Conclusie van de advocaat generaal
1 In het kader van een geding tussen de Belgische Staat en importeurs van in Hongarije vervaardigde Kashkaval-kaas stelt het Hof van Beroep te Antwerpen twee prejudiciële vragen over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1767/82 van de Commissie van 1 juli 1982 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten(1) (hierna: "verordening nr. 1767/82" of "verordening").
2 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, welke grondstof moet worden gebruikt voor de productie van Kashkaval-kaas, en wat de gevolgen zijn van een eventuele niet-nakoming van de voorwaarden betreffende het opstellen van het invoercertificaat dat bij die verordening is voorgeschreven.
I - De toepasselijke gemeenschapswetgeving
3 Bij verordening (EEG) nr. 2307/70 van 10 november 1970(2) stelde de Raad een autonome preferentiële heffing in voor onder meer "schapenkaas die $Kashkaval' wordt genoemd" (derde overweging van de considerans).
4 Ten tijde van de feiten was de preferentiële regeling neergelegd in verordening (EEG) nr. 2915/79 van de Raad van 18 december 1979 houdende vaststelling van de productengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk en zuivelproducten en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief.(3)
5 Vervolgens wijzigde verordening (EEG) nr. 1463/82 van de Raad van 27 mei 1982(4), verordening nr. 2915/79 op het vlak van de voorwaarden voor indeling van enkele kaassoorten in bepaalde tariefposten, alsmede verordening nr. 950/68. Kashkaval-kaas valt onder tariefpost 04.04 E I b) 2. Evenals in voornoemde verordeningen, werd in een voetnoot gespecificeerd, dat "indeling onder deze onderverdeling onderworpen is aan de voorwaarden en bepalingen, vast te stellen door de bevoegde autoriteiten".
6 Met ingang van 1 januari 1988 wijzigde verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(5) de tariefnomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. Vanaf die datum valt Kashkaval-kaas onder GN-code 0406 90 29, waarbij de volgende voetnoot (2) hoort: "De uit een derde land, in het raam van een tussen dit land en de Gemeenschap gesloten bijzondere overeenkomst, ingevoerde kaas waarvoor een certificaat IMA 1 wordt overgelegd dat onder de op dit gebied geldende communautaire voorwaarden en bepalingen werd afgeleverd, is onderworpen aan een verlaagde heffing."
7 De voorwaarden waaronder Kashkaval-kaas tegen een verlaagde heffing kan worden ingevoerd, zijn bepaald in de verordeningen van de Commissie. Ten tijde van de feiten was voornoemde verordening nr. 1767/82 van toepassing.
8 Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 1767/82 luidt als volgt:
"1. De heffingen bij invoer die van toepassing zijn op de in bijlage II van verordening (EEG) nr. 2915/79 genoemde producten zijn aangegeven in bijlage I.
2. De aangegeven invoerheffingen worden slechts toegepast op de in bijlage I genoemde producten indien een certificaat IMA 1 wordt overgelegd, dat is opgesteld op een formulier volgens het in bijlage II aangegeven model, en indien de in deze verordening vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen."
Artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 1767/82 schrijft voor:
"1. Voor iedere soort en iedere aanbiedingsvorm van de in artikel 1 bedoelde producten moet een certificaat worden opgesteld.
2. Voor iedere soort en iedere aanbiedingsvorm van de producten moet het certificaat de in bijlage III vermelde gegevens bevatten."
Artikel 5, lid 1, van deze verordening bepaalt ten slotte het volgende:
"1. Een certificaat is slechts geldig indien het behoorlijk ingevuld is en geviseerd is door een met de afgifte belaste dienst die voorkomt in bijlage IV."
9 Bijlage I bij verordening nr. 1767/82 verwijst onder nummer l) ex 04.04 E I b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief naar Kashkaval-kaas, zonder enige precisering inzake de grondstof waaruit deze kaas moet worden vervaardigd.
10 Bijlage II bevat het model van het in artikel 1, lid 2, van de verordening bedoelde certificaat IMA 1.
11 Bijlage III bevat de voorschriften inzake het opstellen van de certificaten, en bepaalt, dat naast de vakken 1 tot en met 6, 9, 17 en 18 moeten worden ingevuld:
"2. vak nr. 10 onder vermelding van: $uitsluitend inlandse schapenmelk'."
