Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorlopige maatregelen ° Verzoek dat ertoe strekt, afwikkeling van administratieve procedure van controle op concentratie te beletten ° Verzoek ten aanzien waarvan rechter in kort geding, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet bevoegd is
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; verordening nr. 4064/89 van de Raad)
Samenvatting
De bevoegdheden van de communautaire rechter bestaan in de uitoefening van rechterlijk toezicht op handelingen die de Commissie verricht in haar hoedanigheid van bestuursrechtelijke autoriteit, maar strekken zich niet uit tot de beoordeling van vragen waarover deze instelling zich nog niet heeft uitgesproken. Met een dergelijke bevoegdheid zou worden vooruitgelopen op de discussie ten gronde en zouden de verschillende fasen van de administratieve en gerechtelijke procedure door elkaar gaan lopen. Dit zou onverenigbaar zijn met het stelsel van bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de communautaire rechterlijke instanties, alsook met de vereisten van een goede procesgang en een regelmatig verloop van de administratieve procedure.
De rechter in kort geding kan in beginsel dus geen gevolg geven aan een verzoek om voorlopige maatregelen dat ertoe strekt, de Commissie onmiddellijk na de inleiding van een administratieve procedure uit hoofde van verordening nr. 4064/89 en nog voordat zij de interlocutoire of definitieve handelingen heeft verricht waarvan men de tenuitvoerlegging wil vermijden, te beletten haar onderzoeks- en sanctiebevoegdheden uit te oefenen. Door de vaststelling van dergelijke maatregelen zou de rechter in kort geding immers niet optreden in het kader van het toezicht op de activiteit van de betrokken instelling, maar zou hij veeleer de plaats van deze instelling innemen bij de uitoefening van zuiver administratieve bevoegdheden. Bijgevolg kan een onderneming de rechter in kort geding krachtens de artikelen 185 en 186 van het Verdrag niet verzoeken, de instelling te gelasten de tenuitvoerlegging van het besluit tot inleiding van een administratieve procedure op te schorten, en deze instelling ° zelfs voorlopig ° te verbieden in het kader van een dergelijke procedure haar bevoegdheden uit te oefenen.
Een dergelijk recht zou haar uitsluitend kunnen worden toegekend, ingeval dit verzoek elementen bevat op grond waarvan de rechter in kort geding kan vaststellen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de vaststelling van de gevraagde maatregelen rechtvaardigen.
Partijen
In zaak T-52/96 R,
Sogecable SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Madrid, vertegenwoordigd door S. Martínez Lage en R. Allendesalazar Corcho, advocaten te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. González Díaz, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Cableuropa SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Madrid,
Cable i Televisió de Catalunya SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Barcelona (Spanje),
Santander de Cable SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Santander (Spanje),
Jerez de Cable SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Jerez de la Frontera (Spanje),
vertegenwoordigd door R. García-Gallardo, J. M. J. Insenser en J. Veloso, advocaten te Madrid, van het kantoor J. en B. Cremades en vennoten, Louizalaan 391, Brussel,
en
Antena 3 TV SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Madrid, vertegenwoordigd door R. Jiménez de Parga, advocaat te Barcelona, A. Pappalardo, advocaat te Trapani, en M. Merola, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert 1er 51,
interveniënten,
betreffende, enerzijds, een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van 8 februari 1996 (IV/M.0709 Telefónica/Canal Plus/Cablevisión) inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1990, L 257, blz. 13), en, anderzijds, een verzoek om voorlopige maatregelen ertoe strekkende dat de Commissie geen handeling of besluit krachtens de artikelen 8, 13, 14 en 15 van deze verordening vaststelt voordat het Gerecht in de hoofdzaak uitspraak zal hebben gedaan over de geldigheid van de bestreden beschikking,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten
1 Verzoekster, Sogecable SA (hierna: "Sogecable"), voorheen Sociedad de Televisión Canal Plus SA, is een vennootschap naar Spaans recht, waarvan het aandelenkapitaal voor 50 % in handen is van de vennootschappen Canal Plus SA (hierna: "Canal Plus France") en Promatora de Informaciones SA (hierna: "Prisa").
2 Op 26 juli 1995 sloten Telefónica d' España SA, een overheidsonderneming die diensten in de sector van de telecommunicatie aanbiedt (hierna: "Telefónica"), en haar dochtermaatschappij Telecartera SA enerzijds, en de twee vennootschappen Sociedad de Gestión de Cable SA en Sociedad de Televisión Canal Plus SA (hierna: "Canal Plus Spanje") anderzijds, overeenkomsten die tot een concentratie leidden door de verwerving van de gemeenschappelijke zeggenschap over de Sociedad General de Cablevisión SA (hierna: "concentratie Cablevisión").
3 Op 26 oktober 1995 stelden deze ondernemingen overeenkomstig de nationale voorschriften inzake het mededingingsrecht, de bevoegde Spaanse autoriteiten in kennis van deze concentratie.
4 Telefónica zond op dezelfde dag een brief naar de directie "mededingingsregelingen, misbruik van machtsposities en andere concurrentievervalsing II" van het directoraat-generaal mededinging (DG IV) van de Commissie, in het kader van het onderzoek van een klacht die een concurrent tegen deze concentratie had ingediend. In deze brief, waarbij een kopie van de aan de Spaanse autoriteiten meegedeelde stukken was gevoegd, bevestigde Telefónica dat de concentratie Cablevisión een concentratie in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1990, L 257, blz. 13; hierna: "verordening nr. 4064/89"), vormde, maar dat deze concentratie volgens Telefónica en Canal Plus Spanje geen concentratie van communautaire dimensie was in de zin van artikel 1 van deze verordening.
5 Bij brief van 6 februari 1996 deelde de directeur-generaal van DG IV aan Canal Plus Spanje mee, dat volgens de gegevens waarover de diensten van de Commissie beschikten, de concentratie Cablevisión een concentratie van communautaire dimensie in de zin van verordening nr. 4064/89 was. Hij herinnerde hen eraan, dat de concentratie overeenkomstig de bepalingen van deze verordening zo snel mogelijk moest worden aangemeld, en vestigde hun aandacht op de bevoegdheid van de Commissie om in het kader van de controle op concentraties, geldboetes en dwangsommen op te leggen. Op 7 februari 1996 stelden de diensten van de Commissie de bevoegde Spaanse autoriteiten in kennis van de inhoud van deze brief.
6 De woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, zette de inhoud en de draagwijdte van de beschikking van 6 februari 1996 tijdens een onderhoud met journalisten op 8 en 9 februari 1996 uiteen.
7 Op 1 maart 1996 stonden de Spaanse autoriteiten de concentratie onder bepaalde voorwaarden toe, door deze aan te merken als een concentratie die enkel de nationale markt beïnvloedt. Op 11 maart 1996 zonden zij de diensten van de Commissie een kopie van dit besluit.
8 Op 29 maart 1996 deelde de Commissie de betrokken ondernemingen de punten van bezwaar mee en stelde zij de datum vast voor het horen van partijen overeenkomstig artikel 18 van verordening nr. 4064/89. In deze mededeling wees de Commissie er voor het overige op, dat zij ingevolge verordening nr. 4064/89 voorlopige maatregelen kon treffen en dwangsommen kon opleggen.
9 Op 31 mei 1996 meldde Sogecable de concentratie Cablevisión bij de Commissie aan, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4064/89.
Het procesverloop
10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 april 1996, heeft Sogecable beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 6 en 7 februari 1996 en van de publieke verklaring van de woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, van 8 februari 1996.
11 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 april 1996, heeft verzoekster krachtens de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking die vervat ligt in de verklaring van 8 februari 1996 van de woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, en tot vaststelling van de voorlopige maatregelen die noodzakelijk zijn opdat de Commissie jegens verzoekster geen handeling of besluit krachtens de artikelen 8, 13, 14 en 15 van verordening nr. 4064/89 vaststelt voordat het Gerecht in de hoofdzaak uitspraak zal hebben gedaan over de geldigheid van de bestreden beschikking.
12 De Commissie heeft haar schriftelijke opmerkingen ingediend bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 1996.
13 Op 12 juni 1996 hebben Cableuropa SA, Cable i Televisió de Catalunya SA, Santander de Cable SA, Jerez de Cable SA en, op 13 juni 1996, Antena 3 TV SA verzocht om tussen te komen in de onderhavige procedure in kort geding. De president van het Gerecht heeft de tussenkomst op 14 juni 1996 toegestaan.
14 Partijen zijn op 14 juni 1996 in hun mondelinge opmerkingen gehoord.
In rechte
15 Krachtens de gecombineerde bepalingen van de artikelen 185 en 186 van het Verdrag en artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21) en bij besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 (PB 1994, L 66, blz. 29), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
16 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg bepaalt, dat de verzoeken om voorlopige maatregelen, bedoeld in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag, een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter hebben in die zin, dat zij niet mogen vooruitlopen op de beslissing in de hoofdzaak (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 4 juni 1996, zaak T-18/96 R, SCK en FNK, Jurispr. 1996, blz. II-407, r.o. 15).
Argumenten van partijen
De ontvankelijkheid
17 In de eerste plaats stelt verzoekster, dat het verzoek in kort geding ontvankelijk is, voor zover haar verzoek om opschorting betrekking heeft op de in de hoofdzaak aangevochten beschikking, die ertoe strekte bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. De voornaamste gevolgen van deze beschikking zijn de verplichting voor Sogecable om de concentratie Cablevisión overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4064/89 bij de Commissie aan te melden, en de schorsing van de totstandbrenging van de concentratie, zoals voorzien in artikel 7, lid 1, van deze verordening (dienaangaande verwijst verzoekster in de hoofdzaak naar de arresten van het Hof van 30 juni 1992, zaak C-312/90, Spanje/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-4117, en van het Gerecht van 24 maart 1994, zaak T-3/93, Air France, Jurispr. 1994, blz. II-121).
18 In de tweede plaats betoogt zij, dat haar op basis van artikel 186 EG-Verdrag ingediende verzoek om voorlopige maatregelen ontvankelijk is, daar dit verzoek verband houdt met de hoofdzaak, overeenkomstig artikel 104, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg. Aldus is het feit dat de bestreden beschikking verklaart, dat de concentratie van communautaire dimensie is, noodzakelijk voor de vaststelling van alle in verordening nr. 4064/89 bedoelde handelingen; op die handelingen heeft het verzoek om voorlopige maatregelen betrekking. Verzoekster verwijst dienaangaande naar de beschikkingen in kort geding van 11 oktober 1973 (gevoegde zaken 160/73 R en 161/73 R, Miles Druce, Jurispr. 1973, blz. 1049) en 16 maart 1974 (gevoegde zaken 160/73 R II, 161/73 R II en 170/73 R II, Miles Druce, Jurispr. 1974, blz. 281), waarin de rechter in kort geding voorlopige maatregelen heeft toegekend met betrekking tot een toekomstige beschikking van de Commissie over de goedkeuring van een concentratie krachtens artikel 66 EGKS-Verdrag.
19 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het verzoek in kort geding. Zij merkt primair op, dat de handeling waarvan verzoekster de opschorting van de tenuitvoerlegging vraagt, niet de in de hoofdzaak aangevochte handeling is. In haar conclusies in de hoofdzaak verzoekt Sogecable het Gerecht, de beschikking van de Commissie die in de brieven van 6 en 7 februari 1996 vervat ligt en die door de verklaringen van de woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, de daaropvolgende dag publiek is gemaakt, nietig te verklaren. In het petitum van het onderhavige verzoek in kort geding vordert verzoekster daarentegen enkel de opschorting van de beschikking die vervat ligt in de verklaringen van 8 februari 1996.
20 Subsidiair betoogt de Commissie, ondersteund door interveniënten, dat het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk is, daar het verband houdt met het beroep in de hoofdzaak, dat zelf klaarblijkelijk niet-ontvankelijk is. Dienaangaande voert zij aan dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt, de aangevochten brieven van 6 en 7 februari 1996, waarvan de inhoud de daaropvolgende dag door de woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, bekend is gemaakt, noch gezamenlijk, noch afzonderlijk een definitieve handeling van de Commissie in de zin van de door verzoekster aangehaalde rechtspraak vormen. Meer bepaald vormt de brief van de directeur-generaal van DG IV van 6 februari geen definitief standpunt van deze instelling over de aard van de concentratie Cablevisión, maar enkel een mededeling van de diensten van de Commissie, die, op basis van de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikten, partijen aanraadden de concentratie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4064/89 aan te melden. Pas na deze aanmelding kunnen de diensten van de Commissie een definitieve beschikking geven, zoals is bepaald in de artikelen 6 en 8 van verordening nr. 4064/89.
21 Verweerster onderstreept bovendien, dat in casu de verplichting om de totstandbrenging van de concentratie op te schorten, niet volgt uit voornoemd standpunt van de diensten van de Commissie, maar veeleer uit artikel 7 van verordening nr. 4064/89, dat de betrokken ondernemingen verplicht om de concentratie niet tot stand te brengen voordat deze bij de Commissie is aangemeld, en dit onafhankelijk van de kwalificatie die deze instelling aan de concentratie kan geven. De feiten van de onderhavige zaak verschillen bijgevolg van die van de door verweerster aangehaalde zaak Cenemesa (arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald), waarin het Hof uitdrukkelijk heeft verklaard, dat het besluit van de Commissie waarbij steunmaatregelen als nieuw werden gekwalificeerd, een besluit was dat rechtsgevolgen teweegbracht, aangezien de verplichting om de betaling van de steun op te schorten niet uit het Verdrag voortvloeide, maar uit het besluit van de Commissie dat een dergelijke kwalificatie inhield. Hieruit volgt, dat de Commissie geen enkel besluit tot opschorting van de totstandkoming van de betrokken concentratie heeft genomen, maar dat zij, onder meer in de mededeling van de bezwaren op 29 maart 1996, slechts heeft gewezen op de mogelijkheid van een dergelijk besluit. Bijgevolg is verweerster in het licht van de IBM rechtspraak (arrest van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639) van oordeel, dat zelfs indien de betrokken handeling tot een eenzijdige wijziging van het gedrag van de betrokken of derde ondernemingen kan leiden, zij niet voor beroep vatbaar is, aangezien zij geen andere rechtsgevolgen teweegbrengt dan die welke automatisch uit verordening nr. 4064/89 voortvloeien.
22 De Commissie betoogt voorts, dat aan het voorlopig karakter van de handeling niet wordt afgedaan door de inhoud van de brief van 7 februari 1996 van de directeur-generaal van DG IV aan de president van het Spaanse mededingingstribunaal, die enkel een brief ter informatie van de in mededingingszaken bevoegde Spaanse autoriteiten is, noch door de verklaringen van de woordvoerder van het lid van de Commissie, belast met mededingingszaken, van 8 februari 1996, die enkel de pers informeert over het door de diensten van de Commissie geleide onderzoek en derhalve een voorbereidend besluit niet in een definitief besluit kan veranderen.
23 Ten slotte voert de Commissie aan, dat het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen hoe dan ook niet-ontvankelijk is, omdat het in werkelijkheid ertoe strekt, de opschorting te verkrijgen van de procedure die de Commissie op basis van de artikelen 4, 7, 8, 14 en 15 van verordening nr. 4064/89 heeft ingeleid. Volgens de beschikking van de president van het Gerecht van 22 november 1995 (zaak T-395/94 R II, Atlantic Container e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2893), kunnen de partijen het door de artikelen 185 en 186 van het Verdrag toegekende recht evenwel niet gebruiken om de opschorting te vragen van een lopende procedure of van iedere mogelijke definitieve beschikking die in het kader van een dergelijke procedure wordt vastgesteld. De Commissie meent, dat de mogelijkheid om een lopende procedure op te schorten, haar zou beletten de taken te verrichten die haar in het kader van de toepassing van de communautaire mededingingsregels zijn toevertrouwd, en het door het Verdrag ingevoerde stelsel van bevoegdheidsverdeling ernstig in het gedrang zou brengen.
24 De tussenkomende onderneming Antena 3 TV heeft zich ook in die zin uitgesproken. Volgens deze onderneming moet het verzoek om voorlopige maatregelen niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het in werkelijkheid beoogt een uitzondering te verkrijgen op de verplichte opschorting die voortvloeit uit de verplichting tot aanmelding. De Commissie is immers bevoegd om in het kader van een dergelijke procedure de door partijen gevraagde voorlopige maatregelen te onderzoeken, teneinde te vermijden dat een of meer ondernemingen die door een concentratie worden geraakt, ernstige schade zouden lijden, en om zich uit te spreken over de vraag of er sprake is van een concentratie die aan de verplichting tot aanmelding onderworpen is. Indien het Gerecht om voorlopige maatregelen wordt verzocht voordat de Commissie zich heeft uitgesproken over een eventueel verzoek om vrijstelling van de verplichting tot opschorting of over het bestaan van een concentratie van communautaire dimensie, komt zulks erop neer dat het Gerecht wordt gevraagd, een bestuursrechtelijke bevoegdheid uit te oefenen, hetgeen de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende gemeenschapsinstellingen beïnvloedt.
De spoedeisendheid
25 Wat het spoedeisend karakter betreft, voert verzoekster aan, dat zij het gevaar loopt ernstige en onherstelbare schade te lijden, aangezien zij thans doorgaat voor de auteur van twee ernstige inbreuken op het gemeenschapsrecht, doordat zij de concentratie Cablevisión niet heeft aangemeld en opgeschort. In de eerste plaats brengt het standpunt van de Commissie over de communautaire dimensie van de concentratie Cablevisión ernstige schade toe aan haar reputatie, aangezien deze beschikking onder meer in de pers wijd is verbreid. In de tweede plaats brengt de aangevochten beschikking ernstige schade toe aan de werkzaamheden van Sogecable, aangezien zij tot de onmiddellijke bevriezing van belangrijke zakenprojecten heeft geleid en de intrede van vennoten in een reeks plaatselijke telecommunicatievennootschappen die door Cablevisión worden bediend, heeft doen mislukken. In de derde plaats is het voor deze onderneming door de dreiging van een opschorting van haar werkzaamheden onmogelijk, nieuwe klanten te werven. Bijgevolg brengt een dergelijke beschikking onherstelbare schade toe aan haar concurrentiepositie op de markt van diensten in de sector telecommunicatie via de kabel. In een beginnende markt, zoals de onderhavige, kan de uitstoting van een marktdeelnemer de structuur van de markt onherstelbaar vervormen en aldus de concurrentiepositie van die marktdeelnemer schaden.
26 De Commissie betwist het bestaan van de door verzoekster aangevoerde ernstige en onherstelbare schade. Wat de vermeende morele schade betreft, wijst zij erop, dat zij verzoekster in geen enkel openbaar document heeft beschuldigd van de twee inbreuken waarnaar deze verwijst. Bovendien trekt verweerster in twijfel, dat Sogecable als rechtspersoon morele schade kan lijden en verklaart zij, dat deze vermeende schade hoe dan ook steeds kan worden hersteld door de betaling van schadevergoeding met interesten.
27 Wat bovendien de andere door verzoekster ingeroepen schade betreft, merkt zij op, dat verzoekster noch het bestaan, noch de gevolgen van het vermeende klimaat van onzekerheid heeft aangetoond. In het bijzonder bewijst geen enkel element, dat de bestreden beschikking de intrede van vennoten in de lokale vennootschappen heeft verhinderd. Bovendien, aldus de Commissie, heeft Sogecable niet het bestaan aangetoond van een besluit waarbij de Commissie haar voornemen te kennen heeft gegeven om de totstandbrenging van de concentratie Cablevisión te schorsen, en zelfs in geval van vaststelling van een dergelijk besluit, zou verzoekster steeds de opschorting van de tenuitvoerlegging ervan kunnen vragen.
28 De tussenkomende ondernemingen sluiten zich aan bij deze laatste opmerking van de Commissie. Zij voegen hieraan toe, dat Cablevisión en de andere ondernemingen die aan de betrokken concentratie deelnemen, in werkelijkheid nooit hebben opgehouden op de Spaanse markt op te treden.
De fumus boni juris
29 Wat de fumus boni juris betreft, voert verzoekster één middel aan, ontleend aan schending van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 4064/89. Zij stelt, dat de Commissie de concentratie Cablevisión als een concentratie van communautaire dimensie heeft gekwalificeerd door ten onrechte te overwegen, dat Sogecable een onderneming is waarover Prisa en Canal Plus France gezamenlijk zeggenschap hebben.
30 In tegenstelling tot wat verweerster meent, zou evenwel enkel Prisa het recht hebben om de zaken van Sogecable te leiden in de zin van artikel 5, lid 4, sub b, vierde streepje, van verordening nr. 4064/89. (...)(1) Bijgevolg, aldus verzoekster, kan de Commissie genoemde bepaling van verordening nr. 4064/89 niet op basis van zuivere veronderstellingen toepassen.
31 Subsidiair merkt verzoekster op, dat al aangenomen dat Prisa en Canal Plus France gezamenlijk zeggenschap hebben over Sogecable, de omzet van deze twee ondernemingen niet bij die van Sogecable mag worden opgeteld om de communautaire dimensie van de concentratie Cablevisión vast te stellen. Artikel 5, lid 4, sub b, vierde streepje, van de verordening is immers enkel van toepassing wanneer de zeggenschap wordt uitgeoefend door één enkele onderneming, aangezien gezamenlijke zeggenschap enkel in aanmerking moet worden genomen in door de wetgever uitdrukkelijk gepreciseerde gevallen. Het argument van de Commissie, dat het gebruik van het meervoud "ondernemingen" in artikel 5, lid 4, sub c, van verordening nr. 4064/89 haar het recht geeft om de omzet van ondernemingen die gezamenlijk de zaken van de betrokken ondernemingen leiden, samen te tellen, is volgens verzoekster ongegrond. Artikel 5, lid 4, sub c, heeft immers alleen betrekking op ondernemingen die onder de zeggenschap staan van de onderneming die voor deze berekening in aanmerking wordt genomen, maar de ondernemingen die over deze onderneming zeggenschap hebben, vallen niet onder deze bepaling.
Beoordeling door de rechter in kort geding
32 Om de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen te beoordelen, dient eerst het voorwerp ervan te worden afgebakend.
33 In haar verzoekschrift in kort geding concludeert Sogecable in de eerste plaats tot "opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van 8 februari 1996", en in de tweede plaats tot vaststelling van "de voorlopige maatregelen die noodzakelijk zijn opdat de Commissie geen handeling vaststelt als gevolg van het feit, dat zij in deze beschikking haar bevoegdheid heeft bevestigd, en in het bijzonder geen handeling of besluit (interlocutoir, definitief of conservatoir) krachtens de artikelen 8, 13, 14 en 15 van verordening nr. 4064/89 vaststelt, voordat het Gerecht in de hoofdzaak uitspraak zal hebben gedaan over de geldigheid van de bestreden beschikking".
34 Wat het eerste verzoek betreft, heeft verzoekster in antwoord op de ter terechtzitting gestelde vragen verduidelijkt, dat dit strekt tot opschorting van de beschikking van de Commissie die vervat ligt in de brieven van 6 en 7 februari 1996 en in de verklaringen van de woordvoerder, die door de persmededeling van het agentschap FECHA van 8 februari 1996 zijn overgenomen. Deze beschikking heeft betrekking op de vaststelling van de communautaire dimensie van de concentratie Cablevisión en wijst, met een herinnering aan de aanmeldingsplicht, op de mogelijkheid van het opleggen van geldboetes en dwangsommen.
35 Evenwel moet worden vastgesteld, dat in feite de enige beschikking die in casu relevant is, de beschikking is die vervat ligt in de brief van 6 februari 1996, waarbij de directeur-generaal van DG IV aan Canal Plus Spanje meedeelde, dat de diensten van de Commissie op basis van de gegevens waarover zij beschikten, van oordeel waren dat de concentratie Cablevisión een concentratie van communautaire dimensie was, die aan de controleprocedure van verordening nr. 4064/89 moest worden onderworpen. Voorts herinnerde de directeur-generaal Canal Plus Spanje aan haar verplichting om deze concentratie overeenkomstig artikel 4 van deze verordening aan te melden, en aan de bevoegdheid van de Commissie om, in het bijzonder bij niet-aanmelding, geldboetes en dwangsommen op te leggen. De brief van 7 februari 1996, waarbij de directeur-generaal de Spaanse autoriteiten in kennis stelde van de inhoud van de aan verzoekster gezonden brief, en de verklaringen van de woordvoerder, die ertoe strekten de draagwijdte van genoemde beschikking op informele wijze voor de pers te verduidelijken, lijken op het eerste gezicht handelingen ter bevestiging van de beschikking van 6 februari 1996, die als zodanig niet relevant zijn in het kader van het onderzoek van het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen.
36 Voor zover de handeling waarvan verzoekster de opschorting vraagt, de beschikking van 6 februari 1996 is, en de betrokken ondernemingen op 31 mei 1996 de concentratie Cablevisión hebben aangemeld, zij opgemerkt, dat het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging enkel betrekking heeft op de beschikking tot onderwerping van deze concentratie aan de controleprocedure van verordening nr. 4064/89.
37 Wat het tweede verzoek betreft, volgt uit de conclusies van het verzoekschrift in kort geding, dat verzoekster de tussenkomst van de rechter in kort geding vraagt teneinde de Commissie ° zelfs voorlopig ° te verbieden, de haar door verordening nr. 4064/89 verleende bevoegdheden tot vaststelling van interlocutoire, conservatoire en definitieve handelingen en besluiten uit te oefenen. Dit verzoek beoogt dus in werkelijkheid de opschorting van de administratieve controleprocedure waaraan de concentratie Cablevisión onderworpen is. Het strekt er derhalve toe, hetzelfde doel te verzekeren als het verzoek om opschorting van genoemde beschikking van 6 februari 1996.
38 Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of de aangevochten beschikking, hoewel deze een klaarblijkelijk voorbereidende handeling is, rechtsgevolgen teweegbrengt die de belangen van verzoekster aanmerkelijk aantasten en bijgevolg de ontvankelijkheid van zowel het beroep tot nietigverklaring in de hoofdzaak als het onderhavige verzoek in kort geding rechtvaardigen (zie dienaangaande arrest IBM, reeds aangehaald, r.o. 23), dient te worden onderzocht of de gevraagde maatregelen, die tot doel hebben de administratieve procedure die de Commissie voor de controle op de concentratie Cablevisión heeft ingeleid, op te schorten, in overeenstemming zijn met de beginselen die de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende gemeenschapsinstellingen beheersen.
39 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de bevoegdheden van de communuautaire rechter bestaan in de uitoefening van rechterlijk toezicht op handelingen die de Commissie verricht in haar hoedanigheid van bestuursrechtelijke autoriteit, maar zich niet uitstrekken tot de beoordeling van vragen waarover deze instelling zich nog niet heeft uitgesproken. Met een dergelijke bevoegdheid zou worden vooruitgelopen op de discussie ten gronde en zouden de verschillende fasen van de administratieve en gerechtelijke procedure door elkaar gaan lopen. Dit zou onverenigbaar zijn met het stelsel van bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de communautaire rechterlijke instanties, alsook met de vereisten van een goede procesgang en een regelmatig verloop van de administratieve procedure (zie arrest Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/96, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r.o. 46).
40 In een geval als het onderhavige kan de rechter in kort geding derhalve in beginsel geen gevolg geven aan een verzoek om voorlopige maatregelen dat ertoe strekt, de Commissie onmiddellijk na de inleiding van een administratieve procedure en nog voordat zij de interlocutoire of definitieve handelingen heeft verricht waarvan men de tenuitvoerlegging wil vermijden, te beletten haar onderzoeks- en sanctiebevoegdheden uit te oefenen. Door de vaststelling van dergelijke maatregelen zou de rechter in kort geding immers niet optreden in het kader van het toezicht op de activiteit van de verwerende instelling, maar zou hij veeleer de plaats van deze instelling innemen bij de uitoefening van zuiver administratieve bevoegdheden. Bijgevolg kan verzoekster in casu niet krachtens de artikelen 185 en 186 van het Verdrag verzoeken, dat de verwerende instelling wordt gelast, de tenuitvoerlegging van het besluit tot inleiding van een administratieve procedure op te schorten, en dat het deze instelling ° zelfs voorlopig ° wordt verboden in het kader van een dergelijke procedure haar bevoegdheden uit te oefenen (zie beschikkingen van de president van het Gerecht van 6 december 1989, zaak T-131/89 R, Cosimex, Jurispr. 1990, blz. II-1, r.o. 12; 14 december 1993, zaak T-543/93 R, Gestevisión Telecinco, Jurispr. 1993, blz. II-1409, r.o. 24, en 22 november 1995, Atlantic Container, reeds aangehaald, r.o. 39).
41 Een dergelijk recht zou verzoekster uitsluitend kunnen worden toegekend, ingeval dit verzoek elementen bevat op grond waarvan de rechter in kort geding kan vaststellen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de vaststelling van de gevraagde maatregelen rechtvaardigen (zie dienaangaande beschikking van de president van het Gerecht van 23 maart 1992, gevoegde zaken T-10/92 R, T-11/92 R, T-12/92 R, T-14/92 R en T-15/92 R, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1992, blz. II-1571, r.o. 54).
42 Dienaangaande zij opgemerkt, dat verzoekster in casu geen enkel bewijs heeft geleverd van het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden, die de vaststelling van de gevraagde maatregelen zouden kunnen rechtvaardigen. Het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen kan op die grond niet ontvankelijk worden verklaard.
43 Gelet op bovenstaande overwegingen, en zonder dat het nodig is de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, moet worden vastgesteld, dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de gevraagde maatregelen rechtens kunnen worden verleend en dat het verzoek derhalve moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 12 juli 1996.
Full & Egal Universal Law Academy