Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Exceptie van onwettigheid - Handelingen ten aanzien waarvan exceptie van onwettigheid kan worden opgeworpen - Algemene EGKS-beschikking die grondslag vormt voor bestreden individuele beschikking
(EGKS-Verdrag, art. 33, tweede alinea, en 36, derde alinea)
2 EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Verbod - Voorwaarden - Aantasting van mededinging - Uitsluiting
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c, en 95)
3 EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Goedkeuring door Commissie - Sluitingssteun - Voorwaarden - Discretionaire bevoegdheid van Commissie - Geregelde productie
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c, en 95; beschikking nr. 3855/91/EGKS van de Commissie)
4 EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Goedkeuring door Commissie - Non-discriminatiebeginsel - Schending - Voorwaarden
5 EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Algemene steunregeling, goedgekeurd door Commissie - Vaststelling van toepassingscriteria - Individuele steun die binnen kader van goedkeuring valt - Onderzoek door Commissie - Toetsing aan algemene regeling en aan in goedkeuringsbeschikking gestelde voorwaarden
(Beschikking nr. 3855/91/EGKS van de Commissie, art. 4, lid 2)
6 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - EGKS-beschikking
(EGKS-Verdrag, art. 5 en 15)
Samenvatting
1 Wanneer een beschikking van de Commissie waarbij een steunmaatregel onverenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, eigen rechtsgevolgen heeft, waaronder de definitieve niet-toelating van de steun, moet de steunontvangende onderneming over een rechtsmiddel tegen een dergelijke beschikking beschikken, hetgeen de mogelijkheid inhoudt om tot staving van een tegen deze beschikking ingesteld beroep tot nietigverklaring de onwettigheid in te roepen van een algemene beschikking waarop zij is gebaseerd, ongeacht of de betrokken onderneming is opgekomen tegen het besluit om ten aanzien van de betrokken steunmaatregel de onderzoeksprocedure in te leiden.
2 De regeling van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag onderscheidt zich van die van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Het eerste artikel bevat een algemeen en onvoorwaardelijk verbod van elke steunmaatregel, aangezien deze naar zijn aard in strijd is met de fundamenten van de gemeenschappelijke markt van kolen en staal. Daarentegen verbiedt het tweede artikel een steunmaatregel slechts, indien deze de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen.
Bijgevolg valt een door een lidstaat aan een ijzer- en staalonderneming toegekende sluitingssteun onder het verbod van artikel 4, sub c, EGKS- Verdrag, zonder dat feitelijk behoeft te worden aangetoond dat de mededingingsverhoudingen worden aangetast.
3 Krachtens artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag is elke steun van de lidstaten aan de ijzer- en staalindustrie in welke vorm ook verboden. Afwijkingen van dit verbod, zoals de vijfde staalsteuncode die is vastgesteld op basis van artikel 95 van het Verdrag, moeten strikt worden uitgelegd.
Gelet op het algemene verbod van steun in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag en het uitzonderlijke en beperkte karakter van de voorziene afwijkingen van dit verbod, mocht de Commissie zich bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid in de vijfde staalsteuncode betreffende goedkeuring van steunmaatregelen voor ondernemingen die hun staalproductiewerkzaamheden definitief staken, zonder daarbij het recht klaarblijkelijk te miskennen of haar bevoegdheden te misbruiken, op het standpunt stellen dat sluitingssteun belangrijke gevolgen voor de markt dient te hebben en dus slechts kan worden toegekend aan ondernemingen die, ofschoon naar aannemelijk is minder concurrerend, toch geregeld hebben geproduceerd in de zin van artikel 4, lid 2, van de vijfde code. Bovendien mag de Commissie in een latere beschikking de voorwaarden betreffende de toepassing van deze laatste bepaling vaststellen.
4 De Commissie schendt het discriminatieverbod, wanneer zij vergelijkbare situaties verschillend heeft behandeld en daardoor bepaalde marktdeelnemers ten opzichte van andere heeft benadeeld, zonder dat dit onderscheid in behandeling door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht werd gerechtvaardigd.
Bij steun aan de ijzer- en staalindustrie moet derhalve worden onderzocht, of het verschil in behandeling van ondernemingen berust op het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht, welke verband houden met de doeleinden die de Commissie in het kader van haar industriebeleid in de Europese ijzer- en staalsector wettig kan nastreven.
5 Aangezien artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde staalsteuncode de voorwaarde betreffende de geregelde productie stelt, doch deze niet omschrijft, is de Commissie bij de goedkeuring van een door een lidstaat aangemelde algemene steunregeling noodzakelijkerwijze verplicht om op abstracte wijze criteria voor de toepassing van deze voorwaarde vast te stellen, op basis waarvan zij vervolgens, gelet op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, de krachtens artikel 6, lid 6, van de vijfde code aangemelde individuele steunaanvragen op uniforme en voorzienbare wijze kan beoordelen.
Zodra de criteria zijn gepreciseerd en de algemene regeling is goedgekeurd, moet de Commissie bij de aanmelding van op basis van de voordien goedgekeurde regeling toegekende steun zich beperken tot een onderzoek of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van de verschillende aangemelde individuele steunmaatregelen kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling. Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel zouden dan zowel voor de lidstaten als voor de marktdeelnemers in het gedrang komen, daar de verschillende steunmaatregelen die volstrekt in overeenstemming zijn met de beschikking tot goedkeuring van de steunmaatregel, in strijd met deze beginselen op elk moment door de Commissie opnieuw ter discussie zouden kunnen worden gesteld.
6 Het in de artikelen 5 en 15 EGKS-Verdrag vervatte motiveringsvereiste dient te worden getoetst met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, met name van de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het belang dat de adressaten of andere betroffenen in de zin van artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag bij een toelichting kunnen hebben. Met betrekking tot een handeling van algemene strekking is de Commissie ingevolge de voorschriften van deze artikelen 5 en 15 verplicht, in de motivering van haar beschikking een omschrijving te geven van de algehele situatie die tot de maatregel heeft geleid, en aan te geven welke algemene doelstellingen door middel van de beschikking moeten worden verwezenlijkt.
Partijen
In de gevoegde zaken T-164/96, T-165/96, T-166/96, T-167/96, T-122/97 en T-130/97,
Moccia Irme SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Napels (Italië), vertegenwoordigd door E. Cappelli, P. De Caterini en A. Bandini, advocaten te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Turk, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 13A,
Prolafer Srl, vennootschap naar Italiaans recht in liquidatie, gevestigd te Bergamo (Italië),
Ferriera Acciaieria Casilina SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te
Montecompatri (Italië),
Dora Ferriera Acciaieria Srl, vennootschap naar Italiaans recht in liquidatie, gevestigd te Bergamo,
Ferriera Lamifer SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Travagliato (Italië),
vertegenwoordigd door C. Punzi en F. Satta, advocaten te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Turk, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 13A,
Nuova Sidercamuna SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Berzo Inferiore (Italië), vertegenwoordigd door E. A. Raffaelli, advocaat te Milaan, I. Van Bael, advocaat te Brussel, en F. Di Gianni, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van F. Brausch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Nemitz en L. Pignataro, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door M. Moretto, advocaat te Venetië, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende verzoeken tot nietigverklaring van de beschikkingen 96/678/EGKS van de Commissie van 30 juli 1996 en 97/258/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 betreffende voorgenomen sluitingssteun van Italië in het kader van de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (respectievelijk PB L 316, blz. 24, en PB 1997, L 102, blz. 42),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, K. Lenaerts, V. Tiili, J. Azizi en P. Mengozzi, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 17 november 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Artikel 4, sub c, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: "Verdrag" of "EGKS-Verdrag") bepaalt:
"Als zijnde onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal worden afgeschaft en zijn verboden binnen de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag:
(...)
c) door de staten verleende subsidies of hulp, of door deze opgelegde bijzondere lasten, in welke vorm ook;
(...)"
2 Op grond van artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag heeft de Commissie, bij eenstemmig bepaalde instemming van de Raad en na raadpleging van het Raadgevend comité, beschikking nr. 257/80/EGKS van 1 februari 1980 gegeven, tot instelling van communautaire bepalingen voor specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie (PB L 29, blz. 5), gewoonlijk "eerste staalsteuncode" genoemd. Volgens de tweede alinea van punt I van de considerans van de beschikking is het verbod van het verlenen van subsidies of hulp door de staten als bedoeld in het Verdrag, uitsluitend gericht op maatregelen die de instrumenten zijn van een zuiver nationaal ijzer- en staalbeleid, en geldt het niet voor steunmaatregelen die bedoeld zijn om een communautaire ijzer- en staalpolitiek in te voeren, zoals het herstructureringsbeleid van de ijzer- en staalindustrie, dat het doel was van beschikking nr. 257/80.
3 Nadien is de eerste staalsteuncode vervangen door opeenvolgende codes die telkens de voor staatssteun ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie geldende regeling hebben vastgesteld en de criteria hebben bepaald volgens welke de steun ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie, door een lidstaat gefinancierd in welke vorm ook, als communautaire steun en bijgevolg als verenigbaar met de goede werking van de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd.
4 In 1991 zijn bij beschikking nr. 3855/91/EGKS van de Commissie van 27 november 1991 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 362, blz. 57), nieuwe bepalingen vastgesteld die op de verlening van staatssteun aan de betrokken industrie van toepassing waren (hierna: "vijfde staalsteuncode" of "vijfde code") van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1996. Deze beschikking is per 1 januari 1997 vervangen door beschikking nr. 2496/96/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 houdende communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 338, blz. 42), de zesde staalsteuncode.
5 De vijfde staalsteuncode bepaalt:
- in artikel 4, lid 2:
"Steun aan ondernemingen die definitief hun EGKS-ijzer- en staalproductiewerkzaamheden staken, kan verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt mits deze ondernemingen:
- (...)
- tot het tijdstip van de aanmelding van deze steunmaatregelen geregeld EGKS-producten hebben vervaardigd;
- (...)"
- in artikel 6, lid 1:
"De Commissie wordt tijdig in kennis gesteld van voornemens tot invoering of wijziging van de in de artikelen 2 tot en met 5 bedoelde steunmaatregelen om haar opmerkingen te kunnen maken (...)";
- in artikel 6, lid 4:
"Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met het bepaalde in deze beschikking, stelt zij de betrokken lidstaat van haar beslissing in kennis (...)";
- in artikel 6, lid 6:
"Alle concrete gevallen van toepassing van steun als bedoeld in de artikelen 4 en 5 worden bij de Commissie aangemeld (...)"
Aan de beroepen ten grondslag liggende feiten
Aanmelding van wet nr. 481/94 en besluit nr. 683/94 door de Italiaanse regering
6 In februari 1994 stelde de Italiaanse regering de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de vijfde staalsteuncode in kennis van besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994 houdende spoedmaatregelen voor de uitvoering van het plan voor de herstructurering van de ijzer- en staalsector. De gelding van deze besluitwet is verlengd bij besluitwet nr. 234 van 14 april 1994 en vervolgens bij besluitwet nr. 396 van 20 juni 1994, welke uiteindelijk is omgezet in wet nr. 481/94 van 3 augustus 1994 betreffende de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (GURI nr. 183 van 6 augustus 1994, blz. 12; hierna: "wet nr. 481/94").
7 Deze wet voorziet onder meer in de toekenning van steun bij de sluiting van installaties in de ijzer- en staalsector, mits deze worden vernietigd. Artikel 1, lid 3, bepaalt, dat "verzoeken om steunverlening (...) vóór 30 juli 1994 (...) moeten worden ingediend (...)", en dat "de vernietiging van de installaties vóór 31 maart 1995 dient plaats te vinden en de steun volledig wordt uitbetaald (...) vóór 31 december 1996". Ingevolge artikel 1, lid 4, dienen de technische uitvoeringsbepalingen te worden vastgesteld bij besluit van de Italiaanse minister van Industrie, Handel en Ambacht. Vervolgens meldden de Italiaanse autoriteiten het besluit aan waarbij uitvoering werd gegeven aan wet nr. 481/94, namelijk besluit nr. 683 van de minister van Industrie, Handel en Ambacht van 12 oktober 1994 (hierna: "ministerieel besluit"). Krachtens artikel 1, lid 1, moesten de betrokken ondernemingen, om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 van wet nr. 481/94 bedoelde steun, onder meer aan de volgende voorwaarde voldoen:
"e) tot de datum van vaststelling van besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994, (...) geregeld hebben geproduceerd, wat moet worden aangetoond door middel van een verklaring van een beëdigd deskundige met ervaring in de sector, die in het deskundigenregister staat ingeschreven en is aangewezen door het gerecht binnen welks ressort de vennootschap gevestigd is".
Beschikking van de Commissie van 12 december 1994 waarbij de door de Italiaanse regering aangemelde steunregeling in beginsel werd goedgekeurd
8 Bij beschikking van 12 december 1994 heeft de Commissie de betrokken steunregeling in beginsel goedgekeurd, doch daaraan overeenkomstig artikel 6, lid 6, van de vijfde staalsteuncode de voorwaarde verbonden dat alle concrete gevallen van toepassing van steun vooraf worden aangemeld (PB C 390, blz. 20; hierna: "beschikking van 12 december 1994").
9 De Commissie deelde mede, dat zij in elk afzonderlijk geval haar goedkeuring afhankelijk zou stellen van de naleving van een aantal voorwaarden. Wat de geregelde productie betreft, die in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde staalsteuncode als voorwaarde voor de steun wordt gesteld: om in aanmerking te komen voor de steun moet de onderneming gedurende het gehele jaar 1993 en in 1994 tot en met de maand februari, toen besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994 bij de Commissie werd aangemeld, gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf zijn geweest.
10 Verder preciseerde de Commissie, dat de Italiaanse autoriteiten evenwel op basis van objectieve criteria konden aantonen dat een onderneming die niet aan deze voorwaarde voldeed, toch regelmatig EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd.
Aanmelding van de steun aan verzoeksters door de Italiaanse regering
11 Op 8 september 1995, 23 november 1995 en 11 maart 1996 meldde de Italiaanse regering krachtens artikel 6, lid 6, van de vijfde staalsteuncode bij de Commissie steun voor de definitieve sluiting uit hoofde van wet nr. 481/94 aan ten gunste van onder meer de ondernemingen die beroep hebben ingesteld in de zes zaken T-164/96, T-165/96, T-166/96, T-167/96, T-122/97 en T-130/97, respectievelijk Moccia Irme SpA (hierna: "Moccia"), Prolafer Srl (hierna: "Prolafer"), Ferriera Acciaieria Casilina SpA (hierna: "Casilina"), Dora Ferriera Acciaieria Srl (hierna: "Dora"), Ferriera Lamifer SpA (hierna: "Lamifer") en Nuova Sidercamuna SpA (hierna: "Sidercamuna"), en wel voor de navolgende bedragen:
Zaaknummer / Onderneming / Bedrag van de steun (in LIT)
T-164/96 / Moccia / 13 509 miljoen
T-165/96 / Prolafer / 2 038 miljoen
T-166/96 / Casilina / 2 908 miljoen
T-167/96 / Dora / 3 438 miljoen
T-122/97 / Lamifer / 4 889 miljoen
T-130/97 / Sidercamuna / 16 127 miljoen
12 Verzoeksters zijn ijzer- en staalondernemingen in de zin van artikel 80 van het Verdrag, die staal of warmgewalste producten vervaardigen. Hun opgegeven productiecapaciteit in 1993 en hun werkelijke productie gedurende de referentieperiode, dat wil zeggen van 1 januari 1993 tot en met 28 februari 1994, en de procentuele verhouding tussen de capaciteit en de productie waren:
Productiecapaciteit (ton/jaar) / Werkelijke productie (ton)
T-164/96 Moccia / 288 000 ruwstaal / 165 000 warmgewalste producten / 0
T-165/96 Prolafer / 200 000 staal / 150 000 warmgewalste producten / 0
T-166/96 Casilina / 80 000 warmgewalste producten / 11 356 warmgewalste producten (= 14,2 %)
T-167/96 Dora / 250 000 warmgewalste producten / 21 444 warmgewalste producten (= 8,6 %)
T-122/97 Lamifer / 154 560 warmgewalste producten / 23 542 warmgewalste producten (= 15,2 %)
T-130/97 Sidercamuna / 475 000 rond betonstaal en (plat) staafstaal / 36 002 rond betonstaal en
(plat) staafstaal (= 7,6 %)
13 In totaal hebben 43 in Italië gevestigde EGKS-ondernemingen op basis van wet nr. 481/94 een aanvraag voor steun ingediend.
Inleiding van de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde staalsteuncode door de Commissie
14 Op 15 december 1995 en op 2 februari en 12 juni 1996 stelde de Commissie bij brieven welke op de hoofdpunten worden weergegeven in de bekendmakingen 96/C 101/05, 96/C 121/03 en 96/C 215/03, en die overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de vijfde staalsteuncode aan de overige lidstaten en andere belanghebbenden werden toegestuurd en betrekking hadden op de steun die Italië besloten had te verlenen aan respectievelijk Casilina, Acciaierie del Sud SpA, Officine Laminatoi Sebino SpA (OLS), Montifer Srl, Moccia en Mini Acciaierie Odolese SpA (MAO), Prolafer, Dora en Acciaierie San Gabriele SpA, Diano SpA, Lamifer, Ferriere Demafer Srl, Lavorazione Metalli Vari - LMV SpA en Sidercamuna (PB 1996, C 101, blz. 4, C 121, blz. 3, en C 215, blz. 3), de Italiaanse regering in kennis van haar beslissing om de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde staalsteuncode in te leiden met betrekking tot de voorgenomen steun ten gunste van onder meer de verzoekende ondernemingen.
15 In deze bekendmakingen verklaarde de Commissie, dat uit de gegevens waarover zij beschikte, bleek dat geen van de betrokken ondernemingen, waaronder verzoeksters, gedurende het gehele jaar 1993 en tot en met 28 februari 1994 gemiddelde ten minste één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag, gedurende vijf dagen per week, in bedrijf was geweest.
16 Met betrekking tot Moccia en Casilina verklaarde zij in vorengenoemde bekendmaking 96/C 101/05:
"[Casilina] (zaak N 777/95) heeft slechts 11 356 ton warmgewalste producten vervaardigd, hetgeen overeenkomt met 14,2 % van de capaciteit van het bedrijf; [Moccia (...)] (zaak N 793/95) is niet in bedrijf geweest."
17 Met betrekking tot Prolafer en Dora verklaarde zij in vorengenoemde bekendmaking 96/C 121/03:
"In zaak 977/95 (...) [is] Prolafer (...) in 1993 namelijk niet in bedrijf geweest. In zaak 978/95 heeft Dora slechts 21 444 ton warmgewalste producten vervaardigd, hetgeen overeenkomt met 8,6 % van haar productiecapaciteit."
18 Met betrekking tot Lamifer en Sidercamuna verklaarde zij in vorengenoemde bekendmaking 96/C 215/03:
"(...) in de zaak 178/96 heeft Lamifer (...) slechts 23 542 ton warmgewalste producten geproduceerd, hetgeen overeenkomt met 15,2 % van haar productiecapaciteit; in de zaak 182/96 heeft Sidercamuna (...) slechts 36 002 ton warmgewalste producten geproduceerd, wat overeenkomt met 7,6 % van haar productiecapaciteit."
De beschikkingen van 30 juli en 18 december 1996, waarbij de steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard
19 Bij beschikking 96/678/EGKS van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende voorgenomen steunmaatregelen van Italië in het kader van het programma voor de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (PB L 316, blz. 24; hierna: "beschikking 96/678"), verklaarde de Commissie de voorgenomen staatssteun van de Italiaanse Republiek ten gunste van acht van de negen betrokken ondernemingen, waaronder de ondernemingen Moccia, Prolafer, Casilina en Dora, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag.
20 Bij beschikking 97/258/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 betreffende voorgenomen sluitingssteun van Italië in het kader van de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (PB L 102, blz. 42; hierna: "beschikking 97/258") verklaarde de Commissie de voorgenomen staatssteun van de Italiaanse Republiek ten gunste van vier van de vijf betrokken ondernemingen, waaronder de ondernemingen Lamifer en Sidercamuna, insgelijks onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag.
21 Ter motivering van deze beschikkingen verklaarde de Commissie in het bijzonder (beschikking 97/258):
"De Commissie stelt vast dat in de betrokken zaken aan alle voorwaarden wordt voldaan, met uitzondering van die betreffende de regelmaat van de productie die het voorwerp van de inleiding van de procedure was.
