Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Harmonisatie van wetgevingen - Pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten - Richtlijn 90/314 - Bescherming tegen risico van insolvabiliteit of faillissement van reisorganisator - Uitvoering - Bevoegdheden van lidstaten - Grenzen
(Richtlijn 90/134 van de Raad, art. 7 en 8)
2 Vrij verrichten van diensten - Beperkingen - Verstrekking van financiële garantie - Bedingen, door reisbureau, van garantie bij in andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij - Nationale regeling die overeenkomst tussen borg en in lidstaat gevestigde financiële instelling of verzekeringsmaatschappij verlangt - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Bescherming van consument - Grenzen
(EG-Verdrag, art. 59; richtlijnen van de Raad 89/646 en 90/314, art. 7, en 92/49)
Samenvatting
1 Artikel 7 van richtlijn 90/314 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, op grond waarvan de lidstaten moeten voorschrijven, dat er garanties komen die terugbetaling van de voldane bedragen of repatriëring van de consument mogelijk maken in geval van insolvabiliteit of faillissement van de organisator bij wie de reis is gekocht, legt een resultaatsverplichting op die inhoudt dat aan de koper van een pakketreis het recht wordt toegekend op repatriëring en terugbetaling van de reeds voldane bedragen, zulks ter bescherming van de consument. Voorts blijkt uit artikel 8 van die richtlijn, dat de verplichting om genoemde garanties voor te schrijven, evenals de overige de consument beschermende voorschriften van de richtlijn, een minimumverplichting is. Zolang de lidstaten het Verdrag en inzonderheid artikel 59 daarvan eerbiedigen, is er dan ook niets wat hun belet te bepalen, dat die garanties niet enkel moeten bestaan, maar ook onmiddellijk beschikbaar moeten zijn in geval van repatriëring van de reiziger.
2 Artikel 59 van het Verdrag en de Tweede richtlijn (89/646) tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780, en richtlijn 92/49 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239 en 88/357, verzetten zich tegen een nationale regeling die, in het kader van de uitvoering van artikel 7 van richtlijn 90/314 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, voorschrijft, dat wanneer een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in een andere lidstaat financiële garanties verstrekt, deze instelling of maatschappij een aanvullende overeenkomst moet sluiten met een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij op het nationale grondgebied.
Dit vereiste heeft om te beginnen een beperkend en ontmoedigend effect op financiële instellingen in andere lidstaten, voor zover het hun belet de benodigde garanties rechtstreeks aan de reisorganisator te bieden, op dezelfde voet als een in het binnenland gevestigde borg. Ook kan het een reisorganisator ervan weerhouden, zich tot een financiële instelling in een andere lidstaat te wenden, aangezien deze verplicht is nog een garantieovereenkomst te sluiten, hetgeen extra kosten met zich kan brengen die in de regel op de reisorganisator zullen worden afgewenteld. Het vereiste vormt een beperking van het vrij verrichten van diensten die niet wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat een en ander noodzakelijk is ter bescherming van de consument.
Partijen
In zaak C-410/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Metz (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen
A. Ambry,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 59 en 73 B EG-Verdrag, van richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen (PB L 194, blz. 1), en van de Tweede richtlijn (89/646/EEG) van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG (PB L 386, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, H. Ragnemalm (rapporteur), M. Wathelet, R. Schintgen en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Ambry, vertegenwoordigd door M. Walter en C. Gury, advocaten te Metz,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde, abogado del Estado, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Ambry, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 28 april 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 19 december 1996, ingekomen bij het Hof op 24 december daaraanvolgend, heeft het Tribunal de grande instance de Metz krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 59 en 73 B EG-Verdrag, van richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen (PB L 194, blz. 1), en van de Tweede richtlijn (89/646/EEG) van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG (PB L 386, blz. 1).
