Conclusie van de advocaat generaal
1 Valt een jaarlijkse belasting op het vermogen van een onderneming, waarvan wordt gesteld dat zij uit economisch oogpunt hetzelfde effect heeft als een kapitaalbelasting, binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal(1), voor zover voor die belasting rekening wordt gehouden met het bedrag van het geplaatste kapitaal van een onderneming?
I - Feitelijke en juridische achtergrond
2 Bij besluitwet nr. 394 van 30 september 1992 heeft de Italiaanse Republiek een jaarlijkse belasting ad valorem van 0,75 % op het nettovermogen van onder meer kapitaalvennootschappen ingesteld (hierna: "Italiaanse belasting").(2)
3 Overeenkomstig artikel 2 van het ministerieel decreet van 7 januari 1993 wordt de maatstaf van heffing gevormd door het nettovermogen van de vennootschap zoals dat uit de balans blijkt, verminderd met de winst van het betrokken jaar, en omvat zij de navolgende elementen:
"1) het geplaatst vennootschappelijk kapitaal, zelfs als het nog niet is volgestort, of dotatie- of vermogensfondsen;
2) de door de vennoten à fonds perdu of als kapitaalverschaffing betaalde bedragen;
3) reserves voor agiopremies en egalisatierente betaald door de inschrijvers op nieuwe aandelen of aandeelbewijzen;
4) herwaarderingsreserves die op de balans zijn opgevoerd krachtens specifieke wettelijke bepalingen, waaronder die van de verzekeringsmaatschappijen als bedoeld in artikel 36 van wet nr. 295 van 10 juni 1978;
5) wettelijke reserve, statutaire reserve, reserves voor specifieke situaties, teveel betaalde belastingen, en andere reserves of fondsen ongeacht hun fiscale status;
6) reserves voor het in portefeuille houden van eigen aandelen;
7) investeringsreserves;
8) de voorzieningen voor algemene lasten, waaronder het fonds voor algemene bankrisico's bedoeld in artikel 11, lid 2, van wetsdecreet nr. 87 van 27 januari 1992;
9) fondsen bestemd voor zelffinanciering van toekomstige investeringen;
10) surplus ten gevolge van fusies;
11) de overgedragen winsten (en verliezen) van eerdere boekjaren;
12) de verliezen van het laatste boekjaar.
Het nettovermogen omvat niet:
- de op de balans opgevoerde fondsen voor bijzondere lasten of schulden en de rectificaties van de activa;
- de reserves voor vervroegde aflossingen bedoeld in artikel 67, lid 3, van de eenvormige inkomstenbelastingwet."
4 Op 30 november 1994 verzocht verzoekster in het hoofdgeding (hierna: "verzoekster") om terugbetaling van de vermogensbelasting die zij over de aanslagjaren 1992 en 1993 had betaald. Bij gebreke van een antwoord van de Direzione Regionale delle Entrate stelde zij een beroep in tegen de stilzwijgende afwijzing van haar verzoek, op grond dat de heffing van de belasting onverenigbaar was met de richtlijn. Bij beschikking van 18 oktober 1996, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 januari 1997, heeft de Vierde Kamer van de Commissione tributaria provinciale di Firenze het Hof de navolgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Is een wettelijke regeling waarbij een belasting op het nettovermogen van kapitaalvennootschappen wordt ingesteld die uit economisch oogpunt hetzelfde effect heeft als een indirecte kapitaalbelasting, verenigbaar met het gemeenschapsrecht, inzonderheid met richtlijn 69/335/EEG?"
5 Opmerkingen zijn ingediend door verzoekster, de Italiaanse Republiek, de Griekse Republiek en de Commissie.
II - Richtlijn 69/335
6 In het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni heeft het Hof de doelstellingen van de richtlijn als volgt geformuleerd:
"De richtlijn [strekt] tot bevordering van het vrije kapitaalverkeer, dat essentieel wordt geacht voor de verwezenlijking van een economische unie waarvan de kenmerken overeenkomen met die van een binnenlandse markt. Het nastreven van dit doel veronderstelt (...) dat de tot dan toe in de lidstaten van kracht zijnde indirecte belastingen worden afgeschaft en vervangen door een eenmalig binnen de gemeenschappelijke markt geheven belasting, waarvan de hoogte in alle lidstaten gelijk is."(3)
7 De richtlijn beoogt hiertoe de voorwaarden te harmoniseren waaronder de lidstaten rechten kunnen heffen op de inbreng van kapitaal in kapitaalvennootschappen (artikel 1). Artikel 4 noemt de soorten transacties die aan het kapitaalrecht moeten of kunnen worden onderworpen. Artikel 7, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 85/303(4), bepaalt het maximumtarief voor het kapitaalrecht op 1 %, behoudens enkele uitzonderingen die in casu niet relevant zijn. Artikel 10 verbiedt de lidstaten andere belastingen dan kapitaalbelasting te heffen op:
"a) de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
b) de inbreng, de leningen of de prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
c) de inschrijving of elke andere formaliteit die een op het maken van winst gerichte vennootschap, vereniging of rechtspersoon vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen".