De staalsteuncode geeft - al stelt hij als voorwaarde voor de steunverlening dat een onderneming ten tijde van de sluiting regelmatig produceert - geen duidelijke definitie van het begrip regelmatigheid. Om deze reden heeft de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 bepaald dat aan dit criterium wordt voldaan, wanneer de steunontvangende onderneming gedurende het gehele jaar 1993 en in 1994 tot en met 28 februari (de datum van de aanmelding bij de Commissie van wetsdecreet nr. 103 waarvan de inhoud door het Italiaanse Parlement is omgezet in wet nr. 481/94) gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf is geweest. De Commissie bepaalde voorts dat de Italiaanse autoriteiten op basis van objectieve criteria konden aantonen dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch regelmatig EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd.
Om te waarborgen dat aan het beginsel van de regelmaat van de productie wordt voldaan, moet de Commissie de steun in een dergelijk geval beoordelen in het licht van alle bijzonderheden ervan.
Het doel van artikel 4 van de staalsteuncode en de beschikking van 12 december 1994 is duidelijk: sluitingssteun kan alleen worden toegekend aan ondernemingen met belangrijke activiteiten, dit wil zeggen met een regelmatige productie op de ijzer- en staalmarkt. Daarentegen heeft de gemeenschapswetgever het niet noodzakelijk of dienstig geacht, een afwijking van het algemene verbod van artikel 4 van het (...) Verdrag toe te kennen voor gevallen waarin als gevolg van de sluiting van een onderneming die niet regelmatig produceert, belangrijke gevolgen voor de markt ontbreken.
Daaruit vloeit voort dat andere criteria dan deze die door de Commissie in haar beschikking zijn aangegeven, zouden kunnen worden toegestaan, mits zij geschikt zijn om de regelmaat van de productie aan te tonen. De door de Italiaanse regering voorgestelde criteria (handhaving van het energieleveringscontract, behoud van personeel, onderhoud van de installaties enz.) zijn evenwel niet geschikt om aan te tonen dat de betrokken ondernemingen regelmatig hebben geproduceerd, doch alleen om aan te tonen dat daartoe de mogelijkheid bestond.
Artikel 4 van de staalsteuncode is zo opgesteld, dat een extensieve interpretatie waardoor tot de voor steun in aanmerking komende ondernemingen ook ondernemingen zouden kunnen worden gerekend die, hoewel zij niet regelmatig in bedrijf zijn geweest, wel zonder meer in staat zouden zijn regelmatig EGKS-producten te produceren, niet mogelijk is."
Procesverloop
22 Bij op 19 oktober 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben Moccia, Prolafer, Casilina en Dora beroep ingesteld, respectievelijk ingeschreven onder de nummers T-164/96, T-165/96, T-166/96 en T-167/96.
23 Bij op 18 april 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Lamifer beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T-122/97.
24 Bij op 22 april 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Sidercamuna beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T-130/97.
25 Bij op 28 november 1996 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft Moccia krachtens artikel 39 van het Verdrag een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende tot de opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 96/678 en van de handelingen waarop deze berustte, en tot een bevel aan de Commissie om de Italiaanse autoriteiten te verzoeken, de uitbetaling van de in wet nr. 481/94 bedoelde sluitingssteun voor de duur van de procedure in de hoofdzaak op te schorten, en, subsidiair, de contradictoire onderzoeksprocedure betreffende de steun met verzoekster te hervatten.
26 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 17 december 1996, Moccia Irme/Commissie (T-164/96 R, Jurispr. blz. II-2261), is het verzoek in kort geding van verzoekster afgewezen.
27 Bij beschikking van de president van het Hof van 30 april 1997, Moccia Irme/Commissie [C-89/97 P (R), Jurispr. blz. I-2327], is de hogere voorziening tegen deze beschikking afgewezen.
28 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten de mondelinge behandeling zonder instructiemaatregelen te openen.
29 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzittingen van 17 november 1998.
30 Bij beschikking van de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 18 december 1998 zijn de zaken gevoegd voor het arrest.
Conclusies van partijen
31 Moccia concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 96/678 krachtens de artikelen 33 en 36 van het Verdrag nietig te verklaren en bijgevolg, voor zover nodig, alle andere eerdere, gecoördineerde of samenhangende handelingen buiten toepassing te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 Prolafer concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 96/678, de beschikking van 12 december 1994, en voor zover nodig, artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde staalsteuncode en elke eerdere, verwante of afgeleide handeling van welke aard ook nietig te verklaren.
33 Casilina concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 96/678, de beschikking van 12 december 1994 en elke andere eerdere, verwante of afgeleide handeling van welke aard ook nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
34 Dora concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 96/678, de beschikking van 12 december 1994 en elke andere eerdere, verwante of afgeleide handeling van welke aard ook nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
35 Lamifer concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 97/258, de beschikking van 12 december 1994 en elke andere eerdere, verwante of afgeleide handeling nietig te verklaren.
36 Sidercamuna concludeert dat het het Gerecht behage:
- beschikking 97/258 nietig te verklaren;
- elke andere maatregel ter bescherming van verzoeksters belangen te gelasten, die het in goede justitie vermeent te behoren;
- verweerster te verwijzen in de kosten.
37 De Commissie concludeert in alle zaken, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
De ontvankelijkheid
38 In de zes zaken betwist de Commissie de ontvankelijkheid van de petita betreffende de vijfde staalsteuncode en de beschikking van 12 december 1994.
De middelen van niet-ontvankelijkheid betreffende de bestrijding van de vijfde staalsteuncode
39 Enerzijds betwist de Commissie de relevantie van de conclusies in een aantal verzoekschriften, voor zover deze formeel gericht zijn tegen de vijfde code. Anderzijds is haars inziens de exceptie van onwettigheid tegen de vijfde code in zaak T-130/97 te laat opgeworpen.
1. Het middel betreffende het gebrek aan relevantie van de conclusies in een aantal verzoekschriften, voor zover deze formeel gericht zijn tegen de vijfde code
40 De Commissie merkt op dat Prolafer, Casilina, Dora en Lamifer krachtens artikel 36, derde alinea, van het Verdrag een exceptie van onwettigheid willen opwerpen tegen elke handeling voorafgaande aan de beschikking van 12 december 1994 en de beschikkingen 96/678 en 97/258, waarmee zij doelen op de vijfde code. In verzoeksters' betoog wordt evenwel enkel gesteld dat de Commissie deze code heeft geschonden, doch wordt deze code niet in geding gebracht.
41 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat dit middel, dat de Commissie heeft aangevoerd met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen en ten aanzien waarvan verzoeksters geen standpunt hebben bepaald, ongegrond is. Weliswaar is in deze zaken geen enkel argument rechtstreeks tegen de vijfde code gericht, doch deze code vormt het criterium dat als basis dient voor de kritiek op de wettigheid van de beschikking van 12 december 1994 en de beschikkingen 96/678 en 97/258. Deze omstandigheid maakt de betrokken conclusies op zichzelf nog niet niet-ontvankelijk.
2. Het middel van niet-ontvankelijkheid, dat in zaak T-130/97 de exceptie van onwettigheid tegen de vijfde code te laat is opgeworpen
42 In de zaak Sidercamuna concludeert de Commissie tot de niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid die is opgeworpen tegen de vijfde staalsteuncode, aangezien deze voor het eerst in het stadium van de repliek zou zijn aangevoerd en derhalve een nieuw middel zou zijn.
43 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
44 In casu stelt verzoekster in zaak T-130/97 in haar verzoekschrift dat het, gelet op het primaire doel van het programma van steun aan de ijzer- en staalindustrie, namelijk de vermindering van de productiecapaciteit, onwettig is om de verwezenlijking van dit doel afhankelijk te stellen van voorwaarden die geen enkel verband daarmee houden, zoals de voorwaarde betreffende het niveau van de geregelde productie. In haar repliek stelt zij onder verwijzing naar dit argument, dat zij reeds in het stadium van het verzoekschrift een exceptie van onwettigheid tegen de vijfde code had aangevoerd.
45 De Commissie is evenwel van mening dat met dit argument, dat in het stadium van het verzoekschrift is aangevoerd, niet wordt opgekomen tegen de vijfde code, doch in werkelijkheid bezwaar wordt gemaakt tegen een schending of een onjuiste interpretatie van deze code door secundaire handelingen.
46 Het Gerecht merkt op, dat met het door verzoekster aangevoerde argument kritiek wordt uitgeoefend op het feit dat de verwezenlijking van een van de doelstellingen van de vijfde code, namelijk de vermindering van de productiecapaciteit, afhankelijk wordt gesteld van een voorwaarde die geen verband daarmee houdt, namelijk het bestaan van een geregelde productie. Zoals hiervoor in punt 5 is gepreciseerd, wordt deze voorwaarde gesteld bij artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code. Aldus wordt met dit argument bezwaar gemaakt tegen deze bepaling van de vijfde code.
47 Bovendien is dit argument aangevoerd in het kader van het onderdeel van het eerste middel van het verzoekschrift betreffende een schending, door de Commissie, van het beginsel van het nuttig effect en niet in het kader van het onderdeel waarin specifiek de schending van artikel 4 van de vijfde code door secundaire handelingen wordt gelaakt.
48 Bijgevolg moet het betrokken argument worden aangemerkt als een exceptie van onwettigheid die is aangevoerd tegen artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code. Deze exceptie is reeds in het stadium van het verzoekschrift en derhalve niet te laat opgeworpen. Het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid dient derhalve te worden afgewezen.
De middelen van niet-ontvankelijkheid betreffende de bestrijding van de beschikking van 12 december 1994
49 Om te beginnen merkt het Gerecht op, dat Prolafer, Casilina, Dora en Lamifer de onwettigheid van de beschikking van 12 december 1994 stellen en nietigverklaring van deze beschikking vorderen.
50 Het Gerecht is van oordeel dat verzoeksters in werkelijkheid de onwettigheid van de beschikking van 12 december 1994 bij wege van incident willen opwerpen bij en tot staving van hun beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen waarbij de steun niet werd goedgekeurd, dus in de vorm van een exceptie van onwettigheid.
51 Moccia en Sidercamuna hebben formeel een exceptie van onwettigheid tegen de beschikking van 12 december 1994 opgeworpen.
52 De aldus in de zes gevoegde zaken tegen de beschikking van 12 december 1994 aangevoerde excepties van onwettigheid zijn alle gericht tegen het daarin door de Commissie vermelde criterium ter omschrijving van de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, dat wil zeggen het criterium dat de onderneming die sluitingssteun aanvraagt, gedurende het gehele jaar 1993 en tot en met 28 februari 1994 gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf moet zijn geweest.
53 De Commissie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van deze excepties van onwettigheid.
54 Ter zake voert zij twee middelen aan. Het eerste, in het kader van alle zaken aangevoerde middel is, dat de beschikkingen 96/678 en 97/258 (hierna: "bestreden beschikkingen") niet op de beschikking van 12 december 1994 doch rechtstreeks op de vijfde staalsteuncode zijn gebaseerd. Het tweede, in het kader van de zaken Lamifer en Sidercamuna aangevoerde middel is, dat de beschikking van 12 december 1994 hooguit de grondslag vormt voor de beschikking tot inleiding van de procedure op basis van artikel 6, lid 4, van de vijfde code, doch niet voor de latere beschikking waarbij de steun niet werd toegestaan en die ten opzichte van de voorgaande beschikking slechts als een bevestigende handeling kan worden aangemerkt.
1. Het middel dat de bestreden beschikkingen niet op de beschikking van 12 december 1994 doch rechtstreeks op de vijfde code zouden zijn gebaseerd
55 De Commissie stelt dat er in casu geen verband tussen de bestreden beschikkingen en de beschikking van 12 december 1994 bestaat. Krachtens artikel 6, lid 6, van de vijfde code moeten namelijk alle concrete gevallen van toepassing van steun als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van deze code, bij de Commissie worden aangemeld opdat zij dienaangaande haar standpunt kan bepalen, en zulks ongeacht of een beschikking is vastgesteld waarin op basis van deze zelfde artikelen een algemene steunregeling wordt toegestaan. Bijgevolg kunnen de bestreden beschikkingen haars inziens niet worden geacht, juridisch op de beschikking van 12 december 1994 te zijn gebaseerd, doch, voor zover relevant in de onderhavige zaken, enkel op artikel 6, lid 6, van de vijfde code.
56 Het Gerecht herinnert eraan, dat een verzoekende partij weliswaar in het kader van een tegen een individuele beschikking gericht beroep tot nietigverklaring de onwettigheid mag inroepen van een aantal bepalingen van algemene beschikkingen die in de bestreden beschikking toepassing hebben gevonden, doch deze weg kan slechts worden bewandeld, wanneer de individuele beschikking op de beweerdelijk onwettige voorschriften berust (arresten Hof van 28 oktober 1981, Krupp Stahl/Commissie, 275/80 en 24/81, Jurispr. blz. 2489, punt 32; 16 februari 1982, Rumi/Commissie, 258/80, Jurispr. blz. 487, punt 6; 21 februari 1984, Walzstahl-Vereinigung en Thyssen/Commissie, 140/82, 146/82, 221/82 en 226/82, Jurispr. blz. 951, punt 20, en 11 oktober 1984, Alpa/Commissie, 151/83, Jurispr. blz. 3519, punt 9).
57 In casu wordt in de bestreden beschikkingen uitdrukkelijk verwezen naar de beschikking van 12 december 1994 waarbij wet nr. 481/94 is goedgekeurd, en waarop de exceptie van onwettigheid betrekking heeft. Daarin wordt eraan herinnerd dat de vijfde staalsteuncode, ook al stelt hij als voorwaarde voor de steunverlening dat de onderneming ten tijde van de sluiting regelmatig produceerde, geen duidelijke definitie van het begrip regelmatigheid geeft. Volgens deze beschikkingen is om deze reden in de beschikking van 12 december 1994 de sluitingssteun afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokken onderneming gedurende het gehele jaar 1993 en tot en met de maand februari 1994 gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf is geweest. Daarin wordt vastgesteld dat verzoeksters aan alle voorwaarden van artikel 4 van de vijfde code voldeden, met uitzondering van dit criterium. Daarin wordt opgemerkt dat naar aanleiding van deze vaststelling de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code is ingeleid. Daarin wordt ervan uitgegaan, dat de Italiaanse regering niet overeenkomstig de beschikking van 12 december 1994 op basis van andere objectieve criteria heeft aangetoond, dat verzoeksters niettemin geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten hadden vervaardigd.
58 Daaruit volgt dat in de beschikking van 12 december 1994 een criterium is vastgesteld dat, toegepast op verzoeksters, ertoe heeft geleid dat de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code is ingeleid, waarmee de steun uiteindelijk onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag is verklaard.
59 Tot op deze hoogte zijn de bestreden beschikkingen dus gebaseerd op de definitie die in de beschikking van 12 december 1994 wordt gegeven van de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code gestelde voorwaarde van de geregelde productie. Op deze definitie van de voorwaarde van de geregelde productie heeft op haar beurt de exceptie van onwettigheid tegen de beschikking van 12 december 1994 betrekking. Daaruit volgt, dat de bestreden beschikkingen zijn gebaseerd op het voorschrift waarvan de onwettigheid wordt gesteld. Het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid is derhalve ongegrond.
60 In de eerste plaats brengt de Commissie in de zes gevoegde zaken hiertegen in, dat overeenkomstig artikel 6, lid 6, van de vijfde code alle concrete gevallen van toepassing van steun bij haar moesten worden aangemeld, ongeacht of een beschikking was vastgesteld waarbij een algemene steunregeling werd toegelaten, zodat de bestreden beschikkingen niet kunnen worden geacht juridisch op de beschikking van 12 december 1994 te zijn gebaseerd, doch enkel op artikel 6, lid 6, van de vijfde code. Zij voegt daaraan toe dat de bestreden beschikkingen zelfs zonder de beschikking van 12 december 1994 geldig hadden kunnen worden vastgesteld en volledig effect hadden kunnen sorteren. Met dit argument ziet zij evenwel over het hoofd, dat de Commissie bij het onderzoek van de concrete gevallen van steun die na de goedkeuring van de algemene steunregeling bij de beschikking van 12 december 1994 zijn aangemeld, de naleving van de voorwaarde betreffende de geregelde productie heeft onderzocht op basis van het in deze beschikking omschreven criterium, zodat dit tot op deze hoogte de rechtsgrond van de bestreden beschikkingen vormt.
61 In de tweede plaats brengt de Commissie in de zaken T-164/96, T-165/96, T-166/96, T-167/96 en T-122/97 hiertegen in, dat de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code in haar beschikking van 12 december 1994 met instemming van de Italiaanse regering enkel bij wijze van voorbeeld nader is uitgewerkt. Met dit argument gaat de Commissie evenwel voorbij aan het feit dat zij het in de beschikking van 12 december 1994 uitgewerkte criterium niet als een eenvoudig, niet bindend voorbeeld heeft beschouwd, doch op basis daarvan de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code heeft ingeleid en vervolgens de voorgenomen steunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard.
62 In de derde plaats brengt de Commissie in de zaken T-164/96, T-166/96, T-167/96, T-122/97 en T-130/97 hiertegen in, dat de beschikking van 12 december 1994, waarin een criterium wordt omschreven dat de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code nader uitwerkt, de Italiaanse regering nochtans de mogelijkheid heeft geboden om op basis van objectieve criteria aan te tonen dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch regelmatig EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd, zodat de verwijzing naar deze beschikking in de bestreden beschikkingen niet beslissend was. De steun had dus kunnen worden goedgekeurd in weerwil van het feit dat niet aan het in de beschikking van 12 december 1994 omschreven criterium werd voldaan, zodat deze beschikking niet de grondslag voor de bestreden beschikkingen vormde. Dit bezwaar gaat evenwel voorbij aan het feit dat uit de bestreden beschikkingen blijkt dat de Commissie eiste dat de verzoekende ondernemingen aan dit criterium voldeden, dat omdat niet aan dit criterium werd voldaan, de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code is ingeleid, en dat de aangevraagde steun, aangezien de Italiaanse regering naar het oordeel van de Commissie niet het bewijs op basis van alternatieve objectieve criteria had geleverd, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. Bijgevolg is de omstandigheid dat de steunmaatregelen niet zijn goedgekeurd, uiteindelijk een gevolg van het niet voldoen aan het bij de beschikking van 12 december 1994 omschreven criterium, dat een vermoeden oplevert dat in casu niet door de Italiaanse regering is weerlegd. Tot op deze hoogte zijn de bestreden beschikkingen dus gebaseerd op het betrokken criterium.
63 In de vierde plaats brengt de Commissie in zaak T-164/96 hiertegen in, dat de vermelding van de beschikking van 12 december 1994 in beschikking 96/678 op zichzelf niet beslissend is, aangezien Moccia in de loop van de referentieperiode niets heeft geproduceerd, zodat het in de eerste beschikking omschreven criterium niet behoefde te worden toegepast. Met dit argument gaat zij evenwel voorbij aan het feit dat formeel in beschikking 96/678 wordt vastgesteld dat dit criterium op verzoekster is toegepast. Bovendien is dit criterium ook feitelijk toegepast, voor zover in het bijzonder verzoeksters productie enkel is onderzocht voor de daarin vastgestelde periode van januari 1993 tot en met februari 1994 en bijvoorbeeld niet voor de periode vanaf 1 januari 1992, de datum van inwerkingtreding van de vijfde code.
2. Het middel dat beschikking 97/258 slechts een bevestigende handeling zou zijn
64 In de zaken T-122/97 en T-130/97 stelt de Commissie dat het bij de beschikking van 12 december 1994 vastgestelde criterium waarbij de voorwaarde betreffende de geregelde productie wordt omschreven, reeds vóór beschikking 97/258 op verzoeksters is toegepast bij het eerdere besluit waarbij de onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code met betrekking tot de steunmaatregelen is ingeleid. In dit laatste besluit werd volgens haar vastgesteld, dat verzoeksters niet aan dit criterium voldeden en werd vervolgens de Italiaanse autoriteiten verzocht om op basis van andere objectieve criteria aan te tonen dat sprake was van een geregelde productie. In beschikking 97/258 werd geconcludeerd dat de Italiaanse autoriteiten daarin niet waren geslaagd. Ook werd daarin verklaard, dat verzoeksters niet aan het in de beschikking van 12 december 1994 genoemde criterium voldeden, doch op dit punt vormde het slechts een bevestigende handeling. Aangezien verzoeksters niet tijdig tegen het besluit tot inleiding van de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code zijn opgekomen en in het kader van dit beroep een exceptie van onwettigheid tegen het bij de beschikking van 12 december 1994 vastgesteld criterium hebben opgeworpen, hebben zij het recht verwerkt om zulks in het kader van onderhavig beroep te doen.