2 Die vraag is gerezen in een strafzaak tegen A. Ambry, beheerder van een vennootschap, die ervan wordt verdacht medewerking te hebben verleend aan dan wel zich te hebben beziggehouden met het organiseren en verkopen van reizen en reisarrangementen zonder in het bezit te zijn van de vergunning als vereist ingevolge artikel 4 van wet nr. 92/645 van 13 juli 1992 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van werkzaamheden betreffende de organisatie en verkoop van reizen en reisarrangementen (JORF, blz. 9457; hierna: "wet nr. 92/645").
De communautaire regelgeving
3 Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, bepaalt in artikel 7:
"De organisator en/of de doorverkoper die partij zijn bij de overeenkomst, dienen aan te tonen over voldoende garanties te beschikken om in geval van insolvabiliteit of faillissement te zorgen voor terugbetaling van de reeds voldane bedragen en voor repatriëring van de consument."
4 Artikel 8 van deze richtlijn voegt hieraan toe:
"De lidstaten kunnen op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen ter bescherming van de consument vaststellen of handhaven."
5 Artikel 18 van richtlijn 89/646 luidt als volgt:
"1. De lidstaten bepalen dat de in de lijst in de bijlage genoemde werkzaamheden op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het vrij verrichten van diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.
2. De lidstaten bepalen eveneens dat de in de lijst in de bijlage genoemde werkzaamheden op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het vrij verrichten van diensten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, die wettelijk de betrokken werkzaamheden mag uitoefenen en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:
(...)"
6 De in lid 2 genoemde instellingen moeten aan bepaalde, in datzelfde lid nader omschreven voorwaarden voldoen.
7 De bijlage waarnaar in artikel 18 wordt verwezen, noemt in punt 6 het verlenen van garanties en het stellen van borgtochten.
8 Artikel 4 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB L 228, blz. 1), stelt de voorwaarden voor toegang tot het verzekeringsbedrijf vast. Het vervangt artikel 6 van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3), door de volgende bepaling:
"De toegang tot het directe verzekeringsbedrijf wordt afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een vergunning.
Deze vergunning moet bij de autoriteiten van de lidstaat van herkomst worden aangevraagd door:
a) de onderneming die haar hoofdkantoor op het grondgebied van deze lidstaat vestigt;
(...)"
9 Verder is artikel 7 van richtlijn 73/239 bij artikel 5 van richtlijn 92/49 gewijzigd als volgt:
"1. De vergunning geldt voor de gehele Gemeenschap. Zij stelt de onderneming in staat aldaar werkzaamheden uit te oefenen, hetzij in het kader van het recht van vestiging, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten.
(...)"
De nationale regelgeving
10 Artikel 4 van wet nr. 92/645 bepaalt, dat reizen en reisarrangementen slechts met winstoogmerk mogen worden georganiseerd en verkocht door natuurlijke of rechtspersonen die in het bezit zijn van een middenstandsdiploma en houder zijn van een reisbureauvergunning. Het artikel noemt de voorwaarden voor afgifte van deze vergunning, waaronder sub c:
"het bewijs te beschikken over een toereikende financiële garantie ten aanzien van de cliënten, specifiek bestemd om de in verband met de in artikel 1 genoemde diensten ontvangen bedragen te restitueren dan wel vervangende diensten te verrichten, voortvloeiende uit een verbintenis van een onderlinge waarborgmaatschappij, kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij; deze financiële garantie dient mede de kosten van eventuele repatriëring te omvatten en in dat geval op het nationale grondgebied onmiddellijk beschikbaar te zijn".
11 De uitvoeringsbepalingen van deze wet zijn vastgesteld bij decreet nr. 94/490 van 15 juni 1994 (JORF, blz. 8746; hierna: "decreet nr. 94/490").
12 Artikel 12 van dit decreet bepaalt:
"De in artikel 4, sub c, van de wet van 13 juli 1992 bedoelde financiële garantie wordt gegeven bij borgtocht, schriftelijk aangegaan door:
1. hetzij een onderlinge waarborgmaatschappij met rechtspersoonlijkheid, zulks door middel van een daartoe opgericht waarborgfonds;
2. hetzij een tot het geven van een financiële garantie bevoegde kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij.
