Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorlopige maatregelen ° "Fumus boni juris" ° Ernstige en onherstelbare schade ° Cumulatieve voorwaarden ° Consequenties in kader van hogere voorziening
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83, lid 2; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid ° Toepassing in hogere voorziening tegen beschikking in kort geding
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 50, tweede alinea, en 51, eerste alinea)
3. Hogere voorziening ° Middelen ° Ontoereikende motivering ° Toepassing in geval van beschikkingen in kort geding
Samenvatting
1. De opschorting van de tenuitvoerlegging en de andere voorlopige maatregelen kunnen door de rechter in kort geding worden toegestaan, indien vaststaat, dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn, in die zin dat zij noodzakelijk zijn ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van de verzoeker en reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak effect moeten sorteren. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat het verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen, wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan.
In het kader van een hogere voorziening tegen een beschikking waarbij een verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen, omdat de maatregelen waarom was verzocht niet spoedeisend waren, kunnen middelen betreffende de fumus boni juris, waarmee evenwel niet wordt betwist dat er geen sprake was van spoedeisendheid van de maatregelen waarom was verzocht, bijgevolg niet tot een, al was het maar gedeeltelijke, vernietiging van de beschikking in kort geding leiden.
2. De bepalingen van artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG, volgens welke de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht, gelden eveneens voor de hogere voorzieningen die overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van dit Statuut zijn ingesteld tegen de beslissingen van het Gerecht in kort geding.
3. Van de rechter in kort geding kan niet worden geëist, dat hij uitdrukkelijk antwoordt op alle in de loop van het kort geding besproken rechtsvragen en feitelijke vragen. Het is voldoende, dat de door hem in aanmerking genomen redenen, gelet op de omstandigheden van de zaak, zijn beschikking behoorlijk rechtvaardigen en het Hof in geval van een hogere voorziening in staat stellen zijn rechterlijke controle uit te oefenen.
Partijen
In zaak C-268/96 P(R),
Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf, stichting naar Nederlands recht, gevestigd te Culemborg (Nederland),
Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven, vereniging naar Nederlands recht, gevestigd te Culemborg (Nederland),
beiden vertegenwoordigd door M. van Empel, advocaat te Amsterdam, en T. Janssens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
requiranten,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 4 juni 1996 in zaak T-18/96 R (Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven/Commissie, Jurispr. 1996, blz. II-407) en strekkende tot:
° vernietiging van deze beschikking, verlening van uitstel van betaling van de bij de, in de hoofdzaak aangevochten, beschikking opgelegde geldboete, alsmede opschorting van de verplichting om een gelijkwaardige zekerheid te stellen en verlening van individuele toegang tot de dossiers van de Commissie,
of, subsidiair,
° tot vernietiging van de beschikking en terugverwijzing van het geschil naar het Gerecht voor opnieuw afdoening,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 7 augustus 1996 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hebben de Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf (hierna: "SCK") en de Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven (hierna: "FNK") overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 4 juni 1996 in zaak T-18/96 R (Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven/Commissie, Jurispr. 1996, blz. II-407; hierna: "beschikking in kort geding"), waarbij hun verzoek in kort geding is afgewezen.
2 Bij op 26 augustus 1996 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
3 Blijkens de beschikking in kort geding heeft de Commissie naar aanleiding van klachten van concurrerende ondernemingen een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van SCK en FNK teneinde te beoordelen of zij op de markt van de verhuur van mobiele kranen inbreuk maakten op de mededingingsregels van het Verdrag (r.o. 3).
