster moet alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die, naast de lopende week, ten minste ook de voorgaande en de volgende week omvat.
(...)
5. Iedere bestuurder van een voertuig dat een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben."
5 De bepalingen van verordening nr. 3820/85 zijn in wezen overgenomen in de Zweedse verordening.
6 In elke Zweedse provincie is het "landsting" (provinciale staten) belast met het beheer van het openbaar wegvervoer op plaatselijk en regionaal niveau. Het landsting van de provincie Stockholm verzorgt het uitsluitende beheer van deze dienst via een naamloze vennootschap, Aktiebolaget Storstockholms Lokaltrafik (hierna: "SL"), waarvan het alle aandelen bezit. SL heeft negen dochtermaatschappijen voor de exploitatie van het plaatselijk net, waaronder SL Buss AB.
7 Sinds 1993 worden de vervoersdiensten aanbesteed. Zo heeft SL Buss AB het exclusieve recht verkregen bepaalde lijnen in verschillende zones te verzorgen op basis van contracten met een duur van drie tot vijf jaar, met mogelijke verlenging tot tien jaar.
8 Bij vonnis van 8 mei 1996 veroordeelde Norrtälje tingsrätt Sjöberg, beheerder van SL Buss AB, tot een boete van 1 500 SKR wegens overtreding van artikel 14 van verordening nr. 3820/85 en van de overeenkomstige bepaling van de Zweedse verordening.
9 Sjöberg ging van dat vonnis in beroep bij Svea hovrätt. Hij betoogde met name, dat de voertuigen van SL Buss AB moesten worden beschouwd als voertuigen in de zin van artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85, die derhalve voor een afwijking in aanmerking kwamen. Hij betoogde ook, dat de bestuurders van twee van de betrokken voertuigen een uittreksel uit het dienstrooster bij zich hadden dat aan de criteria van artikel 14, lid 5, van deze verordening voldeed.
10 Het Openbaar ministerie daarentegen beschouwde SL Buss AB als een particuliere onderneming en niet als een overheidsdienst, zodat zij aan de mededingingsregels onderworpen was. Voorts voldeed een uittreksel uit het dienstrooster dat slechts een dag betrof, volgens het Openbaar ministerie niet aan de bij artikel 14 van verordening nr. 3820/85 gestelde voorwaarden.
11 Onder deze omstandigheden heeft Svea hovrätt besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Is de afwijkende bepaling van artikel 13, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van toepassing op het door het landsting van het län Stockholm via SL Buss AB verrichte vervoer?
2) Ingevolge artikel 14, lid 5, van deze verordening moet iedere bestuurder van een voertuig dat een in artikel 14, lid 1, bedoelde dienst onderhoudt, een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben. Is aan dit vereiste voldaan wanneer het uittreksel uit het dienstrooster enkel betrekking heeft op de ritten van de betrokken dag?"
De eerste vraag
12 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het Hof volgens vaste rechtspraak in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag niet bevoegd is, de regels van gemeenschapsrecht op een bepaald geval toe te passen (zie, met name, arresten van 4 april 1968, Tivoli, 20/67, Jurispr. blz. 293, en 20 april 1988, Bekaert, 204/87, Jurispr. blz. 2029, punt 5).
13 Gezien de elementen van het dossier in het hoofdgeding moet de eerste vraag derhalve aldus worden verstaan, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of de afwijking die artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 toestaat voor voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren, van toepassing is op voertuigen die toebehoren aan een onderneming waarvan het kapitaal in handen is van een overheidsdienst en die een openbare dienst van personenvervoer onderhoudt in het kader van een contract dat haar voor bepaalde tijd een uitsluitend recht verleent.
14 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd, dat artikel 13 van verordening nr. 3820/85 een opsomming geeft van bepaalde categorieën vervoer waarvoor elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied afwijkingen van de bepalingen van deze verordening kan toestaan. Als afwijking van de algemene regeling kan artikel 13 niet uitbreidend worden uitgelegd. Bovendien moet de draagwijdte van de toegestane afwijkingen worden bepaald in het licht van de doelstelling van de verordening (zie arresten van 21 maart 1996, Mrozek en Jäger, C-335/94, Jurispr. blz. I-1573, punt 9, en Goupil, C-39/95, Jurispr. blz. I-1601, punt 8).
15 Opgemerkt zij dat artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 ertoe strekt, de overheden van de lidstaten de mogelijkheid te bieden zich voor vervoer in het kader van de openbare dienst aan de door deze verordening opgelegde strenge regeling te onttrekken.
16 Het verlenen van deze vrijstelling mag evenwel geen afbreuk doen aan de doelstellingen van verordening nr. 3820/85, die blijkens de eerste overweging van de considerans erin bestaan de mededingingsvoorwaarden te harmoniseren alsmede de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid te verbeteren. Bovendien moeten de lidstaten zich volgens de tweeëntwintigste overweging van de considerans in geval van afwijkingen ervan vergewissen, dat het niveau van de sociale bescherming en van de verkeersveiligheid niet in het geding komt.
17 In het licht van deze overwegingen moeten de in artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3280/85 gestelde voorwaarden worden uitgelegd, volgens welke de voertuigen door de overheid moeten worden gebruikt voor taken van openbare dienst en zij de beroepsvervoerders niet mogen beconcurreren. Deze laatste voorwaarde dient eerst te worden onderzocht.
