Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Recht van verweer van betrokken ondernemingen
2 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Verplichting van Commissie - Inachtneming van redelijke termijn
3 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Verplichting van Commissie om nationale autoriteiten gelegenheid te geven om opmerkingen kenbaar te maken - Draagwijdte
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 6, lid 1)
4 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen tot betaling van saldo - Draagwijdte
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 5, leden 4, 6 en 7; besluit 83/516 van de Raad, art. 2, lid 2; beschikking 83/673 van de Commissie, art. 7)
5 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking van Commissie waarbij op voorstel van lidstaat bijstand van Europees Sociaal Fonds voor beroepsopleidingsactie wordt verminderd
(EG-Verdrag, art. 190)
6 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Beschikking van Commissie krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 - Beoordeling van complexe feitelijke en boekhoudkundige situaties - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 6, lid 1)
Samenvatting
1 Het recht van verweer van een begunstigde van bijstand van het Europees Sociaal Fonds moet worden geëerbiedigd, wanneer de Commissie die bijstand vermindert. De Commissie, die als enige jegens de begunstigde van bijstand van het Europees Sociaal Fonds rechtens aansprakelijk is voor beschikkingen tot vermindering van die bijstand, mag een dergelijke beschikking niet geven zonder die begunstigde vooraf in staat te stellen naar behoren zijn standpunt over de beoogde vermindering van de bijstand kenbaar te maken, dan wel na zich ervan te hebben vergewist dat hij daartoe in staat is gesteld.
2 De vraag of de duur die is verlopen tussen de indiening van een aanvraag om betaling van het saldo door de begunstigde van een financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds en de vaststelling door de Commissie van een beschikking over die aanvraag, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die zijn gevolgd, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen.
3 De Commissie heeft aan haar verplichting tot raadpleging van de lidstaat vóór de vaststelling van een beschikking tot vermindering van de aanvankelijk toegekende financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds voldaan, wanneer daaraan een briefwisseling is voorafgegaan tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, die vóór de vaststelling van de definitieve beschikking hun opmerkingen hebben gemaakt.
4 De bevestiging door een lidstaat van bepaalde kosten in de aanvragen om betaling van het saldo van een financiële bijstand bevrijdt hem niet van andere verplichtingen die krachtens het toepasselijke gemeenschapsrecht op hem rusten. Zo blijft die lidstaat gehouden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de bepalingen van artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds respectievelijk artikel 7 van beschikking 83/673 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds, om in te staan voor de adequate uitvoering van de acties van het Fonds en elk vermoeden van onregelmatigheid bij de Commissie te melden. Daar de nakoming van die verplichtingen aan geen enkele termijn is gebonden, dienen de nationale autoriteiten daaraan te voldoen totdat de Commissie een eindbeschikking over het saldo van de bijstand geeft. Voorts volgt uit de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516, dat de lidstaat in het kader van het beheer van het Europees Sociaal Fonds als geprivilegieerd gesprekspartner van de Commissie moet worden aangemerkt.
Bovendien kan de uitoefening van de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie om een communautaire bijstand in het kader van het Europees Sociaal Fonds te verminderen, niet afhankelijk worden gesteld van de bevestiging bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83. De bevestiging van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 moet daarom worden aangemerkt als een soort handeling die de nationale autoriteiten onder alle voorbehoud verrichten. Indien dit niet zo was, zou afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van de op de nationale autoriteiten rustende verplichting, onregelmatigheden bij het beheer van het Europees Sociaal Fonds te melden.
5 In de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. De omvang van deze verplichting is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waarin deze is vastgesteld.
Wanneer de Commissie het voorstel van een lidstaat om een aanvankelijk toegekende bijstand te verminderen, eenvoudigweg bevestigt, kan worden aangenomen dat een beschikking van de Commissie naar behoren met redenen is omkleed, hetzij wanneer zijzelf duidelijk de redenen aangeeft die de vermindering van de bijstand dragen, hetzij, zo dat niet het geval is, wanneer zij voldoende duidelijk verwijst naar een handeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, waarin deze duidelijk de redenen voor een dergelijke vermindering uiteenzetten.
6 De toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, op grond waarvan de Commissie een bijstand van het Europees Sociaal Fonds kan verminderen, opschorten of doen vervallen, wanneer deze niet wordt gebruikt overeenkomstig de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit, kan inhouden, dat de Commissie complexe feitelijke en boekhoudkundige situaties moet beoordelen. Bij die beoordeling moet de Commissie dus over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken. In het kader van het onderzoek van de wettigheid van de uitoefening van die bevoegdheid moet de controle van het Gerecht zich daarom beperken tot de vraag, of de Commissie de betrokken gegevens niet kennelijk onjuist heeft beoordeeld.
Partijen
In de gevoegde zaken T-180/96 en T-181/96,
Mediocurso - Estabelecimento de ensino particular, Ld.°, vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon, vertegenwoordigd door C. Botelho Moniz en P. Moura Pinheiro, advocaten te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. T. Figueira en K. Simonsson, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van, in de eerste plaats, beschikking C (96) 1185 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de bij beschikking C (89) 0570 van 22 maart 1989 toegekende bijstand, en, in de tweede plaats, van beschikking C (96) 1186 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de bij beschikking C (89) 0570 van 22 maart 1989 toegekende bijstand,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, C. P. Briët en A. Potocki, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 juni 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke wetgeving
1 Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB L 289, blz. 38; hierna: "besluit 83/516"), neemt het Fonds deel in de financiering van acties op het gebied van de beroepsopleiding en de beroepskeuzevoorlichting. Artikel 2, lid 2, van dit besluit preciseert, dat de betrokken lidstaten instaan voor de adequate uitvoering van de acties.
2 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516 (PB L 289, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2950/83"), somt de uitgaven op waarvoor uit het Europees Sociaal Fonds (hierna: "ESF") bijstand kan worden verleend.
3 Goedkeuring door het ESF van een aanvraag om bijstand brengt volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 uitkering mee van een voorschot gelijk aan 50 % van de toegekende steun op de voor de aanvang van de opleidingsactie vastgestelde datum. Volgens artikel 5, lid 4, moeten de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag omvatten over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie, terwijl de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvraag vermelde gegevens moet bevestigen.
4 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 bepaalt, dat indien van de bijstand van het ESF geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, de Commissie deze bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Artikel 6, lid 2, bepaalt, dat overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, worden teruggevorderd.
5 Volgens artikel 6, lid 1, van beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds (PB L 377, blz. 1; hierna: "beschikking 83/673"), moeten de betalingsaanvragen van de lidstaten de Commissie bereiken binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de acties zijn beëindigd. De betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, is uitgesloten.
6 Ten slotte bepaalt artikel 7 van deze beschikking, dat indien naar het beheer van een project waaraan bijstand is toegekend, een onderzoek wordt ingesteld wegens een vermoeden van onregelmatigheid, de lidstaat hiervan aan de Commissie onverwijld mededeling doet.
De feiten en het procesverloop
7 Verzoekster is een handelsvennootschap met als belangrijkste activiteit, de organisatie van cursussen voor beroepsopleiding en specialisatie op technisch gebied.
8 In 1988 diende het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het ESF; hierna: "DAFSE") bij het ESF ten behoeve van verzoekster een aanvraag in om financiële bijstand uit hoofde van het begrotingsjaar 1989 voor een aantal beroepsopleidingsacties.
9 Het eerste project waarvoor bijstand werd gevraagd, ontving dossiernummer 890583 P1 (hierna: "eerste dossier") en vormt het voorwerp van het beroep in zaak T-180/96. Het tweede project ontving dossiernummer 890588 P1 (hierna: "tweede dossier") en vormt het voorwerp van het beroep in zaak T-181/96.
10 Het eerste dossier betreft een verzoek om bijstand voor de uitvoering van een beroepsopleidingsactie voor technici op het gebied van polyester versterkt met glasvezel, technici op het gebied van elektrische apparaten en specialisten op het gebied van marketing en reclame, waaraan aanvankelijk 30 personen zouden deelnemen. Het verzoek had betrekking op een bedrag van 9 592 058 ESC. Op verzoek van DAFSE werd het aantal deelnemers teruggebracht tot 23.
11 Dit aldus gewijzigde eerste dossier werd "volgens de in de bijlage opgenomen kennisgeving" goedgekeurd bij een beschikking van de Commissie, die verzoekster bij brief van DAFSE van 10 april 1989 (nr. 8149) werd betekend. De beschikking stelde het bedrag van de bijstand van het ESF vast op 7 468 207 ESC. De Portugese Staat van zijn kant zegde voor het project een bedrag van 6 110 351 ESC aan bijstand toe via de Orçamento da Segurança Social/Instituto de Gestão Financeira da Segurança Social (hierna: "OSS/IGFSS").
12 In augustus 1989 ontving verzoekster overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 een voorschot van 50 % van de door het ESF en door de OSS/IGFSS toegekende bijstand, ofwel een bedrag van 3 734 103 ESC respectievelijk 3 055 175 ESC.
13 Het tweede dossier betreft een verzoek om bijstand voor de uitvoering van twee beroepsopleidingsacties voor specialisten op het gebied van handel en reclame en op het gebied van reclame en grafische kunsten, waaraan aanvankelijk 22 personen zouden deelnemen. Het verzoek betrof een bedrag van 8 627 355 ESC. Op verzoek van DAFSE werd het aantal deelnemers teruggebracht tot 17.
14 Het aldus gewijzigde tweede dossier werd "volgens de in de bijlage opgenomen kennisgeving" goedgekeurd bij een beschikking van de Commissie, die verzoekster bij brief van DAFSE van 10 april 1989 (nr. 8154) werd betekend. De beschikking stelde het bedrag van de bijstand van het ESF vast op 6 890 635 ESC. De Portugese Staat van zijn kant zegde voor het project een bedrag van 5 637 792 ESC aan bijstand toe via de OSS/IGFSS.
15 In augustus 1989 ontving verzoekster overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 een voorschot van 50 % van de door het ESF en door de OSS/IGFSS toegekende bijstand, ofwel een bedrag van 3 445 317 ESC respectievelijk 2 818 896 ESC.