4 Op 29 november 1995 stelde de Commissie beschikking 95/551/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.179, 34.202, 34.216 ° Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en de Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven) (PB 1995, L 312, blz. 79; hierna: "beschikking van de Commissie") vast, die zij tot requiranten heeft gericht. Volgens deze beschikking hebben FNK en SCK beiden inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (artikelen 1 en 3), de eerste door een stelsel van "adviesprijzen" te hanteren die golden voor de verhuur van kranen aan niet aangesloten ondernemingen, en een stelsel van "verrekentarieven" die golden voor het inhuren van kranen tussen de bij haar aangesloten ondernemingen onderling, en de tweede door de bij SCK aangesloten ondernemingen te verbieden, kranen te huren bij niet aangesloten ondernemingen. Requiranten moeten onverwijld een einde maken aan deze inbreuk, indien zij dit nog niet hebben gedaan (artikelen 2 en 4). Bovendien is hun een geldboete van 11 500 000 ECU, respectievelijk 300 000 ECU opgelegd (artikel 5).
5 Bij op 2 februari 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben requiranten beroep ingesteld, strekkende primair tot vaststelling dat de beschikking van de Commissie non-existent is, subsidiair tot nietigverklaring van deze beschikking en meer subsidiair tot gedeeltelijke vernietiging van deze beschikking, in dier voege dat hun geen enkele geldboete wordt opgelegd (r.o. 9).
6 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde en bij brief van 4 april 1996 gewijzigde afzonderlijke akte hebben requiranten krachtens artikel 185 van het Verdrag verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 5 van de beschikking van de Commissie, waarbij aan elk van hen een geldboete wordt opgelegd, teneinde te worden ontslagen van de verplichting om deze geldboete onmiddellijk te betalen, alsmede van de verplichting, een zekerheid voor een gelijkwaardig bedrag te stellen. Bij dezelfde akte verzochten zij verder om voorlopige maatregelen, ertoe strekkende dat de Commissie wordt gelast aan hen toegang te verlenen tot de dossiers in de zaken IV/34.179, 34.202 en 34.216, alsmede tot de andere dossiers die ten grondslag liggen aan de beschikking van de Commissie (r.o. 10).
7 Bij de beschikking in kort geding heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen.
8 Ter rechtvaardiging van deze beslissing stelde hij om te beginnen vast, dat ter beoordeling van de spoedeisendheid van de gevraagde maatregel moest worden onderzocht of het eenvoudige stellen van een bankgarantie voor SCK en FNK ernstige en onherstelbare schade tot gevolg zou kunnen hebben (r.o. 31). Requiranten hadden betoogd dat het verkrijgen van een bankgarantie, met de daarmee samenhangende kosten, in verband met hun financiële situatie slechts hun einde kon betekenen (r.o. 32).
9 In dit verband bracht hij in herinnering dat ingeval een inbreuk op de mededingingsregels wordt gepleegd door middel van een besluit van een ondernemersvereniging, het maximum van de geldboete moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden (r.o. 33). Op deze grondslag onderzocht hij vervolgens de bepalingen van de statuten en de reglementen van SCK en FNK en concludeerde hij dat "de objectieve belangen van verzoeksters dus niet op het eerste gezicht autonoom kunnen worden geacht ten opzichte van de belangen van de bij FNK aangesloten en/of van de diensten van SCK profiterende ondernemingen" (r.o. 34).
10 Derhalve stelde de president van het Gerecht zich op het standpunt, dat het risico van ernstige en onherstelbare schade moest worden beoordeeld met inachtneming van de omvang en de economische macht van de bij de federatie aangesloten en/of van de diensten van de stichting profiterende ondernemingen (r.o. 35). Vervolgens merkte hij op, dat hun financiële situatie toereikend was om de verlangde bankgarantie te stellen, hetgeen ook gold voor SCK. Wat deze laatste betreft, heeft hij na een gedetailleerd onderzoek van het dossier vastgesteld, dat ofschoon SCK een stichting was die als zodanig autonoom had moeten optreden, zij in feite optrad in het kader van FNK en dezelfde activiteiten uitoefende en dezelfde doeleinden nastreefde als laatstgenoemde (r.o. 36-39).
11 Het verzoek in kort geding werd bijgevolg afgewezen, omdat er geen sprake was van ernstige en onherstelbare schade.
12 Met betrekking tot het door requiranten ingediende verzoek om toegang tot het dossier ten slotte, wordt in de beschikking in kort geding verklaard, dat deze maatregel in beginsel deel uitmaakt van de maatregelen tot organisatie van de procesgang of de instructiemaatregelen, die het Gerecht bevoegd is te nemen, en niet van de voorlopige maatregelen die in het kader van een procedure in kort geding worden genomen (r.o. 41).
13 Aangezien de schriftelijke opmerkingen van partijen alle inlichtingen bevatten die nodig zijn om op de hogere voorziening uitspraak te kunnen doen, zijn er geen termen aanwezig om partijen in hun mondelinge toelichtingen te horen.
Argumenten van partijen
14 In hun verzoek om hogere voorziening voeren requiranten tien middelen aan tegen de beschikking in kort geding.
15 In de eerste plaats zijn zij van mening dat hun middel betreffende de non-existentie van de beschikking van de Commissie van zodanig belang was, dat aan dit middel niet kon worden voorbijgegaan zonder daarvoor een motivering te geven.
16 In de tweede plaats zouden, wat FNK betreft, in de beschikking in kort geding twee los van elkaar te beoordelen vragen dooreen worden gehaald, namelijk de juistheid van de aan FNK opgelegde geldboete enerzijds en het bestaan van ernstige en onherstelbare schade die FNK dreigt te lijden in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie anderzijds. Zo de hoogte van de geldboete juist was, dan zou FNK niettemin de enige debiteur zijn en zou zij dreigen te verdwijnen indien zij gedwongen werd een bankgarantie te stellen voor een gelijkwaardig bedrag. De beschikking in kort geding zou dus in strijd zijn met het gemeenschapsrecht en gebrekkig zijn gemotiveerd.
17 In de derde plaats herinneren zij eraan, dat het in de door de Commissie gevoerde procedure ging om twee feitencomplexen, namelijk enerzijds een stelsel van "adviesprijzen" die golden voor de verhuur van kranen aan niet aangesloten ondernemingen, en anderzijds een stelsel van "verrekentarieven" die golden voor het inhuren van kranen tussen bij FNK aangesloten ondernemingen onderling en die voor deze laatsten niet bindend waren. In de beschikking in kort geding zou de mogelijkheid van FNK om een bankgarantie te stellen evenwel zijn beoordeeld, uitgaande van een op alle bij FNK aangesloten ondernemingen gezamenlijk rustende verplichting, terwijl deze ondernemingen nooit verplicht zouden zijn geweest om de verrekentarieven toe te passen. De in de beschikking in kort geding gevolgde redenering zou dus ongefundeerd en onvoldoende gemotiveerd zijn.
18 In de vierde plaats zou in de beschikking in kort geding, wat FNK betreft, onvoldoende onderscheid worden gemaakt tussen de adviestarieven en de verrekentarieven. Aldus zou zij in strijd zijn met het gemeenschapsrecht en onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat zij zou berusten op een onjuiste en in ieder geval op een verwarde beoordeling van de feiten.
19 In de vijfde plaats zou de beschikking in kort geding, wat SCK betreft, evenals ten aanzien van FNK, het vraagstuk van de hoogte van de geldboete verwarren met het bestaan van onherstelbare schade.
20 In de zesde plaats zou voorbij zijn gegaan aan het feit dat een stichting als SCK geen ondernemersvereniging is in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, zodat de beschikking in kort geding in strijd zou zijn met deze bepaling en op dit punt onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
21 In de zevende plaats zou het belang van SCK, in tegenstelling tot hetgeen in de beschikking in kort geding wordt verklaard, autonoom zijn ten opzichte van de ondernemingen waarmee zij is verbonden in het kader van de certificatie van kranen. De beschikking in kort geding zou dus niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende feiten en zou op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd.
22 In de achtste plaats zouden de banden van SCK met FNK en de leden van laatstgenoemde onjuist zijn beoordeeld, omdat deze beoordeling grotendeels berustte op feitelijke gegevens die geen gelding meer hadden gedurende de periode van het onderzoek, en omdat daarbij geen rekening was gehouden met de voorwaarden waarop de erkenning van SCK door de Nederlandse Raad voor de Certificatie berustte. Bovendien zou de beschikking in kort geding op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd.
23 In de negende plaats zou in de beschikking in kort geding het gemeenschapsrecht worden geschonden en zou deze beschikking onvoldoende zijn gemotiveerd, voorzover daarin wordt overwogen dat de financiële positie van de leden van FNK mede moet worden betrokken bij de beoordeling van de financiële positie van SCK, terwijl deze leden niet aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden voor de gedragingen van SCK.
24 In de tiende plaats zou de afwijzing van het verzoek om toegang tot het dossier in de beschikking in kort geding op een te formalistische interpretatie van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht berusten en zou zij in strijd met de goede procesorde zijn.
25 De Commissie betoogt om te beginnen, dat in het eerste en het zesde middel niet het ontbreken van spoedeisendheid, waarop de afwijzing van het verzoek om voorlopige maatregelen is gebaseerd, wordt betwist.
26 Met betrekking tot het tweede en het vijfde middel is de Commissie van mening, dat in de beschikking in kort geding de vraag of de hoogte van de geldboete juist is, niet wordt verward met de vraag of er sprake is van onherstelbare schade.
27 Voor zover met het derde, het vierde, het zevende en het achtste middel wordt opgekomen tegen een beoordeling van de feiten door de president van het Gerecht, moeten zij volgens de Commissie niet-ontvankelijk worden verklaard.
28 Het negende middel, betreffende een gestelde aansprakelijkheid van de leden van FNK voor de gedragingen van SCK, berust volgens de Commissie op een foutieve lezing van de beschikking in kort geding.
29 Aangaande het verzoek om toegang tot de dossiers ten slotte, merkt de Commissie op, dat requiranten enerzijds niet uitleggen in welk opzicht het Reglement voor de procesvoering in de beschikking in kort geding verkeerd zou zijn geïnterpreteerd, en dat dit verzoek anderzijds kennelijk aan geen van de voorwaarden voor voorlopige maatregelen voldoet.
In rechte
Het eerste en het zesde middel
30 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de opschorting van de tenuitvoerlegging en de andere voorlopige maatregelen door de rechter in kort geding kunnen worden toegestaan, indien vaststaat, dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn, in die zin dat zij noodzakelijk zijn ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van de verzoeker en reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak effect moeten sorteren. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat het verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen, wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan.
31 In casu is het verzoek om voorlopige maatregelen afgewezen, omdat de maatregelen waarom was verzocht, niet spoedeisend waren. Bijgevolg kunnen in het kader van deze hogere voorziening middelen betreffende de fumus boni juris, waarmee evenwel niet wordt betwist dat er geen sprake was van spoedeisendheid van de maatregelen waarom was verzocht, niet tot een, al was het maar gedeeltelijke, vernietiging van de beschikking in kort geding leiden.
32 Onder deze omstandigheden moeten het eerste en het zesde middel van requiranten, die betrekking hebben op de beoordeling van de fumus boni juris van het verzoek om voorlopige maatregelen, met inbegrip van het middel betreffende de non-existentie van de beschikking van de Commissie, worden verworpen, voor zover zij niet kunnen afdoen aan de afwijzing, door de president van het Gerecht, van het verzoek om voorlopige maatregelen op grond dat deze maatregelen niet spoedeisend waren.
Het tweede en het vijfde middel
33 In deze beide middelen stellen requiranten, dat in de beschikking in kort geding twee los van elkaar te beoordelen vraagstukken, namelijk de juistheid van de hoogte van de opgelegde geldboete en het bestaan van onherstelbare schade, door elkaar worden gehaald.
34 Uit de beschikking in kort geding blijkt dat de president van het Gerecht ter beoordeling van de vraag of voor requiranten ernstige en onherstelbare schade dreigde, heeft onderzocht of enkel rekening moest worden gehouden met de financiële situatie van SCK en FNK, dan wel of ook rekening diende te worden gehouden met de omvang en de economische macht van de bij de federatie aangesloten en/of van de diensten van de stichting profiterende ondernemingen.
35 In het kader van dit onderzoek heeft hij eerst erop gewezen, dat ingeval een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag wordt gepleegd door middel van een besluit van een ondernemersvereniging, het maximum van de geldboete moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden (r.o. 33). Vervolgens onderzocht hij of bij FNK en SCK aan deze voorwaarde werd voldaan. Hij stelde zich daarbij op het standpunt, dat "de objectieve belangen van verzoeksters dus niet op het eerste gezicht autonoom kunnen worden geacht ten opzichte van de belangen van de bij FNK aangesloten en/of van de diensten van SCK profiterende ondernemingen" (r.o. 34).
36 Op basis van deze verstrengeling van de belangen van requiranten met de belangen van de bij hen aangesloten of van hun diensten profiterende ondernemingen kon vervolgens in rechtsoverweging 35 van de beschikking in kort geding worden geconcludeerd, dat het risico van schade moest worden beoordeeld met inachtneming van de omvang en de economische macht van de bij de federatie aangesloten en/of van de diensten van de stichting profiterende ondernemingen.
37 Het vraagstuk van de juistheid van de hoogte van de opgelegde geldboeten wordt dus niet, zoals requiranten stellen, verward met het vraagstuk van het bestaan van onherstelbare schade. Ofschoon in de beschikking in kort geding inderdaad in rechtsoverweging 35 wordt verwezen naar de rechtspraak van het Gerecht inzake de berekening van de hoogte van de geldboeten in geval van ondernemersverenigingen, is dit enkel gedaan om te beoordelen in hoeverre de objectieve belangen van requiranten autonoom waren ten opzichte van de belangen van de bij hen aangesloten of van hun diensten profiterende ondernemingen.
38 Met de redenering op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de hoogte van de geldboeten moet worden berekend met inachtneming van de omzet van de betrokken ondernemingen en niet van SCK en FNK alleen, kan derhalve eveneens worden verklaard waarom het risico van ernstige en onherstelbare schade op dezelfde wijze wordt beoordeeld.
39 Uit het voorgaande volgt dat in de beschikking in kort geding op dit punt geen sprake is van een rechtsdwaling.
Het derde, het vierde, het zevende en het achtste middel
40 Wat FNK betreft, stellen requiranten in hun vierde middel dat onderscheid, althans voldoende onderscheid had moeten worden gemaakt tussen de adviestarieven en de verrekentarieven, en in hun derde middel dat in het bijzonder de mogelijkheid van betaling van de geldboete of het stellen van de bankgarantie niet kon worden beoordeeld op basis van het bestaan van een binding van alle bij FNK aangesloten ondernemingen aan de in gemeen overleg vastgestelde verrekentarieven.
41 Na een gedetailleerde beschrijving van de werking van het certificatiesysteem van SCK, voeren requiranten in het kader van het zevende middel eveneens aan, dat de mate van autonomie van SCK ten opzichte van de door haar gecertificeerde ondernemingen verkeerd is beoordeeld.
42 Ten slotte voeren zij in het achtste middel als grief aan, dat de beschikking in kort geding gebaseerd zou zijn op feiten die geen gelding, c.q. geen gelding meer, hadden op het moment dat de litigieuze handelingen plaats vonden, dat zij een dwaling zou bevatten met betrekking tot de precieze samenstelling van SCK en ten slotte, dat daarin onvoldoende rekening werd gehouden met het feit dat SCK door de Nederlandse Raad voor de Certificatie was erkend op grond dat de samenstelling van de bestuursorganen van SCK zodanig was dat de neutraliteit en onafhankelijkheid van SCK gewaarborgd waren.
43 Ingevolge artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
44 Zoals blijkt uit de beschikking van 19 juli 1995 [zaak C-149/95 P(R), Atlantic Container Line e.a., Jurispr. 1995, blz. I-2165, r.o. 18] gelden deze bepalingen eveneens voor de hogere voorzieningen die zijn ingesteld overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
45 Voor zover met het derde, het vierde, het zevende en het achtste middel rechtstreeks wordt opgekomen tegen de beoordeling van de feiten door de president van het Gerecht, moeten deze middelen dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
46 Verder kan het derde middel aldus worden opgevat, dat de beschikking in kort geding zou zijn gebaseerd op kennelijk onjuiste feiten, namelijk het bestaan van een binding van alle bij FNK aangesloten ondernemingen aan de in gemeen overleg vastgestelde verrekentarieven.
47 Dienaangaande wordt door requiranten niet betwist, dat alle bij FNK aangesloten leden verplicht waren het andere tariefstelsel van FNK, betreffende de adviesprijzen die golden voor de verhuur van kranen aan niet aangesloten ondernemingen, toe te passen. Deze vaststelling volstaat om te concluderen dat de belangen van FNK op het eerste gezicht niet autonoom konden worden geacht ten opzichte van de belangen van alle bij haar aangesloten ondernemingen.
Het negende middel
48 Requiranten zijn van oordeel dat de tussen hen bestaande banden niet van dien aard waren, dat kon worden geconcludeerd dat de leden van FNK aansprakelijk moesten worden gehouden voor de gedragingen van SCK.
49 Zoals de Commissie terecht opmerkt, berust dit middel op een foutieve lezing van rechtsoverweging 38 van de beschikking in kort geding. Er is namelijk nergens sprake van, dat de leden van FNK aansprakelijk zouden worden gehouden voor de gedragingen van SCK. De president van het Gerecht heeft zich niet uitgesproken over een dergelijke vraag van civielrechtelijke aansprakelijkheid, maar enkel over de vraag of, in het kader van de beoordeling van de dreiging van ernstige en onherstelbare schade, rekening moest worden gehouden met de omzet van de ondernemingen die profiteren van de certificatiediensten van SCK.
Het tiende middel
50 Volgens het tiende middel is in de beschikking in kort geding het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht onjuist geïnterpreteerd.
51 Bij gebreke van een nadere precisering tot staving van deze bewering, blijkt evenwel niet dat in de beschikking in kort geding sprake is van een rechtsdwaling, waar daarin wordt beslist dat de gevraagde toegang tot het dossier in beginsel deel uitmaakte van de maatregelen tot organisatie van de procesgang of de instructiemaatregelen, en dat het Gerecht dit verzoek diende in te willigen in de procedure in de hoofdzaak.
De motivering van de beschikking in kort geding
52 Wat de bij elk van de tien middelen in hogere voorziening aangevoerde grieven betreffende de motivering van de beschikking in kort geding betreft, zij opgemerkt dat met betrekking tot de vereiste motivering van een beschikking in kort geding van de rechter in kort geding niet kan worden geëist, dat hij uitdrukkelijk antwoordt op alle in de loop van het kort geding besproken rechtsvragen en feitelijke vragen. Het is voldoende, dat de door hem in aanmerking genomen redenen, gelet op de omstandigheden van de zaak, zijn beschikking behoorlijk rechtvaardigen en het Hof in staat stellen zijn rechterlijke controle uit te oefenen (beschikking Atlantic Container Line e.a., reeds aangehaald, r.o. 58).
53 In casu blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, en vooral uit de rechtsoverwegingen 33 tot en met 38, dat de beschikking in kort geding zodanig met redenen is omkleed dat deze de daarin gegeven beslissing kan rechtvaardigen en het Hof in staat stelt zijn rechterlijke controle uit te oefenen.
54 De grieven betreffende de ontoereikende en gebrekkige motivering van de beschikking in kort geding moeten derhalve worden verworpen.
55 Aangezien alle middelen niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard, dient de hogere voorziening te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement van de procesvoering wordt de partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten verwezen. Aangezien requiranten in hogere voorziening in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij de kosten van deze procedure in hogere voorziening te dragen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requiranten worden verwezen in de kosten.
Luxemburg, 14 oktober 1996.
Full & Egal Universal Law Academy