Conclusie van de advocaat generaal
1 Met het onderhavige beroep vordert het Europees Parlement de nietigverklaring van beschikking 96/664/EG van de Raad van 21 november 1996 tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter bevordering van de taalverscheidenheid in de Gemeenschap in de informatiemaatschappij.(1) De gevorderde nietigverklaring houdt verband met de rechtsgrondslag van de beschikking, die is vastgesteld op basis van artikel 130 van het EG-Verdrag. Volgens de verzoekende instelling had de beschikking ook moeten worden gebaseerd op artikel 128, inzake gemeenschapsacties op cultureel vlak.
Feiten en toepasselijke regeling
2 De procedure die aan de vaststelling van de beschikking vooraf is gegaan, kan worden samengevat als volgt. Op 8 november 1995 legde de Commissie de Raad een voorstel voor inzake de vaststelling van een meerjarenprogramma ter bevordering van de taalverscheidenheid van de Gemeenschap in de informatiemaatschappij (hierna: "MLIS-programma").(2) Bij wetgevingsresolutie van 21 juni 1996(3) stelde het Parlement, dat de beschikking niet alleen moest worden vastgesteld op basis van artikel 130 EG-Verdrag, doch ook moest worden gebaseerd op artikel 128, teneinde de klemtoon te leggen op de culturele aspecten van het programma. Wat de rechtsgrondslag betreft, bleef de Commissie evenwel bij haar aanvankelijk voorstel, en op 21 november 1996 werd de bestreden handeling door de Raad vastgesteld op de uitsluitende grondslag van artikel 130. Daarop verzocht het Parlement het Hof de beschikking nietig te verklaren.
3 Om de rechtsgrondslag van de bestreden handeling te toetsen, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof(4) in de eerste plaats worden gelet op het doel en de inhoud ervan.
In de eerste overweging van de considerans heet het,
"dat de opkomst van de informatiemaatschappij het bedrijfsleven en met name de taalindustrieën nieuwe perspectieven biedt voor communicatie en handel op door een rijke verscheidenheid op taal- en cultureel gebied gekenmerkte Europese en mondiale markten".
Daaraan wordt de bedenking vastgeknoopt, "dat het bedrijfsleven en alle overige belanghebbenden om ten volle van de voordelen van de interne markt te kunnen profiteren en op de wereldmarkten concurrerend te blijven, specifieke en passende oplossingen dienen uit te werken om de taalbarrières te overwinnen."(5)
In de derde overweging van de considerans wordt gepreciseerd wie in de eerste plaats belang heeft bij deze beschikking:
"(...) de particuliere sector op dit gebied bestaat hoofdzakelijk uit KMO's, die geconfronteerd worden met aanzienlijke problemen bij het opereren op de verschillende talenmarkten, en die derhalve gesteund dienen te worden, met name gezien hun rol als bron van werkgelegenheid."
In de vierde overweging wordt nadrukkelijk gewezen op de noodzaak
"het gebruik te stimuleren van technologieën, hulpmiddelen en methoden die de kosten van de informatieoverdracht tussen mensen en informaticatoepassingen die verschillende talen gebruiken, beperken, waarbij tevens zorg dient te worden gedragen voor de kwaliteit van vertalingen, met name van literaire vertalingen, die een specifieke creatieve inspanning vergen."
De zevende overweging van de considerans wijst op de noodzaak van een gemeenschapsactie:
"(...) taalbeleid is een aangelegenheid die tot de bevoegdheid behoort van de lidstaten, die daarbij het gemeenschapsrecht in acht nemen; de bevordering van de ontwikkeling en het gebruik van moderne hulpmiddelen voor taalverwerking evenwel is een werkterrein waarop communautaire actie noodzakelijk is teneinde tot aanzienlijke schaalvoordelen en cohesie tussen de verschillende taalgebieden te komen; de op communautair niveau te ondernemen acties moeten in verhouding staan tot de te bereiken doelstellingen en mogen slechts die terreinen bestrijken die voor de Gemeenschap toegevoegde waarde kunnen opleveren."