II - De feiten en de procedure voor de nationale rechter
12 Tussen 24 december 1987 en 13 oktober 1988 voerde Foodic BV (hierna: "Foodic") 860 000 kg Kashkaval-kaas in uit Hongarije. Elk van de 16 invoeraangiften ging volgens de voorschriften van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1767/82 vergezeld van een certificaat IMA 1. Op alle certificaten was vermeld dat het ging om Kashkaval bereid uit koeienmelk.
13 De Belgische autoriteiten hadden op deze kaas het voordeeltarief toegepast. Bij een controle eind oktober 1988, stelden de Belgische autoriteiten vast, dat de ingevoerde Kashkaval met koeienmelk was bereid. Omdat zij van mening waren, dat de preferentiële invoerheffing enkel van toepassing was op uitsluitend met schapenmelk bereide Kashkaval, vorderden de Belgische autoriteiten op 18 december 1989 van Foodic betaling van het verschil tussen het bedrag van de normale invoerheffingen en het bedrag van de reeds betaalde preferentiële invoerheffingen.
14 Omdat betaling achterwege bleef, dagvaardde de Belgische Staat op 8 januari 1992 Foodic tot betaling van 66 424 325 BFR, zijnde het bedrag van de extra heffingen en de verstrekte waarborgen die verbeurd werden verklaard wegens misbruik van de invoercertificaten.
15 De Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wees de vordering van de Belgische Staat bij vonnis van 29 juni 1994 op de voornaamste punten af.
16 De Belgische Staat ging van dit vonnis in hoger beroep bij het Hof van Beroep te Antwerpen.
III - De prejudiciële vragen
17 Aangezien het zich met een probleem van uitlegging van verordening nr. 1767/82 geconfronteerd zag, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen bij tussenarrest van 27 januari 1997 besloten het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Is met Kashkaval in verordening (EEG) nr. 1767/92 enkel bedoeld kaas bereid uit schapenmelk?
2) Voldoet een IMA 1 attest afgeleverd in toepassing van verordening (EEG) nr. 1767/82 maar ingevuld in strijd met de onderrichtingen vermeld in de bijlagen van deze verordening aan de vereisten van artikel 2 van genoemde verordening en heeft dit het verlies van het recht op een verminderd invoertarief tot gevolg?"
De eerste vraag
18 Blijkens de verwijzingsbeschikking betogen verweerders in het hoofdgeding (de importeurs), dat Kashkaval ook met koeienmelk kan worden bereid. Zij wijzen erop, dat het feit dat de Hongaarse autoriteit die het certificaat IMA 1 heeft ingevuld, in vak nr. 10 van het formulier uitdrukkelijk heeft vermeld dat het om kaas van koeienmelk ging, bevestigt dat Kashkaval met die melk kan worden bereid zonder daarom de benaming Kashkaval te verliezen.
19 In dit geval is de relevante vraag, of deze soort Kashkaval-kaas volgens de geldende gemeenschapsregeling in aanmerking kan komen voor de preferentiële heffingen.
20 In de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1767/82 heet het, dat "de indeling in tariefposten niet meer het enige bepalende element is voor de toepassing van de specifieke heffing".
21 Ingevolge artikel 1, lid 2, van deze verordening moet voor de toepassing van de preferentiële heffing aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten:
- er moet een certificaat IMA 1 worden overgelegd, dat is opgesteld op een formulier volgens het in bijlage II aangegeven model,
en
- de in verordening nr. 1767/82 vastgestelde voorwaarden moeten in acht worden genomen.
22 Een van de te vervullen voorwaarden is neergelegd in artikel 3, lid 2, volgens hetwelk het certificaat de in bijlage III vermelde gegevens moet bevatten.
23 Volgens bijlage III, punt I, inzake Kashkaval-kaas, moet in vak nr. 10 van het certificaat IMA 1 de vermelding "uitsluitend inlandse schapenmelk" worden aangebracht.
