Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid ° Toepassing op hogere voorziening tegen beschikking in kort geding
(' s Hofs Statuut-EG, art. 50, tweede alinea, en 51, eerste alinea)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EG, art. 49 en 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
3. Hogere voorziening ° Middelen ° Ontoereikende motivering ° Toepassing in geval van beschikking in kort geding
Samenvatting
1. De bepalingen van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG, die de hogere voorziening beperken tot rechtsvragen, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, zijn ook van toepassing op de overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van 's Hof Statuut-EG ingestelde hogere voorzieningen tegen de beslissingen in kort geding van het Gerecht.
2. Uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat het verzoekschrift in hogere voorziening nauwkeurig de aangevochten elementen van de beschikking moet aanduiden, alsmede de argumenten rechtens die tot staving van het verzoek om nietigverklaring van de beschikking worden aangevoerd.
Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° met inbegrip van die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk niet heeft aanvaard ° herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijk hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EG niet bevoegd is.
3. Van het Gerecht, zetelend in kort geding, kan niet worden verlangd, dat het uitdrukkelijk antwoordt op alle in de loop van het kort geding besproken feitelijke en rechtsvragen. Het is voldoende, dat de door het Gerecht in aanmerking genomen redenen, gelet op de omstandigheden van de zaak, zijn beschikking naar behoren rechtvaardigen en het Hof in staat stellen zijn rechterlijke controle uit te oefenen.
Partijen
In zaak C-148/96 P(R),
A. Goldstein, arts, wonende te Londen, vertegenwoordigd door R. St John Murphy, Solicitor,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking, door de president van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen op 27 februari 1996 gegeven in zaak T-235/95 R (Goldstein/Commissie, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), strekkende tot nietigverklaring van deze beschikking en de toekenning van voorlopige maatregelen,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal G. Tesauro gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 mei 1996, heeft requirant overeenkomstig artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 50, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 27 februari 1996 (zaak T-235/95 R, Goldstein/Commissie, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, hierna: "bestreden beschikking"), houdende afwijzing van het verzoek dat ertoe strekte, de Commissie te doen gelasten alle noodzakelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de bevoegde organen in het Verenigd Koninkrijk bepaalde specifieke voorschriften van de European Specialist Medical Qualifications Order 1995 ° de nieuwe Britse uitvoeringsregeling van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma' s, certificaten en andere titels (PB 1993, L 165, blz. 1) ° toepassen vóór de uitspraak van het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 16 oktober 1995, waarbij de Commissie heeft geweigerd bepaalde voorlopige maatregelen ten gunste van requirant vast te stellen.
2 De feiten die aan het geding ten grondslag liggen, worden in de bestreden beschikking uiteengezet als volgt:
"1 A. Goldstein is arts, heeft de Britse nationaliteit en woont in Groot-Brittannië. Hij heeft een gespecialiseerde opleiding in de reumatologie gevolgd, na afloop waarvan hij in januari 1990 het Certificate of specialist training heeft ontvangen, dat is afgegeven door de General Medical Council (hierna: 'GMC' ) overeenkomstig de Medical Qualifications (EEC Recognition) Order 1977 (SI 1977 nr. 827), zoals gewijzigd bij de Medical Nursing Dental and Veterinary Qualifications (EEC Recognition) Order 1983 (SI 1982 nr. 1076), de destijds geldende uitvoeringsregeling van richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1975, L 167, blz. 1), en van richtlijn 75/363/EEG van de Raad van dezelfde datum inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB 1975, L 167, blz. 14). Deze richtlijnen zijn naderhand gecodificeerd bij richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma' s, certificaten en andere titels (PB 1993, L 165, blz. 1; hierna: 'richtlijn 93/16' ).
2 De GMC is een bij wet ingestelde beroepsorganisatie. Ter zake geldt thans de Medical Act van 1983. De meerderheid van de leden van de GMC is verkozen door de artsen. De GMC is belast met de vaststelling van regels inzake het beroep van arts in het Verenigd Koninkrijk, en met de tuchtrechtspraak. Jaarlijks publiceert hij het artsenregister (' medical register' ), de officiële lijst van geregistreerde artsen. Goldstein is in 1978 op deze lijst geregistreerd (bijlage bij de brief van de Commissie van 9 februari 1995, punt 14, bijlage 11 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak).