Voorts wordt in de considerans gewezen op de positieve gevolgen van de beschikking voor de burgers van de Gemeenschap, die aldus "op rechtvaardige wijze toegang hebben tot informatie", die "voor hen beschikbaar dient te zijn in hun eigen taal"(6), en de "gelegenheid (dienen te hebben) om toegang te krijgen tot de rijkdom en verscheidenheid van de Gemeenschap op cultureel en taalgebied".(7)
In de considerans heet het verder nog, dat
"talen die van de informatiemaatschappij uitgesloten blijven het gevaar zouden lopen meer of minder snel in een marginale positie te worden gedrongen."(8)
De essentiële bepalingen van de tekst van de beschikking zijn de artikelen 1 en 2. Artikel 1 luidt:
"Er wordt een communautair programma vastgesteld teneinde:
- het bewustzijn te verhogen inzake, en het verstrekken te stimuleren van, meertalige diensten in de Gemeenschap die gebruik maken van taaltechnologieën, -hulpbronnen en -normen;
- gunstige voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de taalindustrieën;
- de kosten van informatieoverdracht tussen talen te verminderen, met name ten behoeve van het MKB;
- bij te dragen tot de bevordering van de taalverscheidenheid van de Gemeenschap.
In de zin van deze beschikking wordt verstaan onder:
a) meertalige diensten: diensten waarbij communicatie kan plaatsvinden tussen gebruikers van verschillende talen van de Gemeenschap;
b) taalindustrieën: de ondernemingen, instellingen en beroepsbeoefenaars die eentalige of meertalige diensten verstrekken of zulks mogelijk maken, op gebieden als de ontsluiting van informatie, vertaling, taaltechnologie en elektronische woordenboeken."
Artikel 2 preciseert de inhoud van het programma:
"Teneinde de in artikel 1 vermelde doelstellingen te verwezenlijken, worden in overeenstemming met de in bijlage I vervatte programmapunten en de in bijlage III beschreven procedures voor de tenuitvoerlegging van het programma, de volgende acties ondernomen:
- ondersteuning van de totstandbrenging van een dienstenkader voor taalhulpbronnen en aanmoediging van de bij die opbouw betrokken verenigingen;
- aanmoediging van het gebruik van taaltechnologieën, -hulpbronnen en -normen, en de integratie ervan in informaticatoepassingen;
- bevordering van het gebruik van geavanceerde taalhulpmiddelen in de openbare sector van de Gemeenschap en de lidstaten;
- begeleidende maatregelen.
Geen van deze acties mag de werkzaamheden overlappen die op deze gebieden in het kader van andere communautaire of nationale programma's worden verricht.
In alle geplande acties zal, in het kader van de maatregelen van de Gemeenschap, op zodanige wijze rekening worden gehouden met de bestaande nationale, communautaire en internationale samenwerkingsovereenkomsten voor het gemeenschappelijk gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van vertalingen, terminologie, lexicons en corpora, dat de beschikbare faciliteiten worden gebruikt en doublures worden voorkomen."
Het programma loopt over een periode van drie jaar(9), en de Commissie is belast met de tenuitvoerlegging ervan.(10)
4 De relevante verdragsbepalingen zijn de volgende:
Artikel 128, in Titel IX, Cultuur, luidt als volgt:
"1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed.
2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen:
- verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren,
- instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang,
- culturele uitwisseling op niet-commerciële basis,
- scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector.
3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake cultuur bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.
4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening met de culturele aspecten."
Ter verwezenlijking van deze doelstellingen, heeft de Raad een dubbele bevoegdheid: hij kan "met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie" aanbevelingen aannemen(11), en hij kan "stimuleringsmaatregelen (aannemen), met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten".(12) In laatstbedoeld geval wordt de gemeenschappelijke besluitvormingsprocedure van artikel 189 B gevolgd.