De financiële garantie is specifiek bestemd voor het terugbetalen van de hoofdsom van de bedragen die het reisbureau heeft ontvangen voor de verbintenissen welke het ter zake van lopende of nog te verrichten diensten jegens zijn cliënten is aangegaan, en moet met name bij staking van de betalingen in het kader van een faillissementsaanvrage garanderen dat de reizigers kunnen worden gerepatrieerd.
(...)"
13 Artikel 14 van decreet nr. 94/490 luidt als volgt:
"Een financiële garantie van een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij is slechts toegestaan indien de kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij haar zetel op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Gemeenschap heeft of een bijkantoor in Frankrijk heeft. De financiële garantie moet in alle gevallen onmiddellijk beschikbaar zijn om onder de in artikel 16 bedoelde voorwaarden zorg te kunnen dragen voor de repatriëring van de cliënten. Indien de kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij niet in Frankrijk, maar in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap is gevestigd, dient hiertoe een overeenkomst te worden gesloten tussen die instelling of maatschappij en een in Frankrijk gevestigde kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij. Het betrokken reisbureau dient een verklaring ter zake, opgemaakt door de in Frankrijk gevestigde kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij, toe te zenden aan de Prefect.
De Prefect dient onverwijld en onder dezelfde voorwaarden in kennis te worden gesteld van wijzigingen in deze overeenkomst en, in voorkomend geval, van een nieuwe overeenkomst die ter zake wordt gesloten.
(...)"
14 De uitvoeringsbepalingen inzake de financiële garantie zijn vervat in artikel 16 van decreet nr. 94/490:
"De garantie geldt zodra de schuldeiser de zich borg stellende instantie bewijsstukken toont waaruit blijkt, dat de schuldvordering zeker en opeisbaar is en het reisbureau in verzuim is, waarbij de borg zich jegens de schuldeiser niet op het voorrecht van schuldsplitsing of onderhandeling kan beroepen.
Het verzuim van het reisbureau kan intreden als gevolg van een faillissementsaanvrage of een aanmaning tot betaling bij deurwaardersexploot dan wel bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, wanneer de aanmaning wordt gevolgd door een weigering of gedurende 45 dagen na betekening zonder gevolg blijft.
In geval van een vordering in rechte dient de eiser de borg van de dagvaarding in kennis te stellen door middel van een aangetekende brief met ontvangstbevestiging.
Indien de borg het vervuld zijn van de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op betaling of het bedrag van de schuldvordering betwist, kan de schuldeiser hem rechtstreeks voor de bevoegde rechter dagvaarden.
In afwijking van het voorgaande kan de garantie in spoedeisende gevallen worden opgeëist door de Prefect, teneinde zorg te dragen voor de repatriëring van de cliënten van een reisbureau; hiertoe verzoekt hij de borg onmiddellijk en bij voorrang de benodigde gelden ter dekking van de repatriëringskosten vrij te maken. Indien de financiële garantie is gegeven door een in artikel 13 bedoelde onderlinge waarborgmaatschappij, draagt deze maatschappij in een door de Prefect als zodanig erkend spoedeisend geval onmiddellijk met alle middelen zorg voor uitbetaling van de garantie."
Het hoofdgeding
15 Ambry wordt als beheerder van de vennootschap A Tours voor het Tribunal de grande instance de Metz vervolgd omdat hij in 1996 medewerking zou hebben verleend aan of zich zou hebben beziggehouden met het organiseren en verkopen van reizen en reisarrangementen zonder in het bezit te zijn van de krachtens artikel 4 van wet nr. 92/645 daartoe vereiste vergunning.
16 Ambry had de Préfecture de la Moselle verzocht om afgifte van een vergunning, Deze werd hem echter geweigerd op grond dat de voor de uitoefening van de werkzaamheid van reisagent benodigde financiële garantie niet aan de vereisten van
artikel 14 van decreet nr. 94/490 voldeed, omdat een Italiaanse financiële instelling, de Compagnia cauzioni SpA, statutair gevestigd te Rome, borg stond en er geen overeenkomst was gesloten met een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in Frankrijk.
17 Voor het Tribunal de grande instance de Metz trok Ambry in twijfel, of de vereisten van artikel 14 van decreet nr. 94/490 verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, wanneer het reisbureau de garantie verkrijgt van een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie. Deze vereisten vormen zijns inziens een belemmering voor het in het Verdrag en in genoemde richtlijnen verankerde vrije verkeer van kapitaal en diensten op het gebied van financiële garanties. De vergunning zou hem dan ook in strijd met het gemeenschapsrecht zijn geweigerd.
De prejudiciële vraag
18 Van oordeel dat ter beoordeling van de gegrondheid van de vervolging van Ambry verschillende bepalingen van gemeenschapsrecht moeten worden uitgelegd, heeft het Tribunal de grande instance de Metz de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet artikel 14 van decreet nr. 94/490 van 15 juni 1994, vastgesteld ter uitvoering van artikel 31 van wet nr. 92/645 van 13 juli 1992, worden geacht in strijd te zijn met richtlijn 73/183 van 1973, met de Tweede richtlijn van 15 december 1989, met artikel 59 EG-Verdrag en met artikel 73 B van het Verdrag van Maastricht, voor zover daarin wordt voorgeschreven, dat wanneer in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap dan Frankrijk een financiële garantie wordt verkregen, een overeenkomst moet worden gesloten tussen de kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in die andere lidstaat van de Europese Gemeenschap en een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in Frankrijk?"
19 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het Hof in het kader van een procedure op grond van artikel 177 van het Verdrag geen uitspraak kan doen over de verenigbaarheid van regels van intern recht met de bepalingen van gemeenschapsrecht, maar dat het de nationale rechter wel alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht kan verschaffen om hem in staat te stellen de verenigbaarheid van die regels met de genoemde communautaire voorschriften te beoordelen.
20 Voorts moet worden gepreciseerd, dat het vrij verrichten van diensten door kredietinstellingen rechtstreeks door richtlijn 89/646 wordt geregeld, zodat de meer algemene bepalingen van richtlijn 73/183 buiten beschouwing kunnen blijven. Waar de verwijzende rechter evenwel twijfelt, of de door de Franse regeling aan verzekeringsmaatschappijen in andere lidstaten opgelegde verplichting om een overeenkomst met een verzekeringsmaatschappij in Frankrijk te sluiten, wel verenigbaar is met de regels inzake het vrij verrichten van diensten, dient in verband met die verplichting richtlijn 92/49 te worden uitgelegd, welke betrekking heeft op het vrij verrichten van diensten in het verzekeringswezen.
21 De prejudiciële vraag dient derhalve aldus te worden opgevat, dat ermee wordt beoogd te vernemen, of artikel 59 van het Verdrag, de richtlijnen 89/646 en 92/49 of artikel 73 B van het Verdrag zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding ter discussie staat, en die in het kader van de uitvoering van artikel 7 van richtlijn 90/314 voorschrijft, dat wanneer een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in een andere lidstaat financiële garanties verstrekt, die instelling of maatschappij een aanvullende overeenkomst moet sluiten met een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij op het nationale grondgebied.
De uitlegging van de regels inzake het vrij verrichten van diensten
22 Ingevolge artikel 7 van richtlijn 90/314 moeten de lidstaten voorschrijven, dat er garanties komen die terugbetaling van de voldane bedragen of repatriëring van de consument mogelijk maken in geval van insolvabiliteit of faillissement van de organisator bij wie de reis is gekocht. Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd, dat zij een resultaatsverplichting oplegt die inhoudt dat, in geval van insolvabiliteit of faillissement van de organisator, aan de koper van een pakketreis het recht wordt toegekend op repatriëring en terugbetaling van de reeds voldane bedragen, zulks ter bescherming van de consument (zie arrest van 8 oktober 1996, Dillenkofer e.a., C-178/94, C-179/94 en C-188/94-C-190/94, Jurispr. blz. I-4845, punten 35 en 42).