65 Het Gerecht merkt op dat verzoeksters de onwettigheid van de beschikking van 12 december 1994 inroepen tot staving van hun beroepen tot nietigverklaring van beschikking 97/258. Met het door haar aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid betwist de Commissie, dat verzoeksters dit kunnen doen, op grond dat zij daartoe reeds de mogelijkheid zouden hebben gehad in het kader van een beroep tegen het besluit tot inleiding van de onderzoeksprocedure. De vaststelling volstaat evenwel, dat beschikking 97/258 eigen rechtsgevolgen heeft, waaronder de definitieve niet-toelating van de steun, en dat verzoeksters dus over een rechtsmiddel tegen een dergelijke beschikking moeten beschikken (vgl. arresten Hof van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 5, en 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf, C-188/92, Jurispr. blz. I-833, punt 14), hetgeen de mogelijkheid inhoudt om tot staving van een tegen deze beschikking ingesteld beroep tot nietigverklaring de onwettigheid in te roepen van de beschikking waarop zij is gebaseerd, ongeacht of verzoeksters zijn opgekomen tegen het besluit om ten aanzien van de betrokken steunmaatregelen de onderzoeksprocedure in te leiden (arrest Gerecht van 31 maart 1998, Preussag Stahl/Commissie, T-129/96, Jurispr. blz. II-609, punt 31).
66 Daaruit volgt, dat dit tweede middel van niet-ontvankelijkheid van de tegen de beschikking van 12 december 1994 aangevoerde exceptie van onwettigheid ongegrond is.
Ten gronde
67 Verzoeksters voeren met betrekking tot de bestreden beschikkingen enerzijds materiële middelen aan (I) en anderzijds stellen zij schending van de motiveringsplicht (II).
I - De materiële middelen
Inleidende opmerkingen
68 Het Gerecht herinnert eraan, dat krachtens artikel 33, eerste alinea, tweede zin, van het Verdrag het onderzoek dat het Hof van Justitie moet verrichten in het kader van zijn bevoegdheid om uitspraak te doen op beroepen tot nietigverklaring van beschikkingen en aanbevelingen van de Commissie, "geen betrekking [kan] hebben op een beoordeling van de toestand, die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Commissie het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt of de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend".
69 Deze beperking van de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenschapsrechter geldt ook bij het onderzoek van beschikkingen en aanbevelingen waarvan de wettigheid bij wege van exceptie wordt betwist op grond van artikel 36, derde alinea, van het Verdrag. Uit deze laatste bepaling blijkt namelijk dat een dergelijke betwisting slecht mogelijk is "overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van artikel 33" van het Verdrag (zie arrest Hof van 18 maart 1980, Ferriera Valsabbia e.a./Commissie, 154/78, 205/78, 206/78, 226/78, 227/78, 228/78, 263/78, 264/78, 31/79, 39/79, 83/79 en 85/79, Jurispr. blz. 907, punt 10).
70 Met betrekking tot het begrip klaarblijkelijke miskenning herinnert het Gerecht eraan, dat de uitdrukking "klaarblijkelijk" onderstelt, dat de wettelijke bepalingen zijn miskend in die mate , dat die miskenning schijnt te volgen uit een beoordeling van de toestand met het oog waarop de beschikking is gegeven, welke beoordeling in het licht der bepalingen van het Verdrag kennelijk onjuist is (zie arresten Hof van 21 maart 1955, Nederland/Hoge Autoriteit, 6/54, Jurispr. blz. 215, 241, en 12 februari 1960, Société métallurgique de Knutange, 15/59 en 29/59, Jurispr. blz. 9, 28; beschikking president van het Hof van 3 mei 1996, Duitsland/Commissie, C-399/95 R, Jurispr. blz. I-2441, punt 62).
71 Met betrekking tot het begrip misbruik van bevoegdheid merkt het Gerecht op, dat ter zake van een handeling slechts kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin is voorzien om aan de omstandigheden van het concrete geval het hoofd te bieden (zie arrest Hof van 13 november 1990, zaak C-331/88, Fedesa e.a., Jurispr. blz. I-4023, punt 24, en arrest Gerecht van 24 september 1996, Naloo/Commissie, T-57/91, Jurispr. blz. II-1019, punt 327).
De middelen betreffende de niet-toepasselijkheid van het Verdrag
72 Verzoeksters voeren middelen aan, volgens welke het Verdrag in casu niet van toepassing zou zijn.
A - Het middel dat verzoeksters niet als EGKS-ijzer- en staalonderneming zouden kunnen worden aangemerkt
73 Moccia en Sidercamuna stellen dat een onderneming die van plan is haar bedrijf te sluiten, geen EGKS-ijzer- en staalonderneming meer is in de zin van artikel 80 van het Verdrag en dat dit Verdrag, met inbegrip van het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag niet op hen van toepassing is.
74 Het Gerecht merkt evenwel op, dat een EGKS-ijzer- en staalonderneming die sluitingssteun aanvraagt, deze hoedanigheid behoudt zolang haar productie niet volledig en definitief, eventueel naar aanleiding van de toekenning van deze steun, is gestaakt. In casu staat vast, dat verzoeksters op het moment waarop de steun werd aangevraagd, EGKS-producten vervaardigden, dan wel, indien zij niet een dergelijke activiteit uitoefenden, het bedrijf nog niet definitief hadden gesloten. De Commissie mocht er derhalve van uitgaan, dat verzoeksters EGKS-ijzer- en staalondernemingen waren. Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
B - Het middel dat het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag niet zou gelden voor sluitingssteun, voor zover deze de mededinging niet zou kunnen vervalsen
75 Moccia stelt, zakelijk weergegeven, dat de vijfde staalsteuncode, een op artikel 95 van het Verdrag gebaseerde uitzondering op het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag, in overeenstemming moet zijn met de fundamentele beginselen van het Verdrag en in het bijzonder beperkt moet zijn tot hetgeen nodig is om te voorkomen dat de mededinging wordt vervalst. De sluiting van een onderneming die naar moet worden aangenomen niet in staat is om te concurreren, kan de mededinging niet vervalsen. Daaruit volgt, dat de aan een dergelijke onderneming toegekende sluitingssteun niet verboden is en derhalve niet bij de vijfde code kan worden gereglementeerd.
76 In dezelfde lijn verklaart Sidercamuna, dat de in deze omstandigheden aangevraagde sluitingssteun om de bovengenoemde redenen niet als een steunmaatregel in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag kan worden aangemerkt. Subsidiair stelt zij, dat indien dit wel mogelijk is, de toekenning van de steun niet verboden was.
77 Tot staving van dit middel voeren verzoeksters drie argumenten aan.
78 Moccia stelt dat het begrip staatssteun in het EGKS-Verdrag dezelfde betekenis heeft als in het EG-Verdrag, zodat ook in de regeling van het EGKS-Verdrag een steunmaatregel die geen ongunstige gevolgen voor de mededinging heeft, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is.
79 Sidercamuna verwijst naar het arrest van het Gerecht van 24 oktober 1997, Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie (T-244/94, Jurispr. blz. II-1963), waarin in punt 32 wordt verklaard:
"Artikel 4, aanhef en sub c, van het Verdrag verbiedt in beginsel staatssteun binnen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, voor zover hierdoor de verwezenlijking van de in het Verdrag omschreven essentiële doelstellingen van de Gemeenschap, in het bijzonder de invoering van een stelsel van vrije mededinging, in gevaar kan worden gebracht."
80 Zij verbindt daaraan de conclusie, dat een steunmaatregel slechts bij artikel 4, sub c, van het Verdrag wordt verboden, voor zover deze van invloed kan zijn op een situatie waarin de mededinging in evenwicht is.
81 Sidercamuna verwijst ook naar het arrest van het Hof van 23 februari 1961, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (30/59, Jurispr. blz. 1, 41, derde alinea), waarin met het oog op de omschrijving van het begrip subsidie in de zin van het Verdrag te rade wordt gegaan met de inhoud van artikel 5, tweede alinea, vierde streepje, van het Verdrag, waarin aan de Gemeenschap de taak wordt gesteld om de vestiging, de handhaving en de inachtneming van normale concurrentieverhoudingen te verzekeren.
82 Het Gerecht merkt op, dat het hierboven genoemde doel van artikel 4 van het Verdrag is: "de vestiging, de handhaving en de inachtneming van normale concurrentieverhoudingen" te verzekeren (arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 41). Deze bepaling verbiedt subsidie en hulp "in welke vorm ook" door de staten verleend. Deze toevoeging komt niet voor in de alinea's a, b en d van artikel 4 van het Verdrag en geeft aan dit verbod een opvallend algemeen karakter (aangehaald arrest, Jurispr. blz. 43). Dit verbod is uitzonderlijk strikt geformuleerd, omdat het geldt voor gevallen waarin rechtstreeks in de gemeenschappelijke markt van kolen en staal wordt ingegrepen, hetgeen op zichzelf als onverenigbaar met de grondslagen van deze gemeenschappelijke markt wordt beschouwd. Om deze reden worden de steunmaatregelen als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt beschouwd, zonder dat het nodig is te bewijzen dan wel te onderzoeken, of in feite de concurrentieverhoudingen worden aangetast of dat daartoe kans bestaat (zie conclusie van advocaat-generaal Lagrange bij arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 63, 79).
83 De regeling van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag onderscheidt zich dus van die van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Het eerste bevat een algemeen en onvoorwaardelijk verbod van elke steunmaatregel, aangezien deze naar zijn aard in strijd is met de fundamenten van de gemeenschappelijke markt van kolen en staal. Daarentegen verbiedt het tweede artikel een steunmaatregel slechts, indien deze de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen.
84 Bijgevolg valt door een lidstaat aan een EGKS-ijzer- en staalonderneming toegekende sluitingssteun onder het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag, zonder dat feitelijk behoeft te worden aangetoond dat de mededingingsverhoudingen worden aangetast. De vijfde code, waarmee van dit verbod wordt afgeweken, kan derhalve op een dergelijke steunmaatregel worden toegepast.
85 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de arresten Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie (reeds aangehaald) en De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (reeds aangehaald), waarop verzoeksters zich beroepen.
86 In het arrest Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie wordt, evenals in twee andere arresten van dezelfde dag (arresten Gerecht van 24 oktober 1997, EISA/Commissie, T-239/94, Jurispr. blz. II-1839, punt 61, en British Steel/Commissie, T-243/94, Jurispr. blz. II-1887, punt 40), verklaard dat artikel 4, sub c, van het Verdrag in beginsel staatssteun binnen de Gemeenschap verbiedt, voor zover hierdoor de verwezenlijking van de in het Verdrag omschreven essentiële doelstellingen van de Gemeenschap, in het bijzonder de invoering van een stelsel van vrije mededinging, in gevaar kan worden gebracht. Daarin wordt ook verklaard (zie punt 33, en arresten EISA/Commissie, reeds aangehaald, punt 62, en British Steel/Commissie, reeds aangehaald, punt 41), dat het bestaan van een dergelijk verbod niet betekent, dat elke vorm van staatssteun binnen het terrein van de EGKS als onverenigbaar met de doelstellingen van het Verdrag moet worden beschouwd.
87 Deze verklaringen dienden het Gerecht evenwel enkel in staat te stellen om te concluderen dat artikel 4, sub c, van het Verdrag niet eraan in de weg staat, dat de gemeenschapsinstellingen, die op het gebied van staatssteun binnen de Gemeenschap over een uitsluitende bevoegdheid beschikken, bij wijze van uitzondering, teneinde aan onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden, op de grondslag van artikel 95, eerste en tweede alinea, van het Verdrag, door de lidstaten voorgenomen en met de doelstellingen van het Verdrag verenigbare steunmaatregelen goedkeuren (punten 33 en 34 van het arrest, en arresten EISA/Commissie, reeds aangehaald, punten 62 en 63, en British Steel/Commissie, reeds aangehaald, punten 41 en 42).
88 In het kader van dit arrest wordt met deze verklaringen, anders dan Sidercamuna stelt, dus niet beoogd om vast te stellen dat steunmaatregelen die verenigbaar zijn met de doelstellingen van het Verdrag, reeds daardoor buiten de werkingssfeer van het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag vallen.
89 In het arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (reeds aangehaald) wordt weliswaar verklaard (Jurispr. blz. 41, eerste overweging, en blz. 44, tweede overweging), zoals hiervoor in punt 82 in herinnering is gebracht, dat het doel van artikel 4 van het Verdrag het in artikel 5, tweede alinea, derde streepje, van dit Verdrag vermelde doel is: de vestiging, de handhaving en de inachtneming van normale concurrentieverhoudingen te verzekeren.
90 In dit arrest is evenwel niet naar dit doel verwezen ter rechtvaardiging van een beperking van de werkingssfeer van het verbod van steunmaatregelen, doch integendeel ter motivering van een uitbreiding daarvan. Het Hof verwijst er namelijk naar om de uitlegging van de begrippen subsidies of hulp in artikel 4, sub c, van het Verdrag uit te breiden tot de betaling van een gedeelte van de productiekosten door een ander dan de koper of gebruiker, aangezien deze betaling kennelijk belet dat normale concurrentieverhoudingen worden gevestigd. In hetzelfde arrest wordt overigens, zoals hiervoor in punt 82 in herinnering is gebracht, gewezen op het opvallend algemene karakter van het in deze bepaling neergelegde verbod. Daaruit volgt, dat de verwijzing in dat arrest naar artikel 5, tweede alinea, vierde streepje, van het Verdrag niet betekent dat de werkingssfeer van het verbod van steunmaatregelen wordt beperkt tot het geval van een - in het concrete geval bewezen - aantasting van de concurrentieverhoudingen.
91 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
De middelen betreffende de onwettigheid van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde staalsteuncode
92 Moccia merkt op, dat een stelsel van communautair toezicht dat misbruik in het bijzonder bij sluiting van een onderneming dient te voorkomen, enkel de voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijke eisen dient vast te stellen en geen onnodig hinderlijke eisen dient in te voeren. In casu is dit echter wel gebeurd, aangezien wordt geëist dat een onderneming die naar aannemelijk is niet concurrerend is, geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten heeft vervaardigd.
93 Volgens Sidercamuna vereist het beginsel van het nuttig effect, dat de toepassing van het gemeenschapsrecht ondergeschikt wordt gemaakt aan de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Aangezien de vermindering van de productiecapaciteit het primaire doel van het programma van steun aan de ijzer- en staalindustrie is, is het onwettig om de verwezenlijking van dit doel afhankelijk te stellen van voorwaarden die daarmee geen verband houden, zoals een bepaald niveau van geregelde productie.
94 Het Gerecht constateert dat de Commissie met haar vaststelling van de vijfde code en de Raad met zijn instemming steun aan ondernemingen hebben toegestaan die definitief hun EGKS-ijzer- en staalproductiewerkzaamheden staken, mits deze ondernemingen tot het tijdstip van de aanmelding van deze steunmaatregelen geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten hebben vervaardigd. Zoals uit de bestreden beschikkingen blijkt (zie punt 21 supra), beoogden deze instellingen enkel steun bij sluiting te verlenen aan ondernemingen met belangrijke activiteiten. Daarentegen hebben zij het niet noodzakelijk of dienstig geacht om een afwijking van het algemene verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag toe te staan ten gunste van ondernemingen die niet geregeld produceren, aangezien de sluiting van deze ondernemingen geen belangrijke gevolgen voor de markt heeft.
95 Krachtens artikel 4, sub c, van het Verdrag is elke steun van de lidstaten aan de ijzer- en staalindustrie in welke vorm ook verboden. Afwijkingen van dit verbod, zoals de vijfde code die is vastgesteld op basis van artikel 95 van het Verdrag, moeten strikt worden uitgelegd (arrest Gerecht van 25 september 1997, UK Steel Association/Commissie, T-150/95, Jurispr. blz. II-1433, punt 114).
96 Gelet op het algemene verbod van steun in artikel 4, sub c, van het Verdrag en het uitzonderlijke en beperkte karakter van de voorziene afwijkingen, mocht de Commissie zich bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, zonder daarbij het recht klaarblijkelijk te miskennen of haar bevoegdheden te misbruiken, op het standpunt stellen dat sluitingssteun belangrijke gevolgen voor de markt diende te hebben en dus slechts kon worden toegekend aan ondernemingen die, ofschoon naar aannemelijk is minder concurrerend, toch geregeld hebben geproduceerd.
97 De middelen dienen derhalve te worden afgewezen.
De middelen betreffende de uitlegging die de Commissie in casu heeft gegeven aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code
98 Vooraf zij eraan herinnerd dat de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 de steunregeling van wet nr. 481/94 weliswaar in beginsel heeft goedgekeurd, doch daaraan de voorwaarde heeft verbonden dat alle individuele gevallen van toepassing van deze wet vooraf moesten worden aangemeld, en heeft medegedeeld dat zij in elk concreet geval slechts goedkeuring zou verlenen indien aan bepaalde voorwaarden werd voldaan. Eén van deze voorwaarden, namelijk de regelmaat van de productie, bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, wordt daarin door de Commissie aldus uitgelegd, dat de onderneming, om voor steun in aanmerking te komen, "gedurende het gehele jaar 1993 en in 1994 tot en met de maand februari (toen wetsdecreet nr. 103 bij de Commissie werd aangemeld) gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf moet zijn geweest".
99 Grondslag voor dit criterium is de objectieve vaststelling dat de ijzer- en staalproductie om technische redenen in continudienst plaatsvindt, in het algemeen op basis van drie ploegen van acht uur per dag en zeven dagen per week: dat wil zeggen gedurende 168 uur per week. De op grond van dit criterium vereiste minimumproductie bedraagt 40 uur per week, dus ongeveer een vierde, ofwel 25 %, van de maximaal mogelijke productie (of productiecapaciteit). In haar beschikkingen waarin goedkeuring voor de steunmaatregelen wordt geweigerd, vergelijkt de Commissie de opgegeven maximaal mogelijke productie van elke verzoekster met de werkelijke productie gedurende de referentieperiode (van januari 1993 tot en met februari 1994), welke verhouding wordt uitgedrukt in procenten. Het vereiste minimumniveau van de feitelijke productie bedraagt 25 % van de maximaal mogelijke productie.
100 Hoe dan ook heeft de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 de Italiaanse autoriteiten de mogelijkheid geboden, op basis van alternatieve objectieve criteria aan te tonen dat de ijzer- en staalproducent geregeld had geproduceerd. In de beschikking van 12 december 1994 bepaalde de Commissie namelijk voorts, dat de Italiaanse autoriteiten evenwel "op basis van objectieve criteria konden aantonen dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd".
101 Ten slotte zij opgemerkt dat de Commissie haar keuze van het hoofdcriterium en de mogelijkheid van alternatieve objectieve criteria heeft gemaakt in nauwe samenwerking met de Italiaanse autoriteiten tot wie de beschikking van 12 december 1994 was gericht. In de brief van de Italiaanse minister van Industrie, Handel en Ambacht van 5 oktober 1994 aan de Commissie wordt namelijk verklaard: "Het zou redelijk zijn om de suggestie van de Commissie te aanvaarden dat een geregelde productie in de zin van artikel 4, lid 2, van de steuncode inhoudt dat een onderneming die sluitingssteun ontvangt, in 1993 gemiddeld ten minste met één ploeg per dag in bedrijf is geweest. Dit sluit natuurlijk niet uit dat de Commissie aanvaardt dat op basis van andere objectieve criteria kan worden aangetoond, dat een onderneming die niet volledig aan dit criterium voldoet, op het moment van aanmelding toch geregeld produceerde."
102 Hieruit volgt, dat de Commissie, door in de beschikking van 12 december 1994 enerzijds een hoofdcriterium vast te stellen dat als vermoeden van een geregelde productie in de zin van artikel 4, lid 2, van de vijfde code geldt, en anderzijds in de mogelijkheid te voorzien om het bewijs door andere objectieve criteria te leveren, haar bevoegdheden niet heeft misbruikt en evenmin de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend.
103 Niettemin stellen verzoeksters dat de Commissie bij de toepassing van het hoofdcriterium in hun individuele geval haar bevoegdheden heeft misbruikt en het recht heeft miskend, waartoe zij middelen aanvoeren waarmee in wezen bezwaar wordt gemaakt tegen enerzijds de keuze van het hoofdcriterium en anderzijds de weigering van de Commissie om alternatieve objectieve criteria in aanmerking te nemen.
A - De middelen waarmee bezwaar wordt gemaakt tegen de keuze van het criterium van de productie van ten minste één ploeg van acht uur per dag gedurende vijf dagen per week
104 Verzoeksters maken enerzijds bezwaar tegen de omstandigheden waaronder het criterium is toegepast en anderzijds tegen de inhoud van het criterium.
1. De middelen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de omstandigheden waarin het criterium is toegepast
105 Moccia voert als middel aan: schending van het bekendmakingsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht van rechtsvoorschriften.
106 In wezen stelt zij, dat het betrokken criterium een rechtsvoorschrift is dat voor het eerst bij beschikking 96/678 is toegepast. Het wordt evenwel toegepast op feiten die hebben plaatsgevonden tussen januari 1993 en februari 1994. Bijgevolg is het verbod van terugwerkende kracht van rechtsvoorschriften geschonden.
107 Anderzijds is dit rechtsvoorschrift volgens haar niet bekendgemaakt vóór zijn toepassing. Het beginsel dat rechtsvoorschriften bekend moeten worden gemaakt, is derhalve geschonden.
108 Het Gerecht merkt op, dat in dit middel bezwaar wordt gemaakt tegen de omstandigheid dat het criterium dat in de beschikking van 12 december 1994 is vastgesteld ter beoordeling van de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, rekening houdt met de productie in een periode die op het moment van vaststelling en toepassing, dat wil zeggen tot aan de datum van aanmelding van de Italiaanse steunregeling bij de Commissie in februari 1994, reeds was verstreken.
109 Bij deze vaststelling van de periode waarover de productie wordt beoordeeld, wordt slechts toepassing gegeven aan artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, waarin wordt bepaald, dat sluitingssteun slechts verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden geacht, indien de onderneming die de steun aanvraagt, "tot het tijdstip van de aanmelding van deze steun" geregeld EGKS-producten heeft vervaardigd.
110 De vijfde staalsteuncode is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 31 december 1991. Krachtens artikel 9 is deze code in werking getreden op 1 januari 1992.
111 De productieperiode die bij de beschikking van 12 december 1994 in aanmerking is genomen voor de ondernemingen die sluitingssteun krachtens wet nr. 481/94 aanvroegen, is de periode van januari 1993 tot en met februari 1994, dat wil zeggen na de datum van bekendmaking en inwerkingtreding van de vijfde code, waarin de betrokken wijze van beoordeling is vastgelegd.
112 De middelen dienen derhalve te worden afgewezen.
2. De middelen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de inhoud van het criterium
113 Tegen de inhoud zelf van het bij de beschikking van 12 december 1994 vastgestelde criterium maken verzoeksters bezwaar vanuit drie gezichtspunten: voor zover in dit criterium een objectief hoge productie wordt vereist, verhindert het dat de steun ten goede kan komen aan de minst competitieve ondernemingen; de vastgelegde referentieperiode is ontoereikend en de maximaal mogelijke productie is een willekeurige factor.
a) Het middel, dat het criterium, door een objectief hoge productie te vereisen, zou beletten dat de steun ten goede kan komen aan de minst competitieve ondernemingen
114 Moccia en Lamifer verklaren, dat volgens punt I, vierde alinea, van de considerans van de vijfde code de sluitingssteun ten goede moet komen aan de minst competitieve ondernemingen. Bij haar uitlegging van het criterium van de geregelde productie heeft de Commissie voor de ondernemingen die een dergelijke steun aanvragen, productiedrempels voorgeschreven die objectief hoog zijn. Aldus heeft zij geen rekening gehouden met het feit dat de sluitingssteun bestemd is voor de minst competitieve ondernemingen.
115 Om te beginnen merkt het Gerecht op dat in punt I, vierde alinea, van de considerans van de vijfde code, waarnaar verzoeksters verwijzen, een samenvatting wordt gegeven van de beginselen welke golden voor de beschikkingen nr. 3484/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 en nr. 322/89/EGKS van de Commissie van 1 februari 1989 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie, de derde en de vierde staalsteuncode. Daarin wordt niet een specifieke motivering gegeven voor de sluitingssteun waarin in de vijfde code wordt voorzien. Aangezien de vijfde code evenwel de vorige codes waarvan de geldigheidsduur was verstreken, dient te vervangen en in geen enkel specifiek motief van deze code formeel afstand wordt genomen van deze beginselen, is het niet uitgesloten dat deze beginselen ook van toepassing zijn op de vijfde code. Deze interpretatie wordt bevestigd door de omstandigheid dat de derde overweging van de zesde staalsteuncode een vergelijkbare motivering bevat, waarin naar de vijfde code wordt verwezen die in casu aan de orde is.
116 Deze motivering moet evenwel worden vergeleken met de tekst zelf van de vijfde code en in het bijzonder met artikel 4, lid 2, tweede streepje, waarin van de ondernemingen die sluitingssteun aanvragen, een geregelde productie wordt vereist. Dan blijkt, dat de gemeenschapswetgever niet wilde verwijzen naar de categorie van minst competitieve ondernemingen in haar algemeenheid, doch enkel, binnen deze categorie, van de ondernemingen met een "geregelde productie". Zoals hiervóór reeds is aangetoond (zie punten 94-96), heeft de Commissie het recht niet klaarblijkelijk miskend door de betrokken steun te beperken tot ondernemingen waarvan de sluiting belangrijke gevolgen voor de markt heeft.
117 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
b) De middelen betreffende de ontoereikendheid van de referentieperiode
118 Casilina, Dora en Lamifer stellen enerzijds dat de aanvang van de referentieperiode van geregelde productie op 1 januari 1991 had moeten worden vastgesteld, en anderzijds dat de ontoereikende duur van de referentieperiode het onmogelijk maakt om te beoordelen of de aanwezigheid van een onderneming op de markt significant is.
- Het middel dat de aanvang van de referentieperiode voor de geregelde productie op 1 januari 1991 had moeten worden vastgesteld
119 Verzoeksters stellen, dat de aanvang van de referentieperiode voor de geregelde productie had moeten worden vastgesteld op 1 januari 1991, de datum die wordt genoemd in artikel 4, lid 2, eerste en derde streepje, van de vijfde code.
120 Het Gerecht merkt op, dat in artikel 4, lid 2, van de vijfde code de voorwaarden worden vastgesteld waaraan een onderneming moet voldoen opdat aan haar toegekende sluitingssteun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd.
121 Het eerste streepje van dit lid vereist, dat de onderneming haar rechtspersoonlijkheid heeft verkregen "vóór 1 januari 1991". Het tweede streepje stelt de voorwaarde van het geregeld vervaardigen van EGKS-producten "tot het tijdstip van de aanmelding van deze steunmaatregelen". Onder het derde streepje wordt bepaald dat de onderneming de structuur van haar productie en haar installaties "sinds 1 januari 1991" niet moet hebben gewijzigd.
122 Uit deze opsomming blijkt dat elk van deze drie voorwaarden haar eigen limiet in de tijd kent. Bovendien verschillen deze limieten van elkaar, aangezien de voorwaarden respectievelijk vóór 1 januari 1991, na 1 januari 1991 en vóór het tijdstip van aanmelding van de steunmaatregelen moeten zijn vervuld. Zuiver op basis van de tekst is er dus geen reden om ervan uit te gaan dat de onder het tweede streepje van het lid vermelde voorwaarde minder compleet zou zijn dan de beide andere voorwaarden, noch dat zij door verwijzing naar deze voorwaarden dient te worden aangevuld.
123 Verder bevat artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code geen datum vanaf welke de regelmaat van de productie dient te worden gemeten. Indien de gemeenschapswetgever de datum vanaf welke deze voorwaarde moet worden beoordeeld, op 1 januari 1991 had willen vaststellen, had hij dit beslist gedaan, te meer daar deze datum vóór die van de inwerkingtreding van de vijfde code lag.
124 Ten slotte merkt de Commissie terecht op, dat het eerste en het derde streepje van lid 2 van artikel 4 van de vijfde code een ander doel hebben dan het tweede streepje van deze bepaling. Het eerste en het tweede streepje beogen kennelijk eventuele fraude te voorkomen door te verhinderen dat de betrokkenen enkel om in aanmerking te komen voor de steun een vennootschap oprichten of de structuur van hun productie of hun installaties uitbreiden. Daarentegen is het primaire doel van de voorwaarde in het tweede streepje van lid 2 niet het voorkomen van fraude. Het is namelijk geen fraude wanneer een onderneming die, gelet op artikel 4, lid 2, eerste streepje, van de vijfde code reeds is opgericht vóór 1 januari 1991, dat wil zeggen vóór de vaststelling van de vijfde code, sluitingssteun aanvraagt wanneer zij geen geregelde productie meer heeft. Het vereiste van een geregelde productie heeft daarentegen tot doel, te verzekeren dat de toekenning van sluitingssteun tot een merkbare vermindering van de productie leidt, hetgeen betekent dat deze steun slechts aan ondernemingen dient te worden toegekend die op het moment van sluiting een productieniveau van een zekere omvang hadden.
125 De voorkoming van fraude is een bijkomende overweging bij het vereiste dat aan deze voorwaarde moet worden voldaan tot aan het tijdstip van aanmelding van de steunmaatregel, dus in dit geval over een reeds verstreken en dus niet suspecte periode, zodat elke productieverhoging om te voldoen aan het criterium van de geregelde productie is uitgesloten. Dit vereiste, dat slechts de wijze van beoordeling van de desbetreffende voorwaarde betreft, heeft evenwel niets van doen met het doel daarvan.
126 Bijgevolg bestaat er geen doorslaggevende reden waarom de geregelde productie bedoeld in het tweede streepje van lid 2 van artikel 4 van de vijfde code, zou moeten worden beoordeeld vanaf 1 januari 1991, de datum die in het eerste en het derde streepje van dit lid wordt genoemd.
127 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
- Het middel dat het wegens de te korte duur van de referentieperiode niet mogelijk zou zijn om te beoordelen of de aanwezigheid van een onderneming op de markt significant is
128 Verzoeksters herinneren eraan dat het doel van het betrokken criterium was, enkel die ondernemingen voor steun in aanmerking te laten komen, wier aanwezigheid op de ijzer- en staalmarkt significant was. Zij verklaren dat de aanwezigheid van een onderneming op een markt niet correct kan worden geëvalueerd op basis van een periode als de onderhavige, die objectief beperkt is. De aanwezigheid van een onderneming op de markt is namelijk significant, indien zij duurzaam een bepaald marktaandeel heeft, dat wil zeggen een marktaandeel dat in een dynamisch perspectief wordt bezien en niet willekeurig tot één enkel jaar wordt beperkt. Verzoeksters verwijzen naar analogie naar beschikking 89/467/EEG van de Commissie van 12 juli 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.566-UIP) (PB L 226, blz. 25), waarin is erkend dat sterke schommelingen van marktaandelen van distributeurs van het ene jaar op het andere niet noodzakelijkerwijze duiden op wijzigingen in hun economische aanwezigheid op de markt, die in een dynamisch perspectief moet worden beoordeeld.
129 De Commissie merkt op, dat in de vijfde code niet wordt gepreciseerd, vanaf welk moment de voorwaarde van de geregelde productie moet worden beoordeeld. Zij zelf diende derhalve het aanvangstijdstip van deze beoordeling en derhalve de in aanmerking te nemen referentieperiode te bepalen. Dit had zij gedaan, uitgaande van het doel van de betrokken bepaling, namelijk verzekeren dat de sluitingssteun belangrijke gevolgen voor de markt heeft. Zij verklaart dat ter verwezenlijking van dit doel een periode diende te worden vastgesteld die zo dicht mogelijk bij de datum van aanmelding van de algemene regeling lag, zodat de steun slechts zou worden toegekend aan ondernemingen die op dat tijdstip feitelijk actief waren. Anderzijds diende de periode lang genoeg te zijn om te kunnen nagaan, of de aanwezigheid op de markt van de betrokken onderneming als significant genoeg kon worden beschouwd. Daarom achtte de Commissie het billijk om de periode tussen het jaar vóór de datum van aanmelding van de algemene regeling en de datum waarop aan deze regeling uitvoering werd gegeven, als referentieperiode te nemen.
130 Het Gerecht is het eens met de vaststelling van de Commissie, dat indien voor de betrokken steun ondernemingen in aanmerking hadden kunnen komen die in 1993 en in januari en februari 1994 niet op de markt aanwezig waren doch in de periode gedurende de twee jaren van 1991 en 1992 voldoende hadden geproduceerd, de productievermindering als gevolg van hun sluiting louter theoretisch of althans aanzienlijk geringer zou zijn geweest. Bovendien zou ook een resultaat zijn bereikt dat niet strookte met de nagestreefde doeleinden, indien de ondernemingen met een significante aanwezigheid op de markt in 1993, die evenwel in de periode van 1991 en 1992 onvoldoende actief waren, van de steun werden uitgesloten.
131 Daaraan dient te worden toegevoegd dat volgens niet betwiste, door de Commissie verstrekte inlichtingen de sluitingssteun in casu aan 33 van de 43 Italiaanse ijzer- en staalondernemingen die een aanvraag daartoe hadden ingediend, kon worden toegekend voor een feitelijke productievermindering van warmgewalste producten van meer dan 5 miljoen ton, welke hoeveelheid beantwoordde aan de doelstellingen die de Italiaanse regering zichzelf in het kader van de verlening van de betrokken steun had gesteld. Daaruit volgt, dat de door de Commissie gekozen referentieperiode voor de beoordeling van de regelmaat van de productie het niet alleen mogelijk maakte om de aanwezigheid op de markt van de te sluiten onderneming correct te beoordelen, doch ook om de door de Italiaanse regering als doel gestelde productievermindering in de praktijk te verwezenlijken.
132 Evenmin behoeft rekening te worden gehouden met verzoeksters' betoog betreffende beschikking 89/467 van 12 juli 1989 (reeds aangehaald). In deze beschikking, die is vastgesteld krachtens artikel 85 EEG-Verdrag, heeft de Commissie erkend, dat sterke schommelingen van marktaandelen van distributeurs van het ene jaar op het andere niet noodzakelijk duiden op wijzigingen in hun economische aanwezigheid op de markt, die daarentegen in een dynamisch perspectief moet worden beoordeeld. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het in casu niet relevant om te verwijzen naar deze beschikking, die is gegeven in de sector van de filmdistributie. In dat geval diende de economische macht te worden beoordeeld van ondernemingen die op de markt zouden blijven, en dienden vooral de effecten van de tussen hen gesloten overeenkomsten te worden vastgesteld, rekening houdend met de mogelijkheid dat de concurrentie voor een belangrijk gedeelte van de betrokken producten zou worden uitgeschakeld. Daarentegen diende in onderhavig geval de aanwezigheid van een ijzer- en staalonderneming op de markt te worden beoordeeld met het oog op haar definitieve sluiting en dus met inachtneming van de productievermindering die een gevolg daarvan zou kunnen zijn. Het effect van deze sluiting op de totale productie van ijzer- en staalproducten is des te groter naarmate de onderneming meer heeft geproduceerd gedurende een zo dicht mogelijk bij de sluiting liggende periode.
133 Daaruit volgt, dat niet is aangetoond dat de Commissie, door de duur van de periode waarover de regelmaat van de productie moet worden beoordeeld, aldus vast te stellen, de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend of haar bevoegdheden heeft misbruikt.
134 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
c) De middelen waarmee bezwaar wordt gemaakt tegen de keuze van de maximaal mogelijke productie als criterium voor de berekening van de geregelde productie
135 Casilina, Dora en Lamifer maken bezwaar tegen het feit dat het door de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 uitgewerkte criterium verwijst naar de maximaal mogelijke productie. Enerzijds zou het referentiecriterium namelijk de werkelijke productie dienen te zijn, anderzijds is huns inziens het beroep op de maximaal mogelijke productie, anders dan bij staalfabrieken, ongeschikt om de productie van walserijen te evalueren.
- Het middel dat de geregelde productie zou moeten worden geëvalueerd op basis van de werkelijke productie
136 Verzoeksters zijn van mening, dat het gebruik van het begrip maximaal mogelijke productie willekeurig is. De term "geregelde" productie in de vijfde code doelt op een productieactiviteit die overeenkomt met de historische productie van de onderneming. Een productie kan als geregeld worden beschouwd, indien zij niet sterk afwijkt van de gedurende de vorige jaren waargenomen en in de komende jaren verwachte tendens. Deze factor kan slechts worden beoordeeld op basis van feitelijke gegevens, namelijk de productie in de loop van de voorgaande jaren, en niet op basis van theoretische en potentiële gegevens, zoals de productiecapaciteit.
137 Onder verwijzing naar de terecht aangevoerde argumenten van de Commissie, merkt het Gerecht op, dat artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code niet haar discretionaire bevoegdheid beperkt betreffende de keuze van het referentiecriterium op basis waarvan wordt nagegaan of aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie is voldaan. Een dergelijke beperking kan slechts voortvloeien uit de noodzaak om criteria vast te stellen die de verwezenlijking van het doel van de betrokken regel, namelijk een werkelijke productievermindering, verzekeren.
138 In plaats van te preciseren waarom het door de Commissie toegepaste criterium klaarblijkelijk in strijd zou zijn met de bepalingen van de vijfde code of tegen zijn doelstellingen zou indruisen, beperken verzoeksters zich ertoe een alternatief criterium voor te stellen. Dit criterium, namelijk de werkelijke productie van de onderneming en de regelmaat ervan van het ene jaar op het andere, houdt evenwel geen rekening met de productiecapaciteit van de ondernemingen en de verhouding tussen de productiecapaciteit en de werkelijke productie. Daaruit volgt, dat op grond van dit criterium sluitingssteun zou kunnen worden verleend aan een onderneming waarvan de werkelijke productie, ofschoon regelmatig, slechts een zeer gering deel van haar productiecapaciteit zou uitmaken. Bij een dergelijke uitlegging zou derhalve, anders dan bij het door de Commissie gehanteerde criterium, niet een snelle en sterke vermindering van de werkelijke productie worden gewaarborgd, doch louter een vermindering van de productiecapaciteit. Bovendien zou, zoals de Commissie terecht verklaart, indien rekening werd gehouden met het loutere feit van een onafgebroken productieniveau van een onderneming gedurende een bepaalde periode, zoals verzoeksters opperen, uiteindelijk zelfs steun worden toegekend aan ondernemingen die ondanks het feit dat zij in een onherstelbare crisissituatie verkeren, niettemin erin zijn geslaagd om een aantal jaren op de markt te overleven met een volstrekt marginaal productieniveau, dat derhalve niet relevant is voor de verwezenlijking van de door deze steun beoogde doelstellingen. De steuncode heeft ten doel door middel van sluitingssteun een belangrijke productievermindering te verwezenlijken, zodat dit criterium duidelijk minder geschikt lijkt om dit doel te verwezenlijken dan het criterium van de Commissie.
139 Bijgevolg is niet aangetoond dat de Commissie, door het criterium van de maximaal mogelijke productie te hanteren, de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend of haar bevoegdheden heeft misbruikt.
- Het middel dat de maximaal mogelijke productie geen adequaat criterium voor de waardering van de productie van warmgewalste producten is
140 Verzoeksters zijn van mening dat de maximaal mogelijke productie niet geschikt is om, anders dan het geval is voor staalfabrieken, de productie van walserijen te ramen. Dit begrip, dat in casu door de Commissie is toegepast, berust op de hypothese van een productie met drie ploegen, dat wil zeggen van drie maal acht uur per dag. Om technische redenen zijn dit inderdaad de productievoorwaarden van staalfabrieken. Daarentegen opereren de walserijen gewoonlijk met één ploeg, dus een productie van acht uur per dag.
141 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat verzoeksters' verklaring dat in de walserijen in beginsel met één enkele ploeg wordt geproduceerd, uitdrukkelijk wordt betwist door de Commissie, die verklaart dat de walserijen vooral om redenen van efficiency van de temperatuurcyclus, dat wil zeggen de noodzaak om het enorme voor het afkoelen van de oven benodigde gasgebruik te voorkomen, normaliter met drie ploegen opereren. Ook uit het dossier, in het bijzonder het door Lamifer overgelegde deskundigenrapport van ingenieur R. Dusi van 16 januari 1996, blijkt dat de beperking van haar productie in 1993 op zaterdagen en zondagen tot een zeer grote stijging van het methaanverbruik had geleid als gevolg van de zeer geringe efficiency van de temperatuurcyclus. Er bestaan dus aanwijzingen dat voor walserijen een productie op andere wijze dan in drie ploegen niet optimaal is.
142 Daaruit volgt, dat verzoeksters' bewering, die door geen enkel objectief gegeven uit het dossier wordt gestaafd, niet is bewezen.
143 Verder biedt het criterium van de op basis van drie ploegen berekende maximaal mogelijke productie, zoals de Commissie terecht stelt, het voordeel dat het objectief is en algemeen en uniform op alle ijzer- en staalondernemingen kan worden toegepast.
