Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring ° Beroep tegen beschikking ° Intrekking van bestreden beschikking in loop van geding, wegens onwettigheid ° Beroep zonder voorwerp geraakt ° Afdoening zonder beslissing bij gebreke van belang van verzoeker bij uitspraak van nietigverklaring
(EG-Verdrag, art. 173)
2. Procedure ° Beschikking die in loop van geding in plaats komt van bestreden beschikking die intussen is ingetrokken ° Toelaatbaarheid van nieuwe conclusies ° Grenzen ° Nieuwe conclusies die nog niet gegeven beschikking betreffen ° Niet-ontvankelijkheid
3. Beroep tot nietigverklaring ° Arrest houdende nietigverklaring ° Bepaling van gevolgen voor verplichtingen van nationale autoriteiten ° Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter
(EG-Verdrag, art. 173 en 174)
Samenvatting
1. Wanneer een gemeenschapsinstelling de beschikking waartegen een beroep tot nietigverklaring is gericht, in de loop van het geding, vóór de uitvoering ervan, intrekt, op grond dat de gevolgde vaststellingsprocedure blijkens een in een andere zaak gewezen arrest van het Gerecht onwettig is, is door die intrekking, die gevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met de gevolgen van een arrest tot nietigverklaring, het beroep zonder voorwerp geraakt en is een afdoening zonder beslissing gerechtvaardigd, voor zover de verzoeker niet kan aantonen, dat hij belang heeft bij een arrest tot nietigverklaring.
2. Het is weliswaar niet uitgesloten, dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring in een uitzonderlijk geval nieuwe conclusies ontvankelijk zijn, wanneer zij strekken tot nietigverklaring van een tweede beschikking die, hangende het geding, in de plaats komt van de oorspronkelijke beschikking, maar deze mogelijkheid kan geen toetsing, door de rechter, van de wettigheid van een nog niet gegeven hypothetische beschikking rechtvaardigen. Nieuwe conclusies die een nog niet gegeven beschikking betreffen, moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij het voorwerp van het geschil wijzigen.
3. In het kader van een beroep tot nietigverklaring is de gemeenschapsrechter, gesteld dat hij het beroep gegrond acht en de bestreden handeling nietig verklaart, niet bevoegd zich uit te spreken over eventuele verplichtingen van de nationale autoriteiten naar aanleiding van deze nietigverklaring.
Partijen
In zaak T-22/96,
J. Langdon Ltd, vennootschap naar Iers recht, gevestigd te Dublin, vertegenwoordigd door P. O' Brien, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Faltz & Associés, advocaten aldaar, Rue Heine 6,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright en F. Castillo de la Torre, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de le Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(95) 2726 van de Commissie van 3 november 1995 houdende vaststelling dat er termen aanwezig zijn om bepaalde invoerrechten te innen en dat kwijtschelding ervan niet gerechtvaardigd is,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 In de periode van mei 1992 tot mei 1994 voerde verzoekster in Ierland bepaalde goederen in, die zij aangaf onder een verkeerde code van de gecombineerde nomenclatuur, hetgeen ertoe leidde, dat de Ierse douaneautoriteiten bepaalde invoerrechten niet inden.
2 Nadat die autoriteiten zich bij faxbericht van 26 april 1995 tot de Commissie hadden gewend, stelde deze op 3 november 1995 beschikking C(95) 2726 (hierna: "bestreden beschikking") vast, op grond van artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1), zoals gewijzigd, junctis artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1), de artikelen 220, lid 2, sub b, en 239, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), en de artikelen 873 en 907 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1).
3 Artikel 1 van de bestreden beschikking bepaalt, dat er termen aanwezig zijn om de betrokken invoerrechten te innen, en dat kwijtschelding ervan niet gerechtvaardigd is.
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 februari 1996, heeft verzoekster het Gerecht verzocht, die beschikking nietig te verklaren met verwijzing van de Commissie in de kosten. Zij voert onder meer als middel aan, dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden (arrest Gerecht van 9 november 1995, zaak T-346/94, France-aviation, Jurispr. 1995, blz. II-2841).
5 Op 6 mei 1996 stelde de Commissie beschikking C(96) 1135 vast. In de considerans daarvan wordt overwogen, dat de bestreden beschikking moet worden ingetrokken, omdat, in de eerste plaats, het Gerecht in voornoemd arrest France-aviation heeft geoordeeld, dat de administratieve procedure van de artikelen 905 e.v. van verordening nr. 2454/93 het recht van de betrokkene om te worden gehoord, niet eerbiedigde, in de tweede plaats, die procedure was gevolgd om de bestreden beschikking vast te stellen, en, ten slotte, de procedure van de artikelen 871 e.v. van genoemde verordening, die eveneens werd gevolgd om de bestreden beschikking vast te stellen, identiek is aan die van de artikelen 905 e.v. van de verordening.
6 Artikel 1 van beschikking C(96) 1135 bepaalt, dat de bestreden beschikking wordt ingetrokken.
7 Bij brief van 14 mei 1996 aan de griffie van het Gerecht heeft de Commissie het Gerecht verzocht om een beschikking houdende vaststelling dat op het beroep niet behoeft te worden beslist, op grond dat de bestreden beschikking na de instelling van het beroep is ingetrokken bij beschikking C(96) 1135.
8 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juni 1996, heeft verzoekster zich verzet tegen het verzoek van de Commissie. Zij heeft voorts verzocht, de conclusies van haar verzoekschrift te mogen vervangen door nieuwe, waarin zij concludeert dat het het Gerecht behage:
a) de bestreden beschikking nietig te verklaren vanaf de datum waarop zij beweerdelijk is vastgesteld;
b) vast te stellen dat de Commissie in gebreke is gebleven om binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het door de Ierse douaneautoriteiten toegezonden dossier een beschikking te geven in de zin van verordening (EEG) nr. 2164/91 van de Commissie van 23 juli 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 (PB 1991, L 201, blz. 16), en/of verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 (PB 1986, L 352, blz. 19) en/of verordening nr. 2454/93;
c) vast te stellen dat de Ierse douaneautoriteiten zich ervan moeten onthouden, naargelang van het geval, de douanerechten te innen dan wel ze kwijt te schelden, overeenkomstig verordening nr. 1697/79 en/of verordening nr. 1430/79 en/of verordening nr. 2913/92;
d) de Commissie te verwijzen in de kosten die verzoekster reeds heeft gemaakt, alsook in de kosten die zij tot de eindbeslissing van het Gerecht nog zal maken.
9 Verzoekster beklemtoont, dat de Commissie, na de intrekking van de bestreden beschikking, de Ierse autoriteiten heeft verzocht haar een nieuw dossier voor te leggen, opdat zij een nieuwe beschikking omtrent de douanerechten zou kunnen geven. Verzoekster is van mening, dat zij, indien de bestreden beschikking niet nietig wordt verklaard, een nieuwe beschikking van de Commissie niet zal kunnen voorkomen door aan te voeren dat bij ontbreken van een binnen zes maanden na ontvangst van het oorspronkelijke dossier door de Commissie geldig gegeven beschikking, de nationale autoriteiten reeds verplicht waren hetzij de douanerechten niet te innen, hetzij ze kwijt te schelden.
10 Het Gerecht is van oordeel, dat de brief van de Commissie van 14 mei 1996 een procesincident is, waarop overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zonder mondelinge behandeling moet worden beslist.
11 In zijn arrest France-aviation (reeds aangehaald) heeft het Gerecht geoordeeld, dat de importeur in de loop van de procedure tot vaststelling van een beschikking krachtens artikel 13 van verordening nr. 1430/79 het recht heeft te worden gehoord, en dat schending van dit recht de nietigheid van de beschikking meebrengt (zie r.o. 34-40).
12 In de onderhavige zaak werd de bestreden beschikking ingetrokken, op grond dat de gevolgde procedure die was welke in het arrest France-aviation onverenigbaar was verklaard met het beginsel van hoor en wederhoor. Die intrekking vond plaats na de instelling van een beroep waarin verzoekster stelde, dat de beschikking juist om die reden onwettig was. In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de intrekking van de bestreden beschikking vóór de uitvoering ervan gevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met de gevolgen van een door het Gerecht gewezen arrest tot nietigverklaring.
13 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat zij nog steeds belang heeft bij nietigverklaring van de bestreden beschikking, teneinde de ongeldigheid ervan te kunnen aanvoeren ingeval de Commissie zou overwegen een tweede beschikking omtrent dezelfde invoerrechten te geven, is het Gerecht van oordeel, dat de rechtsgevolgen die de bestreden beschikking in dat geval zou kunnen hebben, niet kunnen worden onderzocht in het kader van het onderhavige beroep, dat slechts tot nietigverklaring ervan strekt. Bovendien zou tot staving van een tweede beroep tot nietigverklaring van een eventuele tweede beschikking van de Commissie in voorkomend geval ieder middel betreffende de onwettigheid van een dergelijke beschikking kunnen worden aangevoerd.
14 Bijgevolg is het onderhavige beroep zonder voorwerp geraakt (zie beschikking Hof van 8 maart 1993, zaak C-123/92, Lezzi Pietro, Jurispr. 1993, blz. I-809, r.o. 8-11).
15 Wat verzoeksters verzoek om verlof tot het indienen van nieuwe conclusies betreft, dit berust slechts op de eventualiteit van een tweede beschikking en valt dus buiten het kader van het onderhavige beroep.
16 Het is weliswaar niet uitgesloten, dat in een uitzonderlijk geval nieuwe conclusies ontvankelijk zijn, wanneer zij strekken tot nietigverklaring van een tweede beschikking die, hangende het geding, in de plaats komt van een beschikking die hetzelfde onderwerp betreft (arrest Hof van 3 maart 1982, zaak 14/81, Alpha Steel, Jurispr. 1982, blz. 749, r.o. 8), maar deze oplossing kan geen speculatieve toetsing van de wettigheid van een nog niet gegeven hypothetische beschikking rechtvaardigen. Bijgevolg zijn verzoeksters nieuwe conclusies niet-ontvankelijk, omdat zij het voorwerp van het geschil wijzigen (zie arrest Gerecht van 18 september 1992, zaak T-28/90, Asia Motor France e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2285, r.o. 43, en de aangehaalde rechtspraak).
17 Het Gerecht is bovendien niet bevoegd om in het kader van een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag vaststellingen te doen als bedoeld in die nieuwe conclusies (zie arresten Gerecht van 9 juni 1994, zaak T-94/92, X, JurAmbt. 1994, blz. II-481, r.o. 33, en 8 juni 1995, zaak T-583/93, P, JurAmbt. 1995, blz. II-433, r.o. 17). Wat meer bepaald de nieuwe conclusie sub c betreft, is de gemeenschapsrechter in het kader van een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag niet bevoegd zich uit te spreken over eventuele verplichtingen van de nationale autoriteiten, zelfs niet in het geval waarin een beschikking van de Commissie nietig is verklaard (arrest Hof van 6 juli 1993, gevoegde zaken C-121/91 en C-122/91, CT Control en JCT Benelux, Jurispr. 1993, blz. I-3873, r.o. 57).
18 Uit het voorgaande volgt, dat op het beroep niet behoeft te worden beslist.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Volgens artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, vrijelijk over de kosten.
20 In casu heeft de Commissie de bestreden beschikking ingetrokken na de instelling van het beroep, om een reden die verzoekster hierin heeft aangevoerd. Verzoekster is echter in het ongelijk gesteld met betrekking tot de vraag, of op het beroep moet worden beslist. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie dan ook moet worden verwezen in haar eigen kosten en vier vijfde van de kosten van verzoekster.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.
2) De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en vier vijfde van de kosten van verzoekster.
Luxemburg, 18 september 1996.
Full & Egal Universal Law Academy