23 Voorts blijkt uit artikel 8 van die richtlijn, dat de verplichting om genoemde garanties voor te schrijven, evenals de overige beschermende voorschriften van de richtlijn een minimumverplichting is.
24 Zolang de lidstaten het Verdrag en inzonderheid artikel 59 daarvan eerbiedigen, is er dan ook niets wat hun belet te bepalen, dat die garanties niet enkel moeten bestaan, maar ook onmiddellijk beschikbaar moeten zijn in geval van repatriëring van de reiziger.
25 Derhalve moet worden onderzocht, of het in artikel 59 van het Verdrag neergelegde beginsel van vrij verrichten van diensten, waaraan voor het bankwezen uitvoering is gegeven bij richtlijn 89/646 en voor het verzekeringswezen bij richtlijn 92/49, in de weg staat aan een nationale regeling die, om te verzekeren dat de in artikel 7 van richtlijn 90/314 bedoelde garanties in geval van repatriëring van de reiziger onmiddellijk beschikbaar zijn, bepaalt dat in een andere lidstaat bedongen garanties gepaard moeten gaan met een overeenkomst tussen de borg en een financiële instelling in Frankrijk.
26 De verplichting een overeenkomst te sluiten met een instelling in Frankrijk, geldt volgens de in geding zijnde regeling voor kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen in andere lidstaten, wanneer een in Frankrijk gevestigd reisbureau bij hen garanties bedingt. Blijkens de opmerkingen van de Franse regering ter terechtzitting dient die overeenkomst ter aanvulling van de oorspronkelijke garanties die door de kredietinstelling of de verzekeringsmaatschappij aan de reisorganisator zijn verstrekt. De overeenkomst moet worden gesloten tussen de oorspronkelijke borg en een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in de lidstaat waar het reisbureau is gevestigd, welke instelling of maatschappij instaat voor de onmiddellijke beschikbaarheid van de gelden.
27 Worden de krachtens artikel 7 van richtlijn 90/314 vereiste garanties bedongen bij een binnenlandse financiële instelling, dan is er dus slechts één overeenkomst nodig, maar worden zij bedongen bij een financiële instelling in een andere lidstaat, dan moeten zij gepaard gaan met een aanvullende garantieovereenkomst met een binnenlandse financiële instelling.
28 Dit laatste vereiste heeft om te beginnen een beperkend en ontmoedigend effect op financiële instellingen in andere lidstaten, voor zover het hun belet zelf de benodigde garanties rechtstreeks aan de reisorganisator te bieden, op dezelfde voet als een in het binnenland gevestigde borg.
29 Dat vereiste kan ook een reisorganisator ervan weerhouden, zich tot een financiële instelling in een andere lidstaat te wenden. De verplichting van die instelling om nog een garantieovereenkomst te sluiten, kan immers extra kosten met zich brengen, die in de regel op de reisorganisator zullen worden afgewenteld.
30 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat een regeling als die in het hoofdgeding, die financiële instellingen in andere lidstaten ertoe verplicht een aanvullende overeenkomst te sluiten, een beperking vormt van de bij artikel 59 van het Verdrag en de richtlijnen 89/646 en 92/49 gegarandeerde vrijheid van dienstverrichting.
31 Een dergelijke beperking kan evenwel gerechtvaardigd zijn wanneer zij noodzakelijk is ter bescherming van de consument.
32 Volgens de Franse regering zal het, ingeval de financiële instelling in een andere lidstaat is gevestigd, in de praktijk moeilijk zijn om onmiddellijk over de garantie te kunnen beschikken, hetgeen rechtvaardigt dat deze instellingen een aanvullende overeenkomst moeten sluiten. Dit vereiste vindt in het bijzonder zijn grond in het tijdsverloop dat met grensoverschrijdende geldovermakingen is gemoeid, en in de omstandigheid dat, wanneer zich een geschil voordoet of de borg zich tegen uitbetaling verzet, het moeilijk, zo niet onmogelijk is bepaalde bestuursrechtelijke maatregelen te treffen of een kort geding aan te spannen in een andere lidstaat.
