Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren ° Vergelijkend onderzoek ° Aankondiging van vergelijkend onderzoek ° Doel
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 1, lid 1)
Samenvatting
De essentiële rol die de aankondiging van vergelijkend onderzoek moet spelen, bestaat erin de belanghebbenden zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereiste kwalificaties voor de vervulling van het betrokken ambt, teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren.
Partijen
In zaak C-119/96 P,
S. Ryan-Sheridan, personeelslid van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, vertegenwoordigd door M.-A. Lucas, advocaat te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Korn, advocaat aldaar, Rue de Nassau 21,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het op 15 februari 1996 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) gewezen arrest in zaak T-589/93 (Ryan-Sheridan/ESVLA, JurAmbt 1996, blz. II-77), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, vertegenwoordigd door C. Purkiss, directeur van de Stichting, en T. Sheehan, hoofd van de administratie van de Stichting, als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 15 april 1996, heeft S. Ryan-Sheridan hogere voorziening ingesteld tegen het op 15 februari 1996 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) gewezen arrest in zaak T-589/93 (Ryan-Sheridan/ESVLA, JurAmbt 1996, blz. II-77; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht het beroep heeft verworpen, dat strekte, enerzijds, tot vernietiging van de kennisgeving van vacature van 25 augustus 1993, betreffende een bij de Stichting te vervullen ambt van administrateur "voor een publikatieprogramma", de aankondiging van een niet-openbaar vergelijkend onderzoek betreffende de te vervullen betrekking, de nota van het aanwervingscomité van 5 november 1993 en het besluit van de directeur van de Stichting van 22 november 1993, houdende afwijzing van requirantes sollicitatie naar deze betrekking, en anderzijds, tot veroordeling van de Stichting tot betaling van een schadevergoeding van 75 000 BFR.
2 Met betrekking tot de feiten die ten grondslag liggen aan het beroep voor het Gerecht, heeft het Gerecht het navolgende vastgesteld:
"1 Sheridan werkt sinds 1979 voor de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (hierna: 'Stichting' ), waar zij sinds 1983 het ambt van 'verantwoordelijke voor de publikaties' (Publications Officer) bekleedt in de categorie B. Zij werd in januari 1991 bevorderd van rang B 3 naar rang B 2, en werd voorgesteld voor een bevordering naar rang B 1 uit hoofde van het begrotingsjaar 1994.
2 Uit haar beoordelingsrapport over de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992 blijkt, dat zij 'verantwoordelijk [is] voor de algemene administratie en het beheer, met inbegrip van het financiële beheer, van het publikatieprogramma van de Stichting' , onder het gezag van N. W., hoofd van de dienst 'documentatie, informatie en verdeling' .
3 In voornoemd beoordelingsrapport worden verzoeksters functies omschreven als volgt:
' ° opstellen, voor zover mogelijk, en uitvoeren van publikatieschema' s;
° secretariaat van de werkgroep voor publikaties (vereist initiatief, bij voorbeeld zich ervan vergewissen dat alle relevante onderwerpen volledig worden besproken en de verslagen van het overleg beschikbaar zijn);
° nauw contact met de auteurs, de 'Research Managers' , de vertalers, enzovoort, met het oog op de ontwikkeling van de door de verschillende doelgroepen van de Stichting vereiste produkten;
° algemene controle van de kwaliteit van de publikaties van de Stichting, door:
° toezicht op het produktieproces van de verschillende publikaties van de Stichting en van de verschillende taalversies daarvan;
° organisatie van de presentatie, de illustratie, de opmaak en de correctie van de te publiceren documenten;
° eindcontrole van al het materiaal (gezet of getypt) vóór publikatie;
° levering van materiaal voor publikatie, dat wil zeggen:
° levering van te drukken rapporten aan de interne drukkerij;
° toezicht op de keuze van externe drukkers, de opstelling van contracten en het produktieproces van de externe drukproeven tot het einde;
° financiële controle van het publikatiebudget en van alle daarmee samenhangende administratieve taken (visa, aanvraag van aanbiedingen, prijzen, facturen, enz.);
° verdeling en supervisie van het werk, alsook vorming van het personeel dat voor de publikatie werkt' .