16 De in de twee dossiers voorziene opleidingsacties werden uitgevoerd tussen juli en december 1989.
17 Na afsluiting van deze opleidingsacties, waarvan de totale kosten lager bleken dan in de projecten voorzien, diende verzoekster in elk van de beide dossiers bij DAFSE een aanvraag om betaling van het saldo in. Zij vroeg om betaling van een bedrag van 3 337 539 ESC voor het eerste en van 3 286 799 ESC voor het tweede dossier.
18 Uit deze aanvragen blijkt, dat bij de eerste actie vijftien personen en bij de tweede actie twaalf personen de opleidingsacties hadden beëindigd.
19 Bij voor de beide dossiers gemeenschappelijke brief van 11 april 1990 deelde DAFSE verzoekster mee, dat het "van plan was de betalingsopdrachten op te schorten (...) en het saldo eventueel aan te passen, na financiële controles die betrekking zouden hebben op de uitvoering van de opleidingsacties die [zij] in het kader van de betrokken dossiers heeft georganiseerd".
20 Op 30 oktober 1990 bevestigden de Portugese autoriteiten krachtens artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de aanvragen om betaling van het saldo die verzoekster in de beide dossiers had ingediend. In de brieven waarbij het deze aanvragen aan de Commissie zond, liet DAFSE laatstgenoemde echter weten, dat de in die aanvragen opgenomen gegevens niet konden worden bevestigd vóór een nog uit te voeren financiële controle.
21 Bij gelijkluidende brieven van 25 januari 1991 deelde DAFSE verzoekster mee, dat het accountantskantoor "Audite" in het kader van de twee betrokken dossiers een feitelijke en boekhoudkundige controle zou verrichten.
22 Op 28 januari 1991 zond DAFSE verzoekster een brief, waarin het preciseerde dat zijn eindbeslissing over de beide dossiers zou afhangen van de uitkomsten van deze financiële controle.
23 Op 20 februari 1991 zond het kantoor Audite DAFSE twee accountantsrapporten, te weten een voor elk dossier.
24 Vervolgens vond op 10 september 1991 een vergadering plaats tussen verzoekster, DAFSE en vertegenwoordigers van het kantoor Audite, teneinde de twee dossiers te bespreken.
25 Op 11 september 1991 zond DAFSE verzoekster een brief, waarin het haar op de hoogte stelde van de conclusies van het verrichte onderzoek. Het verzocht haar tevens om terugbetaling van de bedragen die haars inziens niet voor bijstand in aanmerking kwamen. Verzoekster heeft onmiddellijk voor de Portugese administratieve rechter de wettigheid van deze handeling betwist. Zij heeft echter verzuimd, DAFSE bij afzonderlijke akte op de hoogte te stellen van haar bezwaren ten aanzien van de in deze brief van 11 september 1991 aangekondigde verminderingen van de bijstand.
26 DAFSE heeft vervolgens tot 22 september 1995 de beslissing op het door verzoekster tegen de brief van 11 september 1991 ingestelde beroep afgewacht.
27 Bij brief van 22 september 1995 stelde DAFSE de Commissie op de hoogte van de uitkomsten van het in 1991 verrichte onderzoek en zond het haar de overeenkomstig die uitkomsten gecorrigeerde aanvragen om betaling van het saldo toe.
28 Op 6 maart 1996 deelde DAFSE verzoekster mee, dat de Commissie haar standpunt over de twee aanvragen om betaling van het saldo had bepaald en de uitkomsten van de financiële controle die haar reeds op 11 september 1991 waren toegezonden, had bevestigd.
29 Op 4 april 1996 verzocht verzoekster DAFSE om een kopie van de beschikkingen van de Commissie. Zij vroeg eveneens, het administratieve dossier van het ESF te mogen raadplegen. Op 24 april 1996 werd verzoekster in de gelegenheid gesteld dit administratieve dossier te raadplegen en stelde zij vast, dat daarin geen andere handelingen met het karakter van een beschikking zaten dan debetnota's van de Commissie, waarbij de bedragen waren vastgesteld die zij in de beide dossiers diende terug te betalen.
30 Verzoekster heeft daarop bij het Gerecht beroep tegen die handelingen ingesteld. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-70/96 en T-72/96. De Commissie heeft die handelingen echter op eigen initiatief ingetrokken en vervangen door de beide beschikkingen van 14 augustus 1996, die het voorwerp van de onderhavige beroepen vormen. Hierop heeft de president van de Tweede kamer bij beschikkingen van 12 november 1996 de doorhaling van de zaken T-70/96 en T-72/96 in het register van het Gerecht gelast en de Commissie in de kosten verwezen.
31 Op 14 augustus 1996 gaf de Commissie beschikking C (96) 1185 betreffende het eerste dossier. Van deze beschikking is verzoekster op 20 september 1996 kennisgegeven door DAFSE.
32 Deze beschikking luidt als volgt:
"(...) overwegende, dat de Portugese regering de Commissie op 30 oktober 1990 een aanvraag om betaling van het saldo voor een bedrag van 3 337 532 ESC heeft gezonden, en overeenkomstig artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van deze aanvraag heeft bevestigd;
overwegende dat de lidstaat, na verschillende onregelmatigheden bij de uitvoering van de door het ESF gefinancierde acties te hebben vastgesteld, met medeweten van de Commissie heeft besloten, een aantal dossiers opnieuw te onderzoeken en dat in dit verband, na het heronderzoek van de aanvraag om betaling van het saldo van dossier nr. 890583 P1 op basis van een boekhoudkundige controle van de actie, een deel van de door Mediocurso ingediende kosten (...) niet kan worden aanvaard om de redenen, welke zijn uiteengezet in de door de lidstaat verzonden brief nr. 10992 van 22 september 1995;
overwegende, dat de lidstaat aan Mediocurso (...) de uitkomsten van de accountantscontrole heeft meegedeeld (brief nr. 8739 van 11 september 1991) en dat Mediocurso (...) geen opmerkingen heeft ingediend;
overwegende, dat op het totaalbedrag van de door de Commissie voor dossier nr. 890583 P1 goedgekeurde bijstand, die 7 468 207 ESC bedroeg, een bedrag van 396 572 ESC door Mediocurso niet is gebruikt (...), en de Commissie van mening is, dat bepaalde door Mediocurso aangevoerde uitgaven (...) niet in overeenstemming zijn met de in het goedkeuringsbesluit gestelde voorwaarden, zodat de bijstand nogmaals met 4 819 741 ESC moet worden verminderd en de bijstand van het ESF dus op 2 251 894 ESC moet worden vastgesteld, om de redenen uiteengezet in:
- het rapport van de door het accountantskantoor verrichte controle en
- brief nr. 10992 van DAFSE van 22 september 1995 en de bijlagen bij deze brief;
geeft
(...)
de navolgende beschikking:
Artikel 1
De bij beschikking C (89) 0570 van de Commissie van 22 maart 1989 aan Mediocurso toegekende bijstand van het ESF van 7 468 207 ESC, wordt verminderd tot 2 251 894 ESC.
Artikel 2
Het bedrag van 1 482 209 ESC moet aan de Commissie worden terugbetaald (...)."
33 Op 14 augustus 1996 gaf de Commissie eveneens beschikking C (96) 1186 betreffende het tweede dossier. Deze is in wezen gelijk aan de beschikking betreffende het eerste dossier. Van deze beschikking is verzoekster op 20 september 1996 door DAFSE kennis gegeven.
34 Het dispositief van deze beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
De bij beschikking C (89) 0570 van de Commissie van 22 maart 1989 aan Mediocurso toegekende bijstand van het ESF van 6 890 635 ESC wordt verminderd tot 2 174 072 ESC.
Artikel 2
Het bedrag van 1 271 245 ESC moet aan de Commissie worden terugbetaald (...)"
35 Bij op 14 november 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 augustus 1996 betreffende het eerste dossier. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T-180/96.
36 Bij op 14 november 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster eveneens beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 augustus 1996 betreffende het tweede dossier. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T-181/96.
37 Bij brief van 24 maart 1998 is partijen verzocht, hun standpunt kenbaar te maken over de voeging van de zaken T-180/96 en T-181/96. Partijen hebben laten weten, daartegen geen bezwaar te hebben. Mitsdien moeten de zaken T-180/96 en T-181/96 krachtens artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor dit arrest worden gevoegd.
38 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het partijen echter verzocht, schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.
39 Ter terechtzitting van 11 juni 1998 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
Zaak T-180/96
40 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- te gelasten, dat het administratieve dossier van de Commissie alsmede het dossier van DAFSE aan het dossier van de zaak worden toegevoegd;
- beschikking C (96) 1185 van de Commissie van 14 augustus 1996 nietig te verklaren;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
41 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Zaak T-181/96
42 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- te gelasten, dat het administratieve dossier van de Commissie alsmede het dossier van DAFSE aan het dossier van de zaak worden toegevoegd;
- beschikking C (96) 1186 van de Commissie van 14 augustus 1996 nietig te verklaren;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
43 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
44 In elk van beide zaken voert verzoekster vijf middelen aan:
- eerste middel: schending van verzoeksters recht van verweer;
- tweede middel: niet-inachtneming van een redelijke termijn;
- derde middel: schending van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83, aangezien de Portugese Staat niet in de gelegenheid is gesteld, vóór de vaststelling van de bestreden beschikkingen zijn opmerkingen te maken;
- vierde middel: schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, aangezien de bestreden beschikkingen in tegenspraak zijn met de eerdere bevestiging van de gegevens in de aanvragen om betaling van het saldo;
- vijfde middel: schending van de motiveringsplicht, schending van algemene rechtsbeginselen en onjuiste beoordeling van de feiten.
Het eerste middel: schending van verzoeksters recht van verweer
Argumenten van partijen
45 Verzoekster is in de eerste plaats van mening, dat de Commissie haar niet in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te spreken over de betrokken verminderingen van de financiële bijstand. De eerbiediging van het recht van verweer is in iedere procedure die tot een bezwarende handeling kan leiden, echter te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht (arrest Gerecht van 6 december 1994, Lisrestal e.a./Commissie, T-450/93, Jurispr. blz. II-1177, punt 42). Dit beginsel krijgt een bijzonder belang in een situatie, waarin de bestreden beschikkingen, zoals in deze zaak, een aanvankelijk goedgekeurde bijstand verminderen (arrest Hof van 4 juni 1992, Cipeke/Commissie, C-189/90, Jurispr. blz. I-3573, punten 16-18).
46 Volgens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 is de Commissie bij uitsluiting bevoegd een bijstand van het ESF op te schorten, te verminderen of te doen vervallen. De Commissie had er daarom zelf voor moeten zorgen dat verzoekster werd gehoord, alvorens de bestreden beschikkingen vast te stellen.
47 Weliswaar kon zij ook door een andere instantie, zoals DAFSE, worden gehoord voordat de Commissie een eerste standpunt innam, doch dit zou alleen zin hebben gehad, indien de inhoud hiervan ook aan de Commissie werd meegedeeld, hetgeen in casu niet het geval is geweest.
48 De Commissie stelt, dat aangezien verzoekster in 1991, nadat DAFSE haar de uitkomsten van de financiële controle had meegedeeld, alsmede gedurende de diverse bijeenkomsten met DAFSE de mogelijkheid heeft gehad om schriftelijke opmerkingen in te dienen, ervan moet worden uitgegaan, dat zij in de gelegenheid is gesteld haar standpunt over de beoogde verminderingen van de bijstand naar behoren kenbaar te maken in de zin van het arrest Lisrestal e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 49).
Beoordeling door het Gerecht
49 Volgens vaste rechtspraak moet het recht van verweer van een begunstigde van bijstand van het ESF worden geëerbiedigd, wanneer de Commissie die bijstand vermindert (zie onder meer arrest Hof van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punten 21-44).
50 Voorts moet worden opgemerkt, dat het Gerecht in zijn arrest Lisrestal e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 49), heeft overwogen, zonder op dit punt door het Hof in zijn arrest van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., reeds aangehaald, te zijn gecorrigeerd, dat de Commissie, die als enige jegens de begunstigde van bijstand van het ESF rechtens aansprakelijk is voor beschikkingen tot vermindering van die bijstand, een dergelijke beschikking niet mag geven zonder die begunstigde vooraf in staat te stellen naar behoren zijn standpunt over de beoogde vermindering van de bijstand kenbaar te maken, dan wel na zich ervan te hebben vergewist dat hij daartoe in staat is gesteld.
51 Verzoekster heeft zowel in haar conclusies als in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht erkend, dat zij vóór de opstelling van de brief van 11 september 1991 door DAFSE is gehoord. In die brief heeft DAFSE echter niet alle opmerkingen van verzoekster over de door hem beoogde verminderingen overgenomen.
52 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster, gelijk in de bestreden beschikkingen terecht wordt opgemerkt, formeel geen opmerkingen over die brief heeft gemaakt. Zij heeft zich er immers toe beperkt, bij de Portugese administratieve gerechten beroep tegen die brief in te stellen. In casu had verzoekster die opmerkingen echter ook formeel moeten indienen, opdat deze door DAFSE aan de Commissie konden worden medegedeeld. Onder dergelijke omstandigheden kan verzoekster zich niet beroepen op het feit, dat haar eventuele opmerkingen niet aan de Commissie zijn medegedeeld, aangezien dit het gevolg is van haar eigen verzuim.
53 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster dus in staat is gesteld haar standpunt over de tegen haar in aanmerking genomen elementen "naar behoren" kenbaar te maken in de zin van het arrest Gerecht Lisrestal e.a./Commissie, reeds aangehaald.
54 Om die redenen moet het eerste middel worden afgewezen.
Het tweede middel: niet-inachtneming van een redelijke termijn
Argumenten van partijen
55 Verzoekster is van mening, dat verordening nr. 2950/83 en beschikking 83/673 een leemte vertonen, doordat daarin geen enkele termijn wordt gesteld waarbinnen de Commissie een beschikking moet geven op een aanvraag om betaling van het saldo van een bijstand van het ESF. Het is niet aannemelijk dat de gemeenschapswetgever toestaat, dat de vaststelling van dergelijke beschikkingen eindeloos wordt uitgesteld. Voor de oplossing van dit soort problemen heeft het Hof het criterium van de "redelijke termijn" aanvaard (arresten Hof van 6 juli 1971, Nederland/Commissie, 59/70, Jurispr. blz. 639, en 11 december 1973, Lorenz, 120/73, Jurispr. blz. 1471).
56 Zij verbindt hieraan de conclusie, dat aangezien noch de toepasselijke wettelijke regeling noch de feiten van de zaak van dien aard zijn, dat de betrokken dossiers als bijzonder ingewikkeld moeten worden beschouwd, de Commissie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, door pas na een termijn van zeven jaar een beschikking te geven.
57 Ten slotte is het niet van belang, dat zij op de hoogte is gesteld van de twijfels van DAFSE omtrent de vraag of bepaalde uitgaven voor bijstand in aanmerking kwamen. Het rechtszekerheidsbeginsel beoogt immers juist te beletten, dat een situatie van onzekerheid voortduurt.
58 De Commissie beklemtoont in de eerste plaats, dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 geen enkele termijn bevat die haar bevoegdheid beperkt om een bijstand van het ESF te verminderen. Deze situatie weerspiegelt de wens van de wetgever om ingeval er een vermoeden van onregelmatigheden bestaat, de bijstandsvermindering niet afhankelijk te stellen van de inachtneming van termijnen. Verzoekster had daarom geen gronden om aan te nemen, dat geen bijstandsvermindering zou plaatsvinden.
59 In de tweede plaats stelt de Commissie, dat het Gerecht in zijn arrest van 19 maart 1997, Oliveira/Commissie (T-73/95, Jurispr. blz. II-381, punten 45-47), heeft gepreciseerd, dat de redelijkheid van een termijn afhangt van de aard van de maatregelen die moeten worden genomen, alsmede van de specifieke toevallige omstandigheden van elk geval.
60 Ten slotte is zij van mening, dat de litigieuze periode in casu niet als buitensporig lang kan worden aangemerkt, aangezien verzoekster bijtijds op de hoogte is gesteld van de uitkomsten van de financiële controle. Bovendien wist zij, dat bepaalde uitgaven werden geacht niet voor bijstand in aanmerking te komen.
Beoordeling door het Gerecht
61 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of de duur van de administratieve procedure redelijk is, worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die zijn gevolgd, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen (arrest Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie, T-213/95 en T-18/96, Jurispr. blz. II-1739, punt 57, en arrest Oliveira/Commissie, reeds aangehaald, punt 45).
62 Vanuit dit oogpunt moet de redelijkheid worden beoordeeld van de termijn die is verlopen tussen de indiening, in december 1989, van verzoeksters aanvragen om betaling van het saldo en de vaststelling, op 14 augustus 1996, van de bestreden beschikkingen.
63 Tussen december 1989 en september 1991 heeft DAFSE echter in samenwerking met het accountantskantoor Audite een financiële controle uitgevoerd, teneinde de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de door verzoekster gedane uitgaven vast te stellen.
64 Tussen september 1991 en 22 september 1995, de datum waarop de resultaten van deze controle aan de Commissie werden meegedeeld, heeft DAFSE om begrijpelijke redenen gewacht tot de Portugese administratieve gerechten uitspraak hadden gedaan op het beroep dat verzoekster zelf tegen de brief van 11 september 1991 had ingesteld.
65 Vervolgens heeft DAFSE verzoekster bij brief van 6 maart 1996 meegedeeld, dat de Commissie een beslissing had genomen over haar aanvragen om betaling van het saldo.
66 Ten slotte heeft de Commissie, gelet op het arrest van het Gerecht van 13 december 1995, Commissie/Branco [T-85/94 (122), Jurispr. blz. II-2993], die beschikkingen ingetrokken en deze vervangen door de twee bestreden beschikkingen, die een gedetailleerde uiteenzetting bevatten van de redenen waarom tot vermindering van de bijstand van het ESF was besloten.
67 Uit deze opeenvolging van gebeurtenissen blijkt, dat elk van de procedurele fases die aan de vaststelling van de bestreden beschikkingen is voorafgaan, binnen een redelijke termijn is afgewikkeld, in aanmerking genomen de omstandigheden waarmee de nationale en communautaire instanties belast met het beheer van het ESF in het kader van het onderzoek van de aanvragen om betaling van het saldo in redelijkheid rekening mochten houden.
68 Onder deze omstandigheden moet het tweede middel worden afgewezen.
Het derde middel: schending van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83, aangezien de Portugese Staat niet in de gelegenheid zou zijn gesteld, vóór de vaststelling van de bestreden beschikkingen zijn opmerkingen te maken
Argumenten van partijen
69 Verzoekster stelt, dat de Commissie krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.
70 In casu heeft volgens haar de Commissie de litigieuze beschikkingen echter vastgesteld, zonder de Portugese autoriteiten de gelegenheid te geven hun opmerkingen over de inhoud van die beschikkingen te maken, hetgeen een schending van wezenlijke vormvoorschriften oplevert (arrest Hof van 7 mei 1991, Oliveira/Commissie, C-304/89, Jurispr. blz. I-2283).
71 Volgens de Commissie vormen de bestreden beschikkingen een bevestiging van de door DAFSE ingediende voorstellen tot vermindering. Onder deze omstandigheden moet de formaliteit van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 vervuld worden geacht.
Beoordeling door het Gerecht
72 Met haar derde middel verwijt verzoekster de Commissie in wezen, dat zij DAFSE niet in de gelegenheid heeft gesteld opnieuw zijn opmerkingen over de door haar geplande bijstandsverminderingen te maken.
73 Uit het arrest van het Hof van 11 oktober 1990, FUNOC/Commissie (C-200/89, Jurispr. blz. 3669, punt 17), blijkt echter, dat wanneer aan een beschikking, zoals de in casu in geding zijnde beschikkingen, een briefwisseling is voorafgegaan tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, die vóór de vaststelling van de definitieve beschikking hun opmerkingen hebben gemaakt, de verplichting tot raadpleging van de lidstaat vervuld moet worden geacht.
74 Bovendien staat vast dat DAFSE, die in het kader van het beheer van het ESF de Portugese Staat vertegenwoordigt, de Commissie bij brief van 22 september 1995 zijn oordeel over de betrokken dossiers heeft gezonden.
75 Voorts blijkt uit de motivering van de bestreden beschikkingen, dat de standpunten die de Commissie daarin heeft ingenomen, slechts een bevestiging vormen van de door DAFSE ingediende voorstellen tot vermindering van de bijstand.
76 Onder deze omstandigheden moet de verplichting tot raadpleging van de lidstaat vervuld worden geacht door het simpele feit, dat deze lidstaat zijn voorstellen tot vermindering van de bijstand vóór de vaststelling van de eindbeschikkingen van 14 augustus 1996 heeft gedaan.
77 Mitsdien moet het derde middel worden afgewezen.
Het vierde middel: schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, aangezien de bestreden beschikkingen in tegenspraak zouden zijn met de eerdere bevestiging van de gegevens in de aanvragen om betaling van het saldo
Argumenten van partijen
78 Verzoekster merkt op, dat de Portugese autoriteiten overeenkomstig artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de aanvragen om betaling van het saldo hebben bevestigd. De bestreden beschikkingen zijn in tegenspraak met deze bevestiging, aangezien zij de juistheid van bepaalde uitgaven en de eerder aanvaarde inschrijving in de boekhouding in twijfel trekken.
79 Deze opeenvolging van uiteenlopende standpunten vormt een schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. De bevestiging vormt immers een handeling waarbij verzoeksters rechtspositie definitief wordt vastgesteld. Die bevestiging belet de Commissie weliswaar niet, een aanvankelijk toegekende bijstand in te trekken of te verminderen, maar zij kan daarbij niet betwisten, dat de betrokken kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en in de boekhouding zijn opgenomen.
80 Verzoekster merkt op, dat de Commissie pas in de procedure voor het Gerecht heeft gesteld, dat de bevestiging van de Portugese autoriteiten voorwaardelijk was, terwijl dit in de bestreden beschikkingen niet was vermeld. Bovendien is in de toepasselijke wettelijke regeling niet de mogelijkheid van een dergelijke voorwaardelijke bevestiging voorzien.
81 Wanneer de nationale autoriteiten een aanvraag om betaling van het saldo ontvangen, zijn daarop slechts twee reacties mogelijk: bevestigen of niet. Aangezien verordening nr. 2950/83 een termijn voor de bevestiging stelt, konden de Portugese autoriteiten geen "voorwaardelijke" bevestiging geven en zo deze dwingende termijn omzeilen.
82 De Commissie beklemtoont, dat de Portugese autoriteiten juist met het oog op de bescherming van verzoeksters belangen en de eerbiediging van de termijn van tien maanden van artikel 6, lid 1, van beschikking 83/673 de bevestiging van de betrokken aanvragen om betaling hebben afgegeven, waarbij zij hebben gepreciseerd, dat de eindbeslissing zou afhangen van een later uit te voeren financiële controle.
83 Bovendien stelt zij, dat artikel 7 van verordening nr. 2950/83 bepaalt, dat de aanvragen om betaling van het saldo, onverminderd de controles die door de lidstaten worden uitgeoefend, later kunnen worden geverifieerd. Ten slotte is de Commissie volgens de rechtspraak als enige verantwoordelijk voor de vermindering van een financiële bijstand van het ESF, ongeacht of deze vermindering door de betrokken nationale autoriteit is voorgesteld (arrest Commissie/Branco, reeds aangehaald, punten 23 en 24).
Beoordeling door het Gerecht
84 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat DAFSE, na de bevestiging op 30 oktober 1990, verzoekster bij brieven van 25 en 28 januari 1991 heeft laten weten, dat het accountantskantoor Audite belast was met een feitelijke en boekhoudkundige controle van de gedane uitgaven, en dat het zijn eindoordeel van de uitkomsten van die financiële controle zou laten afhangen. Verzoekster is er dus spoedig van op de hoogte gesteld, dat er sterke twijfel bestond omtrent de vraag of de beweerdelijk gedane uitgaven voor bijstand in aanmerking kwamen.
85 Vervolgens moet worden bepaald in hoeverre de bevestiging van bepaalde uitgaven door de nationale autoriteiten een definitief standpunt over de bevestigde gegevens jegens de ontvanger van de bijstand meebrengt, en of een dergelijk standpunt de Commissie bindt.
86 De bevestiging door een lidstaat bevrijdt hem niet van andere verplichtingen die krachtens het toepasselijke gemeenschapsrecht op hem rusten. Zo blijft die lidstaat krachtens artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 gehouden, in te staan voor de adequate uitvoering van de acties van het ESF. Bovendien bepaalt artikel 7 van beschikking 83/673, dat indien naar het beheer van een project waaraan bijstand is toegekend, wegens een vermoeden van onregelmatigheid een onderzoek wordt ingesteld, de lidstaat hiervan onverwijld mededeling doet aan de Commissie.
87 Daar de nakoming van die verplichtingen aan geen enkele termijn is gebonden, dienen de nationale autoriteiten daaraan te voldoen totdat de Commissie een eindbeschikking over het saldo van de bijstand geeft.
88 Uit de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2950/83, waarin de procedure is vastgelegd die moet worden gevolgd wanneer de Commissie vaststelt, dat niet aan de voorwaarden voor verlening van de bijstand is voldaan, of wanneer zij bepaalde verificaties wil verrichten naar aanleiding van een aanvraag om betaling van het saldo, blijkt overigens dat de lidstaat in het kader van het beheer van het ESF als geprivilegieerd gesprekspartner van de Commissie moet worden aangemerkt.
89 Er moet daarom van worden uitgegaan, dat de lidstaat aan bepaalde verplichtingen gebonden blijft, en meer in het bijzonder aan de verplichting om elke onregelmatigheid bij het beheer van het ESF te melden, zelfs nadat hij de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging als voorzien in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 heeft afgegeven. Verzoeksters rechtspositie was door de bevestiging van de door haar gedane uitgaven dus niet definitief bepaald.
90 Bovendien blijkt uit de rechtspraak, dat de Commissie als enige verantwoordelijk is voor de beschikking tot vermindering van de bijstand, ongeacht of deze vermindering al dan niet door de betrokken nationale autoriteit is voorgesteld (arresten Commissie/Lisrestal e.a., reeds aangehaald, punt 29, en Commissie/Branco, reeds aangehaald, punten 23 en 24). De uitoefening van deze uitsluitende bevoegdheid van de Commissie kan niet afhankelijk worden gesteld van de bevestiging bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83. De Commissie blijft namelijk volledig vrij een communautaire bijstand te verminderen, ook al heeft de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid bevestigd van alle gegevens die tot staving van de aanvraag om betaling van het saldo zijn overgelegd, mits zij haar beschikking houdende vermindering toereikend motiveert, wanneer zij van de inhoud van het voorstel van de nationale autoriteiten afwijkt.
91 Verzoeksters argument, dat de bevoegdheid van de Commissie in casu beperkt was aangaande het soort van opschorting of vermindering waartoe zij kon besluiten nadat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de gedane uitgaven was bevestigd, kan daarom niet worden aanvaard.
92 Gelet op het feit dat de nationale autoriteiten krachtens artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 instaan voor de adequate uitvoering van de acties van het ESF en op hun in artikel 7 van beschikking 83/673 neergelegde verplichting om de Commissie op de hoogte te stellen van elk vermoeden van onregelmatigheid, moet de bevestiging van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 overigens worden aangemerkt als een soort handeling die de nationale autoriteiten onder alle voorbehoud verrichten. Indien dit niet zo was, zou afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van de op de nationale autoriteiten rustende verplichting, onregelmatigheden bij het beheer van het ESF te melden. De bevestiging doet dus geen afbreuk aan de andere bevoegdheden die de nationale autoriteiten en de Commissie moeten kunnen blijven uitoefenen om de adequate uitvoering van de bijstand van het ESF te verzekeren.
93 Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat DAFSE zijn taak om toezicht te houden op het beheer van de door het ESF verleende bijstand op de juiste wijze heeft uitgeoefend, door het accountantskantoor Audite te vragen de door verzoekster gedane uitgaven te controleren, nadat het zelf de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van die uitgaven had bevestigd.
94 Mitsdien moet het vierde middel worden afgewezen.
Het vijfde middel: schending van de motiveringsplicht, schending van bepaalde algemene rechtsbeginselen en kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten
Het eerste onderdeel van het vijfde middel: schending van artikel 190 van het Verdrag
- Argumenten van partijen
95 Verzoekster herinnert eraan, dat de bestreden beschikkingen enerzijds op het rapport van het kantoor Audite in elk van de beide dossiers zijn gebaseerd, en anderzijds op de brief van DAFSE van 22 september 1995.
96 Zij stelt echter, niet te weten naar welk rapport de Commissie in elk van die dossiers precies verwijst. Audite heeft immers verschillende verificaties in haar kantoren verricht en meerdere rapporten opgesteld, die soms tegenstrijdige conclusies bevatten. Elk van de rapporten van Audite is overigens nadien door het accountantskantoor zelf gewijzigd. Ook de bedragen waarvan de Commissie in de twee bestreden beschikkingen de terugbetaling verlangt, komen niet overeen met die in de rapporten van Audite.
97 Ten slotte beklemtoont zij, dat in de rechtspraak van het Gerecht weliswaar het beginsel van de motivering per relacionem is erkend, doch dat dit vooronderstelt, dat een aldus gemotiveerde beschikking voldoende duidelijk verwijst naar de handeling waarin de verklaring is opgenomen (arrest Commissie/Branco, reeds aangehaald, punt 27). In casu voldoen de verwijzingen naar de accountantsrapporten echter niet aan deze voorwaarde, aangezien niet voldoende duidelijk was om welke rapporten het ging en de inhoud ervan niet vooraf aan verzoekster was meegedeeld. Onder deze omstandigheden zijn de bestreden beschikkingen in strijd met artikel 190 van het Verdrag.
98 De Commissie is van mening, dat in de bestreden beschikkingen duidelijk is aangegeven op welke documenten zij precies zijn gebaseerd.
- Beoordeling door het Gerecht
99 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak in de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Hof van 15 april 1997, Irish Farmers Association e.a., C-22/94, Jurispr. blz. I-1809, punt 39, en arrest Gerecht van 14 juli 1997, Interhotel/Commissie, T-81/95, Jurispr. blz. II-1265, punt 72). De omvang van deze verplichting is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waarin deze is vastgesteld.
100 Krachtens het arrest van het Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie (T-85/94, Jurispr. blz. II-45, punt 37), kan in een geval als het onderhavige, waarin de Commissie het voorstel van een lidstaat om een aanvankelijk toegekende bijstand te verminderen, eenvoudigweg bevestigt, worden aangenomen dat een beschikking van de Commissie naar behoren met redenen is omkleed in de zin van artikel 190 van het Verdrag, hetzij wanneer zijzelf duidelijk de redenen aangeeft die de vermindering van de bijstand dragen, hetzij, zo dat niet het geval is, wanneer zij voldoende duidelijk verwijst naar een handeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, waarin deze duidelijk de redenen voor een dergelijke vermindering uiteenzetten.
101 In het licht van deze beginselen moet verzoeksters betoog worden onderzocht.
102 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat verzoeksters bewering dat er voor beide dossiers een aantal tegenstrijdige accountantsrapporten bestaan, ongegrond is. Het accountantskantoor Audite heeft in elk van de beide dossiers slechts een rapport opgesteld. Die twee rapporten, die als bijlagen bij het verweerschrift in de respectieve zaken zijn opgenomen, zijn op 20 februari 1991 bij DAFSE ingeschreven.
103 De verschillen tussen de bedragen in die twee accountantsrapporten en de bedragen in de bestreden beschikkingen zijn een gevolg van wijzigingen, die weliswaar zijn opgetreden nadat die rapporten bij DAFSE waren neergelegd, maar voordat verzoekster op de hoogte werd gesteld van de definitieve uitkomsten van de op 11 september 1991 door DAFSE verrichte controle, waarbij verzoekster overigens nauw betrokken is geweest.
104 In haar schriftelijke antwoord op de vragen van het Gerecht en ter terechtzitting heeft verzoekster overigens erkend, dat zij bij brief van 11 september 1991 op de hoogte is gesteld van het belangrijkste deel van de inhoud van de accountantsrapporten van Audite, ofschoon de brief geen kopie van de rapporten als zodanig bevatte.
105 Verzoekster is dus in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de motivering waarnaar de Commissie in de bestreden beschikkingen verwijst, te meer daar in haar beschikkingen eveneens werd verwezen naar de brief van DAFSE van 22 september 1995, waarin de redenen voor de litigieuze verminderingen eveneens uitvoering zijn uiteengezet.
106 Uit het voorgaande volgt, dat, onder voorbehoud van de uitkomst van het gedetailleerde onderzoek van de individuele boekhoudkundige posten dat hierna in het kader van het derde onderdeel van dit middel zal worden verricht, de bestreden beschikkingen de algemene redenering van de Commissie duidelijk en op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking doen komen, aangezien die beschikkingen over het geheel genomen naar duidelijk herkenbare documenten van DAFSE verwijzen.
107 Mitsdien moet het eerste onderdeel van het vijfde middel worden afgewezen.
Het tweede onderdeel van het vijfde middel: schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel
- Argumenten van partijen
108 Volgens verzoekster zijn de bestreden beschikkingen in feite hetzij op onregelmatigheden in de overgelegde bewijsstukken gebaseerd, hetzij op een onregelmatige boeking van de betrokken uitgaven in de boekhouding. Dergelijke voorbehouden betreffende het gebruik van de bijstand hadden haars inziens echter uiterlijk op het moment van goedkeuring van de bijstand bekend moeten zijn en konden niet achteraf, op het moment van goedkeuring van het saldo, worden gemaakt, zoals dat in casu is gebeurd. In dit verband herinnert zij eraan, dat de Commissie ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 bijstand enkel kan opschorten, verminderen of doen vervallen, indien deze niet is gebruikt overeenkomstig de in het goedkeuringsbesluit gestelde voorwaarden.
109 Een groot aantal van de doorhalingen in de bestreden beschikkingen zou daarom in strijd zijn met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien zij niet zijn gebaseerd op voorschriften die op het moment van goedkeuring van de bijstand bekend waren (arresten Hof van 28 april 1988, Von Deetzen, 170/86, Jurispr. blz. 2355, en 1 oktober 1987, Verenigd Koninkrijk/Commissie, 84/85, Jurispr. blz. 3765).
110 Volgens de Commissie kan verzoekster niet stellen, dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden. De ontvanger van bijstand kan aan het goedkeuringsbesluit immers enkel een gewettigd vertrouwen ontlenen, voor zover die bijstand is gebruikt overeenkomstig de in dat besluit gestelde voorwaarden. In casu is de bijstand echter slechts ten dele overeenkomstig die voorwaarden gebruikt.
111 Voorts merkt zij op, dat besluit nr. 6/88, dat in de Diàrio da Repùblica van 18 februari 1988 is bekendgemaakt, bepaalt:
"1. DAFSE aanvaardt alleen facturen en kwitanties als bewijsstukken van de voor de betrokken acties gedane uitgaven.
2. De in het vorige lid bedoelde stukken moeten de noodzakelijke bewijzen en uitsplitsingen bevatten van de posten, bedoeld in punt 14 van het aanvraagformulier om betaling van het saldo van het ESF."
- Beoordeling door het Gerecht
112 Gelet op de bevoegdheden die hun op het gebied van de verificatie en de controle zijn toegekend (zie de punten 84-93 hierboven), moet zowel de lidstaat als de Commissie bezwaar kunnen maken tegen elk geval van - al dan niet frauduleuze - niet-naleving door de ontvanger van de bij de toekenning van de communautaire bijstand gestelde voorwaarden.
113 Vervolgens herinnert het Gerecht eraan, dat verzoekster in de door haar ondertekende akkoordverklaringen van de besluiten tot verlening van de bijstand (bijlage 9 bij de verzoekschriften in de beide zaken, punt 1.b) zich ertoe heeft verbonden, de geldende nationale en communautaire bepalingen te eerbiedigen.
114 Overigens staat vast, dat zowel het Portugese recht als het gemeenschapsrecht ten aanzien van het gebruik van openbare financiële middelen een vereiste van ordelijk financieel beheer stelt. De Commissie heeft daarom in haar memories verwezen naar besluit nr. 6/88 (punt 111), dat nu juist verlangt dat de ontvanger van bijstand de bewijsstukken van de voor de betrokken acties gedane uitgaven levert en aangeeft, met welke boekhoudkundige posten zij corresponderen.
115 Anders dan verzoekster stelt, zijn de gekritiseerde onregelmatigheden dus niet vastgesteld op basis van een criterium dat niet een van de voorwaarden voor de toekenning van bijstand zou zijn, van de eerbiediging waarvan de betaling van die bijstand afhankelijk was gesteld. Voorts moet worden vastgesteld, dat de toepassing van de criteria betreffende de "redelijkheid" van de door de ontvanger gedane uitgaven en het "ordelijk financieel beheer" van de bijstand, volstrekt binnen het kader blijft van de controle die de lidstaat overeenkomstig artikel 7 van beschikking 83/673 moet uitoefenen, wanneer hij onregelmatigheden vermoedt. De toepassing van die criteria houdt immers slechts in dat wordt geverifieerd, of de uitgaven die de ontvanger zou hebben gedaan, adequaat corresponderen met de prestaties waarvoor zij zijn gedaan.
116 Om die redenen moet het tweede onderdeel van dit vijfde middel worden afgewezen.
Het derde onderdeel van het vijfde middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de Commissie, toen zij overeenkomstig de brief van DAFSE van 22 september 1995 heeft besloten, het bedrag van de aanvankelijk toegekende bijstand te verminderen
- Opmerkingen vooraf
117 In het derde onderdeel van het vijfde middel in beide zaken stelt verzoekster in wezen, dat de Commissie, door de inhoud van de brief van DAFSE van 22 september 1995 over te nemen, het recht onjuist heeft toegepast en de feiten onjuist heeft beoordeeld. Verzoekster verwijt de Commissie, zakelijk weergegeven, dat zij het bedrag van de aanvankelijk toegekende bijstand heeft verminderd, door zich ten onrechte te baseren op de bevindingen van DAFSE waarin twijfel wordt geuit omtrent de wijze waarop de verschillende uitgaven in haar aanvragen om betaling van het saldo zijn opgevoerd, en/of de bewijswaarde van de stukken die zij als bewijs voor die uitgaven heeft overgelegd.
118 Alvorens de verschillende argumenten te onderzoeken die verzoekster in dit verband in de beide zaken heeft aangevoerd, moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat hierboven reeds is beklemtoond, dat de Commissie ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 een bijstand van het ESF kan verminderen, opschorten of doen vervallen, wanneer deze niet wordt gebruikt overeenkomstig de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit.
119 Voorts kan de Commissie een bijstand van het ESF opschorten, verminderen of doen vervallen, door te verwijzen naar een nationale of communautaire bepaling die bij de uitvoering van de betrokken actie niet is geëerbiedigd. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat verzoekster in de akkoordverklaringen betreffende de goedkeuringsbesluiten heeft verklaard, dat de bijstand overeenkomstig de toepasselijke nationale en communautaire regels zou worden gebruikt (zie punt 113 hierboven).
120 Bovendien kan de toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 inhouden, dat de Commissie complexe feitelijke en boekhoudkundige situaties moet beoordelen. Bij die beoordeling moet de Commissie dus over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken. In het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel moet de controle van het Gerecht zich daarom beperken tot de vraag, of de Commissie de betrokken gegevens niet kennelijk onjuist heeft beoordeeld (zie in die zin arrest Hof van 29 februari 1996, Commissie/Raad, C-122/94, Jurispr. blz. I-881, punt 18; arrest Gerecht van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49, punt 109).
121 In casu zijn de bestreden beschikkingen volledig gebaseerd op de brieven van DAFSE van 11 september 1991, waarin het belangrijkste deel van de accountantsrapporten van Audite is overgenomen, en van 22 september 1995. Onder deze omstandigheden moet worden nagegaan, of de Commissie, door de inhoud van die brieven van DAFSE over te nemen, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
- De gegrondheid van de door verzoekster in zaak T-180/96 aangevoerde argumenten
122 Wat, in de eerste plaats, het pedagogisch materiaal (subpost 14.2.1) betreft, verklaart verzoekster, niet te begrijpen waarom de kosten van de aankoop van stoelen en tafels, anders dan vroeger praktijk was, als niet voor bijstand in aanmerking komend zijn beschouwd.
123 De Commissie merkt op, dat die meubels als duurzame goederen moeten worden aangemerkt. De betrokken bedragen hadden daarom onder post 14.6 "normale afschrijvingen" moeten worden opgenomen met een afschrijvingspercentage van 10 %.
124 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat stoelen en tafels duurzame goederen vormen en niet pedagogisch materiaal, en door de bedragen betreffende die goederen daarom onder de post normale afschrijvingen te boeken.
125 Het feit dat de boeking van een uitgave onder een boekhoudkundige post in het verleden eventueel is aanvaard, betekent overigens niet noodzakelijkerwijs, dat hetzelfde soort boeking later eveneens moet worden goedgekeurd, wanneer een dergelijke boeking niet verenigbaar is met de in het goedkeuringsbesluit gestelde voorwaarden of met de gemeenschapsrechtelijke of nationale bepalingen. Opgemerkt zij, dat een eventuele onwettigheid uit het verleden in geen geval bij verzoekster een gewettigd vertrouwen kon wekken (zie in die zin arrest Gerecht van 27 juni 1991, Valverde Mordt/Hof van Justitie, T-156/89, Jurispr. blz. II-407, punt 76).
126 Mitsdien moet het eerste argument worden afgewezen.
127 Wat, in de tweede plaats, de gespecialiseerde werkzaamheden (subpost 14.2.7) betreft, is verzoekster om te beginnen van mening, dat er geen reden was de bezoldigingen van de technische specialisten die speciale diensten met betrekking tot de uitwerking van de cursussen en de handboeken hebben verricht, te korten. Vervolgens merkt zij op, dat zij onder deze subpost eveneens een bedrag van 374 400 ESC heeft opgenomen, dat door een factuur wordt gestaafd. Deze factuur betreft diensten die onder een aantal verschillende boekhoudkundige posten moeten worden geboekt, hetgeen geen enkel regeling verbiedt.
128 De Commissie is van mening, dat de korting van de bezoldigingen van deze technische specialisten berust op het onderzoek van vier kwitanties betreffende de samenstelling van handboeken en oefenboeken door verzoekster. Deze waren niet onder de juiste boekhoudkundige post geboekt en bevatten bovendien geen precieze aanwijzing over de inhoud ervan. Mitsdien is een redelijkheidscriterium toegepast. Aangaande het bedrag van 374 400 ESC merkt zij op, dat de verstrekte factuur een omschrijving bevatte die zo onduidelijk was, dat deze in haar geheel als niet voor bijstand in aanmerking komend is beschouwd.
129 Het Gerecht merkt op, dat de betrokken facturen, gelijk uit het dossier blijkt, onvoldoende details bevatten om vast te stellen, dat de kosten die zij moeten rechtvaardigen ook daadwerkelijk zijn gemaakt. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door op die uitgave het redelijkheidscriterium, zoals uiteengezet in punt 14.2.7 van de brief van 22 september 1995, toe te passen. Voorts is de factuur van 374 400 ESC van "C. Peres Feio, Ld.°" (bijlage 20 bij het verzoekschrift) dermate vaag, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout kan hebben gemaakt, door het in die factuur genoemde bedrag in zijn geheel als niet voor bijstand in aanmerking komend te beschouwen.
130 Mitsdien moet dit tweede argument worden afgewezen.
131 Wat, in de derde plaats, de bezoldiging van de docenten betreft (subpost 14.3.1.a), betwist verzoekster, dat het gehele bedrag van 4 363 684 ESC niet voor bijstand in aanmerking komt. Zij erkent, dat in de door haar verstrekte "samenvattende overzichten" (bijlage 21 bij het verzoekschrift) geen onderscheid wordt gemaakt tussen uren voor theoretische cursussen en uren voor praktische cursussen, doch verklaart de conclusie die DAFSE aan deze omstandigheid wil verbinden, niet te begrijpen.
132 Verzoekster herinnert eraan, dat de voor de betrokken acties gedane uitgaven krachtens de geldende nationale wettelijke regeling enkel met facturen of kwitanties kunnen worden aangetoond. Gelet op de door haar verstrekte kwitanties (bijlage 22 bij het verzoekschrift) en op de zekerheid dat de cursussen zijn gegeven, bestond er geen enkele aanleiding het bedrag in deze subpost te schrappen. Zelfs indien er twijfel bestond over het soort cursus dat werd gegeven, dan nog verlangt het evenredigheidsbeginsel, dat ten minste het op de laagste vergoeding voor alle cursussen gebaseerde bedrag als bewezen wordt beschouwd, dat wil zeggen dat alle cursussen als praktische cursussen worden aangemerkt.
133 De Commissie is van mening, dat verzoekster geen stukken heeft verstrekt die aantonen, dat de overgelegde kwitanties op enige wijze verband hielden met de betrokken cursussen, aangezien de overgelegde documenten niet duidelijk aangaven, wie de docenten waren of welk soort cursus werd gegeven. Bovendien stemde het bedrag van de ingediende onkostennota's niet overeen met het gedeclareerde bedrag. Ten slotte herinnert zij eraan, dat besluit nr. 18/MTSS/87, dat in de Diàrio da Repùblica van 11 mei 1987 is bekendgemaakt, bepaalde, dat de "bijstandontvangende organisaties per actie een register van deelname van de cursisten en de docenten bijhouden, alsmede van de cursusprogramma's, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen theoretische en praktische cursussen".
134 Het Gerecht is van oordeel, dat bij onderzoek van de documenten die verzoekster heeft overgelegd ten bewijze van het soort cursus dat in het kader van het eerste dossier is gegeven en van de identiteit van de docenten die daaraan hebben deelgenomen (bijlagen 21 en 22 bij het verzoekschrift), blijkt, dat die stukken dermate onnauwkeurig zijn, dat zij ernstige twijfel doen rijzen, of de betrokken cursussen wel zijn gegeven, gelijk DAFSE in punt 14.3.1.a van zijn brief van 22 september 1995 terecht heeft opgemerkt. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat verzoekster, die een groot aantal verschillende opleidingen met vele docenten heeft georganiseerd, niet had aangetoond, dat de door haar overgelegde stukken inderdaad betrekking hadden op de cursus die het voorwerp van het eerste dossier vormt, en door bijgevolg geen rekening te houden met alle daarvoor gedeclareerde uitgaven.
135 Mitsdien moet dit derde argument worden afgewezen.
136 Met betrekking tot, in de vierde plaats, het administratief personeel (subpost 14.3.1.c) is verzoekster van mening, dat de op die post door de Commissie toegepaste korting op een misverstand berust, voor zover de betrokken kwitanties zijn ondertekend en van een stempel zijn voorzien, gelijk uit bijlage 23 bij het verzoekschrift blijkt. Aan de bewijskracht van de betrokken kwitanties wordt hoe dan ook geen afbreuk gedaan door het ontbreken van handtekeningen of stempels.
137 De Commissie merkt op, dat de betrokken korting gebaseerd was op het feit, dat de betrokken kwitanties op het moment waarop de financiële controle plaatsvond, niet van een stempel waren voorzien of ondertekend.
138 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster niet heeft aangetoond, dat zij DAFSE, voordat het de financiële controle afsloot, de gestempelde en ondertekende documenten heeft toegezonden die als bijlage bij haar verzoekschrift zijn gevoegd. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door geen rekening te houden met kwitanties die, op het moment van overlegging ervan, niet voldeden aan de nationale wettelijke voorwaarden, die onder meer beogen te garanderen, dat die kwitanties betrekking hebben op een werkelijk gedane uitgave.
139 Mitsdien moet dit vierde argument worden afgewezen.
140 Wat, in de vijfde plaats, de gespecialiseerde werkzaamheden betreft (subpost 14.3.8), is verzoekster van mening, dat de geweigerde uitgaven worden aangetoond door de factuur in bijlage 20 bij het verzoekschrift. Zij herhaalt, dat niets zich ertegen verzet, dat een enkele kwitantie betrekking heeft op diensten die onder verschillende boekhoudkundige posten vallen.
141 De Commissie herinnert er in dit verband aan, dat de betrokken post bij gebreke van bewijsstukken niet in aanmerking is genomen, aangezien de door verzoekster overgelegde factuur op andere posten betrekking had.
142 Het Gerecht merkt op, dat de bedragen in de stukken die verzoekster als bijlage 20 bij haar verzoekschrift heeft opgenomen, niet corresponderen met die welke zij in haar aanvraag om betaling van het saldo heeft aangevoerd. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door bij de bepaling van het aan verzoekster te betalen saldo van de bijstand geen rekening met die stukken te houden.
143 Mitsdien moet dit vijfde argument worden afgewezen.
144 Wat, in de zesde plaats, de huur voor roerend en onroerend goed betreft (subpost 14.3.9), is verzoekster van mening, dat de motivering van de brief van 22 september 1995 haar niet in staat stelt te begrijpen, waarom de Commissie de eerste twee kortingen op die post heeft toegepast. Met betrekking tot de derde korting verwijst zij naar haar uiteenzettingen in het kader van subpost 14.2.7 (zie punt 127).
145 Volgens de Commissie had de eerste korting betrekking op de aankoop van duurzame goederen die op grond van de toepasselijke nationale wettelijke regeling niet in het jaar van aankoop konden worden afgeschreven. Het tweede bedrag betrof een cursus industriële vormgeving die geen deel uitmaakt van het eerste dossier. Het derde bedrag is geweigerd, omdat op de desbetreffende factuur niet naar behoren was aangegeven welke diensten waren verleend.
146 Het Gerecht is van oordeel, dat de motivering die in de brieven van DAFSE van 11 september 1991 en 22 september 1995 voor de eerste twee kortingen op die post wordt gegeven, weliswaar beknopt is, maar verzoekster, die de details van het betrokken dossier kende, niettemin in staat stelde de inhoud ervan te betwisten. Verzoekster heeft echter geen bewijs aangevoerd, waaruit blijkt dat de Commissie in dit opzicht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Voor de derde korting verwijst het Gerecht naar zijn uiteenzetting in punt 129 hierboven.
147 Mitsdien moet dit zesde argument worden afgewezen.
148 Wat, in de zevende plaats, de grondstoffen, de hulpmiddelen en de verbruiksgoederen (subpost 14.3.12) betreft, merkt verzoekster op, dat op grond van de Portugese sociale wetgeving de uitgaven moeten worden aanvaard, die worden aangetoond door facturen die ten laatste zijn gedateerd op de vijfde dienende dag van de maand januari van het jaar volgende op het jaar waarin die uitgaven werden gedaan. De litigieuze factuur (bijlage 24 bij het verzoekschrift) voldoet aan die voorwaarde.
149 Volgens de Commissie valt deze factuur niet binnen de werkelijke periode van financiering van de actie. Volgens het nationale BTW-wetboek had een dergelijke factuur namelijk op het moment van levering van de betrokken goederen moeten worden opgesteld en vergezeld gaan van de leveringsbonnen. In casu is geen van die twee voorwaarden vervuld.
150 Het Gerecht merkt op, dat het na onderzoek van de stukken van het dossier, de bestreden beschikking en de relevante alinea's van de brieven van DAFSE van 11 september 1991 - waarin in wezen de bezwaren uit het rapport van Audite worden overgenomen - en 22 september 1995, waarnaar die beschikking verwijst, niet kan vaststellen, op grond van welke specifieke redenering of van welke nationale wettelijke regeling de Commissie de door de litigieuze factuur aangetoonde uitgave heeft afgewezen. Het is daarom niet in staat de vereiste rechterlijke toetsing van de bestreden beschikking uit te oefenen, zoals de in punt 99 hierboven aangehaalde rechtspraak verlangt. Mitsdien is de bestreden beschikking in strijd met artikel 190 van het Verdrag, voor zover zij betrekking heeft op subpost 14.3.12 van de aanvraag om betaling van het saldo.
151 Bijgevolg moet dit zevende argument worden aanvaard. De bestreden beschikking moet daarom nietig worden verklaard, voor zover zij betrekking heeft op subpost 14.3.12.
152 Aangaande, in de achtste plaats, de belastingen en heffingen (subpost 14.3.13) merkt verzoekster op, dat zij onder deze post de bedragen heeft opgenomen die als BTW aan de belastingplichtige docenten zijn betaald, en dat deze BTW is afgetrokken van hun bezoldigingen, die onder subpost 14.3.1.a zijn opgenomen.
153 Daar het Gerecht hierboven (punt 134) heeft geoordeeld, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door geen rekening te houden met de door verzoekster aangevoerde uitgaven betreffende de bezoldigingen van de docenten, moet dit achtste argument betreffende de op die bezoldigingen toegepaste BTW om dezelfde redenen worden afgewezen.
154 Aangaande de normale afschrijvingen (subpost 14.6) ten slotte betwist verzoekster, dat haar activiteiten alleen op grond van het criterium van het aantal "tewerkgestelde" werknemers kan worden beoordeeld, aangezien dit aantal in haar onderneming bijzonder laag is, aangezien de verleners van tijdelijke diensten in die onderneming een belangrijke rol spelen.
155 De Commissie beklemtoont, dat DAFSE met betrekking tot die post het gebruikelijke criterium heeft toegepast, dat wil zeggen een tijdelijke en fysieke verrekeningscoëfficiënt, die het aandeel van de opleiding in de normale activiteiten van een onderneming weergeeft.
156 Ofschoon het inderdaad denkbaar is om, gelijk verzoekster stelt, afschrijvingsmethoden te gebruiken die meer specifiek gebaseerd zijn op het werkelijke aandeel van de opleiding in de omzet van een onderneming in plaats van op het totale aantal werknemers dat zich met die opleidingsactiviteiten bezighoudt, is het Gerecht van oordeel, dat de traditionele methode die DAFSE in casu heeft gebruikt en die door de Commissie is overgenomen, als zodanig reeds voldoende rekening houdt met de algemene omvang van de opleiding in de activiteiten van alle ontvangers van bijstand van het ESF tezamen. Daar de gebruikte methode redelijk is, heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door deze toe te passen.
157 Mitsdien moet dit laatste argument worden afgewezen.
- De gegrondheid van de door verzoekster in zaak T-181/96 aangevoerde argumenten.
158 Wat, in de eerste plaats, het pedagogisch materiaal (subpost 14.2.1) betreft, stelt verzoekster, dat DAFSE een deel van dit materiaal ten onrechte als "duurzame goederen" heeft beschouwd, die niet als "pedagogisch materiaal" voor bijstand in aanmerking kwamen. Het voor deze uitsluiting gebruikte criterium heeft immers geen enkele wettelijke basis.
159 De Commissie beklemtoont, dat verzoekster onder de post "pedagogisch materiaal" de aankoop van duurzame goederen als stoelen, kasten, bureaus en tafels heeft geboekt.
160 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat de betrokken kasten, bureaus en tafels duurzame goederen en niet pedagogisch materiaal zijn, en door de bedragen verband houdende met die goederen dus te boeken onder de post "normale afschrijvingen" (zie eveneens de punten 124 en 125).
161 Mitsdien moet dit eerste argument worden afgewezen.
162 Met betrekking tot, in de tweede plaats, de reclame voor de cursussen en de aanwerving van cursisten (subposten 14.2.2 en 14.2.3) is verzoekster van mening, dat men niet kan verlangen, gelijk DAFSE in zijn brief van 22 september 1995 heeft gedaan, dat een factuur betreffende advertenties in dagbladen de inhoud van de geplaatste advertenties weergeeft. De ingediende facturen en kwitanties (bijlage 18 bij het verzoekschrift) geven precies aan in welke dagbladen de advertenties zijn verschenen.
163 De Commissie merkt op, dat de door verzoekster verstrekte kwitanties geen omschrijving van de aard en de inhoud van de betrokken advertenties bevatten. Evenmin heeft verzoekster bij die kwitanties een kopie van de betrokken advertenties gevoegd, hetgeen het gebruik verlangt.
164 Het Gerecht is van oordeel, dat het niet onredelijk is van een ontvanger van bijstand van het ESF te verlangen, dat hij kopieën overlegt van advertenties die in dagbladen zijn verschenen om reclame te maken voor zijn opleidingen. Een dergelijk vereiste strekt er immers enkel toe te waarborgen, dat de bedragen ook inderdaad voor advertenties zijn uitgegeven. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt, door het door DAFSE in zijn brief van 22 september 1995 ingenomen standpunt over te nemen.
165 Mitsdien moet dit tweede argument worden afgewezen.
166 Wat, in de derde plaats, de gespecialiseerde werkzaamheden (subpost 14.2.7) betreft, merkt verzoekster op, dat in de brief van 22 september 1995 wordt gepreciseerd, dat de overgelegde facturen geen melding maken van "de uren of de betrokken technici". Dit is volgens de geldende Portugese fiscale regeling echter niet vereist. Wat meer in het bijzonder de factuur "TV Europa" (bijlage 20 bij het verzoekschrift) betreft, blijkt de inhoud van de geleverde diensten duidelijk uit de vermelding "reparatie van elektrische apparatuur" op deze factuur.
167 De Commissie is van mening, dat op de door TV Europa uitgeschreven kwitantie niet de aard van de betrokken uitgave wordt gepreciseerd. Voor zover deze uitgave betrekking heeft op de reparatie van een videorecorder, komt zij in geen geval voor bijstand in aanmerking.
168 Het Gerecht merkt op, dat verzoekster geen bewijsmateriaal heeft aangevoerd op grond waarvan zonder enige twijfel kan worden vastgesteld, dat de aan DAFSE overgelegde facturen voldoende gedetailleerd waren om hem in staat te stellen te controleren, of de betrokken uitgaven ook daadwerkelijk waren gedaan. Wat meer in het bijzonder de factuur van de vennootschap TV Europa betreft, stelt het Gerecht vast, dat op deze factuur niet wordt vermeld om welk specifiek soort reparatie het ging. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door het standpunt over te nemen dat DAFSE in zijn brief van 22 september 1995 ten aanzien van die verschillende kortingen had ingenomen.
169 Mitsdien moet dit derde argument worden afgewezen.
170 Met betrekking tot, in de vierde plaats, de bezoldiging van de docenten (subpost 14.3.1.a) betwist verzoekster, dat het gehele op die post betrekking hebbende bedrag niet voor bijstand in aanmerking komt. Zij voert hiervoor dezelfde argumenten aan als zij hierboven in het kader van zaak T-180/96 heeft aangevoerd (zie punten 131 en 132).
171 De Commissie is van mening, dat verzoekster niet het bewijs heeft geleverd, dat de overgelegde kwitanties op enige wijze verband hielden met de betrokken cursussen.
172 Het Gerecht is van oordeel dat, gelijk het in het kader van zaak T-180/96 (punt 134) reeds heeft opgemerkt, het onderzoek van de documenten die verzoekster heeft overgelegd ten bewijze van het soort cursus dat in het kader van het tweede dossier is gegeven en van de identiteit van de docenten die daaraan hebben deelgenomen, heeft aangetoond, dat die stukken dermate onnauwkeurig zijn, dat zij ernstige twijfel doen rijzen over het feit, of de betrokken cursussen wel zijn gegeven, gelijk DAFSE in punt 14.3.1.a van zijn brief van 22 september 1995 terecht heeft opgemerkt. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat verzoekster, die een groot aantal verschillende opleidingen met vele docenten heeft georganiseerd, niet had aangetoond, dat de door haar overgelegde stukken inderdaad betrekking hadden op de cursus die het voorwerp van het tweede dossier vormt, en door bijgevolg geen rekening te houden met alle daarvoor gedeclareerde kosten.
173 Mitsdien moet dit vierde argument worden afgewezen.
174 Wat, in de vijfde plaats, het administratief personeel (subpost 14.3.1.c) betreft, herinnert verzoekster eraan dat I. Vaz Lopes inderdaad een cursus heeft gevolgd en in een andere cursus een opleiding heeft verzorgd, doch zij ontkent, dat deze omstandigheid betekent, dat de betrokkene geen assistentie kon verlenen in de tweede cursus.
175 Het Gerecht merkt op, dat aangezien een persoon niet aan een cursus kan deelnemen en tegelijkertijd een docent in een andere cursus kan assisteren, de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout kan hebben gemaakt door de bezoldiging van de betrokkene als administratief assistente niet in aanmerking te nemen.
176 Mitsdien moet dit vijfde argument worden afgewezen.
177 Met betrekking tot, in de zesde plaats, de budgetbeheersing en -bewaking (subpost 14.3.7) erkent verzoekster, dat zij per abuis onder post 14.3.1 een kwitantie (bijlage 24 bij het verzoekschrift) heeft opgenomen, die onder post 14.3.7 had moeten worden opgenomen. Haars inziens waren de accountants hiervan echter tijdig op de hoogte gesteld.
178 Volgens de Commissie kan geen rekening worden gehouden met een kwitantie die in het stadium van de procedure voor het Gerecht wordt overgelegd.
179 Daar verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat zij, zoals zij beweert, de als bijlage bij haar verzoekschrift opgenomen kwitantie tijdens de administratieve procedure voor DAFSE heeft overgelegd, is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen rekening te houden met het betrokken bedrag.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 696A0180.1
180 Mitsdien moet dit zesde argument worden afgewezen.
181 Wat, in de zevende plaats, de gespecialiseerde werkzaamheden (subpost 14.3.8) betreft, herinnert verzoekster eraan, dat een factuur van de vennootschap Novafarm naar de mening van DAFSE niet voldoende specifiek was. De omschrijving van de verleende diensten was echter beknopt, omdat een dergelijke omschrijving voor fiscale doeleinden voldoende was.
182 Aangezien verzoekster zelf erkent, dat de betrokken factuur beknopt is, kan de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door geen rekening te houden met de betrokken uitgave.
183 Mitsdien moet dit zevende argument worden afgewezen.
184 Wat, in de achtste plaats, de huur van het roerend en onroerend goed (subpost 14.3.9) betreft, worden twee kwitanties betwist. De eerste kwitantie is volgens verzoekster op voorstel van DAFSE zelf onder die post opgenomen. Bovendien begrijpt zij niet, op welke wettelijke basis de tweede kwitantie als ten dele niet voor bijstand in aanmerking komend is aangemerkt, daar het toegepaste redelijkheidscriterium haar onbekend is.
185 De Commissie beklemtoont, dat het bedrag van de eerste kwitantie onder de post "normale afschrijvingen" (subpost 14.6) is geboekt, aangezien het om een duurzaam goed ging. Het tweede bedrag zou betrekking hebben op het niet voor bijstand in aanmerking komende deel van een kwitantie betreffende de huur van computers, waarop een redelijkheidscriterium is toegepast.
186 Met betrekking tot de eerste kwitantie, waarvan niet wordt betwist dat zij betrekking heeft op computerapparatuur, is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat dergelijke apparatuur een "duurzaam goed" was dat onder post 14.6, "normale afschrijvingen", moest worden opgenomen. Met betrekking tot de tweede kwitantie stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters betoog onvoldoende gedetailleerd is om te kunnen voldoen aan de voorschriften van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, op grond waarvan het verzoekschrift onder meer een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Verzoekster stelt in wezen slechts, dat zij niet begrijpt waarom het redelijkheidscriterium is toegepast, terwijl dit nochtans in de brief van 22 september 1995 gedetailleerd is uiteengezet. Onder deze omstandigheden stelt verzoeksters betoog in het verzoekschrift, zoals verduidelijkt in repliek, het Gerecht niet in staat de relevantie hiervan te onderzoeken (zie in die zin arrest Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T-84/96, Jurispr. blz. II-2081, punten 30 e.v.).
187 Mitsdien moet dit achtste argument worden afgewezen.
188 Met betrekking tot, in de negende plaats, de niet-duurzame apparatuur en goederen (subpost 14.3.10), herinnert verzoekster eraan, dat DAFSE, door deze uitgave betreffende de aankoop van kantoorbenodigdheden te weigeren, geen rekening heeft gehouden met het feit, dat het beheer en de organisatie van de cursussen noodzakelijkerwijs kosten voor de aankoop van dit soort benodigdheden meebrengen.
189 Het Gerecht is van oordeel, dat het betrokken bedrag terecht is geweigerd, aangezien het om een dubbele boeking van de reeds onder post 14.2.3 (punt 160) opgenomen uitgaven ging. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door deze uitgave te weigeren.
190 Mitsdien moet dit negende argument worden afgewezen.
191 Met betrekking tot, in de tiende plaats, de belastingen en heffingen (subpost 14.3.13) merkt verzoekster op, dat zij onder deze post de BTW-bedragen heeft opgenomen die aan de belastingplichtige docenten zijn betaald, en dat deze BTW is afgetrokken van hun bezoldiging, die onder subpost 14.3.1.a is opgenomen.
192 Daar het Gerecht hierboven (punt 172) heeft vastgesteld, dat de Commissie, door geen rekening te houden met de door verzoekster ingediende uitgaven betreffende de bezoldigingen van de docenten, geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt, moet dit tiende argument betreffende de BTW op die bezoldigingen om dezelfde redenen worden afgewezen.
193 Aangaande, in de elfde plaats, de algemene beheerskosten (subpost 14.3.14) merkt verzoekster op, dat kantoorbenodigdheden nodig zijn in het kader van de afwikkeling van de verschillende opleidingsfases, en dat het daarom gerechtvaardigd is dit soort benodigdheden onder verschillende posten te boeken.
194 De Commissie stelt slechts, dat aangezien de betrokken bedragen reeds in het kader van de posten 14.2.3 en 14.3.10 zijn onderzocht, zij niet voor een tweede keer voor bijstand in aanmerking kunnen komen.
195 Het Gerecht is van oordeel, dat, waar verzoekster niet heeft aangetoond, dat de door haar onder deze post geboekte kosten, anders dan in de brief van 22 september 1995 wordt gesteld, niet reeds onder andere posten waren geboekt, de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout kan hebben gemaakt, door niet voor een tweede keer rekening met hetzelfde soort uitgaven te houden onder post 14.3.14.
196 Mitsdien moet dit elfde argument worden afgewezen.
197 Met betrekking tot, in de twaalfde plaats, de andere organisatie- en beheerskosten (subpost 14.3.15) ontkent verzoekster, dat de factuur betreffende een eerste betwist bedrag niet is overgelegd. De twee andere geweigerde facturen hebben betrekking op materiaal dat in het kader van de cursussen wordt gebruikt, en niet op duurzame goederen.
198 De Commissie merkt op, dat de bewijzen van het eerste bedrag niet tijdig zijn geleverd. De twee andere bedragen hebben betrekking op meubilair dat onder de post "normale afschrijvingen" valt, waarop het jaarlijkse afschrijvingspercentage van 10 % is toegepast.
199 Het Gerecht is van oordeel, dat bij gebreke van een document waarmee wordt aangetoond, dat de eerste kwitantie in de loop van de administratieve procedure aan DAFSE ter beschikking is gesteld en dat de andere betrokken bedragen betrekking hadden op niet-duurzame goederen, verzoekster niet heeft bewezen, dat de Commissie met het schrappen van die uitgaven een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
200 Mitsdien moet dit twaalfde argument worden afgewezen.
201 Met betrekking tot, in de laatste plaats, de normale afschrijvingen (subpost 14.6) stelt verzoekster niet te begrijpen, op grond van welke berekeningsmethode DAFSE bepaalde bedragen als "niet bevestigd" heeft kunnen aanmerken. Vervolgens voert zij dezelfde argumenten aan als in zaak T-180/96 (zie punt 154).
202 De Commissie beklemtoont, dat DAFSE met betrekking tot die post het gebruikelijke criterium heeft toegepast, dat wil zeggen een tijdelijke en fysieke verrekeningscoëfficient, die het aandeel dat de opleiding in de normale ondernemingsactiviteit weergeeft.
203 Ofschoon het inderdaad denkbaar is om, gelijk verzoekster stelt, afschrijvingsmethoden te ontwikkelen die meer specifiek gebaseerd zijn op het werkelijke aandeel van de opleiding in de omzet van een onderneming, in plaats van op het totale aantal werknemers dat zich met die opleidingsactiviteiten bezighoudt, is het Gerecht van oordeel, dat de traditionele methode die DAFSE in casu heeft gebruikt en die door de Commissie is overgenomen, als zodanig reeds voldoende rekening houdt met de algemene omvang van de opleiding in de activiteiten van alle ontvangers van bijstand van het ESF tezamen. Daar de gebruikte methode redelijk is, heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door deze toe te passen.
204 Mitsdien moet dit laatste argument worden afgewezen.
Het verzoek om overlegging van stukken
205 In haar verzoekschrift in beide zaken vraagt verzoekster het Gerecht, de overlegging van de administratieve dossiers van de Commissie en die van DAFSE te gelasten.
206 Uit de voorgaande overwegingen blijkt, dat het Gerecht zich over de onderhavige beroepen heeft kunnen uitspreken op basis van de stukken die partijen in de loop van de schriftelijke procedure hebben ingediend, en de stukken die de Commissie in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft verstrekt.
207 Mitsdien zijn er geen termen aanwezig om de Commissie te gelasten, de administratieve dossiers betreffende de twee betrokken zaken over te leggen.
208 Evenmin lijkt het noodzakelijk, de Portugese autoriteiten krachtens artikel 21, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG om overlegging van alle nationale administratieve dossiers betreffende de twee zaken te vragen.
209 Om die redenen moet het verzoek om overlegging van stukken van verzoekster worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
210 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Luidens artikel 87, lid 3, kan het Gerecht de kosten evenwel over de partijen verdelen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
211 Aangezien het beroep in zaak T-180/96 ten dele is toegewezen en elke partij de verwijzing van de andere partij in de kosten heeft gevorderd, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
212 Daar verzoekster in zaak T-181/96 in het ongelijk is gesteld en de Commissie haar verwijzing in de kosten heeft gevorderd, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Voegt de zaken T-180/96 en T-181/96 voor het arrest.
2) Verklaart in zaak T-180/96 beschikking C (96) 1185 van de Commissie van 14 augustus 1996 nietig, voor zover zij betrekking heeft op subpost 14.3.12 van verzoeksters aanvraag om betaling van het saldo. Het beroep in deze zaak wordt voor het overige verworpen.
3) Verwerpt het beroep in zaak T-181/96. 4) Verstaat in zaak T-180/96, dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
5) Verwijst verzoekster in de kosten van zaak T-181/96.
Full & Egal Universal Law Academy