24 Het lijkt dan ook duidelijk, dat de gemeenschapswetgever het voordeel van de preferentiële heffing heeft willen voorbehouden voor Kashkaval-kaas die uitsluitend met schapenmelk is bereid.
25 In hun schriftelijke opmerkingen stellen verweerders in het hoofdgeding, dat "in de tekst van verordening (EEG) nr. 1767/82 van 1 juli 1982 inzake Kashkaval-kaas geen onderscheid wordt gemaakt tussen kaas gemaakt uit koemelk, dan wel uit schapenmelk; enkel in de bijlage wordt dit subtiel onderscheid ingevoerd, doch de vraag rijst of de tekst in de bijlage van de verordening primeert op de tekst zelf. Het antwoord is vanzelfsprekend neen" (punt 16 van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen).
26 Iets verder voegen verweerders in het hoofdgeding daaraan toe: "nu de oorspronkelijke tekst van de bewuste verordening in zijn tariefcode enkel sprak over $Kashkaval' tout court, kan de Belgische Staat geen onderscheid maken naargelang het gaat om kaas gemaakt uit koemelk dan wel uit schapenmelk". Met "tariefcode" bedoelen zij kennelijk bijlage I bij de verordening.
27 Deze argumentatie moet worden verworpen. Het is namelijk ontoelaatbaar, dat een redenering op basis van de artikelen van de verordening wordt opgebouwd zonder rekening te houden met de bijlagen, of dat enkel bijlage I in aanmerking wordt genomen en in het geheel geen rekening wordt gehouden met bijlage III.
28 Overigens moet worden opgemerkt, dat bijlage I (op één uitzondering na) evenmin gegevens bevat over de grondstof die wordt gebruikt voor de vervaardiging van de andere kazen die daarin bij naam worden genoemd (bijvoorbeeld Emmental, Cheddar, Tilsit en Finlandia). Voor al deze kazen moet bijlage III worden geraadpleegd, die voor de meeste van de betrokken kazen de te gebruiken grondstof vermeldt. Bijlage III verduidelijkt aldus bijlage I. Beide bijlagen vullen elkaar aan en vormen een geheel.
29 Nu de tekst van bijlage I derhalve geen voorrang kan hebben boven die van bijlage III, staat de wil van de gemeenschapswetgever om het voordeel van de preferentiële heffingen enkel toe te kennen voor Kashkaval bereid uit schapenmelk, onomstotelijk vast.
30 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen onderstreept, wordt deze vaststelling bevestigd door het feit, dat de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2307/70 verwijst naar "schapenkaas die $Kashkaval' wordt genoemd". Toen hij Kashkaval-kaas voor het eerst onder het stelsel van de preferentiële heffing plaatste, heeft de Raad op die manier gepreciseerd, dat enkel Kashkaval bereid uit schapenmelk in aanmerking kwam voor de preferentiële behandeling. De Commissie herinnert er terecht aan, dat de Raad zijn besluit sindsdien niet heeft gewijzigd.
31 Bovendien beklemtoont het woord "uitsluitend", dat geen andere soort melk mag worden gebruikt bij de vervaardiging van Kashkaval-kaas, uiteraard nog steeds in de zin van verordening nr. 1767/82.
32 Tot staving van hun stelling beroepen verweerders in het hoofdgeding zich voorts op verordening (EEG) nr. 1225/90 van de Commissie van 10 mei 1990 (6), die verordening nr. 1767/82 heeft gewijzigd door onder meer aan de benaming Kashkaval in bijlage I de vermelding "bereid uit schapenmelk" toe te voegen. Zij betogen, dat de preferentiële heffingen eerst sinds de inwerkingtreding van deze verordening alleen op Kashkaval bereid uit schapenmelk van toepassing zijn.
33 Uit de considerans van verordening nr. 1225/90 volgt inderdaad, dat de Commissie deze precisering heeft gegeven omdat zich bij de opstelling van het certificaat IMA 1 enkele moeilijkheden hadden voorgedaan in verband met de omschrijving van Kashkaval-kaas.
34 Desalniettemin moet een importeur die voor een preferentieel stelsel in aanmerking wil komen, de volledige tekst houdende de voorwaarden van dit stelsel zeer aandachtig lezen, met inbegrip van de aanwijzingen over de manier waarop het bijzondere formulier moet worden ingevuld.
35 De aan bijlage I toegevoegde precisering heeft geen wijziging gebracht in de regeling voor de betrokken kaas, zoals die tot dan in de artikelen van de verordening, juncto bijlage I en bijlage III was vastgesteld.
36 Zoals de Commissie terecht opmerkt, zou zij overigens niet bevoegd zijn om de kenmerken van de bedoelde Kashkaval-kaas te wijzigen, nu deze door de Raad in verordening nr. 2307/70 zijn vastgesteld.
37 Het lijdt dan ook geen twijfel, dat het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend moet luiden: de in verordening nr. 1767/82 bedoelde Kashkaval-kaas mag uitsluitend met schapenmelk zijn bereid.
De tweede vraag
38 De tweede vraag kan in twee onderdelen worden opgedeeld. Het Hof van Beroep te Antwerpen wenst in de eerste plaats te vernemen, of een certificaat IMA 1, dat in strijd met de aanwijzingen in de bijlagen bij verordening nr. 1767/82 is ingevuld, aan de vereisten van de verordening voldoet.
39 Een inleidende opmerking is hier nodig: het Hof van Beroep te Antwerpen verwijst in zijn tweede vraag naar de vereisten van artikel 2 van verordening nr. 1767/82. Artikel 2 betreft evenwel uitsluitend de materiële aspecten van het certificaat AMI 1. Mijns inziens gaat het hier om een drukfout, omdat de vraag enkel betrekking kan hebben op de vereisten van artikel 1 van verordening nr. 1767/82. Het is op basis van dit artikel dat ik op de vraag zal antwoorden.
40 Artikel 1 vereist, dat de in de verordening gestelde voorwaarden in acht worden genomen. Een van deze voorwaarden is neergelegd in artikel 3, lid 2, volgens hetwelk het certificaat IMA 1 de in bijlage III vermelde gegevens moet bevatten.
41 Uit artikel 5, lid 1, volgt overigens, dat "een certificaat slechts geldig is indien het behoorlijk ingevuld is".
42 De vermelding van de door bijlage III voorgeschreven gegevens is een voorwaarde voor de geldigheid van het certificaat, en een certificaat dat niet alle door bijlage III nauwkeurig voorgeschreven gegevens bevat, kan niet voldoen aan de vereisten van artikel 1 van verordening nr. 1767/82.
43 Ingevolge bijlage III bij verordening nr. 1767/82 moet voor Kashkaval-kaas in vak nr. 10 van het certificaat worden ingevuld:
"uitsluitend inlandse schapenmelk".
44 Blijkens het antwoord dat ik voor de eerste vraag heb voorgesteld, had de gemeenschapswetgever steeds de bedoeling om het voordeel van het stelsel uitsluitend voor te behouden aan Kashkaval-kaas bereid uit schapenmelk. De door bijlage III voorgeschreven vermelding betreffende vak nr. 10 van de invoercertificaten voor Kashkaval, is derhalve niet slechts een loutere formele, maar ook een materiële voorwaarde.
45 In antwoord op het eerste onderdeel van de tweede vraag moet dus worden geconcludeerd, dat een certificaat IMA 1, dat krachtens verordening nr. 1767/82 is afgegeven, maar in strijd met de aanwijzingen in de bijlagen bij verordening nr. 1767/82 is ingevuld, niet aan de vereisten van de verordening voldoet.
46 Het Hof van Beroep te Antwerpen vraagt in de tweede plaats, of dit verzuim verlies van het recht op een verminderd invoertarief tot gevolg heeft (zie punt 17, sub 2).
47 De gevolgen van niet-inachtneming van de door verordening nr. 1767/82 gestelde eisen zijn neergelegd in artikel 1, lid 2. Dit artikel bepaalt, dat het preferentieel stelsel slechts op de betrokken producten wordt toegepast, indien de in deze verordening gestelde voorwaarden in acht worden genomen.
48 Lid 2 geeft de bedoeling van de gemeenschapswetgever weer, die wordt uiteengezet in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1767/82, volgens welke "de indeling in tariefposten niet meer het enige bepalende element is voor de toepassing van de specifieke heffing".
49 Overlegging van een certificaat IMA 1 dat voldoet aan alle vereisten van verordening nr. 1767/82, en dat zowel naar de grond als naar de vorm alle aanwijzingen van bijlage III in acht neemt, is derhalve een noodzakelijke voorwaarde om voor het stelsel van de preferentiële heffingen in aanmerking te komen.
50 Verweerders in het hoofdgeding betogen evenwel, dat de verordening niet in een sanctie voorziet, en dat zij daarom niet van het preferentieel stelsel kunnen worden uitgesloten.
51 Volgens deze stelling zouden de ingevoerde producten dus onder het voordeelstelsel van de richtlijn vallen, zelfs indien de in de verordening gestelde voorwaarden niet in acht zijn genomen (artikel 1, lid 2) en zelfs indien de overgelegde certificaten niet geldig waren (artikel 5, lid 1).
52 Dat resultaat zou uiteraard absurd zijn. Een afwijkende regeling hoeft niet in sancties te voorzien. Indien de voorwaarden waaraan zij onderworpen is, niet zijn vervuld, is van rechtswege het gemene recht van toepassing.
53 Verweerders in het hoofdgeding doen dan ook ten onrechte een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Een stelsel van gemeen recht dat op zich niet is betwist, kan een importeur per definitie geen onevenredige last opleggen.
54 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat het preferentieel stelsel niet van toepassing kan zijn op importen die hebben plaatsgevonden onder overlegging van certificaten IMA 1 welke niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden van verordening nr. 1767/82.
55 Voor het geval het Hof de vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen aldus mocht beantwoorden, beroepen verweerders in het hoofdgeding zich op de toepasselijkheid van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingplichtige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide.(7)
56 De vragen van de verwijzende rechter zijn niet gericht op de uitlegging van deze bepaling. Blijkens de verwijzingsbeschikking hebben verweerders dit argument opgeworpen, en de verwijzende rechter citeert verordening nr. 1697/79 als een van de verordeningen die in het bij hem aanhangig geding uitleggingsproblemen veroorzaken.
57 Het komt mij daarom nuttig voor, een aantal beginselen in herinnering te brengen die het Hof in verband met die bepaling heeft geformuleerd, met dien verstande, dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat om te beoordelen of de voorwaarden van die bepaling zijn vervuld.
58 Artikel 5, lid 2, luidt als volgt:
"2. De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte."
59 Volgens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 behoeven de bevoegde autoriteiten dus niet tot navordering over te gaan, indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
- de rechten zijn niet geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf;
- de belastingschuldige heeft te goeder trouw gehandeld, dat wil zeggen hij kon de vergissing van de bevoegde autoriteiten niet ontdekken;
- de belastingschuldige heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan.
60 Wat het criterium "vergissing van de bevoegde autoriteiten" betreft, staat vast, dat de autoriteiten van het land van uitvoer, met name Hongarije, ten onrechte certificaten IMA 1 hebben afgegeven voor kaas bereid uit koeienmelk.
61 Eveneens per vergissing hebben de bevoegde autoriteiten van het land van invoer de verminderde heffing toegepast toen de certificaten IMA 1 vermeldden, dat de kaas met koeienmelk was bereid. Bij verificatie van verordening nr. 1767/82 zou het duidelijk zijn geweest, dat dergelijke producten niet in aanmerking kwamen voor het preferentieel stelsel.
62 Heeft de belastingplichtige te goeder trouw gehandeld?
63 Vaststaat, dat de belastingplichtige in casu geen bedrog heeft gepleegd en niet zijn toevlucht heeft genomen tot frauduleuze praktijken, voor zover hij de Hongaarse of Belgische autoriteiten niet heeft misleid wat de voor de vervaardiging van die kazen gebruikte grondstof betreft. Daarentegen heeft hij volledig ten onrechte de autoriteiten van het land van uitvoer om certificaten IMA 1 verzocht voor producten die niet in aanmerking kwamen voor het preferentieel stelsel.
64 Laat ik eraan herinneren, dat het volgens vaste rechtspraak de taak van de nationale rechter is om vast te stellen, of de belastingschuldige de vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon ontdekken, gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken marktdeelnemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid.(8)
65 Wat de aard van de vergissing betreft, heeft het Hof steeds gepreciseerd, dat onderzocht moet worden of de betrokken regeling ingewikkeld is, of daarentegen eenvoudig genoeg opdat het onderzoek van de feiten het mogelijk maakt een vergissing gemakkelijk te ontdekken.
66 Was de verordening op het ogenblik van de feiten dermate slecht geformuleerd, dat men ervan uit kan gaan, dat de belastingschuldige bij het indienen van zijn verzoeken om certificaten te goeder trouw handelde en dat hij evenmin de vergissing van de bevoegde autoriteiten kon ontdekken?
67 Zoals ik hiervóór heb opgemerkt, heeft de Commissie in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1225/90 (reeds aangehaald) erkend, dat "zich een aantal moeilijkheden hebben voorgedaan in verband met de omschrijving van deze kaas bij de opstelling van het certificaat IMA 1". Zij heeft daarom in bijlage I bij verordening nr. 1767/82 de benaming "Kashkaval" gewijzigd in "Kashkaval, bereid uit schapenmelk", en andere preciseringen gegeven over de kenmerken van deze kaas.
68 Zoals ik evenwel reeds heb uiteengezet in verband met het antwoord op de eerste vraag, ben ik van mening, dat een beroepsimporteur die het voordeel van een afwijkende regeling vroeg, de verordening in haar geheel diende te lezen. Hij diende zelfs bijlage III met bijzondere aandacht te lezen, om de autoriteit van het land van uitvoer alle gegevens te kunnen verschaffen die deze voor het opstellen van het certificaat nodig had.
69 In de derde plaats staat het aan de nationale rechter om na te gaan, of alle bepalingen van de geldende regeling in acht zijn genomen. Uit de antwoorden die ik voor de eerste vraag en het eerste onderdeel van de tweede vraag heb voorgesteld, blijkt evenwel duidelijk, dat mijns inziens de bepalingen van de geldende regeling niet in acht zijn genomen.
70 Verweerders in het hoofdgeding beroepen zich tevens op het vertrouwensbeginsel. Dienaangaande volstaat het te herinneren aan het arrest van 26 april 1988(9), waarin het Hof het volgende heeft verklaard: "daarom kan geen beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan tegen een duidelijke bepaling van het gemeenschapsrecht en kan een daarmee strijdige handeling van een met de toepassing van het gemeenschapsrecht belaste nationale instantie bij een handelaar geen gewettigd vertrouwen op een met het gemeenschapsrecht strijdige handeling doen ontstaan".
Conclusie
71 Gelet op een en ander, moeten naar mijn oordeel de twee vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen worden beantwoord als volgt:
"1) Met Kashkaval bedoelt verordening (EEG) nr. 1767/82 van de Commissie van 1 juli 1982 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten, kaas die uitsluitend uit schapenmelk is bereid.
2) Een certificaat IMA 1 dat krachtens verordening nr. 1767/82 is afgegeven, maar in strijd met de aanwijzingen in bijlage III bij deze verordening is ingevuld, voldoet niet aan de vereisten van artikel 1, lid 2, van voornoemde verordening. Het stelsel van de preferentiële heffingen is dan ook niet van toepassing op importen die onder overlegging van een dergelijk certificaat hebben plaatsgevonden."
(1) - PB L 196, blz. 1.
(2) - Verordening tot wijziging, in het bijzonder wat bepaalde kaassoorten betreft, van verordening (EEG) nr. 823/68 houdende vaststelling van de productengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk en zuivelproducten (PB L 249, blz. 13).
(3) - PB L 329, blz. 1.
(4) - PB L 159, blz. 1.
(5) - PB L 256, blz. 1.
(6) - PB L 120, blz. 56.
(7) - PB L 197, blz. 1.
(8) - Zie bijvoorbeeld arrest van 1 april 1993, Hewlett Packard France (C-250/91, Jurispr. blz. I-1819, punt 22).
(9) - Krücken (316/86, Jurispr. blz. 2213, punt 24).
Full & Egal Universal Law Academy