III - Argumenten van partijen
8 Verzoekster betoogt, dat de Italiaanse belasting hetzelfde effect heeft als een verhoging van het tarief van de belasting op het bijeenbrengen van kapitaal of als een tweede heffing van het kapitaalrecht. Het bestaan zelf van een vennootschappelijk kapitaal onderstelt, dat er kapitaal is bijeengebracht, en de heffing van een jaarlijkse belasting op het bijeengebrachte kapitaal is dus een a-posterioribelasting op het bijeenbrengen van kapitaal. In verzoeksters visie heeft de belasting op het vennootschappelijk vermogen hetzelfde economisch effect als een kapitaalrecht dat op een later tijdstip dan de datum van de inbreng van het kapitaal wordt geheven, en is het dus een kapitaalrecht. De heffing van een dergelijke belasting over de drie jaren na de oprichting van een vennootschap en de betaling van het registratierecht van 1 %, bijvoorbeeld, zou op exact hetzelfde neerkomen als het betalen van één enkele belasting op het bijeenbrengen van kapitaal tegen een tarief van 3,25 % (= 1 % + 3 x 0,75 %), ofschoon de richtlijn slechts een kapitaalrecht van ten hoogste 1 % toestaat. Dat deze belasting op een later tijdstip wordt geheven, doet niets af aan de onverenigbaarheid ervan met de richtlijn, in de zesde overweging van de considerans waarvan uitdrukkelijk wordt verklaard, dat "op het bijeengebrachte kapitaal binnen de gemeenschappelijke markt [kan] slechts eenmaal het recht op het bijeenbrengen van kapitaal (...) worden toegepast". Verzoekster beroept zich op punt 31 van het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, waar het Hof overwoog, dat "de omstandigheid dat de belasting niet alleen verschuldigd is bij de inschrijving van de vennootschap, maar ook ieder volgend jaar, (...) op zichzelf deze belasting niet buiten de werking van het verbod van artikel 10 [kan] brengen (...) Iedere andere uitleg [zou] de bepalingen van artikel 10 ontkrachten, omdat daardoor de lidstaten zou worden toegestaan kapitaalvennootschappen te onderwerpen aan een jaarlijkse fiscale last waarvan het belastbaar feit uitsluitend bestaat in de instandhouding van de inschrijving van de vennootschap"(5); volgens haar was de nationale belasting in die zaak vergelijkbaar met die welke in casu aan de orde is.
9 Verzoekster betoogt, dat de Italiaanse belasting, gelet op de gevolgen en niet op de benaming ervan, voor de toepassing van het gemeenschapsrecht als een indirecte belasting moet worden gekwalificeerd.(6) Zij beroept zich op het arrest Duitsland/Commissie en op de rechtspraak van het Hof over het begrip heffingen van gelijke werking als de in de artikelen 9 en 12 van het Verdrag bedoelde douanerechten.(7) Volgens haar is het kwalificeren van belastingen als "direct" of "indirect" in wezen een economische aangelegenheid en geldt de richtlijn, in tegenstelling tot haar benaming, niet uitsluitend voor indirecte belastingen; met name wordt in artikel 10 geen onderscheid gemaakt tussen indirecte en directe belastingen. Zij baseert zich eveneens op het feit, dat de maatstaf van heffing van de Italiaanse belasting ruimer is dan die van het ingevolge de richtlijn toegestane kapitaalrecht. Verzoekster lijkt aan te nemen, dat de Italiaanse belasting slechts onwettig is voor zover zij het startkapitaal van de vennootschap raakt.
10 De Commissie betoogt, dat de begrippen in een vennootschap "ingebracht kapitaal" en "vennootschappelijk vermogen" van een vennootschap fundamenteel verschillend zijn. Terwijl het nettovermogen van een vennootschap bestaat uit de som van de twaalf boekhoudposten vermeld in artikel 2 van het ministerieel decreet van 7 januari 1993 ter uitvoering van de Italiaanse wet, is het "geplaatst, doch nog niet volgestort kapitaal" slechts een onderdeel daarvan. De bepaling van het nettovermogen van een vennootschap kan niet worden gelijkgesteld met de in artikel 4 van de richtlijn genoemde verrichtingen. Bovendien kan de belasting op het vermogen, wegens het daaraan ten grondslag liggende belastbare feit en de definitie van de maatstaf van heffing en van de belastingplichtigen, niet als een kapitaalrecht worden beschouwd.
11 De Italiaanse regering, daarin grotendeels ondersteund door de Griekse regering, brengt naar voren, dat de richtlijn slechts van toepassing is op indirecte belastingen, dat wil zeggen op belastingen geheven over de overdracht van vermogen door de ene persoon op de andere; bij de bestreden belasting bestaat het belastbare bedrag daarentegen uit het nettovermogen van een vennootschap, zodat de belasting dus een directe belasting is die buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt. Elke vermogensbelasting wordt geheven over goederen die reeds eerder zijn belast bij de overdracht ervan aan degene die aan de vermogensbelasting is onderworpen. De twee in geding zijnde belastingen zijn van verschillende aard en hebben verschillende economische gevolgen. In elk geval beoogt de richtlijn slechts indirecte belastingen met dezelfde kenmerken als het kapitaalrecht af te schaffen; de Italiaanse belasting voldoet evenwel aan geen van deze criteria. Het begrip "heffingen van gelijke werking" wordt uitsluitend gehanteerd in de context van douanerechten in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag.
IV - Bespreking
12 De gestelde prejudiciële vraag is in wezen erop gericht te vernemen, of de Italiaanse belasting verenigbaar is met de richtlijn; de verwijzing door de nationale rechter naar het economisch effect van bedoelde belasting dient in casu enkel ter motivering van de noodzaak van een prejudiciële beslissing.
13 Allereerst dient te worden uitgemaakt, of de belasting binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Ik ben het met verzoekster eens, dat het op dit punt niet beslissend is of een bepaalde nationale belasting een directe of een indirecte belasting wordt genoemd; zoals het Hof in het arrest Bautiaa en Société française maritime overwoog, "dient het Hof een belasting, recht of heffing (...) te kwalificeren aan de hand van de objectieve kenmerken van de belasting, onafhankelijk van de wijze waarop deze naar nationaal recht wordt gekwalificeerd".(8) Ook de omstandigheid, dat de Italiaanse belasting een jaarlijkse belasting is, hetgeen normaliter wijst op een directe belasting(9), volstaat niet om haar buiten de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen.(10) Gelet op de objectieve kenmerken van de Italiaanse belasting kan deze mijns inziens evenwel niet als een indirecte belasting op het bijeenbrengen van kapitaal in de zin van de richtlijn worden beschouwd.
14 In de eerste plaats is de richtlijn, volgens artikel 1 ervan, van toepassing op "de inbreng in kapitaalvennootschappen"; zoals het Hof in het arrest Solred overwoog, strekt "de richtlijn (...) in het bijzonder tot harmonisatie van de elementen die een rol spelen bij de vaststelling en de heffing van het recht op de inbreng in vennootschappen in de Gemeenschap, een en ander in de context van de afschaffing van de fiscale belemmeringen die het vrije kapitaalverkeer verhinderen".(11) De in artikel 4, lid 1, vermelde transacties die aan het kapitaalrecht moeten worden onderworpen, zijn alle transacties waarbij kapitaal of vermogensbestanddelen worden overgedragen aan een kapitaalvennootschap in de lidstaat van belasting, hetzij door middel van de oprichting van een dergelijke vennootschap (sub a en b), hetzij door een vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een bestaande vennootschap door inbreng van zaken (sub c), hetzij door een vermeerdering van het vermogen door toekenning van rechten van dezelfde aard als die van vennoten (sub d), hetzij door de overbrenging van de zetel van de werkelijke leiding of de statutaire zetel van een derde land of van een andere lidstaat (sub e tot en met h). Artikel 4, lid 3, bevestigt, dat de transfer van kapitaal of vermogensbestanddelen het voornaamste kenmerk is van de aan het kapitaalrecht onderworpen verrichtingen; teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen, sluit deze bepaling een aantal verrichtingen die, hoewel van belang voor het juridisch bestaan van een kapitaalvennootschap, niet tot een transfer van kapitaal leiden, uit van het begrip "oprichting". Zo leiden ook alle categorieën verrichtingen die in artikel 4, lid 2, worden genoemd en naar keuze van de lidstaten aan het kapitaalrecht kunnen worden onderworpen, tot een daadwerkelijke vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal of vermogen. De heffing van een vermogensbelasting als die welke in casu aan de orde is, hangt daarentegen niet af van een verrichting die een transfer van kapitaal of vermogensbestanddelen met zich brengt, en vormt evenmin een belemmering van het vrije kapitaalverkeer binnen de Gemeenschap.
15 Ik ben mij bewust van de juistheid van de opmerkingen van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Denkavit Internationaal e.a., dat "de bijdrage die de richtlijn aan het vrije verkeer van kapitaal heeft geleverd, relatief bescheiden is. (...) De richtlijn wil duidelijk niet alle fiscale hinderpalen voor de integratie van de kapitaalmarkten uit de weg ruimen, die het gevolg zijn van verschillen in de belastingen op het vermogen en de winst van ondernemingen. Bovendien, het enkele feit dat een belasting wordt geheven van een vennootschap wegens haar rechtsvorm, is op zich onvoldoende grond om die belasting binnen het bereik van de verbodsbepalingen van artikel 10 te brengen."(12) Hieraan zij toegevoegd, dat ook de omstandigheid dat een aan een kapitaalvennootschap opgelegde belasting het bedrag van het geplaatst kapitaal van die vennootschap in aanmerking neemt, niet volstaat om de belasting binnen de werkingssfeer van de richtlijn te brengen; de in casu in geding zijnde belasting is, ongeacht haar formele benaming, duidelijk een belasting op het vermogen van kapitaalvennootschappen (en andere vennootschappen) en geen belasting op het bijeenbrengen van kapitaal.
16 In de tweede plaats verschilt de betrokken belasting op tal van punten van het kapitaalrecht en van soortgelijke, onder de richtlijn vallende rechten. De Italiaanse belasting wordt geheven over het nettovermogen van een kapitaalvennootschap zoals dit uit de balans blijkt; zij wordt niet geheven over enige verrichting die gepaard gaat met een transfer van kapitaal of vermogensbestanddelen, als de verrichtingen die in artikel 10 worden genoemd. De specifieke gebeurtenis die aanleiding geeft tot toepassing van de Italiaanse belasting (de aangifte van het nettovermogen), is niet eens van dezelfde aard als de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de heffing van het bij de richtlijn geregelde kapitaalrecht, en de belastinggrondslag komt niet overeen met die welke in de richtlijn is vastgelegd. De betrokken belasting kan dus niet, zoals verzoekster heeft betoogd, worden vergeleken met een jaarlijkse belasting op het kapitaal van een kapitaalvennootschap, welke inderdaad, overeenkomstig het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, anders zou worden behandeld onder de richtlijn.
17 Ofschoon de in artikel 2 van het ministerieel decreet van 7 januari 1993 bepaalde maatstaf van heffing uitgaat van het bedrag van het geplaatste kapitaal van een vennootschap, worden ook verschillende overgedragen reserves en winsten (of verliezen) van eerdere boekjaren en de verliezen van het aanslagjaar in aanmerking genomen. Ik ben het met de Commissie eens, dat het onjuist zou zijn een bestanddeel van de maatstaf van heffing te isoleren en dit los van de andere bestanddelen te behandelen. Bovendien zou verzoeksters betoog, logisch doorgeredeneerd, zeer verstrekkende gevolgen kunnen hebben die mijns inziens niet door de richtlijn zijn beoogd. Het gecombineerde effect van artikel 4, lid 2, sub a, en artikel 10 is bijvoorbeeld, dat de lidstaten, onverminderd de artikelen 11 en 12, geen andere belastingen op de kapitalisatie van winsten en permanente of tijdelijke reserves mogen heffen dan het kapitaalrecht. In verzoeksters redenering zouden de lidstaten in geval van kapitalisatie van winsten of reserves geen inkomstenbelasting op de winsten of vermogensbelasting op de reserves mogen heffen voor zover over de kapitalisatie kapitaalrecht is betaald.
18 Dit wil niet zeggen, dat het begrip heffingen van gelijke werking als een kapitaalrecht volledig buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt. Met name de laatste overweging van de considerans van de richtlijn geldt uitdrukkelijk voor indirecte belastingen die, hoewel zij in juridisch opzicht verschillen van het kapitaalrecht, "dezelfde kenmerken vertonen als het kapitaalrecht of het zegelrecht op effecten [en waarvan de heffing] het doel dat met de in deze richtlijn bedoelde maatregelen wordt nagestreefd, in gevaar zou kunnen brengen". In het arrest Immobiliare SIF merkte het Hof op, dat "het specifieke belastbare feit van de registratie-, de overschrijvings- en de kadasterbelasting niet de inbreng van onroerende goederen in een kapitaalvennootschap is", doch erkende het, dat "de toepassing van deze drie belastingen wegens de inbreng van onroerende goederen in een kapitaalvennootschap uiteindelijk (...) tot gevolg [heeft], dat de inbreng aan deze belastingen wordt onderworpen", zodat de belastingen in dat geval binnen de werkingssfeer van artikel 10 van de richtlijn vielen.(13) Het beroep op de gevolgen van de in het arrest Immobiliare SIF aan de orde zijnde belastingen is evenwel gebaseerd op de tekst van de richtlijn; iets dergelijks is mijns inziens niet mogelijk voor andere belastingen dan die waarop de richtlijn betrekking heeft. Daarbij komt dat, zoals het Hof in het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni opmerkte, "het doel van de richtlijn volledig los[staat] van dat van de verdragsbepalingen inzake heffingen van gelijke werking".(14)
19 Aan de hand van een redenering als die welke verzoekster in casu volgt, zou kunnen worden betoogd, dat de belastingheffing in de zaak Frederiksen economische gevolgen had die "diezelfde kenmerken vertonen" als het kapitaalrecht dat Denemarken aan een dochteronderneming mocht opleggen.(15) In die zaak wilden de nationale autoriteiten van een moedermaatschappij die aan een dochteronderneming een renteloze lening had verstrekt, belasting heffen op basis van het geschatte rentebedrag dat eerstgenoemde onderneming zou ontvangen. De transactie zelf werd geacht onder artikel 4, lid 2, sub b, van de richtlijn te vallen, terwijl artikel 10, sub b, een duidelijk verbod bevat op het heffen van belastingen op "leningen (...) verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen". Gezien de moeder- en de dochteronderneming economisch een geheel vormden, kon de van de moederonderneming geheven belasting uit economisch oogpunt worden aangemerkt als een nieuwe belasting op de transactie na de heffing van het kapitaalrecht. Dit weerhield het Hof er niet van te oordelen, dat de belasting buiten de werkingssfeer van de richtlijn en dus niet onder het verbod van artikel 10 viel(16):
"De richtlijn [beoogt] binnen de grenzen van haar werkingssfeer alle belastingen, in welke vorm ook, op het bijeenbrengen van kapitaal te harmoniseren (...) [en] strekt tot afschaffing van de andere indirecte belastingen dan het kapitaalrecht, die dezelfde kenmerken vertonen als dit laatste (...) Derhalve moet worden vastgesteld, dat de harmonisatie waarin de richtlijn voorziet, niet betrekking heeft op de directe belastingen, zoals de belasting op de inkomsten van vennootschappen, die onder de eigen bevoegdheden van de lidstaten vallen."(17)
20 Een soortgelijk argument ontleend aan de mogelijkheid dat een nationale belasting "uit economisch oogpunt was gelijk te stellen" met het kapitaalrecht, had ook in de zaak Immobiliare SIF(18) kunnen worden aangevoerd met betrekking tot de gemeentelijke belasting op de waardevermeerdering van onroerende goederen ("imposta comunale sull'incremento di valore dei beni immobiliari" of gemakshalve "Invim"). Het Hof overwoog, dat "de Invim een belasting is op de meerwaarde die door de eigenaar van een onroerend goed wordt gerealiseerd op het tijdstip waarop hij dit goed onder bezwarende titel vervreemdt, dan wel, in geval van onroerende goederen in eigendom van vennootschappen, op de virtuele meerwaarde die (...) wordt vastgesteld aan het einde van een periode van tien jaar".(19) Ofschoon de heffing van de Invim bij de inbreng van het onroerend goed in SIF kon worden geacht dezelfde economische gevolgen te hebben als een heffing op de kapitaalvermeerdering door inbreng van zaken in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, en dus maximaal 1 % mocht bedragen, oordeelde het Hof, dat de richtlijn niet van toepassing was op de Invim. Hiertoe nam het in aanmerking, dat de Invim een belasting op de dankzij de inbreng gerealiseerde meerwaarde en niet een belasting op de inbreng zelf was, dat de grondslag voor de berekening van de belasting niet overeenkwam met de in artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn voorgeschreven grondslag, en dat de belasting door de inbrenger en niet door de vennootschap moest worden betaald.
21 Tot slot toont artikel 10, ofschoon sommige partijen zich daarop hebben beroepen tot staving van de verenigbaarheid van de heffing van de Italiaanse belasting met de richtlijn, naar mijn mening veeleer aan, dat de belasting buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt. Artikel 10 verbiedt andere belastingen dan het kapitaalrecht op "de in artikel 4 bedoelde verrichtingen", op bepaalde nevenverrichtingen en op registratie en andere formaliteiten. Het verbiedt een lidstaat niet, bij de berekening van een belasting op het nettovermogen rekening te houden met het bedrag van het kapitaal, en beperkt geenszins de bevoegdheden van de lidstaten ter zake van de heffing van een dergelijke belasting.
22 Mitsdien ben ik van mening, dat de Italiaanse belasting een kapitaalrecht noch een indirecte belasting met dezelfde kenmerken als een kapitaalrecht is, en dat de heffing ervan in de in de onderhavige verwijzingsbeschikking beschreven omstandigheden niet onverenigbaar is met de richtlijn.
V - Conclusie
23 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Commissione tributaria provinciale di Firenze in haar beschikking van 18 oktober 1996, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 januari 1997, gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1979 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, is niet van toepassing op de heffing ten laste van kapitaalvennootschappen van een belasting als de bij besluitwet nr. 394 van de Italiaanse Republiek van 30 september 1992 ingestelde jaarlijkse belasting op het nettovermogen van vennootschappen."
(1) - PB L 249, blz. 25 (hierna: "richtlijn"). De richtlijn is verschillende keren gewijzigd [richtlijn 73/79/EEG] (PB L 103, blz. 13); richtlijn 73/80/EEG] (ibid., blz. 15); richtlijn 74/553/EEG], (PB L 303, blz. 9); richtlijn 85/303/EEG], (PB L 156, blz. 23)], doch slechts de laatste wijziging is in casu relevant (zie sub II hieronder).
(2) - Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana nr. 230 van 30 september 1992, blz. 3; de besluitwet is vervolgens omgezet in wet nr. 461 van 26 november 1992, GURI nr. 281 van 28 november 1992, blz. 5.
(3) - Arrest van 20 april 1993 (C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915, punt 19).
(4) - Aangehaald in voetnoot 1.
(5) - Arrest aangehaald in voetnoot 3.
(6) - Arrest van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime (C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505, punt 39).
(7) - Arrest van 16 juni 1966 (52/65 en 55/65, Jurispr. blz. 159).
(8) - Arrest aangehaald in voetnoot 6, punt 39.
(9) - Zoals opgemerkt door advocaat-generaal Cosmas in zijn conclusie bij het arrest van 11 december 1997, Immobiliare SIF (C-42/96, Jurispr. blz. I-7089, punt 51 van de conclusie).
(10) - Arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, aangehaald in voetnoot 3, punt 31.
(11) - Arrest van 5 maart 1998 (C-347/96, Jurispr. blz. I-937, punt 3).
(12) - Arrest van 11 juni 1996 (C-2/94, Jurispr. blz. I-2827, punt 45 van de conclusie).
(13) - Arrest aangehaald in voetnoot 9, punten 30 en 31.
(14) - Arrest aangehaald in voetnoot 3, punt 37.
(15) - Arrest van 26 september 1996, Frederiksen (C-287/94, Jurispr. blz. I-4581).
(16) - Het antwoord van het Hof luidde als volgt: "Artikel 10 (...) staat niet eraan in de weg, dat de moedermaatschappij [in deze omstandigheden] (...) aan inkomstenbelasting wordt onderworpen" (punt 2 van het dictum); uit de redenering van het Hof blijkt mijns inziens duidelijk, dat het Hof van oordeel was, dat de inkomstenbelasting buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt (zie met name punten 21 en 22). Het verschil, ofschoon in casu niet relevant, is dat het verbod van artikel 10 wordt getemperd door artikel 12, terwijl de uitsluiting van de toepassing van de richtlijn absoluut is.
(17) - Loco citato, punten 16, 20 en 21.
(18) - Arrest aangehaald in voetnoot 9.
(19) - Ibid., punt 21.
Full & Egal Universal Law Academy