144 Ten slotte zij eraan herinnerd dat, zoals reeds hiervoor in punt 131 is uiteengezet en volgens niet betwiste inlichtingen van de Commissie, het omstreden criterium een feitelijke vermindering van de productie van warmgewalste producten van meer dan 5 miljoen ton mogelijk heeft gemaakt, waardoor de doelstellingen van de Italiaanse regering konden worden bereikt. Daaruit volgt, dat het criterium dus duidelijk niet heeft belet dat onder aanvaardbare omstandigheden sluitingssteun werd toegekend aan walserijen.
145 Bijgevolg is niet aangetoond dat de Commissie, door te beslissen dat ook voor de walserijen voor de berekening van de maximaal mogelijke productie moest worden uitgegaan van drie ploegen, niet de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend of haar bevoegdheden heeft misbruikt.
146 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
B - De middelen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de weigering van de Commissie om rekening te houden met alternatieve objectieve criteria
147 Moccia, Prolafer en Sidercamuna maken bezwaar tegen het feit dat de voorwaarde betreffende de geregelde productie in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code aldus is uitgelegd, dat de ondernemingen die weliswaar geen toereikende feitelijke productie hadden, doch in staat waren om te produceren, werden uitgesloten.
148 Verzoeksters stellen in de eerste plaats, dat de afwijzing van het criterium van de mogelijkheid om te produceren, in strijd is met het doel van de vijfde code: de vermindering van de productiecapaciteit. In de tweede plaats was dit criterium huns inziens reeds in de beschikking van 12 december 1994 aanvaard. In de derde plaats is in de bestreden beschikkingen ten onrechte het standpunt van de Italiaanse regering afgewezen dat het gebruik van dit criterium gerechtvaardigd was, omdat de Italiaanse markt een ernstige crisis doormaakte. In de vierde plaats was in de bestreden beschikkingen waarbij dit criterium werd afgewezen, geen rekening gehouden met de bijzondere situatie van de ondernemingen Moccia, Prolafer, Lamifer en Sidercamuna, die zich daarop hadden kunnen beroepen.
1. De middelen dat de afwijzing van het criterium van de mogelijkheid om te produceren, een schending van het doel van de vijfde staalsteuncode oplevert
149 Sidercamuna verklaart, dat het in strijd is met artikel 4 van de vijfde code om ijzer- en staalondernemingen die weliswaar niet geregeld hadden geproduceerd, doch daartoe wel in staat waren, van de sluitingssteun uit te sluiten. Deze bepaling heeft namelijk ten doel, overtollige productiecapaciteit uit de markt te nemen. Door bovengenoemde categorie van ondernemingen van de steun uit te sluiten, was dit doel niet bereikt. In het bijzonder is het niet uitgesloten dat deze ondernemingen hun productie-installaties later aan andere, nog actieve ondernemingen kunnen verkopen en aldus uiteindelijk op de markt terugkeren, waardoor de productiecapaciteit op lange termijn stijgt.
150 Zij voegt daaraan toe, dat steunverlening aan deze categorie van ondernemingen een weliswaar niet voorzienbaar, maar belangrijker effect zou hebben gehad dan de steun die enkel wordt toegekend aan ondernemingen die voldoen aan het criterium van de beschikking van 12 december 1994, respectievelijk artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code. Aldus had de Commissie een beschikking vastgesteld die kennelijk niet te rijmen was met het nuttig effect.
151 Zij verbindt daaraan de conclusie, dat de Commissie in de beschikking van 12 december 1994 en in beschikking 97/258 niet alleen een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en haar bevoegdheden heeft misbruikt, doch ook haar uitleggingsbevoegdheid voor een andere doel heeft gebruikt dan de toepassing van het Verdrag en de vijfde code verlangde.
152 Ook Moccia is van mening, dat de Commissie, door sluitingssteun te weigeren aan ondernemingen die zoals zij de productie wegens de crisis op de markt hebben moeten onderbreken, haar bevoegdheden heeft misbruikt.
153 Het Gerecht herinnert eraan, dat artikel 4, sub c, van het Verdrag staatssteun verbiedt. Aangezien het verbod van steun de regel is en de vijfde code een uitzondering op dit beginsel, dient hij strikt te worden uitgelegd (arrest UK Steel Association/Commissie, reeds aangehaald, punt 114). Daaruit volgt, dat artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, volgens hetwelk de onderneming die sluitingssteun aanvraagt, geregeld EGKS-producten moet hebben vervaardigd, des te strikter moet worden geïnterpreteerd.
154 Uit deze voorwaarde blijkt duidelijk, dat de vijfde code niet beoogt, de sluiting van elke willekeurige onderneming te bevorderen en aldus een vermindering van de productiecapaciteit te bereiken. Het doel daarvan is daarentegen om enkel steun toe te staan aan ondernemingen met belangrijke activiteiten op de markt, waarvan de sluiting tot een aanzienlijke vermindering van de feitelijke ijzer- en staalproductie zal leiden.
155 Door de voorwaarde van de geregelde productie in artikel 4, lid 2, van de vijfde staalsteuncode te stellen, heeft de gemeenschapswetgever dus het nuttig effect van de sluitingssteun willen versterken door, zoals de Commissie terecht stelt, te verzekeren dat de gevolgen daarvan belangrijk genoeg zijn, niet alleen in termen van ontmanteling van installaties, doch ook van vermindering van het huidige productieniveau.
156 Dit doel is verwezenlijkt, aangezien deze voorwaarde in de door de Commissie gehanteerde uitlegging, zoals reeds hiervoor in de punten 131 en 144 is verklaard, het mogelijk heeft gemaakt om aan 33 van de 43 Italiaanse ijzer- en staalondernemingen die daartoe een aanvraag hadden ingediend, sluitingssteun te verlenen voor een feitelijke vermindering van de productie van warmgewalste producten van meer dan 5 miljoen ton.
157 Daarentegen zou het door verzoeksters als referentiecriterium voorgestelde alternatief, namelijk de eenvoudige mogelijkheid om te produceren, kennelijk in strijd zijn geweest met de vorengenoemde voorwaarde, aangezien daarmede geen rekening zou zijn gehouden met de werkelijke en derhalve geregelde productie. Bovendien had dit, zoals de Commissie terecht opmerkt, onvermijdelijk ertoe geleid dat het nagestreefde doel geen nuttig effect meer zou hebben of althans een veel geringer nuttig effect. Op deze basis zou namelijk steun kunnen worden toegekend aan ondernemingen met installaties die niet meer in bedrijf zijn. Het nagestreefde doel kon evenwel slechts worden bereikt, voor zover de betrokken steun kon worden toegekend aan ondernemingen die voldoende actief waren op de markt.
158 Daaruit volgt, dat de Commissie, door het criterium van de mogelijkheid om te produceren af te wijzen, de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel niet klaarblijkelijk heeft miskend of haar bevoegdheden heeft misbruikt.
2. Het middel dat de Commissie het criterium van de mogelijkheid om te produceren niet in beschikking 97/258 had mogen afwijzen, aangezien zij het reeds had aanvaard toen zij bij de beschikking van 12 december 1994 de Italiaanse wettelijke regeling goedkeurde
159 Sidercamuna verklaart dat de Commissie, door geen sluitingssteun toe te staan voor ondernemingen die louter de mogelijkheid hebben om te produceren, in strijd heeft gehandeld met haar beschikking van 12 december 1994, houdende goedkeuring van wet nr. 481/94 en het ministerieel besluit, op basis waarvan de betrokken steun is aangevraagd, en derhalve het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Het ministerieel besluit bepaalt in artikel 1, lid 5, dat een aanhangige faillissementsprocedure of procedure van gerechtelijk akkoord niet in de weg staat aan steunverlening, aangezien deze steun ten doel heeft de feitelijke vernietiging van installaties voor het vervaardigen van EGKS-producten te stimuleren. Door deze bepaling goed te keuren heeft de Commissie haars inziens ook het criterium van de mogelijkheid om te produceren goedgekeurd.
160 Het Gerecht merkt op, dat in artikel 1 van het ministerieel besluit, met het opschrift "Voorwaarden voor toelaatbaarheid van de aanvraag", in lid 1, sub e, wordt bepaald, dat om in aanmerking te komen voor sluitingssteun zonder uitzondering moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat "geregeld is geproduceerd, wat moet worden aangetoond".
161 Gelet op de algemene strekking van deze bepaling, heeft het vijfde lid van dit artikel, zoals de Commissie terecht opmerkt, kennelijk ten doel om vast te stellen dat een aanhangige faillissementsprocedure niet in de weg staat aan toekenning van sluitingssteun en dus geen grond is om bij voorbaat van deze steun te worden uitgesloten. Dit betekent echter niet, dat een onderneming waartegen een faillissementsprocedure aanhangig is, voor sluitingssteun in aanmerking kan komen zonder te behoeven voldoen aan de in artikel 1, sub e, van het ministerieel besluit gestelde voorwaarde van een geregelde productie die is aangetoond.
162 Daaruit volgt, dat de Commissie, door bij haar beschikking van 12 december 1994 de Italiaanse wettelijke regeling, waaronder het ministerieel besluit, te aanvaarden, niet het criterium van de mogelijkheid om te produceren heeft goedgekeurd en dus niet het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
163 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
3. Het middel dat de Commissie ten onrechte het standpunt van de Italiaanse regering betreffende het bestaan van een ernstige crisis op de Italiaanse markt heeft afgewezen
164 Sidercamuna is van mening dat de Commissie in beschikking 97/258 ten onrechte het standpunt van de Italiaanse regering heeft afgewezen dat de geringe productie te wijten was aan de buitengewoon ongunstige conjunctuur en een ernstige crisis op de Italiaanse markt van ijzer- en staalproducten.
165 Volgens verzoekster heeft de Commissie de markt niet behoorlijk geëvalueerd en in het bijzonder enige fundamentele factoren, zoals de vroegere situatie, de door de bedrijfstak doorgemaakte lange crisis en de noodzaak van herstructurering, niet in haar beschouwing betrokken.
166 Ten slotte heeft zij ten onrechte gegevens betreffende de productie in plaats van gegevens betreffende het verbruik als criterium gehanteerd.
167 Het Gerecht merkt op, dat de Commissie in haar beschikking 97/258 (punt III van de considerans) verklaart dat de stelling van de Italiaanse autoriteiten dat de geringe productie van de Italiaanse ijzer- en staalondernemingen in 1993 zou zijn te wijten aan een buitengewoon ongunstige conjunctuur en een ernstige crisis op de markt van lange producten, niet opgaat. De daling van de productie van lange producten was namelijk volgens haar zeer gering geweest, in het bijzonder wat de subsector walsdraad, platte staven en profielen betreft. Tot staving van haar verklaringen produceert de Commissie een tabel, waaruit blijkt dat de productie in miljoen ton van lange producten van 13,3 in 1991, via 13,2 in 1992 uitkwam op 12,5 in 1993, de productie van walsdraad van 3 in 1991, via 3,2 in 1992 op 3,1 in 1993 en de productie van staven en profielen van 3,5 in 1991, via 3,3 in 1992 op 3,2 in 1993. Volgens de Commissie geldt hetzelfde voor de markt voor rond betonstaal, waarop zowel op Europees als op Italiaans niveau een lichte vermindering van de bezettingsgraad werd waargenomen. Verder blijkt uit een tweede tabel, dat de productie van rond betonstaal in miljoen ton in Europa van 12,24 in 1991, via 12,53 in 1992 uitkwam op 12,92 in 1993. Ten slotte blijkt uit een derde tabel, dat de productie van rond betonstaal in miljoen ton in Italië van 5,5 in 1991, via 5,7 in 1992 uitkwam op 5,4 in 1993. Op grond van deze gegevens concludeert de Commissie, dat het betoog van de Italiaanse autoriteiten, dat de geringe productie van de betrokken ondernemingen, waaronder verzoekster, te wijten was aan de ongunstige marktconjunctuur in 1993, niet kan worden geaccepteerd.
168 Op basis van deze door Sidercamuna niet betwiste gegevens kan de Commissie, zonder een klaarblijkelijke beoordelingsfout te maken, tot vorengenoemde conclusie komen.
169 Uit deze tabellen in de tekst zelf van de beschikking blijkt eveneens, dat de Commissie de gegevens betreffende de productie in Europa en in Italië in 1993 heeft vergeleken met de gegevens betreffende de twee voorgaande jaren. Haar beoordeling van de markt, waarmee zij een adequaat antwoord heeft kunnen geven op de stelling van de Italiaanse autoriteiten, is derhalve niet kennelijk ontoereikend.
170 Anders dan verzoekster denkt, was de Commissie niet verplicht om ook de duur van de door de sector doorgemaakte crisis en de noodzaak van een herstructurering van de ijzer- en staalindustrie in haar beschouwing te betrekken. Dit zijn namelijk geen factoren die het ontbreken van een geregelde productie van verzoekster kunnen rechtvaardigen. Anderzijds zijn deze factoren door de gemeenschapswetgever beoordeeld, toen hij de achtereenvolgende staalsteuncodes vaststelde. Deze beoordeling heeft deze wetgever niet belet om voor de goedkeuring van de sluitingssteun de voorwaarde betreffende de geregelde productie te stellen.
171 Met betrekking tot verzoeksters argument dat geen rekening is gehouden met de gegevens betreffende het verbruik, volstaat het op te merken, dat aangezien de betrokken onderneming een producent was die op de productiemarkt actief was en niet op de consumptiemarkt, en de sluitingssteun ten doel had de productie van de betrokken producten te verminderen en niet het verbruik, de Commissie zich niet schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke beoordelingsfout door uit te gaan van de situatie van de productie in plaats van die van het verbruik van ijzer en staal.
172 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
4. Het middel dat de bijzondere situatie van een aantal verzoeksters niet in aanmerking is genomen
173 Moccia, Prolafer, Lamifer en Sidercamuna betogen dat er bijzondere situaties bestonden die een rechtvaardiging vormden voor het feit dat zij niet aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie voldeden.
a) De onderneming Moccia
174 Moccia is van mening dat de Commissie, door de voor haar beoogde sluitingssteun niet toe te staan, geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij haar productie heeft moeten onderbreken omdat zij haar installaties aan de bepalingen betreffende de milieubescherming diende aan te passen.
175 Het Gerecht stelt evenwel vast dat, wat dit betreft, uit de door verzoekster overgelegde stukken enkel blijkt, dat zij bij besluit van de Italiaanse minister van Industrie, Handel en Ambacht van 6 oktober 1992 een rentevergoeding heeft ontvangen voor de constructie van een nieuwe installatie voor de verwijdering en recyclage van industriële afval. Daarentegen blijkt uit geen enkel processtuk, dat verzoekster verplicht was elke productieactiviteit gedurende de referentieperiode te staken om haar bestaande installaties aan te passen aan voorschriften op het gebied van de milieubescherming.
176 Het middel is dus niet feitelijk bewezen en dient derhalve te worden afgewezen.
b) De onderneming Prolafer
177 Prolafer aanvaardt weliswaar de voorwaarde betreffende de geregelde productie, doch haars inziens zou een onderneming die niet geregeld heeft kunnen produceren omdat zij haar productie om redenen die niet aan haar wil of de marktomstandigheden waren toe te schrijven, had moeten staken, voor steun in aanmerking moeten kunnen komen. Zij verklaart dat zij haar productie op bevel van de rechter heeft moeten staken, aangezien deze tot een sekwestratie van haar installatie had besloten. Tot staving van dit argument voert zij aan dat een onderneming die in een vergelijkbare situatie verkeert, zodra de belemmering van de productie is opgeheven, op een markt kan terugkeren die kunstmatig is ontlast door het vertrek van vele concurrenten die sluitingssteun hebben ontvangen, welke oplossing in strijd zou zijn met de geest van het Verdrag.
178 Het Gerecht stelt vast, dat uit de stukken in bijlage bij het verzoekschrift blijkt dat de rechter op 9 januari 1991 de sekwestratie van verzoeksters productie-installaties heeft gelast wegens milieuvervuiling. Uit een stuk in bijlage bij het verweerschrift blijkt evenwel, dat deze sekwestratie iets meer dan een maand later op 15 februari 1991 is opgeheven, dat wil zeggen vóór het begin van de referentieperiode voor de controle of aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie werd voldaan.
179 Aangezien het middel feitelijk niet gegrond is, dient het te worden afgewezen.
c) De onderneming Lamifer
180 Lamifer stelt dat zij gedurende de referentieperiode het minimum productieniveau niet heeft kunnen behalen, omdat haar bij maatregelen van de lokale autoriteiten elke productie gedurende de nachtelijke uren, vanuit kostenoogpunt de meest economische uren voor elektrische energie, was verboden.
181 Het Gerecht merkt evenwel op, dat uit door verzoekster overgelegde documenten, namelijk de beschikking van de burgemeester van Travagliato (Italië) van 30 maart 1989 in bijlage bij het verzoekschrift, blijkt dat de betrokken maatregelen de nachtelijke productieactiviteit niet zonder meer verbieden, doch de betrokken onderneming enkel de verplichting opleggen om haar installaties aan te passen om het geluidsniveau ervan binnen aanvaardbare grenzen te houden. Daaruit blijkt dus niet dat verzoekster om die reden gedwongen was haar productiecyclus tot een dagploeg te beperken.
182 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
d) De onderneming Sidercamuna
183 Sidercamuna maakt bezwaar tegen de weigering van de Commissie om rekening te houden met de door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criteria om de mogelijkheid van productie aan te tonen in plaats van de feitelijke productie. Door deze weigering had zij niet voor de sluitingssteun in aanmerking kunnen komen, ofschoon zij op de markt was gebleven en haar bedrijf zodanig had gevoerd dat zij ondanks de conjuncturele crisis in 1993 geregeld kon produceren.
184 Wat de wettigheid van de afwijzing, door de Commissie, van het criterium van de mogelijkheid om te produceren betreft, verwijst het Gerecht naar de punten 149 tot en met 158.
185 Wat betreft verzoeksters productie in haar vestiging te Berzo Inferiore (Brescia, Italië), waarop de aanvraag om sluitingssteun betrekking had, stelt het Gerecht vast, dat uit het op 31 december 1992 opgestelde rapport van verzoeksters raad van beheer betreffende de begroting (bijlage 8 R) blijkt, dat wegens de riskante financiële situatie en het wantrouwen van de leveranciers als gevolg daarvan, haar productie geleidelijk is stilgevallen. Verder blijkt uit het op 31 december 1992 opgestelde accountantsverslag betreffende de begroting (bijlage 8 R), dat de buitengewone aandeelhoudersvergadering op 30 maart 1993 heeft besloten, de rechtbank van Brescia te verzoeken om onder meer "3) de productie van rondstaal en platte walsproducten van de vestiging te Berzo Inferiore te staken; 4) de vestigingen te Berzo Inferiore te ontmantelen naar aanleiding van de maatregelen die de EEG vóór september a.s. zou nemen, dan wel door deze aan derden te verkopen". Ten slotte heeft verzoekster op 5 april 1993 verzocht om onder bewind te worden geplaatst, welk verzoek bij beschikking van de faillissementskamer van de rechtbank te Brescia van 28 april 1993 is ingewilligd.
186 Daaruit volgt, dat verzoekster, die met ernstige financiële problemen te kampen had, reeds in maart 1993, dat wil zeggen lang voor het einde van de referentieperiode op basis waarvan kon worden gecontroleerd of aan de voorwaarde van de geregelde productie werd voldaan, van plan was de productie definitief te beëindigen en haar installaties van de vestiging te Berzo Inferiore waarop de aanvraag van sluitingssteun betrekking had, te verkopen.
187 Het middel dient dus te worden afgewezen.
De middelen betreffende de schending van het discriminatieverbod
188 Het Gerecht herinnert eraan dat de Commissie het discriminatieverbod heeft geschonden, wanneer zij vergelijkbare situaties verschillend heeft behandeld en daardoor bepaalde marktdeelnemers ten opzichte van andere heeft benadeeld, zonder dat dit onderscheid in behandeling door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht werd gerechtvaardigd. In het bijzonder moet derhalve worden onderzocht, of het verschil in behandeling berust op het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht, welke verband houden met de doeleinden die de Commissie in het kader van haar industriebeleid in de Europese ijzer- en staalsector wettig kan nastreven (arresten Hof van 13 juli 1962, Klöckner-Werke en Hoechst/Hoge Autoriteit, 17/61 en 20/61, Jurispr. blz. 645, en 15 januari 1985, Finsider/Commissie, 250/83, Jurispr. blz. 131, punt 8).