4 Op 19 augustus 1993 stuurde de directeur van de Stichting aan N. W. een nota, waarin hij hem meedeelde dat binnenkort een vergelijkend onderzoek zou worden georganiseerd voor de aanwerving van een administrateur voor een publikatieprogramma (' Programme Manager' ) van rang A 7/A 6, wiens taken als volgt werden omschreven:
' Verantwoordelijkheid voor de uitwerking, de ontwikkeling, de planning, de organisatie en de uitvoering van het beleid en de strategie van een publikatieprogramma, onder meer:
° vaststellen van de behoefte aan bepaalde publikatietechnieken (op papier, elektronisch, enz.) en bijdragen aan de verdeling en de presentatie van onderzoeken en informatie in een vorm die is aangepast aan de verschillende doelgroepen van de Stichting in samenwerking met de medewerkers van de afdelingen 'informatie' en 'onderzoek' ;
° verzekeren van de externe levering en verkoop van publikaties door co-publikatiecontracten of publikatie onder licentie, en ontwikkelen van dergelijke mechanismen als deel van het publikatieprogramma van de Stichting, in samenwerking met het Bureau voor officiële publikaties te Luxemburg;
° controle van de kwaliteit en toepassing van de voorschriften voor de produktie van de originelen (op papier, elektronisch, optisch, enz.);
° in samenwerking met collega' s opzetten van een interne gegevensbank betreffende de produkten van de Stichting, door adequate methodes en criteria te gebruiken om de uitvoering van de activiteiten na de uitgave en de omzetting van de publikaties in verschillende vormen mogelijk te maken, door de methodes vast te stellen en procedures voor consultatie van de bestaande produkten van de Stichting in te voeren;
° ontwikkeling en toepassing van informatiecontrolesystemen, zoals indexen en systemen voor het klasseren van kennis, opstelling en bijwerking van een thesaurus teneinde de toegang van de gebruikers tot de informatie te vergemakkelijken;
° beheer van het personeel en het budget van een sectie van zes tot acht personen.'
5 In de nota werd in eerste instantie overwogen, een voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de gemeenschapsorganen voorbehouden vergelijkend onderzoek te organiseren, maar ook diende een algemeen vergelijkend onderzoek te worden voorbereid, om indien nodig onmiddellijk hiermee te kunnen beginnen. Dit onderzoek diende op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een onderhoud met de kandidaten te worden georganiseerd.
6 De specifieke geschiktheidsvoorwaarden bestonden in een universitaire opleiding, afgesloten met een relevant diploma, gevolgd door een relevante beroepservaring van ten minste vijf jaar, en in het vloeiend spreken van een gemeenschapstaal en kennis van ten minste één andere gemeenschapstaal. Ten slotte was bepaald, dat het aanwervingscomité de sollicitaties van de personeelsleden van de andere gemeenschapsorganen zou onderzoeken vóór de sollicitaties van degenen die zich voor het algemeen vergelijkend onderzoek hadden aangemeld.
7 De Stichting publiceerde op 25 augustus 1993 een kennisgeving van vacature die bestemd was voor al haar personeelsleden van categorie A die voor overplaatsing naar het vacante ambt in aanmerking kwamen. De omschrijving van de tot het te vervullen ambt behorende werkzaamheden kwam volledig overeen met die welke in de voornoemde nota van 19 augustus 1993 was gegeven, maar in de kennisgeving van vacature werd voor de interne kandidaten geen bijzondere geschiktheidsvoorwaarde gesteld. Niet wordt betwist, dat geen enkel sollicitatie is ingediend.
8 Op 28 september 1993 publiceerde de Stichting een identieke kennisgeving van vacature, die deze keer evenwel bestemd was voor al haar personeelsleden.
9 De Stichting publiceerde diezelfde dag een aankondiging van een niet-openbaar vergelijkend onderzoek, bestemd voor de personeelsleden van andere gemeenschapsorganen. In die aankondiging werden de functies van het te vervullen ambt omschreven als volgt:
' Uitwerking, ontwikkeling, planning, organisatie en uitvoering van het beleid en de strategie van het publikatieprogramma, onder meer de vaststelling van de vraag op de markt naar bepaalde types produkten op elektronische drager en papier, alsmede de uitwerking van interne en externe actieprogramma' s (met inbegrip van een gegevensbank betreffende de 'on line' en 'off line' produkten) teneinde aan de vraag op de markt te voldoen' .
10 De aankondiging van het niet-openbaar vergelijkend onderzoek eiste van de kandidaten bovendien een voor de gevraagde specialisatie relevante universitaire studie, afgesloten met een diploma, gevolgd door een relevante beroepservaring van vijf jaar, alsmede grondige kennis van het Engels of het Frans en voldoende kennis van een tweede taal van de Gemeenschap. Verdere informatie en het sollicitatieformulier konden op verzoek bij het secretariaat van het aanwervingscomité worden verkregen.
11 Verzoekster diende op 20 oktober 1993 haar sollicitatie naar het vacante ambt in.
12 In een aan de directeur en de adjunct-directeur van de Stichting gerichte nota van 5 november 1993 betreffende de 'resultaten van het intern en het niet-openbaar vergelijkend onderzoek' verklaarde het aanwervingscomité, dat het eerst drie interne sollicitaties, waaronder die van verzoekster, had onderzocht en met eenparigheid van stemmen had geoordeeld, dat geen van die drie sollicitanten voldoende kundigheden en ervaring voor de verschillende beschreven taken bezat om voor een onderhoud te kunnen worden opgeroepen. Het comité verklaarde voorts, dat het vervolgens de externe sollicitaties had onderzocht, maar had besloten de procedure niet voort te zetten door de organisatie van een onderhoud, doch de opening van een algemeen vergelijkend onderzoek voor te stellen.