3 Volgens de overeenstemmende opmerkingen van partijen werd het Certificate of specialist training door de GMC afgegeven aan de personen die de door de artikelen 4 en 5 van voormelde richtlijn 93/16 voorgeschreven minimumperiodes van gespecialiseerde opleiding hadden volbracht, en die volgens de betrokkene dus als 'communautaire specialisten' zijn aan te merken. Volgens de Medical Qualifications (EEC Recognition) Order 1977, werd de naam van de 'personen met een erkende titel van specialist' op een 'lijst van specialisten' (specialist list) geplaatst, die de GMC, indien hij dit nuttig oordeelde, kon publiceren. Volgens de door de betrokkene meegedeelde gegevens, heeft de GMC besloten deze lijst niet te publiceren. Goldstein is op deze 'lijst van specialisten' geplaatst.
4 De in het Verenigd Koninkrijk verleende titel van specialist die door de andere Lid-Staten moet worden erkend, is naar luid van artikel 5, lid 2, van richtlijn 93/16, dat overeenkomt met artikel 5, lid 2, van voormelde richtlijn 75/362, het 'Certificate of completion of specialist training (diploma van gespecialiseerde opleiding), afgegeven door de hiertoe gemachtigde bevoegde autoriteit' (hierna: 'CCST' ).
5 Volgens de door de Commissie meegedeelde inlichtingen, werd vóór 1 januari 1991 in het Verenigd Koninkrijk bij de voltooiing van een volledige gespecialiseerde opleiding geen certificaat afgegeven. In de plaats daarvan werden de specialisten in hun specialiteit erkend bij wege van een 'accreditering' van het ter zake van de opleiding bevoegde orgaan, op basis waarvan zij in aanmerking kwamen voor aanstelling op een post van 'consultant' ° wat voor ziekenhuisartsen overeenkomt met het hoogste hiërarchieke niveau ° in de National Health Service (hierna: 'NHS' ). Sedert 1 januari 1991 wordt in het 'artsenregister' de letter 'T' aangebracht naast de naam van de personen waaraan een certificaat is afgegeven ten bewijze van een voltooide gespecialiseerde opleiding (overeenkomend met de accreditering).
6 De enige formele voorwaarde voor de uitoefening van de geneeskunde, als huisarts of als specialist, onder de destijds geldende regeling, bestond in een inschrijving zonder voorbehoud (' full registration' ) in het 'artsenregister' , zodat de personen waarvan de naam voorkwam op de 'lijst van specialisten' hun specialiteit in het Verenigd Koninkrijk mochten uitoefenen, indien zij waren geregistreerd in het 'artsenregister' ; zulks blijkt uit de door de Commissie meegedeelde inlichtingen (brief van 20 januari 1994 en bijlage bij de brief van 9 februari 1995, bijlagen 8, punt 14, en 11, punt 27, bij het verzoekschrift in de hoofdzaak). Volgens de door de partijen meegedeelde overeenstemmende inlichtingen was de accreditering of de aanstelling op een post van 'consultant' bij de NHS in de praktijk evenwel een noodzakelijke voorwaarde om in de vrije sector met succes een specialiteit te kunnen beoefenen.
7 Aangezien het bezit van een Certificate of specialist training niet volstaat voor een accreditering of een aanstelling als 'consultant' in het Verenigd Koninkrijk, was de Commissie dus van mening dat de afgifte van deze certificaten, die volgens haar uitsluitend bestemd zijn om de beoefening van een specialiteit in een andere Lid-Staat mogelijk te maken, in strijd was met de bepalingen van richtlijn 93/16 betreffende de onderlinge erkenning van diploma' s, certificaten en titels. Volgens de verwerende instelling stellen de bepalingen van de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn betreffende de opleiding, enkel de minimumvoorwaarden vast waaronder een Lid-Staat een specialistendiploma kan afgeven. Het staat de Lid-Staat vrij een langere opleidingsperiode te voorzien, in welk geval hij volgens de Commissie het specialistendiploma eerst na de voltooiing van deze opleiding kan afgeven. De Commissie heeft dus met name op dit punt tegen het Verenigd Koninkrijk een procedure wegens schending van richtlijn 93/16 ingeleid, wat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ertoe heeft bewogen in 1995 een nieuwe regeling ter uitvoering van de richtlijn vast te stellen, namelijk de European Specialist Medical Qualifications Order 1995 (SI 1995 nr. 3208), waarbij de in het Verenigd Koninkrijk geldende regeling ter zake van de gespecialiseerde geneeskunde is gewijzigd, en waarvan de meeste bepalingen op 12 januari 1996 in werking zijn getreden.
8 Ingevolge deze nieuwe regeling blijft de GMC verantwoordelijk voor de registratie en de erkenning van de kwalificaties, terwijl een nieuw opgericht orgaan, namelijk de Specialist Training Authority van de Medical Royal Colleges (hierna: 'STA' ), bevoegd wordt inzake medische opleiding van specialisten in het Verenigd Koninkrijk. De STA geeft een CCST af aan de personen die een erkende specialistenopleiding hebben voltooid. De GMC maakt en publiceert een 'specialistenregister' (specialist register), met de namen van de personen die in het bezit zijn van een CCST en van die welke een elders in de Europese Economische Ruimte verleende en ingevolge richtlijn 93/16 erkende kwalificatie bezitten. De artsen die bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling reeds een kwalificatie als specialist hadden, hebben ingevolge deze regeling recht op inschrijving in het specialistenregister indien zij de griffier van de GMC kunnen bewijzen: 1) dat zij anders dan als huisarts de hoedanigheid van 'consultant' in een medische specialisatie hebben of hebben gehad, dan wel 2) dat zij zijn geaccrediteerd, of ook nog, dat zij hebben bewezen 3.a) dat zij in hun specialisatie in het Verenigd Koninkrijk een opleiding hebben ontvangen en dat deze opleiding overeenkwam met de ten tijde ervan in het Verenigd Koninkrijk geldende opleidingsvoorwaarden in deze specialisatie, dan wel 3.b) dat zij in deze specialisatie in het Verenigd Koninkrijk diploma' s hebben behaald die gelijkwaardig zijn met een CCST in deze specialisatie. Voormelde Medical Qualifications (EEC Recognition) Order 1977, die voorzag in het bijhouden van een 'lijst van specialisten' , is ingetrokken.
9 Volgens de overeenstemmende verklaringen van partijen heeft Goldstein geen accreditering en is hij nooit als 'consultant' aangesteld. Hij is geen houder van een door het bevoegde opleidingsorgaan afgegeven CCST.
10 Toch zouden volgens de Commissie personen die, zoals verzoeker, in het bezit zijn van een Certificate of specialist training, en kunnen doen blijken van een toereikende opleiding dan wel van bijkomende ervaring, zich ingevolge de nieuwe regeling moeten kunnen laten inschrijven in het specialistenregister.
11 In dit verband is de administratieve procedure als volgt verlopen. Goldstein had moeilijkheden om in het Verenigd Koninkrijk de geneeskunde te beoefenen als reumatoloog, en diende op 10 augustus 1993 overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204), bij de Commissie een klacht in tegen de zijns inziens concurrentiebeperkende gedragingen van de GMC en de andere inzake opleiding en kwalificatie van specialisten bevoegde instanties. Volgens Goldstein is de GMC een uit artsen bestaande onderneming of ondernemersvereniging. Hij heeft een machtspositie in die zin dat hij in het Verenigd Koninkrijk een wettelijk monopolie heeft voor de toekenning en registratie van de titels van 'communautaire artsen' alsmede voor het toezicht op hun activiteiten. Uit de overeenstemmende opmerkingen van partijen volgt, dat Goldstein de GMC, de Medical Royal Colleges en de andere inzake opleiding bevoegde instanties in wezen het verwijt maakt dat zij in strijd met de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag hun macht gebruiken om kunstmatig het aantal specialisten te beperken ten voordele van de artsen van de NHS, met name de 'consultants' , en ten nadele van de 'communautaire specialisten' en de potentiële 'consumenten' . Meer in het bijzonder verwijt hij de GMC zijn weigering in het 'artsenregister' de hoedanigheid van specialist te vermelden van de houders van een Certificate of specialist training. Tevens stelt hij, dat de door de GMC opgelegde regels, die een beletsel vormen voor de directe toegang van de specialisten en voor deze laatsten een verbod inhouden om zich bij het publiek kenbaar te maken, een beperking van de vrije mededinging vormen. Ten slotte komt hij op tegen het feit, dat de particuliere verzekeringsmaatschappijen uitsluitend de honoraria terugbetalen van de specialisten die kunnen doen blijken van de hoedanigheid van 'consultant' dan wel door het bevoegde opleidingsorgaan zijn geaccrediteerd.