189 Verzoeksters voeren in wezen zeven middelen betreffende de schending van het discriminatieverbod aan.
A - De middelen betreffende de discriminatie van verzoeksters ten opzichte van bepaalde ijzer- en staalondernemingen die ook sluitingssteun op grond van wet nr. 481/94 hadden aangevraagd
190 Verzoeksters zijn van mening, dat zij zijn gediscrimineerd ten opzichte van andere Italiaanse ijzer- en staalondernemingen. Deze discriminatie zou in de eerste plaats een gevolg zijn van het feit, dat een aantal ondernemingen die niet aan het door de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 vastgestelde criterium voor de uitlegging van de voorwaarde betreffende de geregelde productie, namelijk een ploeg van acht uur gedurende vijf dagen per week, voldeden, anders dan verzoeksters, toch werden geacht aan deze voorwaarde te voldoen. In de tweede plaats zou deze discriminatie voortvloeien uit het feit dat een aantal ondernemingen voor steun in aanmerking is gekomen, ondanks dat hun totale productie lager was dan die van verzoeksters. In de derde plaats zou deze discriminatie het gevolg zijn van het feit dat één van de verzoeksters, die gedurende de referentieperiode feitelijk heeft geproduceerd, op dezelfde voet als een aantal ondernemingen die niet hebben geproduceerd, werd geacht niet aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie te voldoen.
1. De middelen volgens welke een aantal ondernemingen die niet aan het door de Commissie in haar beschikking van 12 december 1994 vastgestelde criterium voor de uitlegging van de voorwaarde van de geregelde productie voldeden, anders dan verzoeksters, toch werden geacht aan deze voorwaarde te voldoen
a) Uiteenzetting van de middelen
191 In de middelen wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat de door de ondernemingen OLS, Diano en MAO aangevraagde sluitingssteun door de Commissie verenigbaar is verklaard, terwijl de door verzoeksters aangevraagde steun niet is goedgekeurd.
- De onderneming OLS
192 In beschikking 96/678 wordt opgemerkt (punt III van de considerans):
"Niettemin merkt de Commissie op, dat [OLS] - die in 1993 57 000 ton warmgewalste producten had geproduceerd, overeenkomende met 21 % van haar capaciteit - in de loop van het eerste kwartaal van 1993 is overgegaan tot vernieuwing van de elektrische en elektronische onderdelen van haar walserij voor de productie van rondstaal. Gedurende deze periode onderbrak OLS de productie volledig, die zij nadien op regelmatige grondslag heeft hervat. De productie van OLS op jaarbasis had in 1993 in feite ten minste 76 000 ton, of 28 % van haar capaciteit moeten bedragen. Op grond hiervan en met name gelet op de productiegraad die de onderneming bij gebreke van de bovengenoemde omvangrijke maatregelen in haar eigen walserij had kunnen bereiken, oordeelt de Commissie dat OLS bij haar sluiting regelmatig produceerde (te weten gemiddeld met ten minste één ploeg per dag, of ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week)."
193 Prolafer en Casilina achten zich dienaangaande gediscrimineerd.
194 Prolafer, die gedurende de referentieperiode niet heeft geproduceerd, verklaart dat de Commissie, indien zij de omstandigheden die door de betrokken onderneming waren aangevoerd, relevant achtte, zeker rekening had moeten houden met de invloed van hetgeen haar is overkomen, namelijk de sekwestratie van de installaties.
195 Casilina, wier productie gedurende de referentieperiode 14,2 % van haar capaciteit bedroeg, merkt op dat uit het geval van de onderneming OLS blijkt, dat de Commissie het bewijs van de abstracte mogelijkheid om te produceren onder bepaalde omstandigheden toereikend heeft geacht. De Commissie heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat indien niet bepaalde werkzaamheden aan de installaties van deze onderneming waren uitgevoerd, dat wil zeggen indien de productie niet gedurende drie maanden was onderbroken, het minimum productieniveau zou zijn bereikt. Op vergelijkbare wijze had evenwel ook verzoekster, indien zij niet gedurende zeven maanden in 1993 om technische redenen niet had kunnen draaien, de drempel van 25 % bereikt en zelfs overschreden. Niet kan worden gesteld dat het verschil tussen de beide ondernemingen is, dat de productie van OLS is onderbroken om de installaties te vernieuwen, en die van verzoekster wegens de conjunctuur. In beide gevallen is de productie lager dan het minimumniveau omdat zij gedurende enkele maanden in het jaar 1993 is onderbroken. In beide gevallen blijkt uit het feitelijke productieniveau tijdens de maanden waarin zij in bedrijf waren, dat de betrokken ondernemingen, indien zij op volle kracht hadden gedraaid, het minimumniveau hadden bereikt en zelfs overschreden. Er is geen plausibele reden die de minder gunstige behandeling van verzoekster kan rechtvaardigen.
- De onderneming Diano
196 In beschikking 97/258 (punt III van de considerans) wordt verklaard:
"De Commissie moet echter vaststellen dat in de onderneming Diano - waar in 1993 16 807 ton warmgewalste producten is geproduceerd, wat overeenkomt met 21 % van de productiecapaciteit - in de loop van 1993 belangrijke onderhoudswerkzaamheden zijn verricht aan de walsmachine, waardoor de productie herhaaldelijk stil kwam te liggen. Wanneer rekening wordt gehouden met de productie op jaarbasis en bovengenoemde onderhoudswerkzaamheden, had de productie van Diano in 1993 in feite ongeveer gelijk aan die van 1991 moeten zijn toen 24 765 ton werd geproduceerd, wat overeenkomt met 31 % van de productiecapaciteit. Gelet op het voorgaande en met name de bezettingsgraad die de onderneming had kunnen bereiken zo er geen onderhoudswerkzaamheden aan de walsmachine hadden plaatsgevonden, heeft de Commissie reden om aan te nemen dat de betrokken onderneming ten tijde van de sluiting regelmatig produceerde (gemiddeld met ten minste één ploeg per dag, gedurende vijf dagen per week)."
197 Casilina, Dora, Lamifer en Sidercamuna achten zich dienaangaande gediscrimineerd.
198 Casilina en Dora verklaren dat de Commissie het in het geval van Diano wel juist heeft geoordeeld om rekening te houden met bijzondere omstandigheden, waarna zij tot de conclusie is gekomen dat indien de onderneming ook had kunnen produceren gedurende de perioden waarin zij haar werkzaamheden had onderbroken, een minimum productieniveau had bereikt dat voldoende was om de steunverlening te kunnen toestaan. Zij begrijpen derhalve niet, waarom zij door de Commissie niet even gunstig zijn behandeld als Diano. Ook zij hadden namelijk aangetoond dat zij door toevallige, niet aan hun wil toe te schrijven omstandigheden gedwongen waren om hun productie te verminderen, waarbij zij evenwel een objectief hoog productieniveau hebben gehandhaafd.
199 Lamifer, die erkend dat voor de betrokken onderneming een juiste oplossing is gekozen, is van mening dat zij dezelfde behandeling had verdiend, vooral gelet op de verklaring van de Commissie in beschikking 97/258, dat de door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criteria zich niet hadden moeten beperken tot het aantonen van de abstracte mogelijkheid van productie. Uit het geval Diano blijkt dat de Commissie het bewijs van de abstracte mogelijkheid van productie onder bepaalde omstandigheden toereikend heeft geacht. Zij heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat indien niet bepaalde werkzaamheden aan de installaties waren uitgevoerd, dat wil zeggen indien de productie niet verschillende keren was onderbroken, het minimum productieniveau was bereikt. Op vergelijkbare wijze had evenwel ook verzoekster, indien zij niet te maken had gehad met de moeilijke conjuncturele situatie en de gehele week had kunnen blijven produceren, de drempel van 25 % bereikt en zelfs overschreden. Niet kan worden gesteld dat het verschil tussen beide ondernemingen een gevolg is van de verschillende verhouding, in percentages, van de feitelijke productie tot de maximaal mogelijke productie (21 % voor Diano, 15,2 % voor verzoekster). In beide gevallen blijkt uit het feitelijke productieniveau tijdens de maanden waarin zij in bedrijf waren, dat de betrokken ondernemingen, indien zij op volle kracht hadden gedraaid, het minimumniveau hadden bereikt en zelfs overschreden. Er is geen plausibele reden die de minder gunstige behandeling van verzoekster kan rechtvaardigen.
200 Sidercamuna verklaart dat Diano in verband met de crisis in de sector en de ontoereikende afzetmogelijkheden had besloten om onderhoudswerkzaamheden te verrichten die, buiten het feit dat zij de potentiële concurrentie op de markt kunnen versterken, ook het voordeel bieden dat de productie wordt ingekrompen en de voorraad onverkochte producten wordt verminderd. Verzoekster, die gedurende de jaren 1990 en 1991 onderhoudswerkzaamheden had verricht en productielijnen had gemoderniseerd, had besloten de productie in 1993 te vertragen om niet een crisis als gevolg van overproductie te moeten doormaken. Zij merkt op, dat in het arrest van het Hof van 30 november 1983, Ferriere di Roè Volciano/Commissie (234/82, Jurispr. blz. 3921), reeds het probleem aan de orde was van een beschikking ten nadele van de ondernemer die op grond van een gezonde bedrijfsvoering had besloten de productie gedurende een bepaalde periode te verminderen. Door steunverlening aan Diano toe te staan en deze met betrekking tot verzoekster af te wijzen, heeft zij twee in wezen identieke gedragingen verschillend behandeld.
- De onderneming MAO
201 In beschikking 97/332/EGKS van de Commissie van 26 februari 1997 betreffende door Italië voorgenomen sluitingssteun ten gunste van [MAO] in het kader van de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (PB L 139, blz. 27; hierna: "beschikking 97/332"), verklaart de Commissie de sluitingssteun van 5 437 miljoen LIT die MAO op grond van de onderhavige Italiaanse algemene steunregeling had aangevraagd, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Zij merkt daarin op, dat zij met betrekking tot deze steun de onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code heeft ingeleid, op grond dat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, zoals uitgelegd bij de beschikking van 12 december 1994. Op het tijdstip waarop de beschikking werd gegeven, was de vijfde staalsteuncode vervangen door de zesde, die op 1 januari 1997 in werking is getreden. In artikel 4, lid 2, sub b, wordt daarin de voorwaarde betreffende de geregelde productie van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code overgenomen.
202 In beschikking 97/332 geeft de Commissie de volgende motivering voor haar beslissing om de door de onderneming aangevraagde steun verenigbaar te verklaren (punt III, zevende alinea, van de considerans):
"De door de Italiaanse autoriteiten in het onderhavige geval verstrekte aanvullende gegevens zijn voor de Commissie evenwel aanleiding vast te stellen dat:
- bij een in aanmerking te nemen maximaal mogelijke productie in 1993 van 139 000 ton de bezettingsgraad van MAO 22,3 % bedroeg;
- MAO in de maanden juli en augustus van 1993 zeer omvangrijke investeringen in de eigen installaties gedaan heeft (bouw van een nieuw koelbed voor de warmwalserij), waardoor de productie in deze twee maanden vrijwel geheel kwam stil te liggen;
- op basis van de gemiddelde maandelijkse productie in 1993 de productie-uitval bij MAO door de aanleg van het nieuwe koelbed kan worden geraamd op 5 166 ton;
- hieruit voor MAO een bezettingsgraad resulteert van 26 % van de maximaal mogelijke productie.
Gezien de bezettingsgraad die MAO bij ontstentenis van de omvangrijke werkzaamheden in de walserij had kunnen bereiken, zijn er bijgevolg redenen om aan te nemen dat de onderneming ten tijde van de sluiting regelmatig produceerde (dat wil zeggen gemiddeld ten minste met één ploeg per dag gedurende vijf dagen per week)."
203 Casilina, Dora en Lamifer achten zich dienaangaande gediscrimineerd.
204 Zij verklaren dat MAO's bezettingsgraad van de productiecapaciteit gedurende de referentieperiode 22,3 % bedroeg, dus lager dan het minimum van 25 %. Niettemin heeft de Commissie, rekening houdend met bijzondere omstandigheden, namelijk onderhoudswerkzaamheden in het bedrijf, de betrokken steun goedgekeurd. Verzoeksters stellen vast, dat de Commissie het in het geval van deze onderneming wel juist heeft geoordeeld om rekening te houden met bijzondere omstandigheden, waarna zij tot de conclusie is gekomen dat indien de onderneming ook had kunnen produceren gedurende de perioden waarin zij haar werkzaamheden had onderbroken, een minimum productieniveau had bereikt dat voldoende was om de steunverlening te kunnen toestaan. Zij begrijpen derhalve niet, waarom zij door de Commissie niet even gunstig zijn behandeld als MAO. Ook zij hadden namelijk aangetoond dat zij door toevallige, niet aan hun wil toe te schrijven omstandigheden gedwongen waren om hun productie te verminderen, waarbij zij evenwel een objectief hoog productieniveau hebben gehandhaafd.
205 In repliek voegt Lamifer daaraan toe, dat de Commissie haar bij beschikking 97/258 heeft gediscrimineerd, voor zover zij in het geval MAO de maximaal mogelijke productie heeft gerectificeerd, terwijl zij dat niet voor heeft gedaan, ondanks het verschil tussen de maximaal mogelijke productie die in de steunaanvraag is opgegeven (51 000 ton) en die welke vervolgens in een deskundigenrapport van 16 januari 1996 is vastgesteld (154 560 ton).
b) Beoordeling door het Gerecht
206 Uit de beschikkingen 96/678, 97/258 en 97/332 blijkt, dat de ondernemingen OLS, Diano en MAO gedurende de referentieperiode respectievelijk 57 000 ton, 16 807 ton en 139 000 ton warmgewalste producten hebben geproduceerd. Voor de eerste twee ondernemingen komt dit overeen met 21 % van hun productiecapaciteit en voor de derde met 22,3 % van haar productiecapaciteit, dat wil zeggen respectievelijk 4 en 2,7 procentpunten beneden de bij de beschikking van 12 december 1994 vastgestelde minimumdrempel.
207 Prolafer, Casilina, Dora, Lamifer en Sidercamuna hebben gedurende deze periode slechts een productie van respectievelijk 0, 14,2, 8,6, 15,2 en 7,6 % van hun productiecapaciteit behaald.
208 Gelijk de Commissie terecht opmerkt, is het in verband met het feit dat in het kader van de strikte regeling van de vijfde code de voorwaarde betreffende de geregelde productie dient te verzekeren dat de sluitingssteun het maximale nuttige effect op de markt heeft om de ijzer- en staalproductie zo efficiënt mogelijk te verminderen, volstrekt gerechtvaardigd om Prolafer, Casilina, Dora, Lamifer en Sidercamuna, wier productie gedurende de referentieperiode respectievelijk 25, 10,8, 16,4, 9,8 en 17,4 procentpunten onder de minimumdrempel van 25 % lag, uit te sluiten.
209 Bijgevolg is het verschil in behandeling tussen de ondernemingen OLS, Diano en MAO enerzijds en verzoeksters anderzijds gebaseerd op objectieve feitelijke criteria die beantwoorden aan de doelstellingen die de Commissie in het kader van haar EGKS-industriebeleid dient na te streven.
210 Bovendien zij eraan herinnerd, dat het niet beantwoorden aan het criterium van 25 % dat is vastgesteld bij de beschikking van 12 december 1994 (zie punt 99 supra), in de bestreden beschikkingen alsook in beschikking 97/332 op basis van door de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie verstrekte aanvullende inlichtingen wordt gerechtvaardigd:
- wat de onderneming OLS betreft, door werkzaamheden in verband met de vernieuwing van de elektrische en elektronische onderdelen van haar walserij voor de productie van rondstaal, waarbij de productie gedurende het eerste kwartaal van 1993 is onderbroken;
- wat de onderneming Diano betreft, door belangrijke onderhoudswerkzaamheden aan de walsmachine, waarbij de productie in 1993 verschillende keren is onderbroken;
- wat de onderneming MAO betreft, door omvangrijke investeringen in haar installaties, namelijk de bouw van een nieuw koelbed voor de warmwalserij, waarbij de productie in de maanden juli en augustus 1993 is onderbroken.
211 Dat verzoeksters niet aan het criterium voldeden, is volgens hen te verklaren:
- wat Prolafer betreft, door een sekwestratie van haar installaties door de rechter, waarvan het effect gedurende de gehele referentieperiode merkbaar was; in punt 178 supra heeft het Gerecht evenwel vastgesteld, dat de desbetreffende installaties weliswaar op 9 januari 1991 zijn gesekwestreerd, doch dat deze maatregel op 15 februari 1991, dus één maand later en vóór het begin van de referentieperiode, is opgeheven;
- wat Casilina betreft, doordat zij gedurende zeven maanden in 1993 niet heeft kunnen werken omdat geen billets voor de walserij beschikbaar waren tegen een prijs, die in een redelijke verhouding stond tot de kosten van het gereed product;
- wat Dora betreft, doordat zij niet kon werken wegens de conjuncturele situatie;
- wat Lamifer betreft, door administratieve maatregelen van de lokale autoriteiten, die haar zouden hebben verboden 's nachts te produceren; in punt 181 supra heeft het Gerecht evenwel vastgesteld, dat de betrokken maatregelen de productie 's nachts niet verboden, doch enkel de betrokken onderneming de verplichting oplegden om haar installaties aan te passen om het geluidsniveau ervan binnen aanvaardbare grenzen te houden.
212 Daaruit blijkt dat de oorzaken voor de onderbreking van de productie van de drie referentie-ondernemingen OLS, Diano en MAO behoorlijk zijn aangetoond, een gevolg zijn van objectieve oorzaken, beperkt zijn in de tijd en worden gerechtvaardigd door het vereiste om de productie voort te zetten en de wil om op de markt te blijven.
213 Daarentegen is de voor de onderbreking van de productie van Prolafer en Lamifer aangevoerde oorzaak feitelijk niet behoorlijk aangetoond. Overigens wordt geen van de door de vijf verzoeksters aangevoerde oorzaken gerechtvaardigd door het vereiste om de productie voort te zetten of zelfs de efficiëntie daarvan te verbeteren.
214 Daaruit volgt, dat het verschil in behandeling tussen de ondernemingen OLS, Diano en MAO enerzijds en verzoeksters anderzijds dus ook objectief gerechtvaardigd is wat de oorzaak van de productie-onderbreking betreft.
215 Wat ten slotte het argument van Lamifer betreft, dat de Commissie in het geval van de onderneming MAO de maximaal mogelijke productie wel heeft gerectificeerd, doch in haar geval niet, zij vastgesteld, dat ingenieur R. Dusi in zijn door de Italiaanse regering aan de Commissie toegezonden beëdigd deskundigenrapport van 16 januari 1996 verzoeksters maximaal mogelijke productie op 154 560 ton heeft geraamd op basis van drie ploegen per dag en ervan is uitgegaan dat zij in feite op basis van één ploeg per dag produceerde, wat gelijkstaat met een productie van 51 000 ton.
216 Anders dan de onderneming MAO, heeft de Italiaanse regering noch verzoekster tijdens de onderzoeksprocedure betreffende deze steun bij de Commissie opmerkingen ingediend waarin deze officiële beoordeling werd betwist. De Commissie had dus geen enkele reden voor twijfel omtrent verzoeksters maximaal mogelijke productie of om dienaangaande een eventuele rectificatie te overwegen.
217 Hoe dan ook moet de wettigheid van een beschikking betreffende steunmaatregelen worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het moment waarop zij haar beschikking gaf (arrest Hof van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, Jurispr. blz. I-4551, punt 33, en arrest Gerecht van 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie, T-126/96 en T-127/96, Jurispr. blz. II-3437, punt 88), zodat deze klacht niet gegrond is.
218 De middelen dienen derhalve te worden afgewezen.
2. Het middel dat de door een aantal ondernemingen aangevraagde steun verenigbaar is verklaard in weerwil van het feit dat hun productie kwantitatief vergelijkbaar was met die van verzoeksters
219 Dora en Lamifer merken op, dat aan de onderneming Diano met een feitelijke productie in 1993 van 16 807 ton en van 24 765 ton na correctie in verband met de perioden van onderbreking wegens onderhoudswerkzaamheden, volgens beschikking 97/258 steun mocht worden toegekend. Daarentegen is de steun aan Dora, met een feitelijke productie in 1993 van 21 444 ton, en aan Lamifer, met een feitelijke productie in 1993 van 23 542 ton, niet goedgekeurd. Op ondernemingen die in 1993 vergelijkbare hoeveelheden produceerden, zijn derhalve verschillende beoordelingscriteria toegepast.