13 Bij brief van 22 november 1993 liet de directeur van de Stichting verzoekster weten, dat haar sollicitatie naar het te vervullen ambt niet in aanmerking zou worden genomen, omdat het aanwervingscomité van oordeel was, dat zij niet voldoende kundigheden en ervaring op de verschillende specifieke gebieden van het vacante ambt bezat om voor een onderhoud te worden uitgenodigd."
3 Op 22 december 1993 diende requirante bij de Stichting een klacht in tegen dit besluit (r.o. 14 van het bestreden arrest).
4 In die omstandigheden stelde requirante op 28 december 1993 een beroep in bij het Gerecht, samen met een verzoek in kort geding (r.o. 15).
5 Bij besluit van 25 maart 1994 wees de Stichting de klacht af (r.o. 17).
Het bestreden arrest
6 Tot staving van haar beroep bij het Gerecht, voerde requirante elf middelen aan, die in de volgende volgorde zijn onderzocht:
7 In de eerste plaats stelde requirante, dat de Stichting artikel 29 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen had geschonden, door niet de mogelijkheid te onderzoeken om in de vacature te voorzien door een overplaatsing of een bevordering binnen de instelling, hetgeen voor haar een voordeel had kunnen zijn.
8 In de tweede plaats zou het beginsel van gelijke behandeling zijn geschonden, doordat de interne kennisgeving in nauwkeuriger bewoordingen was gesteld dan de aankondiging van niet-openbaar vergelijkend onderzoek.
9 In de derde plaats zou de interne kennisgeving onwettig zijn, doordat de voorwaarden voor toegang tot het te vervullen ambt niet nauwkeurig waren opgesomd.
10 In de vierde plaats zou de interne kennisgeving zijn geschonden. Aangezien deze geen bijzondere geschiktheidsvoorwaarde eiste, had de Stichting niet kunnen weigeren de sollicitatie van requirante op basis van die kennisgeving te onderzoeken.
11 In de vijfde plaats zou de Stichting een kennelijke beoordelingsfout hebben begaan, waar zij van mening was, dat requirante niet alle voor het te vervullen ambt vereiste kundigheden bezat.
12 In de zesde plaats zouden de nota van het aanwervingscomité van 5 november 1993 en het besluit houdende afwijzing van requirantes sollicitatie niet voldoen aan de motiveringsplicht.
13 In de zevende plaats stelde requirante, dat haar directe chef, met wie zij in februari 1992 een persoonlijk conflict had gehad, lid was van het aanwervingscomité, zulks in strijd met artikel 10 van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 1860/76 van de Raad van 29 juni 1976 houdende vaststelling van de regeling welke van toepassing is op het personeel van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (PB 1976, L 214, blz. 24).
14 In de achtste plaats zou de Stichting misbruik van bevoegdheid en van procedure hebben begaan, voor zover zij de voorkeur heeft willen geven aan een externe sollicitant, terwijl volgens artikel 23 van verordening nr. 1860/76 iedere aanwerving dient te gebeuren in het belang van de dienst.
15 In de negende plaats zouden het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en requirantes recht op daadwerkelijke inaanmerkingneming van haar schriftelijke bewijsstukken zijn geschonden.
16 In de tiende plaats zou de zorgplicht niet in acht zijn genomen, aangezien in het te vervullen ambt hoofdzakelijk werkzaamheden moesten worden verricht, die zij reeds verschillende jaren uitoefende, zodat requirante door de bestreden handelingen het gevaar liep dat haar deze werkzaamheden zouden worden ontnomen.
17 Ten slotte zou, aangezien de bestreden handelingen onwettig waren, iedere volgende stap van het vergelijkend onderzoek onwettig zijn.
18 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.
De hogere voorziening
19 In haar hogere voorziening verzoekt requirante het Hof in de eerste plaats het bestreden arrest te vernietigen, in de tweede plaats zelf uitspraak te doen over het geschil en de besluiten waartegen zij met haar beroep bij het Gerecht is opgekomen, nietig te verklaren op basis van de aldaar aangevoerde middelen en overgelegde documenten, in de derde plaats verweerster te veroordelen om haar een schadevergoeding van 500 000 BFR te betalen, en in de vierde plaats verweerster te verwijzen in de kosten van de twee gedingen, de kosten van het kort geding daaronder begrepen.
20 Requirante voert om te beginnen aan dat de doelstellingen die aan de aanwervingsprocedure ten grondslag liggen, onwettig zijn (misbruik van bevoegdheid of in ieder geval ontbreken van formele onpartijdigheid van het aanwervingscomité; misbruik van procedure), vervolgens dat aan de aanwervingsprocedure onregelmatigheden kleefden, waarin de onwettigheid van deze doelstellingen tot uiting komt (onwettigheid van de interne kennisgeving; schending van het gelijkheidsbeginsel), en ten slotte dat als gevolg daarvan een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt en de zorgplicht is geschonden.
21 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen, zonder de mondelinge procedure te openen.
Het eerste middel
22 Met haar eerste middel betoogt requirante, dat de doelstellingen die aan de aanwervingsprocedure ten grondslag liggen, onwettig zijn.
Het eerste onderdeel van het eerste middel
In het eerste onderdeel van het eerste middel kritiseert requirante rechtsoverweging 107 van het bestreden arrest, waarin het volgende wordt verklaard:
"Het Gerecht merkt voorts op, dat al stond het aan de administratie toe te zien op de onpartijdige samenstelling van het aanwervingscomité, het oordeel van N. W. over verzoeksters beroepsbekwaamheid, neergelegd in het in rechtsoverweging 2 aangehaalde beoordelingsverslag, ook al bevat het kritiek op verzoekster, gemotiveerd en gematigd is en geen elementen bevat die zouden kunnen wijzen op een vijandigheid die zich niet verdraagt met de op een lid van een aanwervingscomité rustende verplichting van onpartijdigheid."
23 Volgens requirante heeft het Gerecht zijn beslissing niet rechtens genoegzaam gemotiveerd, aangezien het niet heeft uiteengezet, waarom de feitelijke aanwijzingen van machtsmisbruik waarnaar zij verwees in het kader van haar middel betreffende het gebrek aan onpartijdigheid van het aanwervingscomité, het Gerecht niet relevant leken.
24 Dit eerste onderdeel van het eerste middel berust op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest.
25 In rechtsoverweging 106 van het arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld, dat het objectief nuttig was, dat N. W. in zijn dubbele hoedanigheid van hoofd van de betrokken dienst en rechtstreekse hiërarchieke meerdere van degene die in het te vervullen ambt zou worden aangesteld, zitting had in het aanwervingscomité. Vervolgens heeft het Gerecht in rechtsoverweging 107 verklaard, dat het oordeel van N. W. over requirantes beroepsbekwaamheid, neergelegd in het beoordelingsrapport, ook al bevatte het kritiek op haar, gemotiveerd en gematigd was en geen elementen bevatte die zouden kunnen wijzen op een vijandigheid die zich niet verdraagt met de op een lid van een aanwervingscomité rustende verplichting van onpartijdigheid. Bovendien heeft het Gerecht in rechtsoverweging 108 vastgesteld, dat het aanwervingscomité zijn advies had uitgebracht met eenparigheid van stemmen van zijn drie leden, de vertegenwoordiger van het personeelscomité daaronder begrepen. In rechtsoverweging 109 heeft het ten slotte geconcludeerd, dat in die omstandigheden de aanwezigheid van N. W. in het aanwervingscomité niet van dien aard leek te zijn geweest, dat de objectiviteit van de beraadslagingen van dit comité erdoor werd aangetast.
26 Derhalve heeft het Gerecht de afwijzing van het middel betreffende de objectiviteit van de beraadslagingen van het aanwervingscomité rechtens genoegzaam gemotiveerd.
27 Het eerste onderdeel van het eerste middel dient dus kennelijk ongegrond te worden verklaard.
Het tweede onderdeel van het eerste middel
28 Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op rechtsoverweging 118 van het bestreden arrest, waarin wordt overwogen:
"In casu is het Gerecht van oordeel, dat noch uit de stukken van het dossier, noch uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, dat verweerster van meet af aan de voorkeur heeft willen geven aan een externe sollicitant."
29 Volgens requirante heeft het Gerecht zijn beslissing om het middel inzake misbruik van procedure af te wijzen niet rechtens genoegzaam gemotiveerd. Wat dit middel betreft, zou zij hebben gewezen op een reeks objectieve aanwijzingen van dit misbruik van procedure, waaronder de nota van 19 augustus 1993 van de directeur van de Stichting, die niet alle door het Gerecht zouden zijn onderzocht.
30 Dit tweede onderdeel van het eerste middel berust eveneens op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest.
31 Immers, na in rechtsoverweging 117 te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof en het Gerecht inzake misbruik van bevoegdheid, heeft het Gerecht in rechtsoverweging 118 van het bestreden arrest uitdrukkelijk verwezen naar de "stukken van het dossier" om in rechtsoverweging 119 te oordelen, dat in het bijzonder niet bleek dat, zoals requirante beweerde, het aanwervingscomité de externe sollicitaties van degenen die zich voor het niet-openbaar vergelijkend onderzoek hadden aangemeld, vóór de sollicitaties van de personeelsleden van de Stichting had onderzocht.
32 Ten slotte heeft het Gerecht in rechtsoverweging 120 van het bestreden arrest vastgesteld dat, gelet op het voorafgaande en in het bijzonder op de conclusies waartoe het was gekomen na onderzoek van het middel inzake het ontbreken van formele onpartijdigheid van het aanwervingscomité, niet bleek dat requirantes sollicitatie was afgewezen wegens haar persoonlijk conflict met N. W.
33 Hieruit volgt, dat het Gerecht de afwijzing van het middel inzake misbruik van procedure rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.
34 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond te worden verklaard.
Het tweede middel
35 Met haar tweede middel betoogt requirante, dat er verschillende onregelmatigheden zijn begaan in de aanwervingsprocedure. Dit middel omvat twee onderdelen.
Het eerste onderdeel van het tweede middel
36 Het eerste onderdeel van het tweede middel, betreffende de vermeende onwettigheid van de interne kennisgeving, bestaat zelf uit vier elementen.
37 Het eerste element heeft betrekking op rechtsoverweging 55 van het bestreden arrest, die luidt als volgt:
"Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster er geen belang bij heeft zich te beroepen op de eventuele onnauwkeurigheid van de interne kennisgeving, welke de juiste juridische aard daarvan ook moge zijn. Zelfs al zou de gestelde onnauwkeurigheid zijn aangetoond, zij is immers niet bezwarend voor verzoekster, daar deze naar het te vervullen ambt heeft kunnen solliciteren."
38 Requirante meent daarentegen, dat zij er belang bij had dat de interne kennisgeving, welke de aard daarvan ook moge zijn, een zo precies mogelijke aanduiding van de voor het betrokken ambt te vervullen geschiktheidsvoorwaarden bevatte, zelfs wanneer zij naar dit ambt had kunnen solliciteren.
39 Het tweede element van het eerste onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op de rechtsoverwegingen 56 en 57 van het bestreden arrest, waarin wordt overwogen:
"56 Bovendien is het Gerecht van oordeel, dat de interne kennisgeving voldoet aan de eisen die de rechtspraak aan kennisgevingen van vacature en aankondigingen van vergelijkend onderzoek stelt (arresten Gerecht van 17 mei 1995, zaak T-16/94, Benecos, JurAmbt., blz. II-335, r.o. 18, en 24 juni 1993, Seghers, reeds aangehaald, r.o. 34), aangezien deze verzoekster daadwerkelijk op de hoogte heeft gesteld van de aard van de voor het te vervullen ambt vereiste voorwaarden, en haar in staat heeft gesteld te beoordelen, of het zin had te solliciteren.
57 Voor het overige heeft verzoekster zelf toegegeven dat de interne kennisgeving aan haar doel heeft beantwoord, aangezien zij in haar vijfde middel heeft gesteld, dat zij wegens haar beroepservaring en haar universitaire diploma' s alle voor het te vervullen ambt vereiste kundigheden, zoals beschreven in de interne kennisgeving, bezat."
40 Requirante verwijt het Gerecht dat het aan haar proceshandelingen niet het juiste gewicht heeft toegekend, aangezien het middel dat zij ontleende aan een kennelijke beoordelingsfout, subsidiair was ten aanzien van de middelen die zij baseerde op het ontbreken van geschiktheidsvoorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Immers, zelfs al achtte zij zichzelf geschikt om het te vervullen ambt uit te oefenen, zij had daarover op een dwaalspoor kunnen worden gebracht door het ontbreken van geschiktheidsvoorwaarden, of althans voldoende nauwkeurige voorwaarden, in de aankondiging.
41 Het derde element van het eerste onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op de rechtsoverwegingen 61 en 62 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
"61 Uit de gegevens in het dossier blijkt (zie r.o. 13 hiervóór, en r.o. 84 hierna), dat verweerster van oordeel was, dat verzoekster niet voldoende kundigheden en ervaring voor de verschillende taken, zoals beschreven in de interne kennisgeving, bezat.
62 In zoverre is het besluit houdende afwijzing van verzoeksters sollicitatie niet gebaseerd op voorwaarden die niet uitdrukkelijk in die kennisgeving worden genoemd."
42 Volgens requirante volgt uit deze rechtsoverwegingen, dat het Gerecht heeft geoordeeld, dat de interne kennisgeving een geschiktheidsvoorwaarde formuleerde, volgens welke de sollicitant voldoende kundigheden en ervaring voor de verschillende in de interne kennisgeving beschreven taken diende te bezitten. Het bestaan van deze voorwaarde is volgens requirante enkel afgeleid uit de beschrijving van de functies, terwijl de beschrijving van de functies en de geschiktheidsvoorwaarden voor de uitoefening ervan verschillende begrippen zijn, die niet door elkaar mogen worden gehaald.
