Samenvatting
Trefwoorden
1 Kort geding - Voorlopige maatregelen - Maatregelen die door verzoeker niet uitdrukkelijk zijn gevorderd - Beoordelingsbevoegdheid van rechter in kort geding
(EG-Verdrag, art. 186)
2 Kort geding - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - "Fumus boni iuris" - Ernstige en onherstelbare schade - Beoordelingsbevoegdheid van rechter in kort geding
(EG-Verdrag, art. 186)
3 Kort geding - Voorlopige maatregelen - Beroep in hoofdzaak strekkende tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap - Toekenning van voorschot - Recht op volledige en doeltreffende rechtsbescherming - Toelaatbaarheid - Voorwaarden - Afweging van alle betrokken belangen - Maatregel waarvan restrictief gebruik moet worden gemaakt
(EG-Verdrag, art. 178, 186 en 215, tweede alinea)
Samenvatting
4 Zowel de vraag of het passend is om andere dan de door requirant uitdrukkelijk gevorderde maatregelen te treffen, als de vraag of partijen in hun mondelinge opmerkingen moeten worden gehoord, vallen binnen de beoordelingsbevoegdheid waarover de rechter in kort geding in het kader van het onderzoek van een verzoek in kort geding beschikt.
Zo van de rechter in kort geding niet kan worden geëist, dat hij uitdrukkelijk antwoordt op alle in de loop van de procedure in kort geding besproken rechtsvragen en feitelijke vragen, geldt zulks a fortiori voor voorlopige maatregelen die in het verzoek in kort geding niet zijn vermeld.
5 Voorlopige maatregelen kunnen door de rechter in kort geding worden verleend, indien vaststaat, dat toekenning ervan op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni iuris) en dat zij spoedeisend zijn in die zin, dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is, dat zij reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak worden uitgesproken en effect sorteren. Zij moeten bovendien voorlopig zijn in die zin, dat zij niet vooruitlopen op de rechtspunten of feitelijke punten in geding, noch de gevolgen van de later in de hoofdzaak te nemen beslissing bij voorbaat ongedaan maken.
In het kader van dit algemene onderzoek beschikt de rechter in kort geding over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen, hoe deze verschillende voorwaarden moeten worden onderzocht. Deze beoordelingsbevoegdheid moet worden uitgeoefend met inachtneming van de bijzonderheden van elk betrokken geval.
6 Een absoluut verbod, ongeacht de betrokken omstandigheden, om in het kader van een verzoek in kort geding een maatregel te verkrijgen waarbij (bij wijze van voorschot) een deel van de in de hoofdzaak uit hoofde van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag gevorderde vergoeding wordt toegekend, en die ertoe strekt de belangen van requirant tot de datum van de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak te beschermen, zou in strijd zijn met het recht op een volledige en doeltreffende rechtsbescherming, dat de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen. Dat recht houdt onder meer in, dat de voorlopige bescherming van de justitiabelen moet kunnen worden verzekerd, indien deze noodzakelijk is voor de volle werking van de toekomstige definitieve uitspraak. Derhalve kan niet bij voorbaat, op algemene en abstracte wijze, worden uitgesloten dat een betaling bij wijze van voorschot, ook al stemt het bedrag ervan overeen met dat van de vordering in de hoofdzaak, noodzakelijk is om de werking van het arrest in de hoofdzaak te waarborgen en in voorkomend geval, gelet op de betrokken belangen, gerechtvaardigd voorkomt. Dienaangaande staat het aan de rechter in kort geding bij wie een dergelijk verzoek is ingediend, het belang dat de verzoeker heeft bij vermijding van een verslechtering van zijn financiële situatie, die tot definitieve beëindiging van zijn activiteiten kan leiden, af te wegen tegen het risico, dat de gevorderde bedragen in geval van verwerping van het beroep in de hoofdzaak niet kunnen worden gerecupereerd.
Van een maatregel als de onderhavige, die eerder dan andere maatregelen feitelijk tot onomkeerbare gevolgen kan leiden, inzonderheid indien de verzoeker naderhand insolvent raakt, moet uiteraard een restrictief gebruik worden gemaakt. Zij moet enkel worden toegepast in gevallen waarin de fumus boni iuris bijzonder steekhoudend en de spoedeisendheid van de gevorderde maatregelen onbetwistbaar voorkomen. Dit neemt niet weg, dat de beoordeling hiervan moet geschieden aan de hand van de omstandigheden van ieder betrokken geval. In voorkomend geval, wanneer de balans hem lijkt door te slaan ten gunste van toekenning van de gevraagde maatregel, heeft de rechter in kort geding bovendien nog altijd de mogelijkheid, aan die toekenning iedere voorwaarde of zekerheid te verbinden die hij noodzakelijk mocht achten, of de draagwijdte ervan op iedere andere wijze te beperken.
Full & Egal Universal Law Academy