220 Het Gerecht merkt op, dat dit middel uitgaat van de premisse dat de Commissie ter beoordeling of voldaan werd aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie, een zuiver kwantitatief criterium had moeten toepassen, dat dus enkel was gebaseerd op het tonnage geproduceerde gewalste producten. Zoals de Commissie evenwel terecht stelt, is het gekozen criterium van acht uur per dag gedurende vijf dagen per week objectiever. Daarmee kan namelijk elke discriminatie tussen ondernemingen op grond van hun bijzondere productiecapaciteit worden voorkomen en kan in het bijzonder worden verhinderd dat kleinere ijzer- en staalondernemingen in een ongunstiger positie komen te verkeren.
221 Zo komt in casu de gecorrigeerde productie van Diano van 24 765 ton overeen met 31 % van haar productiecapaciteit. Daarentegen bedraagt de productie van Dora (21 444 ton) en die van Lamifer (23 542 ton) wegens de relatief grotere omvang van deze ondernemingen slechts 8,6, respectievelijk 15,2 % van hun productiecapaciteit. Op grond van het criterium dat enkel ondernemingen met een productie van 25 % van hun productiecapaciteit of hoger voor steun in aanmerking kwamen, is de aanvraag van Diano toegestaan, terwijl die van Dora en Lamifer is afgewezen.
222 De Commissie heeft derhalve een objectief en algemeen criterium gekozen dat rekening houdt met de bedrijfsomvang van elke onderneming, om discriminaties op grond van een verschillende productiecapaciteit te voorkomen.
223 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
3. Het middel dat de verzoeksters die gedurende de referentieperiode feitelijk hebben geproduceerd, hetzelfde zijn behandeld als een aantal ondernemingen die gedurende deze periode niet hebben geproduceerd
224 Sidercamuna verklaart dat de Commissie bij de toepassing van de voorwaarde betreffende de geregelde productie verschillende situaties gelijk heeft behandeld. De Commissie vergelijkt in beschikking 97/258 verzoeksters situatie namelijk met die van twee ander ijzer- en staalondernemingen die eventueel in aanmerking konden komen voor sluitingssteun, namelijk Demafer Srl en Lavorazione Metalli Vari SpA, waarvan de steunaanvraag eveneens is afgewezen. De Commissie zelf merkt in de betrokken beschikking evenwel op, dat geen van beide ondernemingen in 1993 heeft geproduceerd. Zij stelt dus de situatie van deze ondernemingen, die niet hebben geproduceerd, op één lijn met die van verzoekster, die in 1993 een op 36 002 ton geraamde productie van warmgewalste producten had. Aldus is verzoekster duidelijk gediscrimineerd.
225 Het Gerecht merkt op, dat de Commissie terecht heeft gesteld dat vanuit de gezichtshoek van het criterium dat is vastgesteld om te beoordelen of aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie werd voldaan, de drie aldus van de steun uitgesloten ondernemingen in een volstrekt identieke situatie verkeerden, omdat geen van hen in de referentieperiode een geregelde productie had, noch objectief heeft gerechtvaardigd waarom zij deze niet kon hebben. Vergeleken met de beide ondernemingen verkeerde verzoekster derhalve in een vergelijkbare situatie en kon zij derhalve op dezelfde wijze worden behandeld. Deze conclusie is gebaseerd op objectieve redenen, in het bijzonder de noodzaak om een uniform criterium toe te passen om na te gaan of in casu aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie werd voldaan.
226 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
B - Het middel dat de ondernemingen met één vestiging zijn gediscrimineerd ten opzichte van ondernemingen met meerdere vestigingen
227 Moccia verklaart, dat in het ministerieel besluit in artikel 1, lid 2, de term "productielocatie" wordt gedefinieerd als een "productie-eenheid die kan produceren". Door de betrokken steunregeling bij haar beschikking van 12 december 1994 goed te keuren, heeft de Commissie ook impliciet deze definitie goedgekeurd. Daaruit volgt, dat bij sluiting van een vestiging van een onderneming sluitingssteun kan worden verleend ten gunste van deze vestiging, die als enige kan produceren, terwijl een onderneming die één enkele vestiging heeft, slechts steun kan ontvangen wanneer zij aantoont dat zij tot de datum van aanmelding van de steunregeling geregeld EGKS-producten heeft vervaardigd. De voorwaarde betreffende de geregelde productie geldt dus niet voor de ondernemingen die tot de eerste categorie behoren, terwijl zij wel geldt voor de tweede categorie. Bijgevolg wordt tussen deze beide soorten van ondernemingen gediscrimineerd.
228 Het Gerecht stelt vast, dat in artikel 1, lid 1, van het ministerieel besluit wordt bepaald, dat de ijzer- en staalondernemingen, om in aanmerking te komen voor steun, tot de datum van vaststelling van besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994 geregeld moeten hebben geproduceerd, wat moet worden aangetoond door middel van een verklaring van een beëdigd deskundige met ervaring in de sector, die in het deskundigenregister staat ingeschreven en is aangewezen door het gerecht binnen welks ressort de vennootschap gevestigd is. In artikel 1, leden 2 en 4, wordt bepaald:
"Onder productielocatie dient te worden verstaan een productie-eenheid die kan produceren in een volledige walscyclus en een volledige productiecyclus van ruwstaal, of in een van deze beide cyclussen welke in een enkele industriële inrichting zijn ondergebracht.
(...)
De ondernemingen die steun voor de vermindering van de productiecapaciteit ontvangen, moeten vrijwillig overgaan tot liquidatie overeenkomstig de navolgende voorwaarden:
(...)
b) indien een onderneming die tot een industriële groep behoort of een afzonderlijke onderneming de ontmanteling van een of meerdere productielocaties voorstelt, dient zij een nieuwe juridische eenheid op te richten, die eigenaar wordt van alle overblijvende installaties en de daarop betrekking hebbende schulden op zich neemt."
229 Daaruit volgt, dat in artikel 1, lid 1, van het ministerieel besluit de voorwaarden worden omschreven waaraan een ijzer- of staalonderneming moet voldoen die in aanmerking wenst te komen voor sluitingssteun. Een van deze voorwaarden is de voorwaarde van een geregelde productie in lid 1, sub e.
230 In artikel 1, lid 2, van het ministerieel besluit wordt de term "productielocatie" gedefinieerd, welke wordt overgenomen in artikel 4 van het besluit betreffende de juridische reorganisatie waartoe een onderneming verplicht is die meerdere productielocaties exploiteert, waarvan er een of meer naar aanleiding van de toekenning van sluitingssteun worden ontmanteld.
231 Deze beide bepalingen hebben derhalve een verschillend doel. In het bijzonder wordt in lid 2 van artikel 1 van het besluit niet formeel een uitzondering vastgesteld op de in lid 1 van dit artikel neergelegde voorwaarden waaraan de ijzer- en staalondernemingen dienen te voldoen die voor sluitingssteun in aanmerking wensen te komen. In het bijzonder blijkt niet uit de tekst van artikel 1, lid 2, van het besluit, dat een onderneming die van plan is een van haar productielocaties te sluiten, niet aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie als omschreven in artikel 1, lid 1, sub e, van het besluit, behoeft te voldoen.
232 In onderling verband gelezen blijkt uit deze vorengenoemde bepalingen, met inbegrip van artikel 4 van het ministerieel besluit, dat sluitingssteun niet alleen kan worden toegekend in geval van volledige sluiting van een onderneming, doch ook in geval van sluiting van een productielocatie van ondernemingen die meerdere productielocaties exploiteren. In dit laatste geval kan deze steun evenwel slechts aan die onderneming worden verleend indien deze locatie zelf een geregelde productie had en indien deze productie zelfstandig en volledig door de locatie is behaald, hetgeen onderstelt dat deze laatste in staat is in een volledige walscyclus of een volledige productiecyclus van ruwstaal te produceren.
233 Artikel 1, lid 2, van het ministerieel besluit voert dus geen uitzondering op de voorwaarde betreffende de geregelde productie in voor de beoordeling van steun die door een onderneming ter gelegenheid van de sluiting van een van haar productielocaties is aangevraagd, doch beoogt te verzekeren dat de productie van deze locatie - een geregelde productie - niet beperkt is tot slechts een gedeelte van een volledige walscyclus of productiecyclus van ruwstaal.
234 Het middel dient derhalve te worden afgewezen. C - Het middel betreffende de discriminatie ten nadele van de ondernemingen die hun productie gedurende de referentieperiode hebben moeten onderbreken om te voldoen aan nieuwe wettelijke bepalingen op het gebied van de milieubescherming
235 Moccia verklaart dat zij door beschikking 96/678 is gediscrimineerd. Deze beschikking schrijft namelijk ook voor dat aan het criterium van de geregelde productie moet worden voldaan, wanneer een onderneming, zoals zij, haar productie in de referentieperiode heeft moeten onderbreken om te voldoen aan nieuwe wettelijke bepalingen op het gebied van de milieubescherming, en de onderbreking dus een gevolg is van werkzaamheden om haar installaties aan te passen. Volgens haar moet op grond van artikel 4 van de vijfde code de productiecapaciteit worden gelijkgesteld met de geregelde productie, wanneer de onderbreking van de productie een gevolg is van bestuursrechtelijke vereisten. Gelet op de sociaal-economische situatie blijft namelijk een onderneming die haar productie om die redenen heeft onderbroken en aan wie sluitingssteun wordt geweigerd, op de markt zodra de onderbreking is beëindigd.
236 Het Gerecht herinnert eraan (zie punt 175 supra), dat uit geen enkel processtuk blijkt dat verzoekster verplicht was haar productieactiviteit gedurende de referentieperiode te staken om haar bestaande installaties aan nieuwe voorschriften op het gebied van de milieubescherming aan te passen. Verzoekster heeft dus niet bewezen dat het door haar aangevoerde middel gegrond is.
237 Bovendien hebben volgens niet-betwiste verklaringen van de Commissie de Italiaanse autoriteiten, noch verzoekster in het kader van de procedure uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de vijfde code ooit ter rechtvaardiging van het feit dat zij niet heeft geproduceerd, als reden aangevoerd dat zij haar productie moest onderbreken om werkzaamheden tot aanpassing van haar installaties te kunnen uitvoeren om te voldoen aan nieuwe wettelijke bepalingen op het gebied van de milieubescherming.
238 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
D - Het middel betreffende de discriminatie van de ondernemingen die, omdat de productiekosten niet meer concurrerend waren, niet in staat waren op de markt grotere hoeveelheden af te zetten dan de meer alerte of fortuinlijke ondernemingen
239 Moccia is van mening, dat de voorwaarde betreffende de geregelde productie in de vijfde code dient te worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van de wetten van de markteconomie. De belangrijkste wet is, dat een onderneming haar productie aan de vraag moet aanpassen en rekening moet houden met de productiekosten. Zo had verzoekster haar productie in 1993 onderbroken omdat zij niet in staat was grotere hoeveelheden product op de markt af te zetten en omdat haar productiekosten niet concurrerend waren. Haars inziens is het discriminerend om haar op één lijn te plaatsen met ondernemingen die een geregelde productie hadden omdat zij meer alert waren of gewoonweg meer geluk hadden, of juist minder voorzichtig waren.
240 Het Gerecht merkt op, dat dit middel berust op de premisse dat sluitingssteun ook ten goede dient te komen aan ondernemingen die, hoewel zij de mogelijkheid hebben om te produceren, in de referentieperiode niet geregeld hebben geproduceerd. Deze premisse is evenwel onjuist, zoals hiervoor is uiteengezet in de punten 149 tot en met 158.
241 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
E - Het middel dat de ondernemingen waarvan de sluitingssteun bij beschikking 96/678 niet is goedgekeurd, gezamenlijk een grotere productiecapaciteit hadden dan de ondernemingen waarvan de sluitingssteun bij eerdere beschikkingen van de Commissie was goedgekeurd
242 Moccia merkt op, dat in beschikking 96/678 wordt verklaard dat de sluiting van een onderneming die geen geregelde productie heeft, geen belangrijke gevolgen voor de markt heeft. Door bij deze beschikking de verlening van steun aan verzoekster en vijf andere ondernemingen af te wijzen, heeft de Commissie tegelijkertijd de vermindering van een totale productiecapaciteit van 908 000 ton ruwstaal en 950 000 ton warmgewalste producten per jaar afgewezen. De Commissie heeft evenwel geen toestemming geweigerd voor steunverlening bij de gedeeltelijke sluiting van ondernemingen die een veel geringere productiecapaciteit hadden dan zij [beschikkingen 94/258/EGKS, 94/260/EGKS en 94/261/EGKS van de Commissie van 12 april 1994 betreffende de steun die respectievelijk Spanje, Duitsland, en Spanje voornemens is te verlenen aan de openbare geïntegreerde staalonderneming Corporación de la Siderurgia Integral (CSI), Sächsische Edelstahlwerke GmbH, te Freital, Saksen en Sidenor, producent van speciaal staal (PB L 112, blz. 58, 71 en 77]).
243 Het Gerecht merkt op dat de Commissie, zoals zij terecht stelt, niet bevoegd is om sluitingssteun toe te staan op basis van een criterium dat uitgaat van de totale capaciteit van meerdere ijzer- en staalondernemingen. In artikel 6, lid 6, van de vijfde code wordt namelijk voorgeschreven dat elk concreet geval van steun moet worden aangemeld en beoordeeld. Bovendien worden in artikel 4, lid 2, van de vijfde code limitatief een aantal voorwaarden opgesomd die slechts met betrekking tot elke belanghebbende onderneming kunnen worden onderzocht. Bovendien zijn de drie door verzoekster aangehaalde beschikkingen niet vastgesteld op grond van de vijfde code, doch rechtstreeks op grond van artikel 95, leden 1 en 2, van het Verdrag, zodat de voorwaarden van de vijfde code niet van toepassing waren.
244 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
F - Het middel betreffende de discriminatie van de Italiaanse ondernemingen ten opzichte van de andere ondernemingen van de Gemeenschap
245 Sidercamuna is van mening, dat de Commissie heeft gediscrimineerd op grond van nationaliteit. In de vijfde staalsteuncode wordt enkel het algemene beginsel gesteld dat de ijzer- en staalonderneming, om voor sluitingssteun in aanmerking te kunnen komen, tot het tijdstip van aanmelding van de steunmaatregelen geregeld EGKS-producten moet hebben vervaardigd. In haar beschikking van 12 december 1994 heeft de Commissie, ofschoon zij geen bezwaar maakte tegen en in feite instemde met de verlening van sluitingssteun in overeenstemming met wet nr. 481/94, een extra voorwaarde ingevoerd betreffende de handhaving van een productieactiviteit van ten minste één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week.
246 Dienaangaande merkt verzoekster op, dat deze bijzondere voorwaarde slechts geldt voor de Italiaanse ondernemingen, omdat zij als enige in aanmerking kunnen komen voor de in wet nr. 481/94 bepaalde steunmaatregelen. Deze voorwaarde - een verplichting om te doen - komt niet voor in de algemene regeling die geldt voor de ondernemingen van de andere lidstaten, waarvoor slechts het algemene vereiste van een geregelde productie als omschreven in de vijfde code geldt, zonder nadere precisering.
247 Verzoekster voegt daaraan toe, dat de Commissie in deze zelfde beschikking weliswaar de Italiaanse autoriteiten de mogelijkheid heeft geboden om op basis van objectieve criteria aan te tonen dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch kon worden geacht aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie te voldoen, in welk geval de Commissie de betrokken steun in het licht van de bijzonderheden ervan zou onderzoeken. Deze nadere precisering acht zij evenwel niet van belang. In casu heeft de Commissie namelijk in het geheel geen rekening gehouden met de te dien aanzien door de Italiaanse autoriteiten aangevoerde argumenten, doch zich formeel opgesteld, met als enige resultaat dat op de Italiaanse ondernemingen andere criteria werden toegepast dan voor de ondernemingen van andere lidstaten golden.
248 Het Gerecht herinnert eraan, dat artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code weliswaar de voorwaarde betreffende de geregelde productie stelt, doch deze niet omschrijft. Bijgevolg is de Commissie bij de goedkeuring van een door een lidstaat aangemelde algemene steunregeling noodzakelijkerwijze verplicht om op abstracte wijze criteria voor de toepassing van deze voorwaarde vast te stellen, op basis waarvan zij vervolgens, gelet op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, de krachtens artikel 6, lid 6, van de vijfde code aangemelde individuele steunaanvragen op uniforme en voorzienbare wijze kan beoordelen.
249 Zodra de criteria zijn gepreciseerd en de algemene regeling is goedgekeurd, moet de Commissie bij de aanmelding van op basis van de voordien goedgekeurde regeling toegekende steun zich beperken tot een onderzoek of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van de verschillende aangemelde individuele steunmaatregelen kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling. Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel zouden dan zowel voor de lidstaten als voor de marktdeelnemers in het gedrang komen, daar individuele steunmaatregelen die volstrekt in overeenstemming zijn met de beschikking tot goedkeuring van de steunmaatregel, in strijd met deze beginselen op elk moment door de Commissie opnieuw ter discussie zouden kunnen worden gesteld (vgl. arresten Hof van 5 oktober 1994, Italië/Commissie, C-47/91, Jurispr. blz. I-4635, punt 24, en 15 mei 1997, Siemens/Commissie, C-278/95 P, Jurispr. blz. I-2507, punt 31).
250 Het in de beschikking van 12 december 1994 omschreven criterium is dus niet een nieuwe voorwaarde naast die van de geregelde productie in de vijfde code, doch een criterium dat noodzakelijk is om een uniforme en voorzienbare toepassing van deze voorwaarde op de door de Italiaanse autoriteiten aangemelde individuele steunmaatregelen te verzekeren.
251 Bovendien is dit criterium, anders dan verzoekster stelt, niet het enige op basis waarvan de Commissie de voorwaarde betreffende de geregelde productie heeft beoordeeld. In de beschikking van 12 december 1994 heeft zij namelijk gepreciseerd, dat de Italiaanse regering altijd op basis van objectieve criteria kon aantonen dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd. Anders dan verzoekster verklaart, was deze precisering niet van belang ontbloot, omdat, zoals hiervoor in de punten 191, 195, 200 en 201 is uiteengezet, de Commissie op basis van dergelijke door de Italiaanse autoriteiten voorgestelde alternatieve criteria de door de ondernemingen OLS, Diano en MAO aangevraagde steun verenigbaar heeft verklaard.
252 Ten slotte heeft verzoekster niet aangetoond dat, en zo ja in welke mate, de Commissie, door het in de beschikking van 12 december 1994 omschreven criterium toe te passen, de ondernemingen die onderworpen waren aan de door de Italiaanse autoriteiten aangemelde algemene steunregeling, ongunstiger heeft behandeld dan de ondernemingen in een vergelijkbare situatie die onderworpen waren aan een door de autoriteiten van een andere lidstaat aangemelde algemene steunregeling.
253 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
G - Het middel betreffende de discriminatie wegens het niet toepassen van artikel 95 van het Verdrag
254 Sidercamuna verklaart, dat de Commissie haar heeft gediscrimineerd door haar geval anders te behandelen dan andere vergelijkbare situaties die zich in het verleden hebben voorgedaan.
255 Zij herinnert aan het algemene verbod van subsidies en hulp van artikel 4, sub c, van het Verdrag. Dit verbod kende twee soorten van uitzonderingen, namelijk de achtereenvolgende staalsteuncodes en de specifieke beschikkingen die door de Commissie zijn gegeven op grond van artikel 95 van het Verdrag, waarmee zij op basis van haar beslissings- of aanbevelingsbevoegdheid een eventuele lacune in het Verdrag kan opvullen.
256 Zij voegt daaraan toe, dat de Commissie in het verleden op basis van artikel 95 van het Verdrag steunmaatregelen in de ijzer- en staalsector heeft toegestaan welke, evenals in casu, werden gemotiveerd door de definitieve en onomkeerbare sluiting van installaties, dus door productievermindering. Dit was bijvoorbeeld het geval in beschikking 94/261 van 12 april 1994 (reeds aangehaald, zie punt 242 supra) en in beschikking 89/218/EGKS van de Commissie van 23 december 1988 inzake een voornemen van de Italiaanse regering om steun te verlenen aan de openbare ijzer- en staalsector (PB L 86, blz. 76). In beschikking 96/315/EGKS van 7 februari 1996 betreffende het Ierse steunvoornemen ten behoeve van het staalbedrijf Irish Steel (PB L 121, blz. 16), heeft de Commissie zelfs een beschikking op grond van artikel 95 van het Verdrag gegeven en daarbij beklemtoond dat het wegens het uiterste technische karakter van het geval onmogelijk was als tegenprestatie voor de steun de overcapaciteit te verminderen door de sluiting van productielijnen voor te schrijven, doch dat het nochtans van belang was dat de Ierse ijzer- en staalindustrie zich ertoe verbond om haar productiecapaciteit niet uit te breiden.
257 Haars inziens had de Commissie in casu verkozen om geen gebruik te maken van de mogelijkheden waarover zij krachtens de vijfde code beschikte, door te verklaren dat de sluitingssteun niet geoorloofd was op grond van een strikt formele uitlegging van de toelatingsvoorwaarden. Anderzijds had zij, ofschoon zij toegaf dat deze mogelijkheden juridisch niet toereikend waren, dus dat er een lacune bestond, evenmin gebruikgemaakt van artikel 95 van het Verdrag. Aldus had de Commissie vergelijkbare situaties verschillend behandeld en dus verzoekster benadeeld.
258 Het Gerecht herinnert eraan, dat in de opzet van het EGKS-Verdrag artikel 4, sub c, niet eraan in de weg staat, dat de Commissie bij wijze van uitzondering, teneinde aan onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden, op de grondslag van artikel 95, eerste en tweede alinea, door de lidstaten voorgenomen en met de doelstellingen van het Verdrag verenigbare steunmaatregelen goedkeurt (de reeds aangehaalde arresten EISA/Commissie, punt 63, British Steel/Commissie, punt 42, en Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie, punt 34), mits deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om een van de doelstellingen, zoals omschreven in de artikelen 2 tot en met 4 van het Verdrag, te verwezenlijken.
259 Zonder dat behoeft te worden onderzocht of een steun aan de ijzer- en staalindustrie die niet in overeenstemming is met de voor deze categorie van steunmaatregelen in de vijfde code gestelde voorwaarden, kan worden goedgekeurd bij een individuele beschikking die rechtstreeks op basis van artikel 95 van het Verdrag wordt gegeven, volstaat de vaststelling, dat verzoekster in elk geval niet heeft aangetoond dat de onderhavige steunmaatregel aan de in dit artikel gestelde voorwaarden voldoet. Verzoekster die sluitingssteun uit hoofde van de vijfde code heeft aangevraagd, doch niet voldeed aan een van de in deze code voor deze categorie van steunmaatregelen gestelde voorwaarden, namelijk een geregelde productie, heeft niet aangetoond dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan er sprake is van een noodzaak in de zin van artikel 95 van het Verdrag om een beschikking te geven om een van de doelstellingen, zoals omschreven in de artikelen 2 tot en met 4 van het Verdrag, te verwezenlijken.
260 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat verzoekster het Gerecht niet voldoende aanwijzingen heeft verstrekt, zodat het zich niet kan uitspreken over de vraag of haar specifieke situatie vergelijkbaar is met die van de ondernemingen ten aanzien waarvan de door haar genoemde beschikkingen zijn gegeven.
261 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
II - De middelen betreffende de schending van de motiveringsplicht
262 Het Gerecht herinnert eraan, dat artikel 5, tweede alinea, vierde streepje, van het Verdrag bepaalt, dat de Gemeenschap "de beweegredenen voor haar handelingen openbaar maakt". Artikel 15, eerste alinea, preciseert: "De beschikkingen, aanbevelingen en adviezen van de Commissie worden met redenen omkleed en vermelden de adviezen, welke zij verplicht heeft ingewonnen." Uit deze bepalingen en uit de algemene beginselen van het Verdrag blijkt, dat de Commissie door haar vastgestelde algemene of individuele beschikkingen met redenen dient te omkleden, ongeacht de gekozen rechtsgrondslag (arrest British Steel/Commissie, reeds aangehaald, punt 159).
263 Volgens vaste rechtspraak moet de motivering aangepast zijn aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk, dat alle relevante gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd. Bij de beoordeling van de motivering moet niet alleen acht worden geslagen op de tekst van de handeling, doch ook op de context waarin zij is verricht en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Hof van 29 februari 1996, België/Commissie, C-56/93, Jurispr. blz. I-723, en arrest Gerecht van 22 oktober 1996, Skibsværftsforeningen e.a./Commissie, T-266/94, Jurispr. blz. II-1399, punt 230). Verder dient het in de artikelen 5 en 15 van het Verdrag vervatte motiveringsvereiste te worden getoetst met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, met name van de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het belang dat de adressaten of andere betroffenen in de zin van artikel 33, tweede alinea, van het Verdrag bij een toelichting kunnen hebben. Met betrekking tot een handeling van algemene strekking is de Commissie ingevolge de voorschriften van de artikelen 5 en 15 van het Verdrag verplicht, in de motivering van haar beschikking een omschrijving te geven van de algehele situatie die tot de maatregel heeft geleid, en aan te geven welke algemene doelstellingen door middel van de beschikking moeten worden verwezenlijkt (arrest Hof van 19 september 1985, Hoogovens Groep/Commissie, 172/83 en 226/83, Jurispr. blz. 2831, punten 24 en 25).
264 Verzoeksters stellen een gebrekkige motivering ten aanzien van de beschikking van 12 december 1994 en de bestreden beschikkingen.
De middelen betreffende de gebrekkige motivering van de beschikking van 12 december 1994
265 Casilina, Dora en Lamifer zijn van mening, dat het gebruik van de maximaal mogelijke productie als criterium niet gerechtvaardigd is, zodat de beschikking van 12 december 1994 op dit punt niet toereikend is gemotiveerd.
266 Het Gerecht herinnert eraan, dat in de beschikking van 12 december 1994 akte wordt genomen van de door de Italiaanse regering vastgestelde algemene steunregeling, wordt nagegaan of aan de onder meer in artikel 4, lid 2, van de vijfde code genoemde voorwaarden wordt voldaan, en wordt verklaard dat deze regeling in beginsel verenigbaar is met het in deze code bepaalde. Met betrekking tot in het bijzonder de voorwaarde van de geregelde productie heeft de Commissie vastgesteld dat deze als vervuld zou worden beschouwd, wanneer op basis van de verstrekte inlichtingen zou zijn gebleken dat de voor de steun in aanmerking komende onderneming "gedurende het gehele jaar 1993 en tot en met februari 1994, de datum van aanmelding van besluitwet nr. 103 bij de Commissie, gemiddeld ten minste met één ploeg per dag gedurende vijf dagen per week in bedrijf [was] geweest". In de beschikking wordt verder gepreciseerd, dat de Italiaanse autoriteiten niettemin "op basis van objectieve criteria kunnen aantonen, dat een onderneming die niet aan dit criterium voldeed, toch geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd".
267 Deze beschikking is tot de Italiaanse regering gericht. De daarin aan de voorwaarde van de geregelde productie gegeven uitlegging is pas aanvaard nadat deze regering zich in de brief van 5 oktober 1994 van de Italiaanse minister van Industrie, Handel en Ambacht aan de Commissie daarmee akkoord had verklaard. In de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarin de geadresseerde van de beschikking van de inhoud van deze interpretatie op de hoogte was gesteld en zich vóór de vaststelling van deze beschikking uitdrukkelijk daarmee akkoord had verklaard, was de Commissie niet verplicht deze uitlegging specifiek in de beschikking van 12 december 1994 te motiveren.
268 Gelet op de belangen van de ondernemingen die sluitingssteun aanvroegen, diende de Commissie in casu evenwel de door haar gehanteerde uitlegging van de voorwaarde van de geregelde productie te motiveren in de beschikkingen waarin de individuele steunaanvragen ten aanzien waarvan een onderzoeksprocedure was ingeleid, niet werden toegelaten.
269 In deze beschikkingen, waarvan de belangrijkste passages hiervoor in punt 21 zijn weergegeven, wordt evenwel, nadat is opgemerkt dat de steuncode geen definitie van het begrip geregelde productie geeft, verklaard dat het doel van deze voorwaarde is, te verzekeren dat enkel sluitingssteun wordt toegekend aan ondernemingen waarvan de activiteiten een bepaalde drempel bereiken en waarvan de sluiting dus belangrijke gevolgen voor de markt zal hebben. Verder wordt in deze beschikkingen vastgesteld, dat artikel 4 van de staalsteuncode zo is opgesteld, dat een extensieve interpretatie waardoor tot de voor steun in aanmerking komende ondernemingen ook ondernemingen zouden kunnen worden gerekend die, hoewel zij niet regelmatig in bedrijf zijn geweest, wel zonder meer in staat zouden zijn regelmatig EGKS-producten te produceren, niet mogelijk is.
270 De Commissie heeft daarin derhalve toereikend de motieven uiteengezet die haar uitlegging van de voorwaarde van de geregelde productie in de beschikking van 12 december 1994 rechtvaardigden.
271 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
De middelen betreffende de gebrekkige motivering van de bestreden beschikkingen
272 Verzoeksters voeren als middelen aan: ontbreken van motivering waarom de Commissie geen rekening heeft gehouden met hun opmerkingen, het niet vermelden van de redenen op grond waarvan de door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criteria zijn afgewezen, en een onjuistheid in beschikking 96/678 betreffende de ijzer- en staalproductie in 1993.
1. Het middel betreffende het niet in aanmerking nemen van verzoeksters' opmerkingen
273 Moccia, Casilina, Dora en Lamifer verklaren, dat zij vóór en tijdens de onderzoeksprocedure schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, waarin zij verklaarden waarom zij het vereiste minimum productieniveau niet hadden kunnen bereiken. De Commissie heeft rechtstreeks of via de Italiaanse regering zowel de stukken in bijlage bij de steunaanvragen, als de opmerkingen van de ondernemingen tijdens de onderzoeksprocedure ontvangen. Zij was derhalve ook op de hoogte van de specifieke argumenten van verzoeksters. In de bestreden beschikkingen wordt evenwel absoluut niets gezegd over deze opmerkingen. Daaruit volgt, dat de Commissie kennelijk niet aan de op haar rustende motiveringsplicht heeft voldaan.
274 In de eerste plaats stelt het Gerecht vast, dat de Commissie in de bestreden beschikkingen slechts de afwijzing van de door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criteria behoefte te motiveren. Daarentegen was zij niet verplicht om een gemotiveerd standpunt in te nemen betreffende de door belanghebbende derden aangevoerde argumenten.
275 De vijfde staalsteuncode vormt namelijk een afwijking van het absolute steunverbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag. Daaruit volgt, dat voorgenomen steunmaatregelen slechts kunnen worden goedgekeurd, indien zij strikt voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van deze afwijkende regeling. In casu moest in de bestreden beschikkingen worden uitgemaakt, of verzoeksters aan de voorwaarde betreffende de geregelde productie als omschreven in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de vijfde code, voldeden. Aangezien deze voorwaarde in de vijfde code niet is gedefinieerd, heeft de Commissie deze in haar beschikking van 12 december 1994 uitgelegd door een hoofdcriterium te bepalen en door de Italiaanse autoriteiten toe te staan om alternatieve objectieve criteria voor te stellen. Omdat de Commissie vaststelde dat verzoeksters niet aan dit hoofdcriterium voldeden, heeft de Commissie besloten met betrekking tot de steunmaatregelen de onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code in te leiden en de Italiaanse regering verzocht haar opmerkingen aan de Commissie kenbaar te maken.
276 In het kader van de onderzoeksprocedure behoefde de Commissie derhalve enkel te onderzoeken, of de Italiaanse regering erin was geslaagd om op basis van objectieve criteria aan te tonen, dat verzoeksters, die niet aan het hoofdcriterium voldeden, desondanks geregeld EGKS-ijzer- en staalproducten hadden vervaardigd. Bijgevolg was het, onverminderd hetgeen hiervoor in punt 268 is uiteengezet, zelfs in het geheel niet nodig om een andere motivering te geven dan de beoordeling van de daartoe door de Italiaanse regering aangevoerde argumenten (vgl. in deze zin arrest Hof van 18 mei 1993, België/Commissie, C-356/90 en C-180/91, Jurispr. blz. I-2323, punt 36).
277 Weliswaar heeft de Commissie ook de andere lidstaten en belanghebbende derden op de hoogte gesteld door het besluit om de onderzoeksprocedure in te leiden bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en heeft zij hen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de vijfde code aangemaand om aan haar hun opmerkingen kenbaar te maken. Deze bekendmaking had evenwel slechts tot doel, bij de belanghebbenden alle inlichtingen ter voorlichting van de Commissie met het oog op haar toekomstig beleid in te winnen en haar de mogelijkheid te bieden zich vóór haar beslissing over alle relevante aspecten van de zaak te laten voorlichten (vgl. arrest Skibsværftsforeningen e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 256). De Commissie behoefde dienaangaande derhalve geen gemotiveerd standpunt in te nemen.
278 Daaruit volgt, dat de Commissie niet verplicht was gemotiveerd te antwoorden op de opmerkingen die verzoeksters rechtstreeks of via de Italiaanse regering aan haar hadden doen toekomen.
279 In de tweede plaats merkt het Gerecht op, dat de Commissie in de motivering van de bestreden beschikkingen geen standpunt behoefde te bepalen met betrekking tot alle argumenten die door de Italiaanse regering voor haar waren aangevoerd, en dat zij kon volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van deze beschikkingen van wezenlijk belang zijn (vgl. arrest Gerecht van 8 juni 1995, Siemens/Commissie, T-459/93, Jurispr. blz. II-1675, punt 31, na hogere voorziening op dit punt bevestigd bij arrest Hof van 15 mei 1997, Siemens/Commissie, C-278/95 P, Jurispr. blz. I-2507, punten 10-19).
280 In de bestreden beschikkingen heeft Commissie de voornaamste argumenten van de Italiaanse regering ter sprake gebracht (zie punt II van de considerans van de bestreden beschikkingen). Zij geeft aan, om welke redenen de gemeenschapswetgever geen afwijkingen van het algemene verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag voor sluitingssteun die geen belangrijke gevolgen voor de betrokken markt zou hebben, heeft aanvaard (zie punt III van de bestreden beschikkingen). Zij merkt op dat andere criteria dan de in haar beschikking van 12 december 1994 genoemde zouden kunnen worden aanvaard, mits daarmee een geregelde productie van de onderneming werd aangetoond. Zij stelt vast, dat de door de Italiaanse regering voorgestelde criteria niet aantoonden dat de ondernemingen regelmatig hadden geproduceerd, doch enkel dat zij zulks hadden kunnen doen. Zij preciseert dat artikel 4 van de vijfde code zo was opgesteld, dat een te extensieve interpretatie waardoor ook ondernemingen die, hoewel zij niet regelmatig in bedrijf waren geweest, doch wel zonder meer in staat zouden zijn om te produceren, tot de voor steun in aanmerking komende ondernemingen zouden kunnen worden gerekend, niet mogelijk was. Zij verbindt daaraan de conclusie, dat de uitlegging van het begrip regelmatigheid door de Italiaanse autoriteiten rechtens niet gegrond was en dientengevolge niet kon worden aanvaard.
281 Daaruit volgt, dat de Commissie in de betrokken beschikkingen de feiten en de rechtsoverwegingen die bij de vaststelling daarvan een wezenlijke rol hebben gespeeld, toereikend heeft uiteengezet.
282 Zij behoefde dus niet specifiek te antwoorden op de opmerkingen van verzoeksters die door de Italiaanse regering waren doorgestuurd en door deze regering in haar eigen opmerkingen waren overgenomen.
283 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
2. Het middel betreffende het niet aangeven van de redenen op grond waarvan het door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criterium is afgewezen
284 Moccia is van mening dat in beschikking 96/678 niet wordt aangegeven waarom het door de Italiaanse regering als alternatief voorgestelde criterium van de mogelijkheid om te produceren, als zodanig niet de mogelijkheid bood om de verenigbaarheid van de betrokken steunmaatregelen te beoordelen. Dit criterium lijkt namelijk volstrekt adequaat om rekening te houden met de situatie van ondernemingen die, zoals zij, zich om objectieve en onontkomelijke redenen gedwongen zagen om hun productie tijdelijk te onderbreken voor een herstructurering van hun installaties. Dit alternatieve criterium is in een geval als het hare, waarin de onderbreking van de productie een gevolg is van de noodzaak om aan dwingende regels te voldoen, een zodanig belangrijk argument, dat het bij afwijzing specifiek, volledig en uitdrukkelijk had moeten worden weerlegd.
285 Sidercamuna verklaart, dat de beslissing van de Commissie om het door de Italiaanse autoriteiten voorgestelde criterium niet te aanvaarden, in strijd met artikel 15 van het Verdrag ontoereikend met redenen is omkleed. De Commissie heeft namelijk niet bewezen dat, uitgaande van de als referentie genomen economische context van de Italiaanse markt, het criterium van acht uur per dag het enig mogelijke en noodzakelijke criterium was om te kunnen bepalen of een onderneming geregeld produceert.
286 Onder verwijzing naar de punten 279 tot en met 281 supra is het Gerecht van mening dat moet worden aangenomen dat de Commissie, gelet op de in de bestreden beschikkingen uiteengezette motieven (zie punten II en III van de consideransen daarvan), welke hiervoor in punt 280 zijn samengevat, de feiten en de rechtsoverwegingen die bij de vaststelling daarvan van wezenlijk belang waren, toereikend en volledig heeft uiteengezet wat de afwijzing van het door de Italiaanse autoriteiten voorgestelde criterium van de mogelijkheid om te produceren betreft.
287 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
3. Het middel betreffende een onjuiste motivering van beschikking 96/678 met betrekking tot de ijzer- en staalproductie in 1993
288 Moccia verklaart, dat de motivering van beschikking 96/678 onjuist is. De Commissie wijst daarin namelijk de stelling van de Italiaanse regering af, dat de geringe productie van een aantal Italiaanse ijzer- en staalondernemingen in 1993 zou zijn te wijten aan een ongunstige conjunctuur en een crisis van betekenis op de markt. De Commissie merkt daarin op dat met betrekking tot rond betonstaal enkel een lichte vermindering van de bezettingsgraad kan worden waargenomen op zowel Europees als Italiaans niveau. Zij staaft dit met een statistisch overzicht.
289 Dienaangaande verklaart verzoekster in de eerste plaats, dat deze tabel een onjuiste voorstelling geeft van de ontwikkeling van de bezettingsgraad van de productiecapaciteit van rond betonstaal in Europa en Italië tussen 1992 en 1993, welke de verhouding tussen de werkelijke productie en de maximaal mogelijke productie aangeeft. Deze bezettingsgraad is volgens haar in werkelijkheid op Europees niveau met 10 % gedaald en op Italiaans niveau met 11,55 %.
290 In de tweede plaats stelt verzoekster, dat de door de Commissie gebruikte methode om de conjuncturele ontwikkeling te meten, namelijk de bezettingsgraad van de productiecapaciteit, niet relevant is om de conjuncturele situatie van de markt en de invloed daarvan te meten met betrekking tot een kleine onderneming, zoals de hare, die in verband met haar omvang slechts op de locale markt of hoogstens op een klein deel van de nationale markt kan opereren. Haar beoordeling was meer in overeenstemming met de realiteit geweest, indien zij was uitgegaan van de ontwikkeling van de gegevens betreffende het verbruik gedurende de betrokken periode, omdat uit deze gegevens precies kan worden opgemaakt wat de mogelijke afzet van de producten van de betrokken onderneming is. Verzoekster stelt op basis van deze methode een tabel van de ontwikkeling van de vraag naar rond betonstaal op de Italiaanse markt op, welke in 1992 een daling van 1,7 %, in 1993 van 20 % en in 1994 van 7 % laat zien. Hieruit blijkt dus, dat er vooral voor de kleinere ondernemingen een ernstige crisis bestond.
291 Het Gerecht herinnert eraan, dat een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften is, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van de beschikking, dat integendeel moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beschikking (arresten Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T-84/96, Jurispr. blz. II-2081, punt 47; 14 mei 1998, Buchmann/Commissie, T-295/94, Jurispr. blz. II-813, punt 45; Gruber + Weber/Commissie, T-310/94, Jurispr. blz. II-1043, punt 41, en BPB de Eendracht/Commissie, T-311/94, Jurispr. blz. II-1229, punt 66).
292 Uit hetgeen hiervoor in de punten 279 tot en met 281 is uiteengezet, blijkt dat in de motivering van de bestreden beschikkingen op duidelijke en samenhangende wijze de overwegingen feitelijk en rechtens worden uiteengezet op grond waarvan de afwijzing van de door de Italiaanse regering voorgestelde alternatieve criteria en de verenigbaarverklaring rechtens gerechtvaardigd was, ongeacht de gegrondheid van deze overwegingen, die zoals reeds is gezegd, niet bij de toetsing van de toereikendheid van de motivering, doch bij het onderzoek van de grond van het geschil dient te worden onderzocht.
293 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
294 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in hun eigen kosten alsmede, hoofdelijk, in die van de Commissie te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst verzoeksters in hun eigen kosten alsmede, hoofdelijk, in die van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy