Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Werking - Verplichting uitvoeringsmaatregelen vast te stellen - Draagwijdte - Inaanmerkingneming van zowel rechtsoverwegingen als dictum van arrest - Vaststelling van nieuwe handeling op basis van vorige voorbereidende handelingen - Toelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 176)
Samenvatting
Ingevolge artikel 176 van het Verdrag moet de instelling waarvan een handeling door de gemeenschapsrechter nietig is verklaard, om zich te voegen naar het arrest en hieraan volledige uitvoering te geven, niet alleen het dictum moet naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en die er de noodzakelijke grondslag van vormen doordat zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers deze rechtsoverwegingen die aangeven, welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd, en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid, waar de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening mee moet houden.
De procedure ter vervanging van een dergelijke handeling mag weer worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan, daar de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid.
Wanneer de Commissie alsdan de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt toetst, schendt zij de rechten van de verdediging niet, indien zij haar nieuwe beschikking uitsluitend baseert op informatie waarover zij ten tijde van de vaststelling van de nietig verklaarde handeling beschikte.
Partijen
In zaak C-415/96,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door L. Pérez de Ayala Becerril, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Santaolalla, juridisch hoofdadviseur, en R. Vidal Puig, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
"betreffende de nietigverklaring van beschikking 97/242/EG van de Commissie van 18 september 1996 houdende wijziging van beschikking 92/317/EEG betreffende aan Hilaturas y Tejidos Andaluces SA, thans "Mediterráneo Técnica Textil SA" genaamd, en aan de koper van deze onderneming verleende steun (PB 1997, L 96, blz. 30),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch (rapporteur), J. L. Murray, H. Ragnemalm, en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 december 1996, heeft het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 173 EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van beschikking 97/242/EG van de Commissie van 18 september 1996 houdende wijziging van beschikking 92/317/EEG betreffende aan Hilaturas y Tejidos Andaluces SA, thans "Mediterráneo Técnica Textil SA" genaamd, en aan de koper van deze onderneming verleende steun (PB 1997, L 96, blz. 30; hierna: "bestreden beschikking").
2 Hilaturas y Tejidos Andaluces SA (hierna: "Hytasa"), was een naamloze vennootschap, die ingevolge financiële moeilijkheden in 1982 door de staat (dienst "Patrimonio del Estado" van het Ministerie van Economische zaken en Financiën) werd overgenomen. Zij produceerde in haar fabrieken in en rond Sevilla textielproducten.
3 Naar aanleiding van een klacht in 1989 verzocht de Commissie de Spaanse autoriteiten om inlichtingen over beweerde kapitaalinbrengen in Hytasa vanaf 1986, het jaar waarin het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschappen toetrad. Uit het antwoord van de Spaanse regering aan de Commissie bleek, dat aan Hytasa 7 100 miljoen PTA was verstrekt in de vorm van kapitaalverhogingen ter dekking van exploitatieverliezen.
4 In 1990 deelden de Spaanse autoriteiten de Commissie mee, dat Hytasa werd geprivatiseerd. Een van de privatiseringsvoorwaarden was, dat de dienst Patrimonio del Estado 4 200 miljoen PTA in Hytasa zou inbrengen.
5 In juli 1990 leidde de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag in met betrekking tot het tussen 1986 en 1988 door het Koninkrijk Spanje in Hytasa ingebrachte kapitaal ten bedrage van 7 100 miljoen PTA, én met betrekking tot de eventueel bij de verkoop van de onderneming verleende extra steun.
6 Van mening dat deze financiële maatregelen steun vormden in de zin van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, en dat deze maatregelen niet leken te voldoen aan de voorwaarden voor een afwijking op grond van artikel 92, leden 2 en 3, van het Verdrag, deelde de Commissie de Spaanse regering bij brief van 3 augustus 1990 mee, dat zij de desbetreffende procedure inleidde.
