Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
('s Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2 Hogere voorziening - Middelen - Ontoereikende of tegenstrijdige motivering - Ontvankelijkheid
3 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde opvatting van bewijzen - Ontvankelijkheid
4 Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Schade - Oorzakelijk verband - Bewijslast
(EG-Verdrag, art. 178 en 215)
Samenvatting
5 Uit artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut, juncto artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgt dat een verzoekschrift in hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een verzoekschrift in hogere voorzienig dat slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke waren gebaseerd op door het Gerecht uitdrukkelijk verworpen feiten - herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste.
6 De vraag, of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.
7 Het staat weliswaar enkel aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen, doch een middel inzake verkeerde opvatting van de bewijzen is ontvankelijk in het kader van een hogere voorziening.
8 Het is in eerste instantie aan de partij die zich op de aansprakelijkheid van de Gemeenschap beroept, om overtuigende bewijzen over te leggen voor het bestaan of de omvang van de gestelde schade, en om het causaal verband tussen die schade en de gewraakte gedraging van de gemeenschapsinstellingen aan te tonen.
Partijen
In zaak C-401/96 P,
Somaco SARL, gevestigd te Fort-de-France (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.-C. Fourgoux, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van P. Schiltz, advocaat aldaar, Rue Béatrix de Bourbon 4,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer - uitgebreid) van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie (T-387/94, Jurispr. blz. II-961), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H. Lehman, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, M. Wathelet, D. A. O. Edward, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 19 december 1996 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Somaco SARL (hierna: "Somaco") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie (T-387/94, Jurispr. blz. II-961; hierna: "bestreden arrest"), waarbij haar vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 13 oktober 1994 (hierna: "litigieuze beschikking") houdende afwijzing van een door Somaco op 5 juni 1990 ingediende klacht is ontzegd en haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard.
De feiten en het procesverloop voor het Gerecht
2 Blijkens het bestreden arrest hebben Asia Motor France en drie andere vennootschappen die zich bezighouden met de invoer en de handel in Europees Frankrijk van voertuigen van Japanse merken die in andere lidstaten van de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, op 18 november 1985 en 29 november 1988 bij de Commissie klachten ingediend over schending van inzonderheid artikel 85 EEG-Verdrag wegens een ongeoorloofde mededingingsregeling tussen vijf importeurs van Japanse auto's in Frankrijk (te weten Sidat Toyota France, Mazda France Motors, Honda France, Mitsubishi Sonauto en Richard Nissan SA).
3 In deze klachten betoogden de ondernemingen, zakelijk weergegeven, dat de vijf bovengenoemde importeurs zich jegens de Franse administratie hadden verbonden, op de Franse binnenlandse markt per jaar niet meer auto's te verkopen dan 3 % van het aantal voertuigen dat in het daaraan voorafgaande kalenderjaar op het gehele Franse grondgebied in de kentekenregistratie was opgenomen. Deze importeurs zouden hebben afgesproken, dit quotum onderling te verdelen volgens vooraf vastgestelde regels, die elke andere onderneming die in Frankrijk Japanse auto's van andere merken wilde distribueren dan die welke werden gedistribueerd door de partijen bij de beweerde mededingingsregeling, uitsloten.
4 Na deze klachten verzocht de Commissie bij brief van 9 juni 1989 de betrokken importeurs om inlichtingen. Bij brief van 2 juli 1989 gaf het directoraat-generaal industrie van het Franse Ministerie van Industrie en Ruimtelijke ordening genoemde importeurs de instructie, niet te antwoorden op één van de vragen van de Commissie, op grond dat "de Commissie [hun vroeg] inlichtingen te verstrekken over het beleid van de Franse overheid ten aanzien van de invoer van Japanse voertuigen" en "[zij] niet bevoegd [waren] in de plaats van de overheid aan de Commissie antwoord te geven".
5 Onder deze omstandigheden vroegen de diensten van de Commissie inlichtingen aan de Franse autoriteiten. Op 28 november 1989 antwoordden de Franse autoriteiten op dit verzoek. Zij betoogden in hoofdzaak, dat de betrokken ondernemingen over geen enkele autonomie beschikten bij de uitvoering van die regeling.
6 Nadat de vier betrokken klaagsters op 20 maart 1990 een beroep wegens nalaten en een beroep tot schadevergoeding hadden ingesteld, deelde de Commissie hun bij brief van 8 mei 1990 overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268) mee, dat zij niet voornemens was gevolg te geven aan hun klachten, en nodigde zij hen uit hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen. Op 29 juni 1990 deden die partijen hun opmerkingen aan de Commissie toekomen, waarin zij staande hielden dat hun klachten gegrond waren.
7 Intussen had Somaco op 5 juni 1990 bij de Commissie een soortgelijke, op artikel 85 van het Verdrag gebaseerde klacht ingediend, die inzonderheid was gericht tegen de praktijken van de vennootschappen CCIE, SIGAM, SAVA, SIDA en Auto GM, te Lamentin (Martinique) gevestigde dealers van respectievelijk de merken Toyota, Nissan, Mazda, Honda en Mitsubishi en tevens importeurs van die merken op dat eiland.
8 Bij brief van 9 augustus 1990 deelde de Commissie Somaco onder verwijzing naar haar brief van 8 mei 1990 aan de vier andere klaagsters mee, dat zij niet voornemens was gevolg te geven aan haar klacht, en nodigde zij haar overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63 uit, haar opmerkingen dienaangaande in te dienen. Bij brief van 28 september 1990 verklaarde Somaco wederom, dat haar klacht gegrond was.
9 Bij brief van 5 december 1991 deed de Commissie de vijf betrokken ondernemingen (hierna: "klaagsters") een beschikking toekomen, waarbij hun klachten werden afgewezen. Deze afwijzing was op twee gronden gebaseerd. De eerste was, dat de gedraging van de vijf aangeklaagde importeurs een integrerend deel van het beleid van de Franse overheid ter zake van de invoer van Japanse auto's in Frankrijk was. In het kader van dit beleid stelde de overheid niet alleen het totale aantal voertuigen vast dat jaarlijks in Frankrijk werd toegelaten, maar bepaalde zij ook, hoe dat aantal werd verdeeld. De tweede afwijzingsgrond hield in, dat er geen verband bestond tussen het belang van klaagsters en de gestelde inbreuk, daar de eventuele toepassing van artikel 85 de situatie waarvan klaagsters zich het slachtoffer achtten, niet kon oplossen.
10 Tegen de beschikking van de Commissie van 5 december 1991 is op 4 februari 1992 beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht. Bij arrest van 29 juni 1993, Asia Motor France e.a./Commissie (T-7/92, Jurispr. blz. II-669; hierna: "arrest Asia Motor France II") heeft het Gerecht de beschikking nietigverklaard, voor zover deze betrekking had op artikel 85 van het Verdrag. Op grond van in het bijzonder het verslag van een interministeriële bijeenkomst van 19 oktober 1987, waaraan de aangeklaagde dealers op Martinique hadden deelgenomen, en het daaraan gehechte protocol van overeenstemming heeft het Gerecht geoordeeld, dat de eerste afwijzingsgrond op een onjuiste feitelijke en juridische beoordeling van de aan de Commissie voorgelegde gegevens berustte en de tweede afwijzingsgrond op een onjuiste rechtsopvatting.
11 Na dit arrest heeft de Commissie op 25 augustus 1993 de Franse autoriteiten en de dealers op Martinique tegen wie de klacht van Somaco van 5 juni 1990 was gericht, opnieuw om inlichtingen verzocht.
12 Op 1 januari 1994 zond de Commissie klaagsters een mededeling uit hoofde van artikel 6 van verordening nr. 99/63. Zij deed hun een kopie toekomen van de antwoorden op bovengenoemde verzoeken om inlichtingen en bood aan, de aan haar overgelegde bewijsstukken in te zien. Bij brief van 9 maart 1994 dienden klaagsters opmerkingen over deze mededeling in.
13 Bij brief van 13 oktober 1994 deed de Commissie klaagsters de litigieuze beschikking toekomen. In deze beschikking herinnerde de Commissie eerst aan de tekst van haar beschikking van 5 december 1991. Vervolgens merkte zij op, dat het Gerecht in het arrest Asia Motor France II de conclusies had afgekeurd waartoe zij hoofdzakelijk op basis van uit het departement Martinique afkomstige documenten was gekomen. Derhalve hadden de nieuwe verzoeken om inlichtingen die tot de Franse autoriteiten en tot de importeurs op Martinique waren gericht, betrekking op deze documenten.
14 Daarna stelde de Commissie inzonderheid vast, dat uit het onderzoek van de antwoorden op de nieuwe verzoeken om inlichtingen bleek, dat de Franse autoriteiten reeds in 1977 een overheidsregeling voor de invoer van voertuigen uit derde landen hadden ingevoerd. Het Ministerie van Industrie had vijf importeurs erkend als alleenvertegenwoordigers van de merken Honda, Toyota, Mazda, Mitsubishi en Nissan en ieder van hen ontving als zodanig jaarlijks van het ministerie mededeling van het maximumaantal voertuigen van zijn merk dat mocht worden ingevoerd (voor Europees Frankrijk 3 % van de markt en voor het departement Martinique 15 %).
15 De Commissie verklaarde, dat op 19 oktober 1987 op Martinique in dit verband een vergadering had plaatsgevonden; de notulen daarvan waren met het bijgevoegde protocol van overeenstemming aan het Gerecht overgelegd in het kader van de zaak Asia Motor France II. Deze vergadering was echter in feite belegd door de prefect, aldus de Commissie, en handelde uitsluitend over het nevenprobleem van de modaliteiten van de door de administratie geëiste "restitutie" van 487 voertuigen door de vennootschap CCIE, de lokale vertegenwoordiger van Toyota, die deze sinds 1982 te veel had verkocht vergeleken met het aantal dat zij mocht invoeren. Derhalve deden deze documenten, wanneer zij in hun juiste context werden geplaatst, haars inziens niet af aan het exclusieve overheidskarakter van de invoerregeling en van de modaliteiten ervan.
16 Volgens de Commissie gold dit ook voor de andere in het arrest Asia Motor France II behandelde documenten, zodat afdoende was gebleken, dat de betrokken importeurs, en inzonderheid die op Martinique, bij de uitvoering van de betrokken invoerregeling over geen enkele speelruimte beschikten. De Commissie bleef derhalve bij haar afwijzing van de klachten, voor zover deze strekten tot vaststelling van een mededingingsregeling in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
17 In deze omstandigheden hebben klaagsters zich opnieuw tot het Gerecht gewend. Zij hebben inzonderheid nietigverklaring van de litigieuze beschikking en veroordeling van de Gemeenschap tot vergoeding van de hun berokkende schade gevorderd. Zij hebben twee middelen aangevoerd, te weten een kennelijke beoordelingsfout en ontoereikende motivering.
Het bestreden arrest
18 Bij de behandeling van het middel inzake een kennelijke beoordelingsfout heeft het Gerecht in punt 58 besloten, de gedraging die wordt gelaakt in de klachten over de invoer in Europees Frankrijk en de gedraging die wordt gelaakt in de klacht over de invoer op Martinique, afzonderlijk te onderzoeken.
19 Met betrekking tot de klachten tegen de importeurs in Europees Frankrijk herinnert het Gerecht in punt 60 aan de rechtspraak over de vraag, of de gedraging van een onderneming aan de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan ontkomen omdat de onderneming geen autonomie bezit. In punt 61 heeft het inzonderheid overwogen, dat wanneer een dwingende bestuursrechtelijke bepaling die van invloed kan zijn op de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt en het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, geen verband houdt met een in artikel 85, lid 1, van het Verdrag bedoelde gedraging van ondernemingen, de naleving van een dergelijke bepaling door ondernemingen op zichzelf niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, valt. In een dergelijk geval missen de marktdeelnemers namelijk de door artikel 85, lid 1, van het Verdrag vooropgestelde speelruimte.
20 Vervolgens stelt het Gerecht in punt 62 vast, dat de Franse autoriteiten in antwoord op het herhaalde verzoek om inlichtingen van de Commissie hebben bevestigd, dat zij in 1977 hadden besloten, maatregelen te treffen om het marktaandeel van Japanse voertuigen te beperken tot 3 % van de markt in het moederland, en dat zij in die context hadden besloten, de toegestane invoer te verdelen tussen de vijf erkende importeurs die toentertijd op de markt actief waren, met inachtneming van de marktaandelen die dezen op dat tijdstip bezaten. Voor de toepassing van dit beleid stelden zij iedere importeur elk jaar in kennis van het exacte aantal voertuigen dat met zijn quotum overeenkwam en instrueerden zij hem, niet meer auto's in te voeren.
21 In punt 63 onderzoekt het Gerecht dan, of de litigieuze beschikking de conclusie toelaat, dat de Franse autoriteiten de ondernemingen tegen wie de klachten waren gericht, deze invoerregeling in dier voege hadden opgelegd, dat deze over geen enkele speelruimte meer beschikten. Dienaangaande stelt het om te beginnen in punt 64 vast, dat de Franse autoriteiten zelf hebben bevestigd, dat de in de klachten gelaakte gedragingen de importeurs van Japanse auto's in Europees Frankrijk door geen enkele bepaling van Frans recht werden voorgeschreven. Aangezien er geen sprake was van een dwingende bestuursrechtelijke bepaling die de gelaakte gedragingen voorschreef, kon de Commissie naar het oordeel van het Gerecht (punt 65) de klachten enkel dan op grond van gebrek aan autonomie van de betrokken ondernemingen afwijzen, indien uit objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen bleek, dat de nationale autoriteiten hun deze handelwijze eenzijdig hadden opgelegd door onweerstaanbare druk uit te oefenen, bijvoorbeeld door te dreigen met overheidsmaatregelen die hun aanzienlijke verliezen zouden kunnen berokkenen.
22 In dit verband constateert het Gerecht in punt 66, dat de Commissie aan de litigieuze beschikking, voor zover betrekking hebbend op de klachten over de invoer van Japanse voertuigen in Europees Frankrijk, dezelfde elementen ten grondslag heeft gelegd als die waarmee zij in haar eerdere beschikking van 5 december 1991 de conclusie had geschraagd, dat de betrokken marktdeelnemers over geen enkele autonomie of "speelruimte" beschikten. De door de Commissie als "nieuwe elementen" aangemerkte factoren betroffen derhalve enkel de situatie op Martinique. Bovendien hadden de Franse autoriteiten in hun antwoord op het nieuwe verzoek om inlichtingen geen enkel element aangedragen tot staving of toelichting van de verklaring, dat de betrokken importeurs, die alleen maar uitvoering hadden gegeven aan maatregelen die uit overheidsbesluiten voortvloeiden, zonder over een speelruimte te beschikken, niets kon worden verweten.
23 Op grond hiervan heeft het Gerecht in punt 68 vastgesteld, dat geen element van het dossier de conclusie toelaat, dat inderdaad druk op de importeurs is uitgeoefend, en dat deze kwestie tijdens de administratieve procedure noch bij de Franse autoriteiten, noch bij de importeurs in Europees Frankrijk is nagegaan.
24 Derhalve heeft het Gerecht in punt 70 geconcludeerd, dat gelet op de vaststellingen in het arrest Asia Motor France II, de litigieuze beschikking bij gebreke van nieuwe elementen betreffende de in Europees Frankrijk toepasselijke invoerregeling, niet berust op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen, dat de Franse autoriteiten eenzijdig onweerstaanbare druk hebben uitgeoefend op de betrokken ondernemingen om deze ertoe te brengen de in de klachten gelaakte handelwijze te volgen. Bijgevolg heeft het in punt 71 beslist, dat de Commissie de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld, en in punt 72, dat de litigieuze beschikking moet worden nietigverklaard voor zover daarbij de klachten met betrekking tot Europees Frankrijk zijn afgewezen.
25 Wat vervolgens de klacht van Somaco van 5 juni 1990 tegen de dealers op Martinique betreft, herinnert het Gerecht in punt 73 eraan, dat blijkens die klacht Somaco in juni 1988 werd opgericht om op Martinique Japanse en Koreaanse voertuigen van de merken Daihatsu, Isuzu, Hyundai, Suzuki en Subaru in te voeren. In haar klacht stelde Somaco, dat zij het slachtoffer was van een ongeoorloofde mededingingsregeling tussen de dealers van de Japanse merken Toyota, Honda, Mazda, Mitsubishi en Nissan, en dat diezelfde dealers "de markt, die door de administratie [was] vastgesteld op 15 % van het aantal registraties, onderling [verdeelden] ten koste van de vennootschap Somaco, die van deze markt [was] uitgesloten". Tot staving van haar klacht legde zij twee documenten over, te weten de notulen van de interministeriële bijeenkomst van 19 oktober 1987 en het daaraan gehechte protocol van overeenstemming.
26 In punt 75 merkt het Gerecht met betrekking tot de invoer van Japanse auto's in Frankrijk, waartoe het departement Martinique behoort, op, dat de Franse autoriteiten in hun antwoord van 11 november 1993 op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 25 augustus 1993 hebben verklaard, dat slechts de vijf importeurs van de merken Toyota, Honda, Mitsubishi, Mazda en Nissan in Frankrijk zijn erkend. Overigens verklaart het Gerecht in punt 76, dat vaststaat dat deze erkende importeurs bij uitsluiting bevoegd zijn voor de afgifte van gelijkvormigheidscertificaten aan de dealers op Martinique en dat de verkrijging van een gelijkvormigheidscertificaat een noodzakelijke voorwaarde is voor de registratie van een ingevoerd voertuig op Martinique.
27 In punt 77 overweegt het Gerecht, dat deze regeling - los van de vraag of zij eenzijdig door de Franse autoriteiten is opgelegd, dan wel berust op een tussen de vijf erkende importeurs en de Franse autoriteiten gesloten overeenkomst - eraan in de weg staat, dat de vennootschappen die in Frankrijk (in het moederland en op Martinique) andere Japanse auto's dan auto's van deze merken willen invoeren, toegang krijgt tot de markt. Dat Somaco op Martinique geen auto's van de merken Daihatsu, Isuzu, Suzuki en Subaru kan verhandelen, vloeit derhalve in geen geval voort uit het bestaan van een eventuele mededingingsregeling tussen de in de klacht bedoelde dealers op Martinique.
28 Voorts overweegt het Gerecht in punt 78, dat de Commissie in de litigieuze beschikking de in de klacht aangevoerde grieven heeft onderzocht, hoewel zij zich had kunnen afvragen, welk belang Somaco bij de vaststelling van de gestelde inbreuk heeft. Zo heeft de Commissie na de nietigverklaring van de beschikking van 5 december 1991 een nieuw onderzoek ingeleid en heeft zij na onderzoek van de antwoorden op de nieuwe verzoeken om inlichtingen deze klacht afgewezen, onder meer op grond dat de dealers bij de uitvoering van de betrokken invoerregeling geen autonomie bezaten.
29 In dit verband herinnert het Gerecht in punt 79 eraan, dat het in punt 55 van het arrest Asia Motor France II heeft vastgesteld, dat deze afwijzingsgrond was gebaseerd op een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten. Derhalve heeft het onderzocht, of de nieuwe gegevens uit het onderzoek na dit arrest nieuw licht konden werpen op de documenten waaraan het Gerecht, na een eerste onderzoek, een grote bewijskracht aangaande het waarschijnlijke bestaan van een wilsovereenstemming had toegekend.
30 In punt 80 stelt het Gerecht vast, dat de in de klacht gelaakte gedragingen de dealers van Japanse auto's op Martinique door geen enkele bepaling werden voorgeschreven, en derhalve heeft het vervolgens in punt 81 onderzocht, of uit objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen bleek, dat de nationale autoriteiten eenzijdig onweerstaanbare druk hebben uitgeoefend op de betrokken dealers om deze ertoe te brengen de in de klacht gelaakte handelwijze te volgen.
31 Bij het onderzoek van de door de Commissie als "nieuwe elementen" aangemerkte documenten heeft het Gerecht in punt 84 vastgesteld, dat blijkens de stukken van het dossier, en inzonderheid een brief van de staatssecretaris van de minister voor Overzeese departementen en gebiedsdelen van 19 augustus 1982, het quotum van 15 % van de op Martinique geregistreerde voertuigen door de Franse autoriteiten eenzijdig aan de lokale importeurs is opgelegd, dat het gebrek aan autonomie van de dealers voorts wordt geschraagd door het feit, dat de beperking van de invoer van Japanse auto's tot 15 % van de markt op Martinique de markt van de dealers met 50 % deed inkrimpen, en dat niet is betwist, dat het penetratiepercentage van Japanse auto's op Martinique vóór de invoering van de gelaakte invoerregeling rond 30 % bedroeg.
32 In punt 85 heeft het Gerecht voorts vastgesteld, dat blijkens de door de Commissie overgelegde stukken de overheidsinstanties tijdens dezelfde periode het quotum van 15 % hebben verdeeld tussen de merken die werden vertegenwoordigd door de vijf dealers tegen wie de klacht was gericht, en dat het feit dat de individuele quota voor elke dealer door de overheid waren vastgesteld, ook bleek uit een brief van 3 september 1986 van de Nissan-dealer aan de prefect van Martinique, waarin deze dealer zich erover beklaagde, dat "het [hem] toegekende quotum veel te laag [was] en [zijn] onderneming niet in staat [stelde] zich normaal te ontwikkelen, te meer daar het voortdurend [werd] verlaagd".
33 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 86 vastgesteld, dat de ondoordringbaarheid van de aldus door de overheid ingevoerde regeling werd verzekerd door het feit, dat de vijf erkende importeurs van Japanse auto's in Europees Frankrijk, overeenkomstig de instructies van de nationale autoriteiten, de dealer van "hun" merk op Martinique slechts een aantal gelijkvormigheidscertificaten stuurden dat precies overeenkwam met het voor hem vastgestelde quotum. Gelet op het feit dat de erkende importeurs van de vijf Japanse merken bij uitsluiting bevoegd zijn voor de afgifte van gelijkvormigheidscertificaten aan de dealers op Martinique, en dat de verkrijging van een gelijkvormigheidscertificaat een noodzakelijke voorwaarde is voor de registratie van een ingevoerd voertuig op Martinique, konden de dealers op Martinique niet anders dan de consequenties van de tussen de erkende importeurs en de Franse autoriteiten tot stand gekomen overeenkomst te aanvaarden, aldus het Gerecht in punt 87.
34 In punt 88 heeft het Gerecht derhalve beslist, dat de conclusie van de Commissie, dat de dealers op Martinique tegen wie de klacht van Somaco was gericht, "bij de uitvoering van de betrokken invoerregeling over geen enkele autonomie beschikten", op het eerste gezicht op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen berust.
35 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 89 onderzocht, of klaagsters "tegenstrijdige" gegevens hebben aangedragen, waaruit zou blijken dat de dealers van Japanse auto's over enige speelruimte beschikten bij de verdeling van het door de Franse autoriteiten op 15 % bepaalde quotum voor de invoer van Japanse auto's op Martinique.
36 In dat verband is het Gerecht in de eerste plaats ingegaan op de notulen van de interministeriële bijeenkomst van 19 oktober 1987 en het daaraan gehechte protocol van overeenstemming. Naar zijn oordeel (punt 91) duiden de bewoordingen van deze documenten erop, dat de dealers van Japanse voertuigen tegen wie de klacht was gericht, een mededingingsregeling waren aangegaan tot verdeling van het door de Franse administratie vastgestelde quotum van 15 %; op basis van de bewoordingen van deze documenten had het in het arrest Asia Motor France II geconcludeerd, dat deze documenten "op het eerste gezicht een belangrijke aanwijzing vormen", dat de betrokken marktdeelnemers "over een reële autonomie beschikken".
37 In punt 92 merkt het Gerecht evenwel op, dat de Commissie in de litigieuze beschikking verklaart, dat in het licht van de nieuwe gegevens die te harer kennis zijn gebracht in het kader van het onderzoek na de uitspraak van het arrest Asia Motor France II, de notulen van de interministeriële bijeenkomst van 19 oktober 1987 en het daaraan gehechte protocol van overeenstemming, in hun juiste context geplaatst, niet afdoen aan het exclusieve overheidskarakter van de invoerregeling.
38 In punt 93 constateert het Gerecht, dat de Toyota-dealer op Martinique tussen 1982 en 1986 het hem toegekende jaarlijkse quotum aanzienlijk had overschreden door de voertuigen boven zijn quotum door middel van voorlopige kentekenplaten ("WW"-platen) te registreren. In punt 94 merkt het verder op, dat uit de stukken van het dossier eveneens bleek, dat de Franse autoriteiten, nadat zij hadden vastgesteld dat deze dealer misbruik maakte van de regeling van voorlopige registratie, uiterlijk in maart 1987 hadden besloten de afgifte van de voorlopige (WW-)registratiebewijzen voortaan in mindering te brengen op het aan elk merk toegekende quotum.
39 In deze omstandigheden heeft het Gerecht in punt 95 geoordeeld, dat de Commissie redelijkerwijze heeft kunnen concluderen, dat de op initiatief van de prefect van Martinique georganiseerde bijeenkomst van 19 oktober 1987 eveneens een uiting was van de wil van de overheid om naleving van de door haar eenzijdig opgelegde invoerregeling af te dwingen. In het protocol van overeenstemming wordt weliswaar gesproken van een plafond van 15 % en van een verdeelsleutel voor die 15 %, doch dit betekent niet noodzakelijkerwijs, dat de dealers een mededingingsregeling zijn aangegaan die onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt. De tijdens het nieuwe onderzoek aan het licht gekomen stukken ondersteunen immers de stelling, dat de dealers het noodzakelijk achtten, het door de overheid sinds 1982 eenzijdig opgelegde, ongeschreven invoerbeleid te "codificeren", om in de toekomst problemen als die met de Toyota-dealer te voorkomen.
40 Derhalve heeft het Gerecht in punt 96 geoordeeld, dat klaagsters niet het bewijs hebben geleverd, dat de Commissie de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld. In punt 97 heeft het Gerecht eveneens bepaalde andere door klaagsters aangevoerde documenten onderzocht en vastgesteld, dat geen enkel document de stelling van de Commissie, dat de dealers op Martinique "bij de uitvoering van de betrokken invoerregeling over geen enkele autonomie beschikten", aan het wankelen kan brengen. In punt 100 heeft het Gerecht derhalve het middel inzake kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten als ongegrond verworpen, voor zover dit middel de beslissing van de Commissie betrof om de klacht van Somaco van 5 juni 1990 af te wijzen.
41 Ten aanzien van de schadevordering ten slotte heeft het Gerecht inzonderheid in punt 107 overwogen, dat volgens de rechtspraak een beroep tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade, wil het ontvankelijk zijn, moet bevatten: de gegevens die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade.
42 Dienaangaande heeft het in punt 109 vastgesteld, dat klaagsters in hun verzoekschrift tot staving van hun vordering tot schadevergoeding het volgende argument hebben aangevoerd, dat in zijn geheel luidt als volgt:
"De klagende ondernemingen maken onderscheid tussen de schade die is toe te schrijven aan de gedraging van de ondernemingen die partij zijn bij de mededingingsregeling, en van de Franse regering, en de schade waarvoor de Commissie rechtstreeks aansprakelijk is.
De schade die de ondernemingen tot heden als gevolg van de mededingingsregeling hebben geleden, kan worden geraamd op:
Asia Motor France:259 552 000 ECU J.-M. Cesbron:244 292 000 ECU Monin Automobiles:82 231 000 ECU EAS:76 177 000 ECU Somaco:2 153 500 ECU
De schade, vermeerderd met de wettelijke rente, waarvoor de Commissie wegens de vertragingen en de onwettige beschikkingen aansprakelijk is, kan in redelijkheid worden geraamd op de rente die de Gemeenschap doorgaans op deze bedragen toepast (9,75 %) over de periode tussen de beschikking tot seponering van 5 december 1991 en de datum van de uitspraak van het arrest."
43 In punt 110 heeft het Gerecht geoordeeld, dat dit betoog van klaagsters noch het in zijn geheel beschouwde verzoekschrift het mogelijk maakt, met de vereiste mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid te bepalen, welk onrechtmatig gedrag de Commissie wordt verweten of wat de aard van de gestelde geleden schade is. Derhalve heeft het in punt 111 de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De hogere voorziening
44 In haar hogere voorziening concludeert Somaco, dat het den Hove behage:
1) het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij haar vordering tot nietigverklaring en haar vordering tot schadevergoeding zijn afgewezen,
2) krachtens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG
- de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover daarbij haar klacht is afgewezen, en
- de Commissie krachtens de artikelen 178 en 215 EG-Verdrag te veroordelen tot vergoeding van de door die instelling aan haar berokkende schade en bijgevolg de vergoeding te bepalen op het bedrag van de rente op de voet van 9,75 % over het bedrag waarop de schade is begroot, en wel vanaf de beschikking tot seponering van 5 december 1991 tot aan de uitspraak van het arrest, en
3) de Commissie te verwijzen in alle kosten, zowel die van de onderhavige procedure als die welke zijn gevallen op de procedure waarin het bestreden arrest is gewezen.
45 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en van alle vorderingen van Somaco en tot verwijzing van deze laatste in de kosten. Voorts werpt zij tegen Somaco's vordering tot vernietiging een exceptie van niet-ontvankelijkheid op.
Beoordeling door het Hof
De ontvankelijkheid
46 In haar verweerschrift stelt de Commissie, dat Somaco's vordering tot vernietiging niet-ontvankelijk is, omdat zij niet voldoet aan de door de rechtspraak van het Hof ter zake gestelde eisen.
47 In de eerste plaats bevat dit onderdeel van de hogere voorziening geen nauwkeurige uiteenzetting van de aangevoerde middelen en verwijst het naar de middelen die zijn aangevoerd in de procedure voor het Gerecht. In de tweede plaats is het betoog van Somaco gericht tegen de beoordeling van de feiten door het Gerecht. Zo zou het Gerecht in de motivering van het bestreden arrest niet nader hebben aangegeven, waaruit de onweerstaanbare druk bestond die een andere beoordeling van de gedragingen van de ondernemingen op de markt van Martinique dan ten aanzien van die van de ondernemingen in Europees Frankrijk rechtvaardigde. Met haar stelling dat het Gerecht de voorgelegde bewijzen verkeerd heeft opgevat, verzoekt Somaco het Hof in feite om een beoordeling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijzen.
48 Volgens artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie, onder meer, beschikking van 5 december 1997, Raad/Leite Mateus, C-218/97 P, Jurispr. blz. II-6945, punt 20). Voorts moet ingevolge artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens bevatten.
49 Volgens vaste rechtspraak brengen deze bepalingen mee, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, wordt opgekomen en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke waren gebaseerd op door het Gerecht uitdrukkelijk verworpen feiten - herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan deze vereisten (zie, onder meer, beschikking van 26 april 1993, Kupka-Floridi/Economisch en Sociaal Comité, C-244/92 P, Jurispr. blz. I-2041, punten 9 en 10; arrest van 24 oktober 1996, Viho/Commissie, C-73/95 P, Jurispr. blz. I-5457, punten 25 en 26, en beschikking van 16 september 1997, Koelman/Commissie, C-59/96 P, Jurispr. blz. I-4809, punt 52).
50 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat Somaco's vordering tot vernietiging zich niet beperkt tot een herhaling van de reeds voor het Gerecht uiteengezette middelen en argumenten en dat de aangevallen onderdelen van het bestreden arrest alsmede de tot staving van de vordering tot vernietiging aangevoerde argumenten rechtens voldoende duidelijk naar voren komen. Zoals de advocaat-generaal in punt 16 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen immers twee verschillende middelen worden aangewezen, ook al worden zij niet specifiek geaccentueerd.
51 Zo heeft het eerste middel betrekking op de motivering van het bestreden arrest, die tegenstrijdig of ontoereikend zou zijn doordat het Gerecht enerzijds heeft geoordeeld, dat er op de in Europees Frankrijk erkende importeurs geen onweerstaanbare druk is uitgeoefend, en anderzijds dat de litigieuze beschikking juist is gemotiveerd voor zover daarin wordt vastgesteld, dat dergelijke druk is uitgeoefend op de dealers op Martinique die van deze importeurs afhankelijk waren. Het tweede middel klaagt over een verkeerde opvatting van de bewijzen door het Gerecht, doordat het heeft vastgesteld dat op de dealers op Martinique onweerstaanbare druk is uitgeoefend.
52 In die omstandigheden kan de eerste grief van de Commissie, dat de hogere voorziening van Somaco de aangevoerde middelen niet voldoende nauwkeurig uiteenzet, niet worden aanvaard.
53 Wat vervolgens de vraag betreft, of de twee door Somaco aangevoerde middelen zich keren tegen feitelijke oordelen van het Gerecht, zij om te beginnen vastgesteld, dat de vraag, of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, een rechtsvraag is die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd (zie, onder meer, arresten van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie, C-283/90 P, Jurispr. blz. I-4339, punt 29, en 20 november 1997, Commissie/V, C-188/96 P, Jurispr. blz. I-6561, punt 24).
54 Wat ten slotte het middel inzake verkeerde opvatting van de bewijzen betreft, zij opgemerkt, dat het weliswaar enkel aan het Gerecht staat om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen (zie, onder meer, arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 66), doch dat het Hof heeft geoordeeld, dat het middel inzake verkeerde opvatting van de bewijzen ontvankelijk is (zie arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42; 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775, punt 29, alsmede beschikkingen van 6 oktober 1997, AIUFFASS en AKT/Commissie, C-55/97 P, Jurispr. blz. I-5383, punt 25, en 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer, C-140/96 P, Jurispr. blz. I-5635, punt 35).
55 Uit het voorgaande volgt, dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Ten gronde
De vordering tot vernietiging
56 In haar eerste middel klaagt Somaco, dat het Gerecht onderscheid heeft gemaakt tussen de situatie in Europees Frankrijk en die op Martinique. Het Gerecht kan niet enerzijds als vaststaand aannemen, dat tussen de erkende importeurs voor het grondgebied van Europees Frankrijk een mededingingsregeling bestaat die onder artikel 85 van het Verdrag valt, en anderzijds concluderen dat er sprake is van onweerstaanbare druk van overheidszijde op de dealers op Martinique die van deze importeurs afhankelijk zijn. Het Gerecht heeft in de motivering evenwel niet nader aangegeven, waaruit de onweerstaanbare druk bestond die een andere beoordeling van de gedragingen van de ondernemingen op de markt van Martinique dan ten aanzien van die van de ondernemingen in Europees Frankrijk waarvan zij afhankelijk zijn, rechtvaardigde. Zo er al sprake was van druk, werd die uitgeoefend in de betrekkingen tussen ondernemingen, dat wil zeggen tussen de dealers en de importeurs in Europees Frankrijk.
57 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, dat de litigieuze beschikking, wat de klachten tegen de importeurs in Europees Frankrijk betreft, bij gebreke van andere elementen betreffende de toepasselijke invoerregeling dan die welke ten grondslag lagen aan de eerste afwijzende beschikking van de Commissie, niet berust op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen, dat de Franse autoriteiten eenzijdig onweerstaanbare druk hebben uitgeoefend op de ondernemingen om deze tot de in de klachten gelaakte gedragingen te brengen. Gelet op het ontbreken van bewijzen voor het bestaan van dergelijke druk heeft het Gerecht in punt 71 beslist, dat de gedragingen van de importeurs die zich richten naar de wensen van de Franse administratie, daarbij rekening houdend met alle relevante gevaren en voordelen, als de uitoefening van een commerciële keuze zijn te beschouwen, en in punt 72, dat de litigieuze beschikking nietig moet worden verklaard.
58 Wat de klacht van Somaco tegen de dealers op Martinique betreft, heeft het Gerecht daarentegen in punt 88, op de grondslag van de nieuwe gegevens die naar voren waren gekomen uit het onderzoek van de Commissie na de nietigverklaring van haar eerste beschikking, beslist dat de conclusie van de Commissie, dat de dealers op Martinique bij de uitvoering van de invoerregeling over geen enkele autonomie beschikten, op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen berust, en in punt 97, dat geen enkel ander door klaagsters aangevoerd document deze stelling aan het wankelen kan brengen.
59 Hieruit volgt, dat de motivering van het bestreden arrest niet tegenstrijdig of ontoereikend is. Anders dan Somaco stelt, heeft het Gerecht niet het bestaan van een door artikel 85 verboden mededingingsregeling tussen de erkende importeurs voor Europees Frankrijk bewezen geacht, doch slechts geoordeeld, dat de door de Commissie aangevoerde grond voor afwijzing van de klachten, te weten dat de betrokken importeurs over geen enkele autonomie of "speelruimte" beschikten, niet op voldoende bewijsmiddelen steunt. Het Gerecht heeft immers vastgesteld, dat de elementen die door de Commissie als nieuw waren voorgesteld ten opzichte van de stukken die in de zaak Asia Motor France II waren overgelegd, enkel de situatie op Martinique betroffen. Juist op grond van het onderzoek van deze elementen is het Gerecht met betrekking tot de bestaande situatie op Martinique tot een andere conclusie gekomen dan met betrekking tot die in Europees Frankrijk, namelijk dat de dealers op Martinique bij de uitvoering van de betrokken invoerregeling over geen enkele autonomie beschikten.
60 In dit verband kan de situatie van afhankelijkheid van de dealers op Martinique jegens de in Europees Frankrijk erkende importeurs, waarop het Gerecht inzonderheid in punt 87 van het bestreden arrest heeft gewezen, het oordeel waartoe het Gerecht op de grondslag van de aan hem voorgelegde bewijsmiddelen is gekomen, dat de op Martinique geldende invoerregeling een exclusief overheidskarakter heeft, niet aantasten.
61 Bijgevolg moet het eerste middel worden verworpen.
62 Het tweede middel klaagt, dat het Gerecht Somaco's bewijsmiddelen, en inzonderheid de notulen van de bijeenkomst van 19 oktober 1987 en het op diezelfde dag door de ondernemingen ondertekende protocol van overeenstemming, verkeerd heeft opgevat.
63 Volgens Somaco betrof de bijeenkomst van 19 oktober 1987 niet uitsluitend het wegwerken van een quotumoverschrijding door Toyota. Er waren eveneens andere punten aan de orde gekomen. Somaco verwijst dienaangaande inzonderheid naar de tekst van de notulen, volgens welke "na een discussie tussen alle deelnemers, de aanwezige dealers (...) hebben besloten een zelfbeperking, voor alle merken te zamen, van 15 % van de totale markt te aanvaarden en zich strikt aan deze zelfbeperking te houden, zo nodig door zelfcontrole (...)".
64 Somaco wijst er eveneens op, dat uit de notulen blijkt, dat de deelnemers "de tussen hen bestaande geschillen als hun persoonlijke aangelegenheid beschouwen" en dat een protocol van overeenstemming tussen de dealers zou worden opgesteld. Dit protocol zelf is eveneens duidelijk en ondubbelzinnig, aangezien volgens de tekst ervan "(o)ndergetekenden, ieder optredend voor hun merk, [overeen]komen (...)" en "(i)ngeval één der bovengenoemde bepalingen door een der partijen niet wordt nagekomen, (...) dit protocol [vervalt]". Derhalve zijn de bewoordingen zelf van de notulen en het protocol van overeenstemming niet verenigbaar met de uitlegging van het Gerecht, dat de bijeenkomst uitsluitend het wegwerken van een quotumoverschrijding door Toyota betrof.
65 In het bestreden arrest heeft het Gerecht de genoemde documenten onderzocht teneinde vast te stellen, of Somaco bewijs voor het tegendeel had geleverd, dit wil zeggen bewijs, dat de dealers van Japanse auto's wel over enige speelruimte beschikten bij de verdeling van het door de Franse autoriteiten op 15 % bepaalde quotum voor de invoer van Japanse auto's op Martinique.
66 Het Gerecht heeft in dit verband opgemerkt, dat de bewoordingen van de notulen van de interministeriële bijeenkomst van 19 oktober 1987 en het daaraan gehechte protocol van overeenstemming erop duiden, dat de dealers een mededingingsregeling waren aangegaan, en dat het in zijn arrest Asia Motor France II juist op basis van de bewoordingen van deze documenten had geconcludeerd, dat er op het eerste gezicht sprake was van een belangrijke aanwijzing, dat deze marktdeelnemers over een reële autonomie beschikken.
67 Het Gerecht heeft in het bestreden arrest evenwel vastgesteld, dat de tijdens het nieuwe onderzoek van de Commissie aan het licht gekomen documenten de in de notulen en het protocol van overeenstemming gebruikte uitdrukkingen verhelderen en dat niet noodzakelijkerwijs het bestaan van een mededingingsregeling kan worden aangenomen.
68 Hieruit volgt, dat het Gerecht de twee door Somaco aangevoerde documenten niet verkeerd heeft opgevat. Het heeft immers uitdrukkelijk erkend, dat de bewoordingen van beide documenten voor het bestaan van een mededingingsregeling pleitten, zoals in de klacht was gesteld, doch geoordeeld, dat deze twee documenten, in een bredere context geplaatst, anders konden worden uitgelegd en in het licht van de andere door de Commissie overgelegde bewijzen niet de stelling konden ondermijnen, dat de invoerquota door de administratie werden vastgesteld zonder actieve deelneming van de dealers.
69 Bijgevolg heeft het Gerecht de betekenis van de twee door Somaco aangevoerde documenten niet gewijzigd en moet het ter zake aangevoerde middel worden verworpen.
De vordering tot schadevergoeding
70 Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding stelt Somaco, dat het Gerecht kennelijk het recht heeft geschonden door te oordelen, dat het verzoekschrift het niet mogelijk maakte te bepalen, tegen welke gedraging werd opgekomen, of dat deze onrechtmatige gedraging niet duidelijk en nauwkeurig kon worden bepaald. Deze twee oordelen zijn tegenstrijdig en er moet hoe dan ook worden nagegaan, of de gedraging van de Commissie, ter zake waarvan het Gerecht verschillende malen achtereen is geadieerd en waardoor het dossier gedurende elf jaar werd geblokkeerd, geen fout kan opleveren ter zake waarvan zij aansprakelijk is en waardoor zij is verplicht de schade te vergoeden die nader is aangegeven en die uiteraard voortvloeit uit de gewraakte gedraging zelf.
71 Volgens vaste rechtspraak is het in eerste instantie aan de partij die zich op de aansprakelijkheid van de Gemeenschap beroept, om overtuigende bewijzen over te leggen voor het bestaan of de omvang van de gestelde schade, en om het causaal verband tussen die schade en de gewraakte gedraging van de gemeenschapsinstellingen aan te tonen (zie, onder meer, arrest van 21 mei 1976, Roquette frères/Commissie, 26/74, Jurispr. blz. 677, punten 22 en 23, en arrest Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 31).
72 In punt 110 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel geoordeeld, dat het betoog van klaagsters noch het in zijn geheel beschouwde verzoekschrift het mogelijk maakte, met de vereiste mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid te bepalen, welk onrechtmatig gedrag de Commissie werd verweten, of wat de aard van de gestelde geleden schade was.
73 Het Gerecht heeft derhalve terecht geoordeeld, dat het verzoekschrift niet aan de gestelde eisen voldeed. Blijkens punt 109 van het bestreden arrest bestond de argumentatie van klaagsters enkel uit vermelding van de bedragen van de "schade die de ondernemingen (...) als gevolg van de mededingingsregeling hebben geleden", en uit de stelling, dat "de schade, vermeerderd met de wettelijke rente, waarvoor de Commissie wegens de vertragingen en de onwettige beschikkingen aansprakelijk is, (...) in redelijkheid [kan] worden geraamd op de rente die de Gemeenschap doorgaans op deze bedragen toepast (9,75 %) over de periode tussen de beschikking tot seponering van 5 december 1991 en de datum van de uitspraak van het arrest". Derhalve heeft Somaco noch uitgelegd, welke onrechtmatige gedraging de Commissie wordt verweten, noch de gestelde geleden schade met bewijsstukken gestaafd.
74 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
75 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat alle door Somaco aangevoerde middelen ongegrond zijn en dat de hogere voorziening derhalve moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
76 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Somaco in hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten van de onderhavige procedure te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Somaco SARL in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy