Samenvatting
Trefwoorden
Kort geding - Ontvankelijkheidsvoorwaarden - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevantie - Grenzen - Beroep in hoofdzaak strekkende tot nietigverklaring van beschikking, die zou zijn vervat in brief van Commissie betreffende uitlegging van bepaling van verordening - Geen beslissingsbevoegdheid van Commissie wegens exclusieve bevoegdheid van Lid-Staten om betrokken bepaling uit te voeren - Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1; verordening nr. 2991/94 van de Raad)
Samenvatting
De ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak moet in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, doch dient slechts deel uit te maken van de analyse van het beroep in de hoofdzaak - tenzij dit voorshands kennelijk niet-ontvankelijk lijkt - teneinde de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak niet te prejudiciëren.
Dat geldt ook voor een beroep tot nietigverklaring van een in een brief van de Commissie aan een Lid-Staat vervatte "beschikking" betreffende de uitlegging van een bepaling in verordening nr. 2991/94 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetprodukten, waarvan de uitvoering tot de exclusieve bevoegdheid van de Lid-Staten behoort. Voor zover inhoud, vorm noch context van een dergelijke brief erop duiden, dat het een beschikking betreft die de Commissie heeft gegeven in de uitoefening van haar bevoegdheid tot vaststelling van de wijze van toepassing van de verordening, gaat het namelijk slechts om een opvatting die de nationale autoriteiten niet bindt en kan de brief derhalve niet worden beschouwd als een beschikking die de rechtspositie van de verzoeker kan aantasten. Indien de nationale autoriteiten zich aansluiten bij de niet-bindende uitlegging die de Commissie heeft voorgesteld, dient de verzoeker te gelegener tijd gebruik te maken van de naar nationaal recht openstaande rechtsmiddelen om tegen de jegens hem genomen maatregelen op te komen voor de nationale rechter, die, zo nodig, het vraagstuk van de uitlegging of de geldigheid van de verordening kan voorleggen aan het Hof.
Omdat het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de in genoemde brief vervatte "beschikking" verband houdt met een voorshands kennelijk niet-ontvankelijk beroep in de hoofdzaak, dient het te worden afgewezen.
Full & Egal Universal Law Academy