18 Dienaangaande betoogt de Commissie, dat het voornaamste element het ontbreken van mededinging tijdens de uitvoering van het contract is. Een onderneming als SL Buss AB, die een uitsluitend recht voor een duur van drie tot vijf jaar heeft verkregen, zou tijdens deze periode dus niet met de beroepsvervoerders concurreren.
19 Vastgesteld zij evenwel, dat het vereiste van het ontbreken van mededinging met de beroepsvervoerders het mogelijk maakt de verkeersveiligheid beter te waarborgen en ertoe strekt te voorkomen, dat de mededinging wordt verstoord doordat één enkele vervoerder van de naleving van de bepalingen van verordening nr. 3820/85 is vrijgesteld.
20 Gelet op dit tweevoudige oogmerk moet het ontbreken van mededinging met de beroepsvervoerders worden beoordeeld zowel op het tijdstip waarop het uitsluitende recht een openbare dienst te onderhouden, wordt verleend, als tijdens de uitvoering van het contract. Het staat namelijk vast, dat de onderneming die voor het beheer van een openbare dienst in aanmerking wil komen, zich tot de sluiting van het contract concurrerend moet gedragen. Na de ondertekening van het contract is deze onderneming evenmin van het vrije spel van de mededinging uitgesloten, daar zij deze activiteit zodanig zal beheren dat haar contract op de vervaldag wordt vernieuwd.
21 In casu staat vast, dat de betrokken dienst werd aanbesteed. De verschillende beroepsvervoerders die het contract ook wilden hebben, stonden dus in concurrentie met elkaar. Deze concurrentie is uiteraard bestemd te blijven bestaan, aangezien een nieuwe aanbesteding zal worden gehouden bij afloop van het contract, daar dit slechts voor bepaalde tijd is gesloten.
22 Vastgesteld zij dus, dat voertuigen die worden gebruikt door een onderneming die via een aanbesteding voor bepaalde tijd het recht op het uitsluitende beheer van een vervoersdienst heeft verkregen, de beroepsvervoerders beconcurreren, daar deze onderneming zich concurrerend moet gedragen om de vernieuwing van het contract op de vervaldag te kunnen verkrijgen.
23 Nu aan de voorwaarde betreffende het ontbreken van mededinging met de beroepsvervoerders niet is voldaan, hoeft niet te worden onderzocht of aan de overige voorwaarden is voldaan.
24 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de afwijking die artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 toestaat voor voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren, niet van toepassing is op voertuigen die toebehoren aan een onderneming waarvan het kapitaal in handen is van een overheidsdienst en die een openbare dienst van personenvervoer onderhoudt in het kader van een contract waarbij haar voor bepaalde tijd een uitsluitend recht is verleend na een aanbesteding waarop alle concurrenten konden inschrijven.
De tweede vraag
25 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de verplichting een uittreksel uit het dienstrooster bij zich te hebben, tot doel heeft een doelmatige controle van de bepalingen van verordening nr. 3820/85 te waarborgen.
26 Uit de vijfentwintigste overweging van de considerans van deze verordening volgt namelijk, dat voor bestuurders van voertuigen in het geregeld personenvervoer een afschrift van de dienstregeling en een uittreksel uit het dienstrooster van de onderneming in de plaats van het controleapparaat kunnen treden. Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370, blz. 8), voorziet in de installatie van een dergelijk controleapparaat.
27 Volgens artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 moet de bestuurder op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren de registratiebladen kunnen tonen voor de lopende week, en in elk geval het blad van de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden. In het arrest van 13 december 1991, Nijs en Transport Vanschoonbeek-Matterne (C-158/90, Jurispr. blz. I-6035, punt 13), was het Hof van oordeel, dat deze bepaling tot doel heeft te kunnen nagaan, dat de verplichte wekelijkse rusttijd in acht wordt genomen.
28 Aangezien bij het geregeld personenvervoer een afschrift van de dienstregeling en een uittreksel uit het dienstrooster in de plaats treden van het controleapparaat, moet aan de hand van dit uittreksel en dit afschrift even doeltreffend kunnen worden nagegaan, of de bestuurder de bepalingen inzake rij- en rusttijden heeft nageleefd.
29 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat aan het in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 3820/85 gestelde vereiste dat iedere bestuurder van een voertuig dat een in artikel 14, lid 1, bedoelde dienst onderhoudt, een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich moet hebben, niet is voldaan, wanneer het uittreksel uit het dienstrooster enkel betrekking heeft op de dag van de controle.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Zweedse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door Svea hovrätt bij beschikking van 22 november 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De afwijking die artikel 13, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer toestaat voor voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren, is niet van toepassing op voertuigen die toebehoren aan een onderneming waarvan het kapitaal in handen is van een overheidsdienst en die een openbare dienst van personenvervoer onderhoudt in het kader van een contract waarbij haar voor bepaalde tijd een uitsluitend recht is verleend na een aanbesteding waarop alle concurrenten konden inschrijven.
2) Aan het in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 3820/85 gestelde vereiste dat iedere bestuurder van een voertuig dat een in artikel 14, lid 1, bedoelde dienst onderhoudt, een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich moet hebben, is niet voldaan, wanneer het uittreksel uit het dienstrooster enkel betrekking heeft op de dag van de controle.
Full & Egal Universal Law Academy