7 Op 16 oktober 1990 deelde de Spaanse regering haar opmerkingen mee in het kader van de procedure. Zij stelde met name, dat met de verkoop van Hytasa geen staatssteun was gemoeid, daar de onderneming op de internationale markt was aangeboden en aan de hoogstbiedende was verkocht. Voorts zou de afwijking van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag moeten worden toegepast, daar de onderneming in Sevilla was gevestigd, in een zone die in aanmerking komt voor regionale steun.
8 Op 27 maart 1991 beantwoordden de Spaanse autoriteiten de opmerkingen van derden betreffende de inleiding van de procedure. Ook dienden zij een door de nieuwe eigenaars van Hytasa opgesteld herstructureringsplan in, dat op 13 juni 1991 is gewijzigd.
9 Op 25 maart 1992 stelde de Commissie beschikking 92/317 vast (PB L 171, blz. 54), waarin zij vaststelde, dat zowel de kapitaalverhoging van 7 100 miljoen PTA als de kapitaalinbreng van 4 200 miljoen PTA met de bepalingen van artikel 93, lid 3, van het Verdrag strijdige steunmaatregelen van de staat waren (artikel 1, eerste alinea, en artikel 2, eerste alinea, van beschikking 92/317). Volgens de Commissie was de steun ten bedrage van 7 100 miljoen PTA evenwel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt (artikel 1, tweede alinea, van beschikking 92/317).
10 De kapitaalinbreng van 4 200 miljoen PTA daarentegen was volgens de Commissie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, daar hij aan geen enkele van de voorwaarden voldeed om in aanmerking te komen voor één van de afwijkingen als bedoeld in artikel 92, leden 2 en 3, van het Verdrag (artikel 2, tweede alinea, van beschikking 92/317).
11 Bijgevolg gelastte de Commissie de terugvordering van de verleende steun (artikel 3 van beschikking 92/317).
12 Artikel 4 van de beschikking luidt: "Een overeenkomst waarbij de kopers door de staat of door $Patrimonio del Estado' met betrekking tot de bij de onderhavige beschikking opgelegde verplichting om ontvangen steun terug te betalen, worden gecompenseerd, mag niet worden uitgevoerd."
13 Ten slotte verplichtte artikel 5 van de beschikking de Spaanse regering de Commissie binnen een termijn van twee maanden in kennis te stellen van de getroffen maatregelen.
14 Op 19 juni 1992 verzocht het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 173 van het Verdrag om nietigverklaring van de artikelen 2, 3, 4 en 5 van beschikking 92/317, betreffende de kapitaalinbreng van 4 200 miljoen PTA. Bij arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie (C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Jurispr. blz. I-4103), wees het Hof deze vordering ten dele toe.
15 Meer in het bijzonder verklaarde het Hof artikel 2, tweede alinea, van beschikking 92/317 nietig, wat tevens de nietigverklaring van de artikelen 3, 4 en 5 van die beschikking meebracht.
16 Het Hof oordeelde in punt 49 van het arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, dat het feit dat steun niet wordt toegekend in het kader van een regionaal steunprogramma, niet noodzakelijkerwijs uitsluit, dat hij als regionale steun in de zin van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag kan worden aangemerkt. De Commissie was er om die reden dus niet van ontslagen, de verenigbaarheid van de steun in het licht van die bepaling te toetsen.
17 Met betrekking tot het subsidiaire middel van de Commissie, dat de toekenning van de steun niet vergezeld ging van een herstructureringsplan dat de levensvatbaarheid van de onderneming verzekerde, antwoordde het Hof:
"53 In de achtste overweging onder deel VI van de bestreden beschikking merkt de Commissie het volgende op:
$Zelfs indien de betrokken steunmaatregel [als regionale steun zou worden beschouwd], zou hij niet voor verenigbaarheid ingevolge artikel 92, lid 3, sub a, in aanmerking komen, omdat steun die overeenkomstig het bepaalde van dat artikel wordt verleend, moet bijdragen tot de werkelijke ontwikkeling van de regio op lange termijn - hetgeen in dit geval betekent dat de steun ten minste de levensvatbaarheid van de onderneming moet herstellen, een doel dat in het geval van Hytasa niet werd bereikt blijkens de tot dusverre aan de Commissie verstrekte informatie (dit aspect werd in deel IV reeds besproken) - zonder een onaanvaardbaar negatieve invloed op de mededinging in de Gemeenschap te hebben.'
54 In deel IV van de bestreden beschikking, waarnaar de Commissie verwijst, wordt ingegaan op de vraag of en in welke mate de betrokken interventie elementen van staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag bevatte. Het probleem betreffende het herstel van de rentabiliteit van Hytasa wordt daarin niet behandeld.
55 Dit probleem wordt evenmin in deel III van de beschikking ter sprake gebracht. Na een samenvatting van de inhoud van de beide herstructureringsplannen vraagt de Commissie zich in de zestiende overweging af, of de hypotheses van de Spaanse autoriteiten en de voorziene resultaten wel deugdelijk zijn. Doordat de twee plannen elkaar op verschillende punten tegenspreken, kan zij haars inziens niet instemmen met de optimistische vooruitzichten van het herziene plan (zelfde overweging). Zij voert evenwel geen enkel specifiek argument aan waaruit zou blijken, dat het nieuwe herstructureringsplan de levensvatbaarheid van Hytasa niet kon verzekeren.
56 Ten slotte verklaart de Commissie, in de negende overweging onder deel VI, dat de vraag of de investeringsprojecten van Hytasa stroken met de belangen van de Gemeenschap en of zij een bijdrage leveren tot een gedegen herstructurering van de onderneming $nog nader wordt besproken'. In werkelijkheid bespreekt zij dan vervolgens de schadelijke gevolgen van de steun voor de mededingingsvoorwaarden, zonder de invloed van het herziene plan op het herstel van de rentabiliteit van Hytasa te onderzoeken. Dit onderzoek had in casu echter wel moeten worden verricht, te meer omdat het plan in een ingrijpende wijziging van de oriëntatie van de productie, namelijk de confectie, voorzag.
57 Er moet dus worden geconcludeerd, dat het onderzoek van de Commissie of de onderhavige steun verenigbaar was met artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag, niet aan de door haarzelf vastgestelde criteria voldeed.
58 De beschikking betreffende Hytasa moet derhalve nietig worden verklaard, wat de artikelen 2, tweede alinea, 3, 4 en 5 betreft."
18 Op 13 oktober 1995 zond de Commissie het Koninkrijk Spanje een brief waarin zij stelde:
"Conform het arrest van het Hof van Justitie van 14 september 1994 (zaak C-278/92), waarbij een aantal artikelen van de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 nietig zijn verklaard, werken de diensten van de Commissie aan een nieuw ontwerp voor een definitieve beschikking in de krachtens artikel 93, lid 2, EG-Verdrag ingeleide procedure (...), welke procedure conform dit arrest geopend blijft. Dit ontwerp zal binnenkort voor goedkeuring aan het college van Commissieleden worden voorgelegd."
19 Op 18 september 1996 stelde de Commissie de bestreden beschikking vast. Volgens de motivering van de beschikking strekte zij ertoe, ten volle recht te doen aan het arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald (hoofdstuk III, eerste overweging). Na het onderzoek van het herstructureringsplan concludeerde de Commissie, dat dit plan de levensvatbaarheid op lange termijn van Hytasa niet kon garanderen. In de vierentwintigste overweging van hoofdstuk III concludeerde de Commissie dan ook, dat de steun niet als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, sub a, kan worden beschouwd. Om dezelfde reden concludeerde zij in hoofdstuk III, vijfentwintigste overweging, dat ook de in artikel 92, lid 3, sub c, bedoelde afwijking niet van toepassing was.
20 In de zesentwintigste en de zevenentwintigste overweging van hoofdstuk III merkte de Commissie op:
"De opvatting van de Commissie, dat het voornoemde herstructureringsplan de levensvatbaarheid van de onderneming niet kon herstellen, wordt bevestigd door de financiële interventies die de Spaanse regering moest doen na 1992. Het herstructureringsplan werd nooit uitgevoerd. Na het faillissement van een der eigenaren, Hilaturas Gossypium, kocht Improasa, de beheersmaatschappij van Patrimonio del Estado, in 1992 30 % van de aandelen van MTT. Diverse eigendommen van MTT werden voor een bedrag van 726 miljoen PTA ten behoeve van Improasa verhypothekeerd. Improasa kocht ook door MTT uitgegeven promesses ten bedrage van 4 660 miljoen PTA.
In 1992 verkreeg de onderneming twee kredieten van het Instituto de Fomento de Andalucía (IFA) voor een totaal bedrag van 300 miljoen PTA, in het kader van een door de Commissie goedgekeurde steunregeling. MTT bevindt zich thans in een moeilijke financiële situatie, met passiva van ongeveer 10 000 miljoen PTA, zodat de bevoegde Spaanse autoriteiten hebben besloten de betaling voor onbepaalde tijd op te schorten, met het oog op de liquidatie van de onderneming en de daaropvolgende verkoop van de activa teneinde de schulden af te lossen."
21 Ter uitvoering van het arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, heeft de Commissie een nieuw onderzoek verricht, waarin zij tot dezelfde conclusie als in beschikking 92/317 is gekomen: in het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking heeft zij de door het Hof nietig verklaarde bepalingen dan ook vervangen door bepalingen van soortgelijke strekking.
22 Tot staving van zijn beroep voert het Koninkrijk Spanje twee middelen aan: schending van de artikelen 93 en 174 EG-Verdrag, en schending van het recht van verweer alsmede van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
Schending van de artikelen 93 en 174 van het Verdrag
23 Het Koninkrijk Spanje betoogt, dat de Commissie met de bestreden beschikking artikel 174, eerste alinea, van het Verdrag heeft geschonden, waarin is bepaald: "Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard." Zijns inziens staat het "gezag van gewijsde", inhoudende dat een nietig verklaarde handeling niet opnieuw door de rechter mag worden getoetst, eraan in de weg, dat een nieuwe beschikking wordt vastgesteld met dezelfde inhoud als die welke reeds nietig is verklaard.
24 Het Koninkrijk Spanje constateert, dat de Commissie volgens het arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, onregelmatig had gehandeld, door niet het noodzakelijke onderzoek te verrichten om een correcte beschikking te kunnen vaststellen. Zijns inziens gaat het dus niet om een gewoon gebrek aan motivering, gelijk het geval zou zijn geweest indien de Commissie een handeling had vastgesteld zonder ze met redenen te omkleden. In casu verwijt het Hof de Commissie echter, dat zij niet het nodige heeft gedaan om een beschikking vast te stellen waarvan de inhoud voldoet aan de criteria van artikel 92 van het Verdrag.
25 Aangezien de oorzaak van de nietigheid niet een gewoon procedure- of vormgebrek is, maar een veel ernstiger dwaling, moet het arrest houdende nietigverklaring, wat de bestreden handeling betreft, een volledige en absolute werking hebben. Volgens het Koninkrijk Spanje volgt daaruit, dat de nietigverklaring van beschikking 92/317, juist wegens de reden van de nietigverklaring, ook geldt voor alle voorbereidende handelingen die de Commissie vóór de vaststelling van de beschikking heeft gesteld. De Commissie zou haar vergissing dus niet kunnen rechtzetten door een nieuwe beschikking vast te stellen, maar zou de gehele procedure van meet af aan moeten overdoen.
26 De Commissie van haar kant is van mening, dat uit artikel 174 van het Verdrag niet valt af te leiden, dat de ongeldigheid van de bestreden handeling de voorbereidende handelingen moet "omvatten". Deze zijn immers niet één van de in artikel 174 bedoelde "gevolgen" van de bestreden handeling, maar gaan aan deze laatste vooraf. Afgezien van het geval waarin de nietigheid van de bestreden handeling juist door een gebrek in de voorbereidende handeling wordt veroorzaakt, zijn er geen redenen waarom die voorbereidende handeling niet zou kunnen dienen als grondslag voor een nieuwe handeling, die in de plaats komt van de nietig verklaarde handeling.
27 Volgens de Commissie heeft het Hof de bestreden beschikking nietig verklaard, omdat zij onvoldoende had gepreciseerd op welke gronden zij tot de conclusie was gekomen, dat het door de Spaanse regering ingediende herstructureringsplan de rentabiliteit van Hytasa niet kon herstellen. Het gebrek dat tot de nietigverklaring heeft geleid was dus een vormgebrek, namelijk de ontoereikende motivering van de bestreden beschikking op het punt van de verenigbaarheid van de steun, en niet een gebrek ten gronde dat de eventuele oorzaken van deze ontoereikende motivering betrof, over welke oorzaken het Hof hoogstens speculatieve beschouwingen had kunnen formuleren.
28 De Commissie is van mening, dat volgens de bewoordingen van het arrest houdende nietigverklaring, conform artikel 176 EG-Verdrag op haar slechts één verplichting rustte: zij moest een nieuwe beschikking vaststellen, die inzake de verenigbaarheid van de steun naar behoren was gemotiveerd. Met de bestreden beschikking is aan die verplichting voldaan, aangezien daarin een gedetailleerd onderzoek van de verenigbaarheid van de steun in het licht van artikel 92, lid 3, sub a en c, is verricht. Dit onderzoek bevestigt de conclusie waartoe de Commissie in beschikking 92/317 reeds was gekomen. Daarom heeft zij zich ertoe beperkt, in het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking de door het Hof nietig verklaarde bepalingen te vervangen door andere bepalingen met een soortgelijke inhoud.
29 Daarentegen is de Commissie van mening, dat de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring niet verlangde, dat een nieuwe procedure werd ingeleid, en inzonderheid niet dat de Spaanse regering werd uitgenodigd opnieuw opmerkingen te maken. Het gebrek dat heeft geleid tot het arrest houdende nietigverklaring betrof alleen en uitsluitend de vorm van de eindbeschikking, en niet de aan de vaststelling daarvan voorafgaande handelingen. Het was dus nutteloos deze voorbereidende handelingen over te doen.
30 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 174, lid 1, van het Verdrag het Hof de betwiste handeling nietig verklaart, indien het beroep gegrond is.
31 Artikel 176 van het Verdrag bepaalt, dat de instelling wier handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie. In het arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie (97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 27), oordeelde het Hof, dat de instelling, om zich te voegen naar het arrest en hieraan volledige uitvoering te geven, niet alleen het dictum moet naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en die er de noodzakelijke grondslag van vormen, doordat zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers de rechtsoverwegingen die aangeven, welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd, en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid, waar de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening mee moet houden. De procedure ter vervanging van een dergelijke handeling mag dus weer worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (zie arrest van 3 juli 1986, Raad/Parlement, 34/86, Jurispr. blz. 2155, punt 47).
32 Het is immers vaste rechtspraak, dat de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen (arrest van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 34).
33 In het dictum van het arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Hof de artikelen 2, tweede alinea, 3, 4 en 5 van beschikking 92/317 nietig verklaard. In punt 57 van dat arrest concludeerde het Hof, dat het onderzoek van de Commissie of de betrokken steun verenigbaar was met artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag, niet aan de door haarzelf vastgestelde criteria voldeed.
34 Het Koninkrijk Spanje betwist niet, dat toen beschikking 92/317 werd vastgesteld, de instructiehandelingen van de Commissie volstonden voor een grondig onderzoek van de verenigbaarheid van de steun met artikel 92, lid 3, van het Verdrag. Aangezien het onderzoek door de Commissie echter onvolledig was, wat de onwettigheid van beschikking 92/317 heeft meegebracht (zie punt 17 van het onderhavige arrest), mag de procedure ter vervanging van deze beschikking worden hervat op dat punt, met een nieuw onderzoek van de instructiehandelingen, waarvan de gegrondheid in casu overigens niet in twijfel is getrokken. Om het arrest Spanje/Commissie uit te voeren was de Commissie dus niet verplicht de procedure van artikel 93 van het Verdrag volledig over te doen.
35 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Schending van de rechten van de verdediging alsmede van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel
36 Volgens het Koninkrijk Spanje zijn de rechten van de verdediging en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. De Commissie zou haar onderzoek immers vanuit de optiek van de rentabiliteit van de onderneming hebben verricht, wat niet het geval was in beschikking 92/317. In de aanvankelijke procedure, dus die welke tot beschikking 92/317 heeft geleid, zou het Koninkrijk Spanje niet echt zijn gehoord. Er is immers een groot verschil tussen het indienen van opmerkingen over de verenigbaarheid van de steun, in 1990/1991, dan wel enkele jaren later, namelijk in 1996. De opmerkingen die de Spaanse regering op een bepaald tijdstip zou hebben gemaakt, komen niet noodzakelijk overeen met die welke zij in 1995 en 1996 zou hebben ingediend. In de zesentwintigste en de zevenentwintigste overweging van hoofdstuk III van de bestreden beschikking heeft de Commissie overigens een onderzoek ex post facto verricht. Doordat het Koninkrijk Spanje niet de kans heeft gekregen nieuwe opmerkingen in te dienen over de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de steun aan Hytasa, zijn de rechten van de verdediging geschonden.
37 Bovendien zou de Commissie ook het beginsel van het gewettigd vertrouwen hebben geschonden, door het Koninkrijk Spanje twee jaar na de uitspraak van het arrest Spanje/Commissie, en zonder de minste grond voor deze vertraging, bij brief van 13 oktober 1995 kortweg mee te delen, dat zij een nieuwe beschikking had vastgesteld betreffende een kwestie die zij zes jaar voordien zelf had behandeld.
38 De Commissie daarentegen is van mening, dat zij de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag nauwgezet heeft nageleefd, zodat er van schending van de rechten van de verdediging van het Koninkrijk Spanje geen sprake kan zijn.
39 Zij stelt overigens vast, dat het Koninkrijk Spanje niets aanvoert tot staving van zijn zienswijze betreffende de schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
40 Met betrekking tot de schending van de rechten van de verdediging zij om te beginnen opgemerkt, dat het Koninkrijk Spanje in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, die tot beschikking 92/317 heeft geleid, zowel over de beslissing om de procedure in te leiden als over de opmerkingen van de belanghebbende derden opmerkingen heeft ingediend. Nadat deze beschikking nietig was verklaard, heeft de Commissie haar nieuw onderzoek, dat door het Koninkrijk Spanje ten gronde niet wordt betwist, uitsluitend gebaseerd op informatie waarover zij beschikte ten tijde van de beschikking. Aangezien het Koninkrijk Spanje zijn opmerkingen over die informatie reeds had gemaakt, zoals blijkt uit de punten 7 en 8 van het onderhavige arrest, diende het niet opnieuw te worden geraadpleegd.
41 Dat de Commissie in de zesentwintigste en de zevenentwintigste overweging van hoofdstuk III van de bestreden beschikking de rentabiliteit van Hytasa ex post onderzoekt, kan niet tot een andere oplossing van het geschil leiden. Dat onderzoek heeft immers alleen maar bevestigd wat reeds in de voorgaande overwegingen (de negentiende tot en met de vijfentwintigste) was vastgesteld, namelijk dat het door de Spaanse regering ingediende herstructureringsplan de levensvatbaarheid op lange termijn van Hytasa niet kon herstellen. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een schending van de rechten van de verdediging.
42 Wat ten slotte de gestelde schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel betreft, kan worden volstaan met vast te stellen, dat ter zake geen enkel relevant argument is aangevoerd, zodat die schending niet is bewezen.
43 Aangezien ook het tweede middel faalt, moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep. 2) Verwijst het Koninkrijk Spanje in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy