Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij in- of bij uitvoer - Vergissing bij tariefindeling in aangifte tot inklaring - Heffing van douanerechten geschorst in kader van op datum van aanvaarding van die aangifte geldende tariefplafonds, doch weer ingesteld toen vergissing werd ontdekt - Berekening van bedrag van douanerechten zonder rekening te houden met die opschorting
(Verordening nr. 1697/79 van de Raad, art. 2, lid 1)
2 Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten - Beschikking van Commissie - Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 177; verordeningen nrs. 1430/79 en 1697/79 van de Raad)
Samenvatting
1 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer bij een controle achteraf een vergissing bij de tariefindeling van een goed in de aangifte tot inklaring is ontdekt en wanneer de heffing van douanerechten voor de producten van de post waarin het betrokken goed had moeten worden ingedeeld, die op de datum van aanvaarding van die aangifte was geschorst doch toen de vergissing werd ontdekt weer was ingesteld, de douaneautoriteiten bij de berekening van het bedrag van de douanerechten dat wettelijk verschuldigd is op de datum van aanvaarding van de aangifte, met die opschorting geen rekening mogen houden.
Daar de tarifaire opschorting op de datum van de aanvaarding van de aangifte tot inklaring slechts in het kader van de tarifaire plafonds werd verleend, vereist de structuur van dat stelsel, dat de vastgestelde plafonds zo nauwgezet mogelijk in acht worden genomen. Zou men een overschrijding achteraf van de plafonds aanvaarden in geval van herindeling van goederen naar aanleiding van de ontdekking van een vergissing van de importeur bij de tariefindeling van een goed, nadat het plafond voor de postonderverdeling waarin het goed had moeten worden ingedeeld, is bereikt en de heffing van douanerechten bij de invoer van de betrokken goederen weer is ingesteld, dan zou die overschrijding moeten worden aanvaard ongeacht de hoeveelheid en de waarde van de betrokken goederen. Een dergelijke uitlegging zou zowel de verordening waarbij de tariefplafonds worden vastgesteld als die waarbij de douanerechten weer worden ingesteld, haar nuttig effect ontnemen. De mogelijkheid om te vragen dat plafonds achteraf mogen worden overschreden, zou voorts aanleiding kunnen geven tot misbruik.
2 Wanneer de Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek een tot een lidstaat gerichte beschikking heeft gegeven, waarin wordt vastgesteld dat de kwijtschelding van invoerrechten overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, in een bijzonder geval niet gerechtvaardigd is, terwijl deze geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, bevat betreffende de rechtsgrond om tot navordering van de betrokken invoerrechten over te gaan krachtens verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, kan een nationale rechterlijke instantie op dit laatste punt uitspraak doen, in voorkomend geval met gebruikmaking van de procedure van artikel 177 van het Verdrag.
Partijen
In zaak C-413/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Højesteret (Denemarken), in het aldaar aanhangig geding tussen
Skatteministeriet
en
Sportgoods A/S,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1), en over het rechtsgevolg van een beschikking die door de Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek is gegeven,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Skatteministeriet, vertegenwoordigd door Kammeradvokaten, in de persoon van K. Hagel-Sørensen, advocaat te Kopenhagen,
- Sportgoods A/S, vertegenwoordigd door J. Martens en R. Mikelsons, advocaten te Kopenhagen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. C. Støvlbæk en F. Castillo de la Torre, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 20 december 1996, ingekomen bij het Hof op 27 december daaraanvolgend, heeft het Højesteret krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1; hierna: "litigieuze verordening"), en over het rechtsgevolg van een beschikking die door de Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek is gegeven.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Skatteministeriet (het Deense Ministerie van de Schatkist) en Sportgoods A/S (hierna: "Sportgoods"), vennootschap naar Deens recht, over de navordering van douanerechten betreffende de invoer van vijf partijen voetbalschoenen uit Thailand.
Het gemeenschapsrecht
3 Ingevolge artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3896/89 van de Raad van 18 december 1989 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor het jaar 1990 voor bepaalde industrieproducten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB L 383, blz. 1), en artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3831/90 van de Raad van 20 december 1990 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor het jaar 1991 voor bepaalde industrieproducten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB L 370, blz. 1), die voor 1992 is verlengd bij verordening (EEG) nr. 3587/91 van de Raad van 3 december 1991 (PB L 341, blz. 1), wordt een tarifaire opschorting voor de producten van bijlage I verleend in het kader van vaste bedragen met nulrecht en van tarifaire plafonds.
4 Tot deze producten behoren producten van oorsprong uit Thailand die vallen onder de tariefposten 6402 ("Ander schoeisel met buitenzool en bovendeel van rubber of van kunststof") en 6403 ("Schoeisel met buitenzool van rubber, van kunststof, van leder of van kunstleder en met bovendeel van leder") van het gemeenschappelijk douanetarief.
5 Overeenkomstig artikel 7 van de verordeningen nrs. 3896/89 en 3831/90, dat staat in deel II betreffende het beheer van de communautaire tariefplafonds, kan, zodra de individuele plafonds op het niveau van de Gemeenschap zijn bereikt, de heffing van de douanerechten bij invoer van de betrokken producten van oorsprong uit elk van de genoemde landen en gebieden op elk moment weer worden ingesteld.
6 Artikel 9 van verordening nr. 3896/89 respectievelijk verordening nr. 3831/90, zoals verlengd bij verordening nr. 3587/91, dat in hetzelfde deel staat, bepaalt:
"1. De Commissie gaat, onder de in artikel 7 en 8 bedoelde voorwaarden, bij verordening over tot wederinstelling van de heffing van de douanerechten ten aanzien van de in artikel 1, lid 2, bedoelde landen en gebieden.
In geval van dergelijke wederinstellingen stellen Spanje en Portugal weer de heffing van de rechten in die zij toepassen ten aanzien van derde landen op de betrokken datum.
2. De Commissie kan zelfs na 31 december [1990 voor verordening nr. 3896/89 en 1992 voor verordening nr. 3831/90, zoals verlengd bij verordening nr. 3587/91] bij verordening maatregelen tot stopzetting van de afboeking op bepaalde preferentiële tariefmaxima nemen, als deze maxima, met name door regulariseringen van invoer die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden in de periode bedoeld in artikel 1, lid 1, worden overschreden.
De lidstaat die tot dergelijke regulariseringen overgaat, deelt de Commissie, naarmate hij deze regulariseringen verricht, de desbetreffende afboekingsgegevens mede. De Commissie doet de betreffende gegevens onverwijld aan de andere lidstaten toekomen."
7 Aldus is de heffing van douanerechten voor de invoer van producten uit Thailand van de tariefposten 6402 en 6403 met ingang van 3 respectievelijk 27 maart 1992 weer ingesteld bij verordening (EEG) nr. 513/92 van de Commissie van 28 februari 1992 houdende wederinstelling van de heffing van invoerrechten van toepassing op de producten van de GN-codes 6401, 6402, 6404 en 6405 90 10, van oorsprong uit Thailand, waarvoor de in verordening (EEG) nr. 3831/90 van de Raad vermelde tariefpreferenties zijn verleend (PB L 55, blz. 88), en verordening (EEG) nr. 719/92 van de Commissie van 23 maart 1992 houdende wederinstelling van de heffing van invoerrechten van toepassing op de producten van GN-code 6403, van oorsprong uit Thailand, waarvoor de in verordening nr. 3831/90 vermelde tariefpreferenties zijn verleend (PB L 78, blz. 9).
8 Met betrekking tot de navordering van de douanerechten bepaalde artikel 2, lid 1, van de litigieuze verordening, die gold op het tijdstip dat de invoer plaatsvond:
"Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten.
(...)"
Het hoofdgeding
9 Tussen 1 maart 1990 en 20 januari 1992 voerde Sportgoods vijf partijen sportschoeisel met bovendeel van kunststof in, die hadden moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 6402 19 00 van de toentertijd geldende gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals deze voortvloeide uit bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1; hierna: "gecombineerde nomenclatuur"), gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nr. 2886/89 van de Commissie van 2 augustus 1989 (PB L 282, blz. 1), nr. 2472/90 van de Commissie van 31 juli 1990 (PB L 247, blz. 1) en nr. 2587/91 van de Commissie van 26 juli 1991 (PB L 259, blz. 1): "Ander schoeisel met buitenzool en bovendeel van rubber of van kunststof; Sportschoeisel; ander".