Eveneens van belang is artikel 130, Titel XIII, Industrie:
"1. De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap aanwezig zijn.
Hiertoe is hun optreden, overeenkomstig een systeem van open en concurrerende markten, erop gericht:
- de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen;
- een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Gemeenschap, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;
- een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen;
- een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren.
(...)
3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag. De Raad kan op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid van stemmen specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken.
(...)"
In rechte
5 Vooraf zij opgemerkt, dat het Parlement de relevantie van artikel 130 als rechtsgrondslag van de bestreden beschikking niet betwist, doch ervan uitgaat dat deze bepaling niet de enige rechtsgrondslag is(13); hieraan moet een tweede bepaling worden toegevoegd, namelijk artikel 128. De vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, is dus, of gelet op het doel en de inhoud van de bestreden beschikking, diende te worden uitgegaan van de dubbele rechtsgrondslag waarover de verzoekende instelling het heeft.
Partijen zijn het hierover niet eens. De zienswijze van het Parlement, dat een dubbele rechtsgrondslag noodzakelijk was, is hoofdzakelijk gebaseerd op het argument, dat met de bestreden beschikking de taalkundige diversiteit wordt nagestreefd, als wezenlijk element van de Europese cultuur.(14) Het cultureel aspect is niet secundair of bijkomstig ten opzichte van het cultureel aspect. Daarom diende volgens het Parlement de bestreden beschikking ook te worden gebaseerd op artikel 128.
De Raad deelt deze zienswijze niet. Hij erkent dat de bevordering van de taalverscheidenheid ook een culturele weerslag heeft, doch wijst erop dat het daarbij gaat om een indirect gevolg van het eigenlijk doel van de beschikking, dat een industrieel karakter heeft. De culturele weerslag is dus slechts een nevenaspect, zodat de bestreden beschikking kon worden vastgesteld zonder te verwijzen naar artikel 128.
6 Ik kan mij bij de zienswijze van het Parlement niet aansluiten. Ik geloof namelijk niet, dat de "taalverscheidenheid" in het onderhavige geval het cultureel belang heeft dat de verzoekende instelling daaraan toekent. De bevordering en verzekering van de taalverscheidenheid heeft op zich een neutraal karakter; dit houdt alleen in, dat alle categorieën betrokkenen de mogelijkheid wordt verzekerd om hun eigen taal te spreken. Ten slotte valt nog te bezien, of het dispositief van de beschikking is ingegeven door culturele doelstellingen, in die zin dat de taalverscheidenheid een onderdeel zou zijn van het "cultureel erfgoed van Europees belang" in de zin van artikel 128, lid 2, tweede streepje, dan wel of bedoelde taalverscheidenheid enkel is beschouwd vanuit het oogpunt van de gevolgen ervan voor het handelsverkeer: deze verscheidenheid brengt namelijk voor de ondernemingen kosten teweeg, en kan een beletsel vormen voor de toegang tot buitenlandse markten, vooral voor kleine of middelgrote ondernemingen.
Het komt mij voor, dat de bestreden beschikking niet de eerste maar de tweede van deze doelstellingen op het oog had. De gemeenschapswetgever wijst erop, dat "het bedrijfsleven en alle overige belanghebbenden om ten volle van de voordelen van de interne markt te kunnen profiteren en op de wereldmarkten concurrerend te blijven, specifieke en passende oplossingen dienen uit te werken om de taalbarrières te overwinnen".(15) Veel belang wordt bovendien gehecht aan het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen "geconfronteerd worden met aanzienlijke problemen bij het opereren op de verschillende talenmarkten, en derhalve gesteund dienen te worden (...)".(16)
De betrokken beschikking is derhalve vastgesteld om "het gebruik te stimuleren van technologieën, hulpmiddelen en methoden die de kosten van de informatieoverdracht tussen mensen en informaticatoepassingen die verschillende talen gebruiken, beperken (...)".(17)
In werkelijkheid is het communautaire programma duidelijk gebaseerd op economische overwegingen, zoals uitdrukkelijk volgt uit artikel 1 van de beschikking, waarin de doelstellingen ervan als volgt zijn geformuleerd: "het bewustzijn te verhogen inzake, en het verstrekken te stimuleren van, meertalige diensten in de Gemeenschap die gebruik maken van taaltechnologieën, -hulpbronnen en -normen" (eerste streepje); " gunstige voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de taalindustrieën" (tweede streepje); "de kosten van informatieoverdracht tussen talen te verminderen, met name ten behoeve van het MKB" (derde streepje).