43 Het vierde element van het eerste onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op rechtsoverwegingen 91, 93, 94, 96 en 97 van het bestreden arrest. Na te hebben herinnerd aan de vaste rechtspraak inzake de motivering van een bezwarend besluit (r.o. 90), overwoog het Gerecht in rechtsoverweging 91 van het bestreden arrest:
"Uit de voorgaande overwegingen volgt evenwel, dat alleen al de motivering van het besluit houdende afwijzing van verzoeksters sollicitatie, de betrokkene in staat heeft gesteld de gegrondheid van het besluit te betwisten, aangezien zij reeds op 28 december 1993, dat wil zeggen vóór het besluit van de Stichting van 25 maart 1994 houdende afwijzing van haar klacht, op nuttige wijze een beroep heeft kunnen instellen, waarbij zij tot staving van het middel ontleend aan de kennelijke beoordelingsfout betoogt dat het te vervullen ambt grotendeels overeenkomt met de functies die zij reeds sinds verschillende jaren in de Stichting uitoefent."
44 In rechtsoverweging 93 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld, dat de motivering van het besluit houdende afwijzing van requirantes sollicitatie, het ook in staat had gesteld, op basis van deze motivering alleen vast te stellen dat verweerster geen kennelijke beoordelingsfout kon worden verweten. Vervolgens heeft het Gerecht in rechtsoverweging 94 overwogen, dat aangezien de motivering van het besluit tot afwijzing van requirantes sollicitatie in feite de motivering van het advies van het aanwervingscomité herhaalde, ook dat advies als voldoende gemotiveerd diende te worden aangemerkt. In rechtsoverweging 96 heeft het Gerecht geconcludeerd, dat na onderzoek van het vijfde middel bleek, dat requirante zeer goed wist, dat zij hoe dan ook niet voldoende kundigheden en ervaring bezat voor alle tot het te vervullen ambt behorende werkzaamheden. Ten slotte heeft het Gerecht in rechtsoverweging 97 van het bestreden arrest vastgesteld, dat het besluit houdende afwijzing van requirantes klacht hoe dan ook voldoende duidelijk en nauwkeurig vermeldde, welke verschillen van aard en niveau er tussen requirantes ambt en het te vervullen ambt bestonden.
45 Requirante betoogt, dat verweerster bij gebreke van een aanduiding van geschiktheidsvoorwaarden, of althans voldoende nauwkeurige geschiktheidsvoorwaarden, in de kennisgeving, haar besluiten onmogelijk kon motiveren op een manier die voldeed aan de door de rechtspraak gestelde eisen, te weten, enerzijds de betrokkene in staat stellen de opportuniteit van het instellen van een beroep tegen het besluit precies te beoordelen, en anderzijds het Gerecht in staat stellen zijn toezicht op het besluit uit te oefenen.
46 Om te beginnen zij opgemerkt, dat het eerste, het tweede, het derde en het vierde element van het eerste onderdeel van het tweede middel berusten op de hypothese, dat de interne kennisgeving op het punt van de geschiktheidsvoorwaarden onnauwkeurig was.
47 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de essentiële rol die de aankondiging van vergelijkend onderzoek volgens vaste rechtspraak moet spelen, erin bestaat de belanghebbenden zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereiste kwalificaties voor de vervulling van het desbetreffende ambt, teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren (arresten Hof van 28 juni 1979, zaak 255/78, Anselme en Constant, Jurispr. 1979, blz. 2323, r.o. 9, en 18 februari 1982, zaak 67/81, Ruske, Jurispr. 1982, blz. 661, r.o. 9; zie ook arresten Gerecht van 17 mei 1995, zaak T-16/94, Benecos, JurAmbt. 1995, blz. II-335, r.o. 18, en 24 juni 1993, zaak T-69/92, Seghers, Jurispr. 1993, blz. II-651, r.o. 34).
48 In rechtsoverweging 56 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld, dat de interne kennisgeving requirante daadwerkelijk had geïnformeerd over de aard van de vereiste kwalificaties voor de uitoefening van het te vervullen ambt, en haar in staat had gesteld te beoordelen of het voor haar dienstig was te solliciteren.
49 Uit deze feitelijke beoordeling, die toekomt aan het Gerecht (zie onder meer arrest van 1 oktober 1991, zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 12), heeft het Gerecht mogen afleiden, dat de interne kennisgeving voldeed aan de door de rechtspraak gestelde eisen.
50 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat het eerste onderdeel van het tweede middel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
Het tweede onderdeel van het tweede middel
51 Het tweede onderdeel van het tweede middel, inzake een vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, bestaat uit twee elementen.
52 Het eerste element heeft betrekking op rechtsoverweging 41 van het bestreden arrest, die luidt als volgt:
"Het Gerecht wijst erop, dat aangezien verzoekster naar het te vervullen ambt heeft kunnen solliciteren, zij in elk geval geen belang heeft bij de stelling, dat de aankondiging van een niet-openbaar vergelijkend onderzoek, anders dan de interne kennisgeving, nauwkeurige geschiktheidsvoorwaarden bevatte die de personeelsleden van de andere gemeenschapsorganen in staat stelden te beoordelen, of het zin had te solliciteren."
53 Requirante voert dienaangaande enkel aan, dat zij met het eerste element van het eerste onderdeel van haar tweede middel heeft aangetoond, dat zij er belang bij had zo nauwkeurig mogelijk te kunnen beoordelen of het zin had te solliciteren, ook al had zij in casu, ondanks de onnauwkeurigheid van de interne kennisgeving, een sollicitatie kunnen indienen.
54 Dienaangaande volstaat het vast te stellen, dat het betoog waarnaar requirante verwijst, in rechtsoverweging 50 van het onderhavige arrest kennelijk ongegrond is verklaard.
55 Het tweede element van het tweede onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op rechtsoverweging 43 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht het volgende heeft verklaard:
"Enerzijds blijkt uit bovenstaande rechtsoverweging 9, dat de aankondiging van niet-openbaar vergelijkend onderzoek in wezen enkel een samenvatting geeft van de verschillende voorwaarden inzake beroepservaring die door de interne kennisgeving worden geëist."
56 Requirante betoogt, dat aangezien de omschrijving van de te vervullen taken niet voorkwam in de aankondiging van niet-openbaar vergelijkend onderzoek zelf, maar in een ander document dat aan de externe sollicitanten enkel op hun verzoek werd meegedeeld, deze beschrijving niet kon worden geacht de sollicitanten in staat te hebben gesteld hun geschiktheid om het betrokken ambt te vervullen, te beoordelen.
57 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Gerecht in rechtsoverweging 43 van het bestreden arrest een verduidelijking geeft van rechtsoverweging 42, waarin het heeft vastgesteld, dat het tweede middel feitelijke grondslag miste, voor zover requirante had gesteld, dat de voorwaarden voor toegang tot het te vervullen ambt strenger waren voor de personeelsleden van de Stichting dan voor de personeelsleden van de andere gemeenschapsorganen.
58 Aangezien het tweede element van het tweede onderdeel van het tweede middel betrekking heeft op feiten waarvan de beoordeling enkel aan het Gerecht toekomt, moet het kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde middel
59 Het derde middel is enerzijds ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en anderzijds aan de schending van de zorgplicht.
Het eerste element van het eerste onderdeel van het derde middel
60 Het eerste element van het eerste onderdeel van het derde middel, inzake een kennelijke beoordelingsfout, heeft betrekking op de rechtsoverwegingen 76 tot en met 78 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
"76 Uit het dossier, de door verzoekster niet betwiste omschrijving van haar taken in bovenstaande rechtsoverwegingen 2 en 3 en verzoeksters voornoemde nota van 11 maart 1991 blijkt, dat zij verantwoordelijk is voor het beheer van de publikaties van de Stichting, en dat zij verantwoordelijk is voor elke stap van het produktieproces en van de algemene controle van de presentatie van de publikaties van de Stichting.
77 Daarentegen blijkt bij lezing van de interne kennisgeving, dat de werkzaamheden van het te vervullen ambt van administrateur-programma op het niveau van het ontwerp en de directie van de strategie van de Stichting op het gebied van de publikaties liggen. Bij deze werkzaamheden moet immers het gehele beleid van de Stichting op het gebied van haar uitgaves worden bepaald, ontwikkeld en gecooerdineerd.
78 Derhalve houden zij onder meer in: de controle van de inhoud van de publikaties en de identificatie van nieuwe publikaties die de leemten van het programma van de Stichting kunnen opvullen, en van de behoefte aan bepaalde nieuwe publikatietechnieken, zoals elektronische technieken."
61 Requirante betoogt, dat zij met behulp van verschillende door haar overgelegde documenten in haar repliek had verduidelijkt, op welke punten naar haar mening de overeenstemming tussen de twee ambten vaststond. Volgens requirante kon het Gerecht niet ermee volstaan, te beslissen dat deze overeenstemming niet bestond en dat de werkzaamheden die zij uitoefende beperkt waren tot de domeinen van het beheer, de produktie en de presentatie van de documenten van de publikatieprogramma' s, zonder in te gaan op de specifieke argumenten van requirante, die het tegengestelde trachtten aan te tonen.
62 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Bij lezing van de rechtsoverwegingen 76 tot en met 78 van het bestreden arrest blijkt immers onmiddellijk, dat het Gerecht alle betrokken relevante feiten in aanmerking heeft genomen en dat het de conclusie waartoe het is gekomen, rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd. Derhalve is het eerste element van het eerste onderdeel van het derde middel kennelijk ongegrond.
Het tweede element van het eerste onderdeel van het derde middel
63 Het tweede element van het eerste onderdeel van het derde middel heeft betrekking op de rechtsoverwegingen 83 en 84 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft overwogen, dat requirante, die de bewijslast droeg, de gestelde overeenstemming van de werkzaamheden van haar ambt en het te vervullen ambt niet rechtens genoegzaam had aangetoond (r.o. 83), en dat de Stichting, zonder dienaangaande een kennelijke beoordelingsfout te maken, had kunnen oordelen dat requirante niet voldoende kundigheden en ervaring bezat voor de verschillende in de interne kennisgeving beschreven taken (r.o. 84).
64 Volgens requirante heeft het Gerecht zijn redenering ten onrechte gebaseerd op de premisse, dat zij trachtte aan te tonen dat haar taken en die van het te vervullen ambt volstrekt in overeenstemming waren, of dat het enkel tot de conclusie kon komen dat verweerster een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt wanneer een dergelijk overeenstemming was aangetoond. Dienaangaande stelt requirante voorts, dat het oordeel van het Gerecht dat de taken niet volledig overeenstemden, zijn conclusie dat verweerster geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt, rechtens niet kon rechtvaardigen.
65 Dit element is gebaseerd op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest.
66 In rechtsoverweging 65 brengt het Gerecht immers requirantes betoog in herinnering, dat het te vervullen ambt, zoals beschreven in de op 28 september 1993 gepubliceerde kennisgeving, grotendeels overeenstemt met de taken die zij al verschillende jaren in de Stichting uitoefent, en dat hoe dan ook haar huidige taken daarin zijn opgenomen. Met de verklaring in rechtsoverweging 83 van het bestreden arrest, dat requirante niet rechtens genoegzaam de gestelde overeenstemming van de werkzaamheden van haar ambt en van het te vervullen ambt had aangetoond, heeft het Gerecht geantwoord op het in rechtsoverweging 65 herhaalde betoog van requirante.
67 Bijgevolg is het tweede element van het eerste onderdeel van het derde middel kennelijk ongegrond.
Het tweede onderdeel van het derde middel
68 Het tweede onderdeel van het derde middel, inzake de schending van de zorgplicht, is gericht tegen rechtsoverweging 131 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld, dat requirante dit beginsel niet op goede gronden kon aanvoeren, daar zij niet rechtens genoegzaam had weten aan te tonen, dat de werkzaamheden van haar ambt overeenstemden met die van het vacante ambt.
69 Requirante voert aan, dat zij primair had gesteld, dat haar taken en die van het te vervullen ambt overeenstemden en, subsidiair, dat haar taken hoe dan ook daarin waren opgenomen, zodat haar taken zowel in het ene als in het andere geval zouden verdwijnen indien zij het te vervullen ambt niet zou verkrijgen, met de ernstige en evidente nadelen die dit voor haar zou hebben, aangezien de wijziging invloed had op een reeds zeer vele jaren bestaande structuur. Door geen rekening te houden met dit subsidiaire betoog, zou het Gerecht aan requirantes processtukken niet het juiste gewicht hebben toegekend en zijn besluit niet rechtens genoegzaam hebben gemotiveerd.
70 Dit element is gebaseerd op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest.
71 Zoals immers blijkt uit de rechtsoverwegingen 76 en 77 van het bestreden arrest, die zijn overgenomen in rechtsoverweging 60 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht duidelijk onderscheid gemaakt tussen de omschrijving van de werkzaamheden van requirante en die van de werkzaamheden van het te vervullen ambt van "administrateur-programma". Bovendien heeft het Gerecht in rechtsoverweging 80 van het bestreden arrest vastgesteld, dat uit de pleidooien tijdens de hoorzitting in kort geding op 4 maart 1994 bleek, dat er in elk geval geen volstrekte overeenstemming was tussen de huidige werkzaamheden van requirante en de taken van het te vervullen ambt, aangezien bij deze laatste taken in bepaalde directies het publikatiebeleid van de Stichting moest worden ontwikkeld, en daarbij, onder meer de nieuwe elektronische publikatiemiddelen moesten worden geïdentificeerd. Het Gerecht heeft bovendien opgemerkt, dat het ontwikkelingsstadium van deze activiteiten van die aard was, dat de raadsman van requirante tijdens die hoorzitting had kunnen stellen, dat "nog niemand bekwaam is, omdat het te nieuw is".
72 Het Gerecht heeft dus op die grond rechtmatig geoordeeld, dat requirante geen schending van de zorgplicht kon stellen.
73 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het derde middel kennelijk ongegrond te worden verklaard.
74 Uit alle bovenstaande overwegingen volgt, dat de door requirante tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, en derhalve krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moeten worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
75 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit reglement blijven de door de instellingen gemaakte kosten in ambtenarenberoepen te hunnen laste. Krachtens artikel 122 is artikel 70 evenwel niet van toepassing in geval van hogere voorziening die ingesteld is door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling tegen deze instelling. Aangezien requirante in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirante wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 28 november 1996.
Full & Egal Universal Law Academy