33 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de door de in geding zijnde regeling opgelegde verplichting van onmiddellijke beschikbaarheid slechts van belang is wanneer reizigers gerepatrieerd moeten worden, en niet met betrekking tot de andere diensten die onder de in artikel 7 van richtlijn 90/314 bedoelde garanties vallen.
34 De verplichting een aanvullende overeenkomst te sluiten, geldt evenwel met betrekking tot het geheel van de garanties die door kredietinstellingen of verzekeringsmaatschappijen in andere lidstaten worden verstrekt.
35 Dit betekent, dat voor zover de verplichting een aanvullende overeenkomst te sluiten met een op het nationale grondgebied gevestigde financiële instelling, ook voor andere gevallen dan dat van repatriëring geldt, zij verder gaat dan wat nodig is om het beoogde doel te bereiken.
36 Ten aanzien van dat deel van de garanties dat ertoe dient de repatriëring van de reiziger te verzekeren en waarvoor onmiddellijke beschikbaarheid gerechtvaardigd is, heeft Ambry ter terechtzitting betoogd, dat tussen Europese banken zeer snel geld kan worden overgemaakt, en wel binnen 24 tot 48 uur via het internationale overboekingssysteem. De Franse regering erkende dat, maar voegde eraan toe, dat de tijdsduur varieert en aanmerkelijk langer kan zijn.
37 Aan de verplichting van onmiddellijke beschikbaarheid kan in de regel dus ook op passende wijze worden voldaan wanneer de borg in een andere lidstaat is gevestigd. Hoe dit ook zij, opgemerkt moet worden, dat de in geding zijnde regeling de reisorganisator zelfs niet de mogelijkheid biedt te bewijzen, dat hij de onder de garantie vallende bedragen met de door die regeling verlangde spoed beschikbaar kan stellen.
38 Wat ten slotte het argument betreft, dat in andere lidstaten niet zo doeltreffend kan worden opgetreden als met bepaalde bestuursrechtelijke maatregelen of bepaalde rechterlijke beslissingen op het nationale grondgebied mogelijk is, moet worden opgemerkt, dat ook indien bepaalde bestuursrechtelijke maatregelen niet op dezelfde wijze ten aanzien van ondernemingen in andere lidstaten kunnen worden toegepast, altijd nog gebruik kan worden gemaakt van de gerechtelijke spoedprocedures die in alle lidstaten van de Gemeenschap bestaan. De doeltreffendheid van de beslissingen in deze procedures zal afhangen van de inhoud van de garantieovereenkomst tussen de financiële instelling in een andere lidstaat en de reisorganisator.
39 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat artikel 59 van het Verdrag en de richtlijnen 89/646 en 92/49 zich verzetten tegen een nationale regeling die, in het kader van de uitvoering van artikel 7 van richtlijn 90/314, voorschrijft, dat wanneer een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in een andere lidstaat financiële garanties verstrekt, die instelling of maatschappij een aanvullende overeenkomst moet sluiten met een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij op het nationale grondgebied.
40 Gelet op het voorgaande behoeft niet te worden beoordeeld, of een dergelijke regeling tevens in strijd is met artikel 73 B van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Franse en de Spaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Metz bij vonnis van 19 december 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 59 EG-Verdrag, de Tweede richtlijn (89/646/EEG) van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG, en richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering), verzetten zich tegen een nationale regeling die, in het kader van de uitvoering van artikel 7 van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, voorschrijft, dat wanneer een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij in een andere lidstaat financiële garanties verstrekt, deze instelling of maatschappij een aanvullende overeenkomst moet sluiten met een kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij op het nationale grondgebied.
Full & Egal Universal Law Academy