Deze conclusie vindt bovendien bevestiging in artikel 2, met de beschrijving van de gemeenschapsacties ter verwezenlijking van voormelde doelstellingen:
"ondersteuning van de totstandbrenging van een dienstenkader voor taalhulpbronnen en aanmoediging van de bij die opbouw betrokken verenigingen" (eerste streepje);
"aanmoediging van het gebruik van taaltechnologieën, -hulpbronnen en -normen, en de integratie ervan in informaticatoepassingen" (tweede streepje);
"bevordering van het gebruik van geavanceerde taalhulpmiddelen in de openbare sector van de Gemeenschap en de lidstaten" (derde streepje);
"begeleidende maatregelen" (vierde streepje).
Ook hier gaat het om technische acties met commerciële toepassingen, die dus bedoeld zijn ter vergemakkelijking van de grensoverschrijdende activiteit van de ondernemingen. Precies tegen deze achtergrond moet het belang worden beoordeeld dat het Parlement hecht aan artikel 1, eerste alinea, vierde streepje: "bijdragen tot de bevordering van de taalverscheidenheid van de Gemeenschap". Dit betekent niets anders, dan dat de ondernemers de mogelijkheid moet worden gegeven om deel te nemen aan een globale markt zonder zich genoopt te zien een bepaalde voertaal te gebruiken, en de daarmee gepaard gaande kosten te dragen, wat negatieve gevolgen zou hebben voor hun concurrentievermogen. Het ligt voor de hand dat culturele overwegingen hierbij geen enkele rol spelen, doch alleen overwegingen van commerciële aard: het is namelijk de bedoeling een geheel van technische instrumenten ter beschikking van de kleine en middelgrote ondernemingen te stellen, dat hen in staat stelt toegang te krijgen tot buitenlandse markten zonder hinder te ondervinden van taalbarrières. Anders gezegd, de taal wordt hier niet gezien als een middel van cultuuroverdracht, maar als een instrument voor de uitwisseling van economische informatie, als een communicatiemiddel tussen ondernemers van verschillende nationaliteiten.
Gelet op een en ander, moet mijns inziens ook nader worden ingegaan op de twaalfde overweging van de considerans, waarin het heet "dat talen die van de informatiemaatschappij uitgesloten blijven, het gevaar lopen meer of minder snel in een marginale positie te worden gedrongen". Met een beroep op deze passage stelt het Parlement, dat de bescherming van de minder courante talen een aspect is van de culturele dimensie van de beschikking. Mijns inziens evenwel ten onrechte: het gevaar dat de wetgever heeft willen bezweren, is dat van een marginalisering op commercieel en niet op cultureel gebied. Daarom is een communautaire actie georganiseerd, teneinde de technische voorwaarde te creëren om het gebruik van alle talen op de markt te garanderen.
7 In wezen wordt de "taalverscheidenheid" in de bestreden beschikking beschouwd vanuit het oogpunt van de economische integratie, en niet vanuit een cultureel perspectief. Anders dan het Parlement, ben ik niet van mening dat de verwijzing naar de "bevordering van de taalverscheidenheid" in artikel 1, eerste alinea, vierde streepje, van de bestreden beschikking, meebrengt dat zij - zoals het Parlement stelt - ook de "instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang" in de zin van artikel 128, lid 2, tweede streepje, tot doel heeft: de reden hiervoor is, dat - zoals gezegd - de taal in de beschikking niet wordt gezien als een deel van het "cultureel erfgoed", doch wel als een instrument voor de economische activiteit.(18)
Hiermee is niet gezegd, dat het betrokken communautair programma, wanneer het ten uitvoer is gelegd, geen weerslag kan hebben op cultureel vlak, en meer in het bijzonder op het vlak van het gebruik van de verschillende nationale talen. Het programma zal namelijk tot gevolg hebben, dat de ondernemers de beschikking zullen krijgen over taaltechnologieën die de uit de taalverscheidenheid voortvloeiende belemmeringen zullen verminderen. Op middellange of lange termijn zal dit ook de handhaving van de minder courante talen in het internationale verkeer bevorderen.(19) Doch zoals de Raad terecht opmerkt, gaat het hier slechts over een onrechtstreeks gevolg, dat in het kader van de onderhavige zaak geen grond kan opleveren om de bestreden beschikking in te delen bij de acties van culturele strekking. En dat is uiteindelijk de enige vraag die hier van belang is. Voor de vaststelling van de bestreden beschikking behoefde geen beroep te worden gedaan op artikel 128. Het Hof heeft overigens eerder reeds beslist, dat de toepassing van een dubbele rechtsgrondslag niet vereist is wanneer de vast te stellen handeling binnen het toepassingsgebied van een verdragsbepaling valt en slechts onrechtstreeks ook doelstellingen van een andere bepaling nastreeft.(20) Dit beginsel dient mijns inziens ook in de onderhavige zaak te gelden. Opdat een actie gebaseerd zou kunnen zijn op artikel 128, is vereist dat zij rechtstreeks en uitdrukkelijk de in die verdragsbepalingen bedoelde acties op cultureel vlak tot "doel" heeft.
Deze zienswijze vindt overigens bevestiging in de tekst zelf van artikel 128, lid 4, bepalende dat "de Gemeenschap bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening houdt met de culturele aspecten". Uit deze bepaling blijkt, dat in het Verdrag de cultuur als het ware als een transversale waarde wordt beschouwd, die potentieel alle sectoren van de communautaire activiteit raakt. Niet elke culturele weerslag volstaat dus om een beroep op artikel 128 te rechtvaardigen. De handelingen die met toepassing van deze bepaling zullen worden vastgesteld, dienen specifiek maatregelen op cultureel vlak te betreffen. Artikel 128 is dus niet van toepassing wanneer de handeling ter verwezenlijking van doelstellingen van een specifieke communautaire actie of een specifiek communautair beleid, ook op cultureel gebied gevolgen teweegbrengt, zij het onrechtstreeks en bijkomstig. De zienswijze van het Parlement impliceert, dat elke actie die culturele neveneffecten kan hebben, binnen het toepassingsgebied van artikel 128 zal vallen. Deze gevolgtrekking is mijns inziens evenwel in strijd met lid 4 van dit artikel.
8 Concluderend, zie ik dus in de bestreden beschikking geen teleologische of inhoudelijke elementen die grond zouden opleveren om te spreken van een communautaire actie op cultureel vlak, in die zin dat bij de vaststelling van de desbetreffende regeling de toepassing van artikel 128 noodzakelijk zou zijn geweest. De bevordering van de "taalverscheidenheid" wordt in de betrokken beschikking alleen gezien vanuit commercieel oogpunt; eventuele culturele aspecten zijn een louter onrechtstreeks en bijkomstig gevolg daarvan ten opzichte van het doel en de inhoud van de betrokken handeling.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- het beroep van het Europees Parlement te verwerpen;
- het Europees Parlement te verwijzen in de kosten.
(1) - PB L 306, blz. 40.
(2) - Het voorstel is te zien in de context van het door de Commissie op 19 juli 1994 vastgestelde actieplan "Europa op weg naar de informatiemaatschappij: een actieplan" [COM(94) 347].
(3) - PB C 198, blz. 248.
(4) - Zie onder meer arrest van 3 december 1996, Portugal/Raad (C-268/94, Jurispr. blz. I-6177).
(5) - Tweede overweging van de considerans.
(6) - Elfde overweging van de considerans.
(7) - Zesde overweging van de considerans.
(8) - Twaalfde overweging van de considerans.
(9) - Zie artikel 3, waarin ook het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van dit programma is vastgesteld.
(10) - Zie artikel 4.
(11) - Artikel 128, lid 5, tweede streepje.
(12) - Artikel 128, lid 5, eerste streepje.
(13) - Het Parlement wijst er evenwel op, dat de Raad, om de nadruk te leggen op de industriële aspecten van de beschikking, ten onrechte uitdrukkingen gebruikt zoals "taalindustrieën", waarvan de verzoekende instelling het bestaan ontkent. De Raad van zijn kant antwoordt hierop terecht, dat deze uitdrukking in artikel 1, tweede alinea, sub b, alle ondernemingen omvat die in diverse opzichten in de betrokken sector werkzaam zijn. Mijns inziens kan het bestaan van deze sector moeilijk worden ontkend.
(14) - Ter terechtzitting heeft het Parlement erop gewezen, dat het cultureel aspect van de beschikking eveneens voortvloeit uit de omstandigheid, dat de voor de tenuitvoerlegging ervan noodzakelijke financiële middelen op de begroting van de Commissie zijn ingeschreven onder de titel "Cultuur"; de Raad heeft op deze opmerking niet geantwoord, en heeft zich ertoe bepaald erop te wijzen dat deze opmerking tardief is. Nog afgezien van het eventuele tardief karakter van dit argument, komt het mij voor dat het niet relevant is. Ik zie namelijk niet in hoe de indeling van het betrokken programma in het kader van de begroting van de Commissie gevolgen zou kunnen hebben voor het oordeel van het Hof over de rechtsgrondslag van die beschikking: in de eerste plaats is de begroting goedgekeurd na de vaststelling van de beschikking; bovendien kan niet worden uitgesloten dat niet de keuze van de rechtsgrondslag van de beschikking, doch wel de indeling in de begroting onjuist is.
(15) - Tweede overweging van de considerans. Cursivering van mij.
(16) - Derde overweging van de considerans. Cursivering van mij.
(17) - Vierde overweging van de considerans.
(18) - Ik kan mij vanzelfsprekend niet aansluiten bij de zienswijze van het Parlement, dat een deel van de beschikking niet binnen het toepassingsgebied van artikel 130 valt, zodat een beroep op artikel 128 zich opdringt. Meer in het bijzonder verwijst de verwerende instelling naar artikel 2, derde streepje, bepalende dat een van de in het kader van het programma te ondernemen acties de "bevordering van het gebruik van geavanceerde taalhulpmiddelen in de openbare sector van de Gemeenschap en de lidstaten" is. Volgens het Parlement gaat het hier om een actie die de openbare sector betreft, hoewel deze buiten het toepassingsgebied van artikel 130 valt, dat uitsluitend betrekking heeft op de particuliere sector. De Raad heeft hier evenwel terecht op geantwoord, dat voormelde bepaling ertoe strekt "de noodzakelijke voorwaarden voor het concurrentievermogen van de industrie" te creëren; en de goede werking van de communautaire en de nationale overheidsdienst, is een van die voorwaarden; bovendien omvat de term "openbare sector" niet alleen de overheidsadministratie stricto sensu, doch ook de overheidsondernemingen.
(19) - Evenmin kunnen gevolgen worden uitgesloten die verder gaan dan het louter commerciële gebied, eventueel onrechtstreeks en in een perspectief van toekomstige ontwikkelingen: zie de zesde overweging van de considerans, waarin wordt gewezen op de culturele perspectieven die de Europese burgers zullen worden geboden in het kader van de opkomst van de informatiemaatschappij.
(20) - Zie arrest van 26 maart 1996, Parlement/Raad (C-271/94, Jurispr. blz. I-1689).
Full & Egal Universal Law Academy