12 Op 18 november 1994 verzocht Goldstein de Commissie een standpunt in te nemen over zijn klacht. Bij brief van 9 februari 1995 (bijlage 11 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak) deelde de Commissie hem mee, dat zij niet voornemens was gevolg te geven aan zijn klacht, en nodigde zij hem uit overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268) zijn opmerkingen mee te delen. Goldstein heeft bij brief van 12 september 1995 (bijlage 12 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak) opmerkingen ingediend.
13 Volgens de overeenstemmende opmerkingen van partijen heeft Goldstein, toen hij op 10 augustus 1993 zijn klacht indiende, tegelijkertijd om voorlopige maatregelen verzocht teneinde de artsen met de in de richtlijn vermelde kwalificaties in de gelegenheid te stellen hun specialisatie in het Verenigd Koninkrijk te beoefenen. Met name volgt uit de brief van de Commissie van 20 januari 1994 houdende afwijzing van dit verzoek (bijlage 8 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak), dat de betrokkene van de Commissie in het bijzonder verlangde, dat zij zou eisen dat: 1) in het artsenregister een speciaal herkenningsteken zou worden aangebracht naast de naam van personen met een ingevolge artikel 5, lid 2, van richtlijn 93/16 erkende kwalificatie van specialist; 2) een afzonderlijke lijst van personen met een dergelijke kwalificatie zou worden gepubliceerd en aan alle Lid-Staten meegedeeld; 3) het 'artsenregister van 1993' zou worden ingetrokken, en 4) de beoefening van een specialisatie en het voeren van de titel van specialist zouden worden gereserveerd voor personen die die kwalificatie bezitten. Tot staving van de spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen, voerde Goldstein aan, dat het een onaanvaardbare aantasting van het algemeen belang is de artsen ° die, zoals hij, overeenkomstig de eisen van voormelde gemeenschapsrichtlijn een gespecialiseerde opleiding hebben voltooid ° te verhinderen in een sfeer van vrije mededinging hun specialisatie in het Verenigd Koninkrijk te beoefenen. In dit verband wees hij met name op de noodzaak de invoer van een nieuwe, met de vrije mededinging strijdige regeling te voorkomen. Voor het overige voerde hij aan, dat de door hem gewraakte praktijken hem ernstige en onherstelbare schade veroorzaken. Wat dit laatste aspect betreft, wees hij meer in het bijzonder op de spoedeisendheid van de situatie, in die zin dat de nationale beroepsmogelijkheden snel uitgeput zullen zijn, en hij zich genoopt zal zien de kosten te dragen van zijn vruchteloze actie tegen de minister van Volksgezondheid.
14 Bij brief van 20 januari 1994 heeft de Commissie dit verzoek afgewezen, op grond dat de spoedeisendheid, die de vaststelling van voorlopige maatregelen zou hebben gerechtvaardigd, niet is bewezen. Volgens de Commissie is de gewraakte situatie vanuit het oogpunt van de openbare orde niet onaanvaardbaar, nu de 773 op de 'lijst van specialisten' ingeschreven artsen hoe dan ook hun specialisatie konden beoefenen en de huisartsen daarover informeren. Wat het beweerde risico van een invoering van een nieuwe regeling betreft, stelde de Commissie dat de betrokkene zich enkel baseert op een rapport betreffende de met het oog op de aanpassing van de regeling van het Verenigd Koninkrijk aan richtlijn 93/16 te nemen maatregelen, dat aan de minister van Volksgezondheid was voorgelegd. De minister heeft evenwel nog niet bekendgemaakt welke wettelijke regeling de regering van het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van dit rapport voornemens was vast te stellen. Wat het risico van ernstige en onherstelbare schade voor verzoeker zelf betreft, was de Commissie van mening dat er geen enkel verband bestond tussen de gestelde schade en de verlangde maatregelen.
15 Verzoeker heeft op 28 april 1994 een tweede verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat door de Commissie bij brief van 20 juni 1994 (bijlage 9 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak) is afgewezen.
16 Goldstein heeft in brieven gedagtekend 26 mei, 4 juli, 12 augustus en 28 september 1994 en 21 juni en 3 juli 1995 (bijlagen 1-4, 6 en 7 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak), nog andere verzoeken om voorlopige maatregelen ingediend en heeft bijkomende argumenten feitelijk en rechtens aangevoerd, betreffende enerzijds het gestelde concurrentiebeperkende karakter van de praktijken van de GMC in het kader van de Medical Qualifications (EEC Recognition) Order 1977, en anderzijds betreffende de door hem voor de nationale rechtbanken ingeleide procedures. Een van deze verzoeken strekte ertoe dat de Commissie, in het licht van bovenvermelde nieuwe argumenten, zou terugkomen van haar bij brief van 20 januari 1994 aan verzoeker meegedeelde weigering om voorlopige maatregelen toe te staan. Voorts verlangde verzoeker de vaststelling van diverse voorlopige maatregelen, hoofdzakelijk verband houdend met de procedure voor de nationale rechterlijke instanties.
17 Bij brief van 16 oktober 1995 (bijlage 10 bij het verzoekschrift in de hoofdzaak) heeft de Commissie al deze verzoeken om voorlopige maatregelen afgewezen."
3 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 24 december 1995, verzocht requirant om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 oktober 1995, waarbij de weigering om de gevraagde voorlopige maatregelen toe te staan, werd bevestigd.
4 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 10 januari 1996, diende requirant krachtens artikel 186 EG-Verdrag een verzoek om voorlopige maatregelen in. Dit strekte ertoe dat de Commissie zou worden gelast, zonder verwijl alle maatregelen te nemen die noodzakelijk waren ter bescherming van zijn rechtmatige belangen tijdens de procedure in de hoofdzaak, om te voorkomen dat het arrest in de hoofdzaak in de praktijk geen effect zou hebben voor zover hij beweerdelijk het gevaar liep van de markt te verdwijnen. De te nemen maatregelen dienden dus te waarborgen, dat requirant gedurende die periode een "communautaire status" van specialist reumatologie zou hebben. Daartoe vroeg requirant in het bijzonder, dat de Commissie zou worden gelast, het orgaan dat door de nieuwe Britse regeling van 1995 in het leven was geroepen, de Specialist Training Authority of the Medical Royal Colleges, te verbieden de hem door genoemde regeling toegekende bevoegdheden op het gebied van de medische opleiding van specialisten uit te oefenen.
5 Bij de bestreden beschikking heeft de president van het Hof het verzoek om voorlopige maatregelen afgewezen.
6 Volgens de bestreden beschikking viel het verzoek in kort geding, dat betrekking had op de inwerkingtreding van de nieuwe Britse wettelijke regeling van 1995 inzake de gespecialiseerde geneeskunde, niet binnen het kader van de definitieve uitspraak die het Gerecht op het beroep tot nietigverklaring in de hoofdzaak kon doen. Deze uitspraak kon immers hoe dan ook slechts de nietigverklaring inhouden van de weigering van de Commissie om bepaalde voorlopige maatregelen te nemen ten aanzien van in het kader van de oude Britse regeling gevolgde praktijken van de bevoegde overheden.
7 Bovendien werd in de bestreden beschikking overwogen, dat voor zover het verzoek in kort geding maatregelen betrof die niet vooraf aan de Commissie waren voorgelegd, dit verzoek eveneens buiten de grenzen van de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter viel, wiens rol erin bestaat, rechterlijk toezicht uit te oefenen op de handelingen van de Commissie op mededingingsgebied, en niet de plaats van de Commissie in te nemen bij de uitoefening van de aan deze instelling toegekende bevoegdheden.
8 De beschikking concludeerde derhalve, dat het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
9 Bovendien werd er in de beschikking op gewezen, dat in casu niet aan de voorwaarden ten gronde inzake enerzijds de spoedeisendheid en anderzijds het bestaan van een fumus boni juris was voldaan. Met betrekking tot de spoedeisendheid werd opgemerkt, dat requirant zich ertoe beperkte te stellen, dat hij het gevaar liep zijn titel van specialist te verliezen, zonder evenwel aan te tonen dat dit risico onvermijdelijk was. Daarenboven, zelfs indien requirant tijdens de procedure in de hoofdzaak zijn titel zou verliezen, leverde hij niet het bewijs dat hij onherstelbare schade zou lijden. Inzake de fumus boni juris stelde de beschikking vast, dat het middel dat requirant had aangevoerd ten betoge dat het besluit van de Commissie ontoereikend was gemotiveerd omdat daarin niet werd verwezen naar het arrest van het Hof van 10 mei 1995 (zaak C-384/93, Alpine Investments, Jurispr. 1995, blz. I-1141), betrekking had op een vraag ten gronde, te weten de wettigheid van de door requirant aan de orde gestelde nationale maatregelen, en dus irrelevant was, aangezien het bestreden besluit uitsluitend was gemotiveerd door het ontbreken van spoedeisendheid van de gevraagde maatregelen.
10 In het kader van de onderhavige hogere voorziening verzoekt requirant het Hof, de bestreden beschikking nietig te verklaren, de Commissie te gelasten alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn rechtmatige belangen en de Commissie in de kosten van het kort geding te verwijzen.
11 De Commissie heeft bij op 31 mei 1996 ter griffie neergelegde akte schriftelijke opmerkingen ingediend.
12 Aangezien de schriftelijke opmerkingen van partijen alle gegevens bevatten die nodig zijn om in hogere voorziening uitspraak te doen, is het niet nodig partijen in hun mondelinge opmerkingen te horen.
Argumenten van requirant
13 Requirant baseert deze hogere voorziening op één middel, ontleend aan ontoereikende motivering van de bestreden beschikking.
14 De opmerkingen van requirant bestaan voornamelijk in een volledige herhaling van alle argumenten ten gronde die hij in het kader van de administratieve procedure aan de Commissie heeft voorgelegd en in het kader van het verzoek in kort geding aan de president van het Gerecht.
15 Wat meer in het bijzonder de motivering van de bestreden beschikking betreft, stelt requirant om te beginnen dat, in tegenstelling tot hetgeen de beschikking vermeldt, het voorwerp van het beroep in de hoofdzaak en dat van het verzoek in kort geding hetzelfde is, te weten de vaststelling van voorlopige maatregelen die requirant in staat stellen een commercieel rendabele dienstverlening aan te bieden als "communautair medisch specialist", die vanuit het Verenigd Koninkrijk medische diensten in reumatologie verstrekt aan patiënten op het grondgebied van de Lid-Staten, overeenkomstig de voorschriften van richtlijn 93/16. Requirant is van oordeel, dat de draagwijdte van het bestreden besluit van de Commissie, hoewel dit betrekking heeft op bepaalde praktijken van de GMC onder de oude Britse regeling, aldus kan worden uitgelegd, dat het in wezen ook de aan het Gerecht gevraagde voorlopige maatregelen dekt.
16 Requirant beklemtoont vervolgens, dat het ontbreken van spoedeisendheid in de bestreden beschikking onjuist is gemotiveerd. Requirant betoogt dienaangaande, dat hij het bestaan van ernstige en onherstelbare schade genoegzaam heeft aangetoond; hij herinnert eraan, dat hij geen patiënten kan behandelen die door een stelsel van ziekteverzekering zijn gedekt, aangezien het merendeel van de particuliere verzekeringsmaatschappijen de prestaties van specialisten die geen consultant zijn of die geen certificaat van "higher specialist training" bezitten, niet vergoeden; bovendien mag hij zich volgens de door de GMC vastgestelde reclamevoorschriften niet rechtstreeks bij het publiek bekendmaken; ten slotte zenden huisartsen hun patiënten normalerwijze door naar consultants en ontraadt de GMC de specialisten, zonder hun dit te verbieden, patiënten aan te nemen die zich rechtstreeks tot hen wenden. Requirant is van oordeel dat zijn schade onherstelbaar is, omdat hij in die omstandigheden geen alternatieve mogelijkheid heeft om activiteiten als specialist in reumatologie uit te oefenen overeenkomstig de voorschriften van richtlijn 93/16.
17 Wat de fumus boni juris betreft, wijst requirant erop, dat de in het reeds aangehaalde arrest Alpine Investments vastgestelde beginselen a priori relevant zijn om de nietigverklaring van het bestreden besluit te rechtvaardigen, aangezien de voorschriften die de reclame voor diensten van medische specialisten in het Verenigd Koninkrijk regelen, hem niet toelaten een commercieel rendabele dienstverlening aan te bieden, doordat zij het werven van cliënten per telefoon verbieden.
Argumenten van verweerster
18 De Commissie merkt in de eerste plaats op, dat de meeste van de in het verzoekschrift in hogere voorziening aangevoerde overwegingen voor de beoordeling van de geldigheid van de bestreden beschikking irrelevant zijn.
19 Wat de ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige maatregelen betreft, heeft de president van het Gerecht volgens de Commissie terecht geoordeeld, dat requirant niet indirect de nieuwe Britse regeling ter discussie kan stellen via een verzoek om voorlopige maatregelen, ingediend in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 oktober 1995.
20 De Commissie overweegt voorts, dat requirant, door toe te geven dat hij zijn activiteiten als specialist zou kunnen hernemen ingeval hij in de grond van de zaak in het gelijk mocht worden gesteld, de beoordeling van de president van het Gerecht dat de beweerde schade hoe dan ook niet onherstelbaar was, heeft bevestigd.
21 Ten slotte betoogt de Commissie, dat de hogere voorziening de redenering die in de bestreden beschikking wordt gevolgd om het ontbreken van een fumus boni juris in de hoofdzaak vast te stellen, niet opnieuw in geding brengt.
Beoordeling
22 Naar luid van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG kan de hogere voorziening alleen rechtsvragen betreffen en moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht of schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Aangezien voormelde bepalingen ook op de overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van 's Hof Statuut-EG ingestelde hogere voorzieningen van toepassing zijn, moet het onderhavige beroep worden beperkt tot rechtsvragen, zonder dat de feitelijke beoordelingen op basis waarvan de rechter in kort geding de voorlopige maatregelen heeft geweigerd, in enigerlei opzicht weer in geding kunnen worden gebracht (zie beschikking van 19 juli 1995, zaak C-149/95 P(R), Atlantic Container Line e.a., Jurispr. 1995, blz. I-2165, r.o. 18).
23 Uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt voorts, dat het verzoekschrift in hogere voorziening nauwkeurig de aangevochten elementen van de beschikking moet aanduiden, alsmede de argumenten rechtens die tot staving van het verzoek om nietigverklaring van de beschikking worden aangevoerd.
24 Volgens vaste rechtspraak voldoet een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° met inbegrip van die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk niet heeft aanvaard ° herhaalt of letterlijk overneemt, niet aan dit vereiste. Een dergelijk hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EG niet bevoegd is (zie onder meer beschikking van 17 oktober 1995, zaak C-62/94 P, Turner/Commissie, Jurispr. 1995, blz. I-3177, r.o. 17).
25 Voor het overige zij met betrekking tot het vereiste van motivering van een beschikking in kort geding opgemerkt, dat van de rechter in kort geding niet kan worden verlangd, dat hij uitdrukkelijk antwoordt op alle in de loop van het kort geding besproken feitelijke en rechtsvragen. Het is voldoende, dat de door hem in aanmerking genomen redenen, gelet op de omstandigheden van de zaak, zijn beschikking naar behoren rechtvaardigen en het Hof in staat stellen zijn rechterlijke controle uit te oefenen (zie beschikking Atlantic Container Line e.a., reeds aangehaald, r.o. 58).
26 Met betrekking tot de onderhavige hogere voorziening zij erop gewezen, dat de kern van de door requirant aangevoerde overwegingen een zuivere en eenvoudige herhaling vormt van de opmerkingen die hij in het kader van de administratieve procedure onder de aandacht van de Commissie had gebracht en die hij vervolgens aan de president van het Gerecht heeft voorgelegd. Deze overwegingen, die betrekking hebben op de werking van de medische markt in het Verenigd Koninkrijk en op de toepassing van de artikelen 85, 86, en 90 EG-Verdrag, alsmede op de uitlegging van richtlijn 93/16 en de omzetting daarvan in deze Lid-Staat, zijn in het kader van de onderhavige hogere voorziening volstrekt irrelevant. Deze overwegingen hebben immers geen betrekking op de conclusies van de bestreden beschikking volgens welke het voorwerp van de procedure in kort geding niet samenvalt met dat van de vordering in de hoofdzaak en niet het bewijs is geleverd van ernstige en onherstelbare schade, noch van een fumus boni juris, en kunnen deze conclusies bijgevolg niet opnieuw ter discussie stellen.
27 Er moet dus alleen worden onderzocht, of de weinige argumenten van de hogere voorziening die specifiek zijn aangevoerd tegen de motivering van de bestreden beschikking, erop wijzen dat deze niet of gebrekkig met redenen is omkleed.
28 Wat betreft de voorwaarde inzake de spoedeisendheid, volgens welke het bewijs van ernstige en onherstelbare schade moet worden geleverd, wordt in de beschikking vastgesteld, dat requirant zich enerzijds ertoe heeft beperkt, aan te voeren dat hij het gevaar liep zijn titel van specialist te verliezen, zonder de door de nieuwe regeling geboden mogelijkheid in overweging te nemen om onder bepaalde voorwaarden zijn inschrijving in het "specialistenregister" te bekomen, en anderzijds niet heeft verduidelijkt, waarom het tijdelijke verlies van zijn titel van specialist hem onherstelbare schade berokkende.
29 Requirant voert tegen de bestreden beschikking slechts aan, dat zijn schade onherstelbaar is, aangezien hij bij gebreke van voorlopige maatregelen geen enkele alternatieve mogelijkheid heeft om diensten als medisch specialist te verrichten overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 93/16.
30 Dienaangaande kan worden opgemerkt dat ° gesteld al dat vast zou staan, dat de nieuwe regeling het requirant onmogelijk maakt, op rendabele wijze zijn activiteiten als specialist uit te oefenen ° het feit dat hij genoemde activiteiten zou kunnen hervatten ingeval hij in de hoofdzaak in het gelijk wordt gesteld, in de bestreden beschikking definitief is vastgesteld en in het kader van de hogere voorziening overigens niet wordt betwist. Bovendien wordt de in de bestreden beschikking vervatte redenering volgens welke het, bij gebreke van enig door requirant geleverd bewijs, niet aannemelijk is dat, in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, de tijdelijke onderbreking van de activiteit van requirant tot moeilijk herstelbare schade zou leiden, zelfs indien hij vervolgens in de hoofdzaak in het gelijk zou worden gesteld, door requirant met geen enkel argument in twijfel getrokken.
31 In die omstandigheden moet de hogere voorziening op dit punt worden afgewezen, aangezien zij de in de bestreden beschikking vervatte redenering volgens welke requirant geen enkel bewijs van onherstelbare schade heeft geleverd, niet opnieuw ter discussie stelt.
32 Voor zover is vastgesteld, dat in de bestreden beschikking het ontbreken van spoedeisendheid op juiste en voldoende wijze met redenen is omkleed, moet de hogere voorziening worden afgewezen, zonder dat de argumenten van requirant betreffende de ontvankelijkheid van zijn verzoek in kort geding en het bestaan van een fumus boni juris hoeven te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien requirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten van de onderhavige procedure te worden verwezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirant wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 11 juli 1996.
Full & Egal Universal Law Academy