10 Als gevolg van een vergissing van de expediteur van Sportgoods werden de vijf partijen evenwel in de aangiften tot inklaring ingedeeld onder postonderverdeling 6403 19 00 van de gecombineerde nomenclatuur: "Schoeisel met buitenzool van rubber, van kunststof, van leder of van kunstleder en met bovendeel van leder: Sportschoeisel: ander".
11 Daar op het tijdstip van aanvaarding van de aangiften tot inklaring van het goed door de bevoegde autoriteiten in het kader van de in de verordeningen nrs. 3896/89 en 3831/90 vermelde tariefplafonds voor laatstgenoemde postonderverdeling tariefpreferenties golden, werden bij de invoer van het betrokken schoeisel geen douanerechten gevorderd of betaald.
12 Eind 1992 ontdekte de Told- og Skatteregion Horsens (douane- en belastingdistrict Horsens) bij een controlebezoek de onjuiste tariefindeling in de vijf aangiften. Daar op dat tijdstip de douanevrijstellingen voor de tariefpost waarin de betrokken goederen hadden moeten worden aangegeven, niet meer golden, vorderde de Deense douane nabetaling van de douanerechten betreffende de vijf partijen van in totaal 271 249,40 DKR.
13 Deze beschikking werd op 27 mei 1993 door de Told- og Skattestyrelse (nationale directie douane- en belastingzaken) bevestigd, waarop Sportgoods Skatteministeriet voor het Østre Landsret daagde.
14 Het Østre Landsret schorste de schriftelijke behandeling van de zaak, opdat aan de Commissie de vraag kon worden voorgelegd, of de kwijtschelding van invoerrechten overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), die op dat tijdstip gold, onder omstandigheden als die van het onderhavige geval, gerechtvaardigd was.
15 Bij beschikking C(94) 1854 def. van de Commissie van 18 juli 1994 waarbij wordt vastgesteld dat de kwijtschelding van invoerrechten in een bijzonder geval niet gerechtvaardigd is, werd deze vraag ontkennend beantwoord.
16 Bij vonnis van 22 september 1995 stelde het Østre Landsret evenwel vast, dat de rechtsgrond voor de betrokken navordering ontbrak, aangezien artikel 2, lid 1, van de litigieuze verordening geen betrekking heeft op de aangifte van een onjuiste tariefpost, die geen invloed heeft op het bedrag van de invoerrechten.
17 Skatteministeriet ging van dit vonnis in hoger beroep bij het Højesteret dat, van oordeel dat het geding uitleggingsvragen van het gemeenschapsrecht aan de orde stelde, de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende vragen heeft gesteld:
"1) Moet artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat navordering enkel kan plaatsvinden in gevallen waarin het geïnde bedrag verschilt van het verschuldigde bedrag, en niet bij een onjuiste aangifte van de tariefpost, die voor het bedrag van de rechten geen gevolgen heeft gehad?
2) Moet de uitdrukking $dat wettelijk verschuldigd is' in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat
- de omstandigheden feitelijk of rechtens op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten een aangifte ontvangen die een onjuiste tariefpost vermeldt, bepalend zijn voor de vraag, of er sprake is van een bedrag dat verschuldigd is?
of aldus, dat
- de omstandigheden feitelijk of rechtens op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten vaststellen, dat een aangifte een onjuiste tariefpost vermeldde, bepalend zijn voor de vraag, of er sprake is van een bedrag dat verschuldigd is?
3) a) Welk rechtsgevolg heeft een door de Europese Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek gegeven beschikking, die tot een lidstaat is gericht naar aanleiding van het feit dat die lidstaat het comité heeft verzocht zich uit te spreken over de vraag, in hoeverre het onder bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd is kwijtschelding van invoerrechten toe te staan, en waarin de Commissie en het comité beschikken dat er geen grond is om de in het verzoek van de lidstaat aan het comité bedoelde kwijtschelding van douanerechten te verlenen?
b) Is het verenigbaar met het in het antwoord op vraag 3a beschreven rechtsgevolg, dat een rechterlijke instantie in de betrokken lidstaat in een vonnis beslist, dat de noodzakelijke rechtsgrond voor de navordering van invoerrechten ontbrak?"
De eerste en de tweede vraag
18 Met de eerste en de tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, lid 1, van de litigieuze verordening, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding gold, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer bij een controle achteraf een vergissing in de tariefindeling van een goed in de aangifte tot inklaring is ontdekt en wanneer de heffing van douanerechten voor de producten van de post waarin het betrokken goed had moeten worden ingedeeld, die op de datum van aanvaarding van die aangifte was geschorst doch toen de vergissing werd ontdekt weer was ingesteld, de douaneautoriteiten bij de berekening van het bedrag van de douanerechten dat wettelijk verschuldigd is, rekening moeten houden met de omstandigheden feitelijk en rechtens op het tijdstip waarop die aangifte werd aanvaard, dan wel met de omstandigheden feitelijk en rechtens op het tijdstip waarop de onjuiste tariefindeling werd ontdekt.
19 Skatteministeriet is van mening, dat de omstandigheden feitelijk en rechtens op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten vaststellen, dat een aangifte een onjuiste tariefpost vermeldde, bepalend zijn voor de vraag, of er sprake is van een douaneschuld en of douanerechten moeten worden nagevorderd.
20 Sportgoods stelt daarentegen, dat aangezien er op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte tot inklaring voor de producten van oorsprong uit Thailand van postonderverdeling 6402 19 00 van de gecombineerde nomenclatuur een vrijstelling van douanerechten bestond, er geen douaneschuld kon ontstaan, zodat er geen rechtsgrond voor de navordering van douanerechten bestond.
21 Volgens de Commissie is het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte tot inklaring bepalend voor het ontstaan van de douaneschuld. Wanneer, zoals in het hoofdgeding het geval is, het ontstaan van de schuld wordt vastgesteld, moet de administratie in beginsel krachtens artikel 2, lid 1, van de litigieuze verordening overgaan tot navordering van de douanerechten die hadden moeten worden geïnd, in voorkomend geval met inachtneming van de wederinstelling van het normale recht.
22 Bijgevolg moeten achtereenvolgens worden onderzocht: het voor de vaststelling van het bedrag van de douaneschuld in aanmerking te nemen tijdstip, de toepassing van de voorschriften inzake algemene tariefpreferenties en, in voorkomend geval, de verplichting tot inleiding van een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten.
Het tijdstip dat voor de vaststelling van het bedrag van de douaneschuld in aanmerking moet worden genomen
23 Volgens de artikelen 2, lid 1, sub a, en 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (PB L 201, blz. 15), die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, ontstaat een douaneschuld bij invoer op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten de aangifte tot inklaring van de goederen aanvaarden.
24 Verder blijkt uit artikel 11, lid 1, van richtlijn 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (PB L 205, blz. 19), die gold op het tijdstip waarop de betrokken goederen werden ingevoerd, dat, onverminderd de bijzondere regels die van toepassing zijn in het kader van algemene of specifieke communautaire voorschriften, de invoerrechten worden geheven volgens de percentages of bedragen die gelden op de datum van aanvaarding van de aangifte, en dat deze zelfde datum in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de andere heffingsgrondslagen voor de goederen en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen.
25 Hieruit volgt, dat de douaneautoriteiten, wanneer zij bij een controle een vergissing in de tariefindeling van een goed in de aangifte tot inklaring ontdekken, in beginsel de nodige maatregelen moeten nemen om op basis van de nieuwe gegevens waarover zij beschikken, het bedrag van de douanerechten dat wettelijk verschuldigd is op de datum van de aanvaarding van deze aangifte, opnieuw vast te stellen.
De toepassing van de voorschriften inzake algemene tariefpreferenties
26 Ingevolge artikel 1, lid 1, van de verordeningen nrs. 3896/89 en 3831/90 werd op de datum van de aanvaarding van de aangifte tot inklaring slechts een tarifaire opschorting verleend in het kader van vaste bedragen met nulrecht of van tarifaire plafonds.
27 Volgens de bepalingen van deel II van deze verordeningen werd de heffing van de douaneschuld, zelfs indien de douaneschuld op de datum van aanvaarding van de aangifte tot inklaring ontstond, geschorst binnen de grenzen van de bij deze verordeningen vastgestelde tarifaire plafonds. Zodra deze tarifaire plafonds voor de betrokken goederen werden bereikt, kon de heffing van invoerrechten weer worden ingesteld.
28 In casu staat vast, dat bij de verordeningen nrs. 513/92 en 719/92, aangezien de tarifaire plafonds waren bereikt, de heffing van douanerechten bij de invoer van de producten van oorsprong uit Thailand van de tariefposten 6402 en 6403 weer is ingesteld met ingang van 3 respectievelijk 27 maart 1992, dat wil zeggen voordat de betrokken onjuiste tariefindeling is ontdekt.
29 Uit de considerans van verordening nr. 3896/89 (vierentwintigste tot en met zevenentwintigste overweging), respectievelijk van verordening nr. 3831/90 (dertigste tot en met drieëndertigste overweging) blijkt, dat een zekere overschrijding bij de in deze verordeningen vastgestelde wijze van beheer van de tarifaire plafonds niet kon worden vermeden, omdat verschillende autoriteiten tegelijkertijd voor dit beheer verantwoordelijk waren.
30 Bovendien betreft een geval als dat van het hoofdgeding slechts de herindeling van een bepaald aantal voetbalschoenen, waarvoor zowel in de postonderverdeling die bij vergissing in de aangifte tot inklaring was vermeld, als in de postonderverdeling waarin zij hadden moeten worden ingedeeld, op het tijdstip van de aanvaarding van die aangifte een tarifaire opschorting was verleend.
31 Voor het probleem is echter eerder de structuur van het betrokken stelsel van tarifaire opschortingen relevant, dat vereist dat de vastgestelde plafonds zo nauwgezet mogelijk in acht worden genomen.
32 Zou men een overschrijding achteraf van de plafonds aanvaarden in geval van herindeling van goederen naar aanleiding van de ontdekking van een vergissing van de importeur bij de tariefindeling van een goed, nadat het plafond voor de postonderverdeling waarin het goed had moeten worden ingedeeld, is bereikt en de heffing van douanerechten bij de invoer van de betrokken goederen weer is ingesteld, dan zou die overschrijding moeten worden aanvaard ongeacht de hoeveelheid en de waarde van de betrokken goederen, alsmede onafhankelijk van de vraag, of op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte een tarifaire opschorting voor beide dan wel uitsluitend voor een van de betrokken postonderverdelingen gold.
33 Een dergelijke uitlegging zou zowel de verordening waarbij de tariefplafonds worden vastgesteld als die waarbij de douanerechten weer worden ingesteld, haar nuttig effect ontnemen. De mogelijkheid om te vragen dat plafonds achteraf mogen worden overschreden, zou voorts aanleiding kunnen geven tot misbruik.
34 Hieruit volgt, dat indien op het tijdstip van herberekening van het bedrag van de douanerechten het tariefplafond is bereikt en de heffing van de douanerechten weer is ingesteld, voor de invoer geen tarifaire opschorting meer kan worden verleend.
35 Bovendien heeft een tarifaire opschorting geen terugwerkende kracht, zodat een importeur daarvoor niet in aanmerking kan komen, wanneer deze opschorting na de aanvaarding van de aangifte tot inklaring is ingevoerd.
De verplichting tot inleiding van een procedure tot navordering van de niet-geheven douanerechten
36 Wanneer de douaneautoriteiten na de herberekening van het bedrag van de douaneschuld op basis van de op de datum van aanvaarding van de aangifte tot inklaring geldende douanerechten constateren, dat voor de betrokken invoer geen tarifaire opschorting meer kan worden verleend, zijn de aldus herberekende douanerechten wettelijk verschuldigd.
37 Zijn die douanerechten niet van de belastingschuldige opgeëist, dan moeten de douaneautoriteiten overeenkomstig de bepalingen van de litigieuze verordening een procedure tot navordering van de niet-geheven douanerechten inleiden.
38 Gelet op het voorgaande, moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 2, lid 1, van de litigieuze verordening, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding gold, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer bij een controle achteraf een vergissing in de tariefindeling van een goed in de aangifte tot inklaring is ontdekt en wanneer de heffing van douanerechten voor de producten van de post waarin het betrokken goed had moeten worden ingedeeld, die op de datum van aanvaarding van die aangifte was geschorst doch toen de vergissing werd ontdekt weer was ingesteld, de douaneautoriteiten bij de berekening van het bedrag van de douanerechten dat wettelijk verschuldigd is op de datum van aanvaarding van de aangifte, met die opschorting geen rekening mogen houden.
De derde vraag
39 Volgens Skatteministeriet heeft de Commissie in haar beschikking van 18 juli 1994 stilzwijgend beslist, dat er een grondslag voor de navordering van de betrokken douanerechten bestond; deze beschikking zou bindend zijn voor de nationale rechterlijke instanties, die dus niet kunnen vaststellen dat een dergelijke grondslag ontbreekt.
40 De Commissie stelt evenals Sportgoods, dat zij in de beschikking van 18 juli 1994 geen standpunt heeft bepaald aangaande de vraag, of er een grondslag voor de navordering van de invoerrechten bestaat, hetgeen evenwel een bijzondere voorwaarde is om krachtens verordening nr. 1430/79 om terugbetaling of kwijtschelding van de douanerechten te kunnen verzoeken. Derhalve belet niets de nationale rechterlijke instanties om de litigieuze verordening uit te leggen en, in voorkomend geval, vast te stellen dat een dergelijke grondslag ontbreekt. Een dergelijke vaststelling houdt niet in, dat de beschikking van de Commissie ongeldig wordt verklaard.
41 Enerzijds volstaat de vaststelling dat de Commissie, gelijk zij opmerkt, in haar beschikking van 18 juli 1994 geen standpunt heeft bepaald aangaande de vraag, of er een grondslag bestaat om krachtens de litigieuze verordening tot navordering van de betrokken douanerechten over te gaan. De beschikking bevat ter zake immers geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, dat bindend zou zijn voor alle instanties van de staat tot wie zij is gericht, de rechterlijke instanties daaronder begrepen.
42 Anderzijds vloeit de verplichting van de douaneautoriteiten om een procedure tot navordering van de niet-geheven douanerechten in te leiden, voort uit de litigieuze verordening. In casu behoefde de Commissie zich niet bij beschikking uit te spreken over de vraag, of er een grondslag bestaat om krachtens die verordening tot een dergelijke navordering over te gaan.
43 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord, dat wanneer de Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek een tot een lidstaat gerichte beschikking heeft gegeven, waarbij wordt vastgesteld dat de kwijtschelding van invoerrechten overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1430/79 in een bijzonder geval niet gerechtvaardigd is, terwijl deze geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, bevat betreffende de rechtsgrond om krachtens de litigieuze verordening tot navordering van de betrokken invoerrechten over te gaan, een nationale rechterlijke instantie op dit laatste punt uitspraak kan doen, in voorkomend geval met gebruikmaking van de procedure van artikel 177 van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Højesteret bij beschikking van 20 december 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
45 Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer bij een controle achteraf een vergissing in de tariefindeling van een goed in de aangifte tot inklaring is ontdekt en wanneer de heffing van douanerechten voor de producten van de post waarin het betrokken goed had moeten worden ingedeeld, die op de datum van aanvaarding van die aangifte was geschorst doch toen de vergissing werd ontdekt weer was ingesteld, de douaneautoriteiten bij de berekening van het bedrag van de douanerechten dat wettelijk verschuldigd is op de datum van aanvaarding van de aangifte, met die opschorting geen rekening mogen houden.
46 Wanneer de Commissie na raadpleging van het Comité douanewetboek een tot een lidstaat gerichte beschikking heeft gegeven, waarbij wordt vastgesteld dat de kwijtschelding van invoerrechten overeenkomstig de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, in een bijzonder geval niet gerechtvaardigd is, terwijl deze geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, bevat betreffende de rechtsgrond om krachtens verordening nr. 1697/79 tot navordering van de betrokken invoerrechten over te gaan, kan een nationale rechterlijke instantie op dit laatste punt uitspraak doen, in voorkomend geval met gebruikmaking van de procedure van artikel 177 EG-Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy