Conclusie van de advocaat generaal
1 Het door de Bondsrepubliek Duitsland ingestelde beroep strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 tot wijziging van beschikking 96/311/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993(1) , voor zover de Commissie bij deze beschikking een totaalbedrag van 19 591 000 DEM voor rekening van de Bondsrepubliek Duitsland heeft gelaten.
2 Dit bedrag komt overeen met een forfaitaire correctie van 2 % van alle uitgaven die tijdens het begrotingsjaar 1992 zijn gedeclareerd voor de levering van rundvlees aan het interventiebureau.
3 De Commissie heeft deze forfaitaire correctie toegepast krachtens haar "Richtsnoeren betreffende de forfaitaire correcties in geval van tekortkomingen in de door de lidstaten verrichte controles". Deze richtsnoeren voorzien in forfaitaire correcties van 2, 5 of 10 %, naargelang de ernst van de tekortkomingen. De in casu toegepaste correctie van 2 % geschiedt, "wanneer de tekortkoming slechts minder belangrijke onderdelen van het controlestelsel betreft dan wel de uitvoering van controles die niet wezenlijk zijn om de regelmatigheid van de uitgaven te waarborgen, zodat redelijkerwijze kan worden geconcludeerd, dat het risico van verlies voor het EOGFL gering was".
4 Als reden voor deze forfaitaire correctie voert de Commissie bepaalde tekortkomingen aan, die zij zou hebben ontdekt tijdens onderzoeken van de maatregelen betreffende de aankoop, de verkoop en de opslag van in interventie genomen rundvlees, die in 1993 en 1994 zijn verricht bij de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung (Duits interventiebureau, hierna: "BALM"), op basis van de jaarinventarissen van de 107 koelhuizen in Duitsland, alsook bij vier koelhuizen.
5 Meer bepaald heeft de Commissie in haar syntheseverslag over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het jaar 1993(2), een aantal bezwaren geuit met betrekking tot de controles bij de inslag, tijdens de opslag en bij de uitslag van het vlees.
6 Deze tekortkomingen bij de controles leveren volgens de Commissie een schending op van artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(3), alsmede van de artikelen 3 en 4 van verordening (EEG) nr. 618/90 van de Commissie van 14 maart 1990 tot vaststelling van de voorschriften voor de jaarlijkse inventarisatie van landbouwproducten in voorraad bij de interventiebureaus.(4)
7 De Commissie zet uiteen, dat haar bevindingen en de forfaitaire correctie van 2 % betrekking hebben op het ontoereikende controlesysteem in zijn geheel, met andere woorden op tekortkomingen in alle drie stadia (controle bij de inslag, tijdens de opslag en bij de uitslag), en niet op de tekortkomingen van elk van die stadia afzonderlijk. Volgens de Commissie zijn het juist de tekortkomingen in het gehele Duitse controlesysteem die een risico voor de gemeenschapsbegroting doen ontstaan. Zij voegt hieraan toe dat zij zich tot een correctie van 2 % heeft beperkt, omdat de Bondsrepubliek Duitsland heeft getracht de vastgestelde gebreken te verhelpen en omdat een aantal misbruiken door gerichte controles zijn ontdekt.
I - Feiten
8 In 1994 en 1995 wisselden de bevoegde Duitse autoriteiten en de Commissie meermaals van gedachten en werden een aantal besprekingen gevoerd, waarvan één op 20 januari 1995 ten kantore van de BALM in Frankfurt. Die besprekingen leverden echter niets op. Op verzoek van de Duitse regering werd de zaak op 15 december 1995 aanhangig gemaakt bij het bemiddelingsorgaan dat is ingesteld bij beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie(5). Het bemiddelingsorgaan hoorde de diensten van de Commissie en de Duitse autoriteiten na hun een vragenlijst te hebben voorgelegd.
9 Op 1 maart 1996 kwam het bemiddelingsorgaan, rekening houdend met uiteenlopende beoordelingen door de Commissie en de Duitse autoriteiten, tot voorlopige conclusies, waarna het beide partijen voorstelde een grondige dialoog te voeren om tot een gelijklopende beoordeling van de feiten te komen.
10 In een brief van 19 maart 1996 aan het bemiddelingsorgaan verklaarden de Duitse autoriteiten zich principieel bereid tot het voeren van een nieuw gesprek met de Commissie, eraan toevoegend dat een dergelijk bemiddelingsgesprek slechts zin had indien de Commissie bereid was constructief naar een compromis te streven.
11 In een brief van 21 maart 1996 liet de Commissie weten dat zij haar standpunt handhaafde en dat, ofschoon zij zich niet tegen een gesprek verzette, een verdere ontmoeting niets zou opleveren.
12 Tegen die achtergrond achtte het bemiddelingsorgaan het niet opportuun een gesprek te organiseren. In zijn eindrapport van 29 maart 1996 nam het geen beslissing, doch beperkte het zich tot zijn voorlopige conclusies.
13 Daarop heeft de Bondsrepubliek Duitsland het onderhavige beroep ingesteld.
II - Inleidende beschouwingen
14 De Bondsrepubliek Duitsland vecht de kritiek op het Duitse controlesysteem aan, alsmede de juistheid van de bevindingen waartoe de Commissie tijdens de controles is gekomen. Zij acht de forfaitaire correctie derhalve ongegrond.
15 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland heeft de Commissie evenmin rekening gehouden met de argumenten en bewijzen die zowel mondeling als schriftelijk tijdens de aan het beroep voorafgaande periode zijn aangevoerd.
16 De Commissie stelt daarentegen, dat zij die bewijzen wel degelijk heeft onderzocht, doch dat deze haar niet konden overtuigen.
17 De Commissie wijst er terecht op, dat de toegepaste forfaitaire correctie verband houdt met de algemene tekortkomingen bij de controle, en niet met de tekortkomingen in elk stadium van de interventie. Niettemin staat het aan de Commissie om het bestaan van elk van de ingeroepen tekortkomingen te bewijzen. De kernvraag van het beroep, te weten of het Duitse controlesysteem inderdaad gebreken vertoonde, kan eerst worden beantwoord na een grondig onderzoek van de bewijzen die de Duitse regering heeft ingebracht tegen de bevindingen waarop de beschikking van de Commissie steunt.
18 In dit verband lijkt het nuttig, hier reeds enige rechtspraak met betrekking tot de bewijslast aan te halen. Het Hof heeft in een arrest van 1 oktober 1998(6) beslist dat:
"het EOGFL alleen interventies financiert die volgens de communautaire regels plaatsvinden in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten (zie arrest van 10 november 1993, Nederland/Commissie, C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 14). In dit verband staat het aan de Commissie om een schending van de regels van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten te bewijzen (zie arresten van 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie, 347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 16; 19 februari 1991, Italië/Commissie, C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 19; 6 oktober 1993, Italië/Commissie, C-55/91, Jurispr. blz. I-4813, punt 13, en 10 november 1993, Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18). De Commissie dient derhalve haar beschikking waarbij zij het ontbreken van controles of gebreken in de door de betrokken lidstaat verrichte controles vaststelt, te motiveren (zie arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie, C-8/88, Jurispr. blz. I-2321, punt 23).
De betrokken lidstaat kan de bevindingen van de Commissie niet ontkrachten door middel van louter beweringen die niet worden gestaafd met bewijzen waaruit het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem blijkt. Indien de lidstaat niet slaagt in het bewijs, dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, kan er op grond daarvan ernstig aan worden getwijfeld, of er een afdoende en doelmatig stelsel van toezichts- en controlemaatregelen is ingevoerd (zie, in deze zin, arrest van 12 juni 1996, Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 28)."
19 Tot staving van haar beroep wijst de Bondsrepubliek Duitsland erop, dat met betrekking tot vorige begrotingsjaren geen bedragen van communautaire financiering zijn uitgesloten, hoewel toen in Duitsland volgens hetzelfde systeem werd gecontroleerd en de Commissie grondige controles uitvoerde of liet uitvoeren.
20 De Commissie geeft toe, dat zij met betrekking tot de begrotingsjaren 1987 en 1988 inderdaad geen bedragen ten laste van de Bondsrepubliek Duitsland heeft gelegd, hoewel zij bij controles tekortkomingen had geconstateerd, in verband waarmee zij aanbevelingen aan de Duitse autoriteiten had gedaan. Bij het onderzoek van het stelsel in 1991 en 1992 zouden echter reeds vastgestelde en niet gecorrigeerde alsmede nieuwe tekortkomingen aan het licht zijn gekomen. Volgens de Commissie vormt het aanduiden van bepaalde tekortkomingen geen beletsel om bij latere onderzoeken van het controlestelsel op andere tekortkomingen te wijzen en daarmee rekening te houden door bedragen ten laste te leggen.
21 Wat dit argument betreft ben ik het met de Commissie eens, dat het feit dat de Commissie tijdens een begrotingsjaar tekortkomingen vaststelt, doch daaraan geen financiële gevolgen verbindt, haar niet het recht ontneemt om dat tijdens latere begrotingsjaren wel te doen, vooral wanneer de tekortkomingen voortduren. Bovendien mag zij bij de vaststelling van het niveau van de forfaitaire correcties rekening houden met nieuwe geconstateerde tekortkomingen, zonder daarover voorafgaande opmerkingen of waarschuwingen te hebben geuit.
22 Tenslotte stelt de Duitse regering, dat haar standpunt door de conclusies van het bemiddelingsorgaan wordt bevestigd.
23 De Commissie betwist de uitlegging van deze conclusies door de Duitse regering en wijst erop, dat zij volgens artikel 1, lid 2, sub a, van beschikking 94/442 bij het geven van haar beschikking niet aan de conclusies van dit orgaan gebonden is. Dit wordt door de Duitse regering niet weersproken.
24 Behalve een lange opsomming van de meningsverschillen tussen partijen, bevatten de conclusies van het bemiddelingsorgaan de volgende passages:
"Het tijdens de betrokken periode toegepaste Duitse controlesysteem, met name de inschakeling van door de BALM gemachtigde controleurs, was ongetwijfeld vatbaar voor verbetering, zoals gesuggereerd in een aantal opmerkingen van het EOGFL in het kader van de controles van 1987 en 1988 en zoals aangetoond in een aantal inmiddels door de Duitse overheden getroffen maatregelen (zie hun brief nr. 714/1248/1992 van 6 oktober 1995). Uit deze maatregelen kan echter niet worden afgeleid, dat de voordien toegepaste maatregelen ontoereikend waren om financiële risico's voor het EOGFL te vermijden.
Over de vraag of het Duitse controlesysteem al dan niet voldoende doeltreffend is om dergelijke risico's te vermijden, heeft het orgaan nog geen definitief oordeel kunnen vellen. (Op dat punt waren) de beoordelingen van de feitelijke gegevens met betrekking tot de controlesituatie door de diensten van de Commissie respectievelijk door de Duitse autoriteiten te uiteenlopend."
25 Dit voorlopige standpunt van het bemiddelingsorgaan wijst stellig op een vrij gunstige principiële houding tegenover het door de Bondsrepubliek Duitsland toegepaste controlestelsel. Het bemiddelingsorgaan erkent echter, dat een definitief oordeel pas kan worden gevormd na een nader onderzoek naar de wijze waarop dit stelsel in de praktijk functioneert. Dat onderzoek dient thans derhalve plaats te vinden.
26 Verder werpt het bemiddelingsorgaan de vraag op, of het Duitse controlestelsel voldoende betrouwbaar was om risico's te vermijden in de gevallen waarin het slachthuis en het koelhuis tot hetzelfde concern behoren. Het bemiddelingsorgaan stelt terzake:
"De diensten van de Commissie verklaren dat zij geen enkel bewijs hebben ontvangen tot staving van de bewering van de Duitse autoriteiten, als zouden de controles steeds door BALM-functionarissen zijn verricht wanneer het slachthuis en het koelhuis tot hetzelfde concern behoorden. De Duitse autoriteiten hebben het bemiddelingsorgaan documenten overgelegd die hun bewering bevestigen voor bepaalde concrete gevallen. Het orgaan begrijpt niet, waarom deze wezenlijke elementen niet in eerdere stadia van de procedure grondig zijn onderzocht en definitief zijn opgehelderd. Het nodigt partijen dan ook uit om met spoed werk te maken van deze opheldering."
27 Deze verklaringen tonen enerzijds aan, dat het bemiddelingsorgaan van mening was dat de Duitse autoriteiten de juistheid van hun bewering in een aantal concrete gevallen hadden aangetoond, maar anderzijds blijft de vraag open, of op basis van die gevallen een algemene conclusie kan worden getrokken.
28 Een derde passage in de conclusies van het bemiddelingsorgaan bevat een voorlopig oordeel. Op de vraag of de door de Duitse autoriteiten ontdekte fraudegevallen hadden kunnen worden vermeden wanneer de BALM uitsluitend op eigen controleurs beroep had gedaan, antwoordt het bemiddelingsorgaan dat het "geneigd is te denken dat voor een dergelijk vermoeden onvoldoende grond bestaat, gezien het frauduleus karakter van deze onregelmatigheden". Op dit aspect van het probleem kom ik later nog terug.
III - De controles bij de overname (de inslag)
A - Argumenten van partijen
29 Op dit onderdeel bestaat de argumentatie van de Duitse regering tegen het syntheseverslag van de Commissie uit vijf punten.
1. De inzet van werknemers van de koelhuizen als gemachtigden van de BALM
30 Het syntheseverslag wijst erop dat krachtens artikel 14 van verordening (EEG) nr. 859/89 van de Commissie van 29 maart 1989 betreffende de wijze van toepassing van de interventiemaatregelen in de sector rundvlees(7), de overname van de producten door het interventiebureau (dit wil zeggen de eigendomsoverdracht en het bepalende moment voor de betaling) plaatsvindt op de dag waarop de producten in de opslagplaats worden afgeleverd. Daarom heeft de Commissie kritiek geleverd op de frequente inzet van werknemers van de koelhuizen als gemachtigden van de BALM om de producten te wegen en de overname ervan te bekrachtigen. Bovendien schrijven de instructies van de BALM aan haar regionale diensten weliswaar nauwkeurig de inhoud van de door de inspecteurs te verrichten controles voor, maar over het tijdstip en de frequentie van de controles bevatten zij niets. De controles kunnen niet behoorlijk worden verricht met verificaties achteraf, omdat de kwartieren dan al zijn gewogen, bevroren, verpakt, op laadborden geplaatst en in het koelhuis opgeslagen. Het EOGFL uit dan ook ernstige twijfels over de betrouwbaarheid van het controlestelsel dat steunt op door werknemers van de koelhuizen afgegeven certificaten.
31 In het syntheseverslag staat ook te lezen dat de BALM in zoverre eerst heeft gewezen op het belangenconflict tussen de slachthuizen die voor interventie verkopen en de koelhuizen waar de goederen worden opgeslagen. Het verslag vervolgt echter dat het door het EOGFL verrichte onderzoek had aangetoond, dat men zich niet op die controle kon verlaten, omdat slachthuizen en koelhuizen soms aan dezelfde groep ondernemingen toebehoren. Na uitdrukkelijk nota te hebben genomen van de positieve punten van het Duitse systeem, handhaaft het EOGFL dan ook zijn principiële bezwaar, dat een officiële, onafhankelijke en volledige controle door de BALM bij de overname ontbreekt.
32 Ter rechtvaardiging van de inschakeling van werknemers van de koelhuizen als gemachtigden, wijst de Bondsrepubliek Duitsland erop, dat de controles op de overname uit twee etappes bestaan: de eerste in het slachthuis en de tweede in het koelhuis.
33 In de eerste etappe, in het slachthuis, wordt uitsluitend door BALM-functionarissen gecontroleerd, en niet door andere personen als gemachtigden van de BALM; in deze etappe van de controles worden de voorwaarden voor interventie door functionarissen van de BALM volledig onderzocht.
34 In de tweede etappe, in het koelhuis, worden de controles, aldus verzoekster, zoveel mogelijk door een BALM-functionaris verricht. Evenwel heeft BALM ook een beroep gedaan op gemachtigden, werknemers van het koelhuis. In dat geval zou de BALM ervaren werknemers inzetten die een gerichte opleiding hebben gehad. Aan de hand van tabellen en borden in de koelhuizen konden zij nagaan of de geleverde kwartieren vlees konden worden overgenomen. In geval van twijfel zond de dienst van de BALM onmiddellijk een controleur die de beslissing over de overname zou nemen. Bovendien zouden de gemachtigden regelmatig worden gecontroleerd en opgeleid door de toezichthouder van de BALM.
35 De Bondsrepubliek Duitsland verklaart dat de controles die in het koelhuis door gemachtigden van de BALM zijn verricht, op dezelfde manier en even grondig hebben plaatsgevonden als die van controleurs van de BALM. Bovendien zijn de door de gemachtigden van de BALM verrichte controles achteraf door BALM-controleurs, medewerkers van de regionale diensten van de BALM en toezichthouders van de BALM aan de hand van documenten en door fysiek onderzoek van het in opslag genomen vlees geverifieerd. Deze procedure waarborgt voldoende veiligheid en biedt een doeltreffende bescherming tegen fraude. Het controlestelsel vormt volgens de Duitse regering een geheel, en moet in zijn geheel worden onderzocht. Bij een afzonderlijke beoordeling van de twee etappes zou onvermijdelijk de indruk ontstaan dat het stelsel tekortkomingen vertoont, indien men geen rekening houdt met de controles in het slachthuis. De Duitse regering verklaart dat de Commissie bij haar kritiek geen rekening heeft gehouden met het feit dat het stelsel twee etappes kent, en dat zij haar beschikking op dit punt derhalve onvoldoende heeft gemotiveerd.
36 De Commissie repliceert, dat zij de controles in het slachthuis niet in twijfel trekt, maar dat deze geen voorwerp van kritiek en derhalve evenmin het voorwerp van het onderhavige beroep vormen. Evenwel kunnen deze controles de vastgestelde tekortkomingen van het Duitse stelsel in het stadium van de overname niet opheffen. Volgens de Commissie kan uit de regelmatigheid van de controles in het slachthuis geen conclusie worden getrokken wat de controle bij de overname betreft. Evenmin kan uit de regelmatigheid van de controles in het slachthuis worden afgeleid, dat de controles in het koelhuis minder streng zouden moeten zijn. Deze laatste controles hebben een eigen, voor het betalingsstelsel van de Gemeenschap fundamentele betekenis. De BALM heeft het belang van deze controles erkend door voor de uitvoering ervan bijzondere instructies op te stellen.
37 De controles achteraf aan de hand van documenten en door fysiek onderzoek, die plaatsvinden wanneer de BALM een beroep doet op gemachtigden, zijn volgens de Commissie zeker nuttig en noodzakelijk binnen het stelsel van gemachtigden van de BALM, maar hebben slechts een beperkte draagwijdte. Het gaat namelijk vooral om controles op geschreven stukken, waarbij belangrijke elementen zoals het correct versnijden en zuiveren van de geleverde kwartieren, het behoud van de voor de levering voorgeschreven temperatuur (ongeveer 7_ C) of het correct wegen van de kwartieren, niet aan bod komen.
38 De Commissie vestigt de aandacht op de risico's die met het gebruik van gemachtigden gepaard gaan, te weten de onmogelijkheid om achteraf de onregelmatigheden in de controle bij de overname te corrigeren en de belangenconflicten wanneer het slachthuis en het koelhuis aan dezelfde persoon toebehoren.
39 Met betrekking tot het eerste risico zet de Commissie uiteen, dat de noodzakelijke controles bij de overname slechts kunnen plaatsvinden op het moment waarop het rundvlees aan het koelhuis wordt afgeleverd. Het ontbreken van controles op dat tijdstip, of de onregelmatige uitvoering ervan, kan niet later, door onderzoek van documenten of door fysiek onderzoek, ook al is het dan door BALM-functionarissen, worden gecorrigeerd; dan is het vlees immers al gewogen, bevroren, verpakt en ingeslagen. Hieruit blijkt de bijzondere verantwoordelijkheid van degene die met de controle bij de overname is belast.
40 De risico's in verband met belangenconflicten wanneer het verkopend slachthuis en het met de opslag belaste koelhuis tot hetzelfde concern behoren, worden in het Duitse systeem onvoldoende in aanmerking genomen. Volgens de Commissie is het zonder meer duidelijk en volkomen normaal, dat er een belangenconflict optreedt bij de gemachtigde van de BALM. Enerzijds is deze immers werknemer van het koelhuis, en anderzijds moet hij bij de overname van het vlees de regelmatigheid van de door het koelhuis verrichte handelingen controleren. Indien het, ondanks dit onvermijdelijk belangenconflict, onmogelijk is af te zien van de inzet van gemachtigden van de BALM, dan hadden de Duitse autoriteiten volgens de Commissie doeltreffende maatregelen moeten nemen om te verhinderen dat dit belangenconflict afbreuk doet aan de kwaliteit van de noodzakelijke controles bij de overname.
41 De Bondsrepubliek Duitsland voert aan dat de BALM, wanneer in het kader van interventiemaatregelen voor rundvlees het verkopende slachthuis met een koelhuis was verbonden, zoveel mogelijk heeft vermeden het aangekochte vlees in dat koelhuis op te slaan. In de zeldzame gevallen waarin om organisatorische redenen van dat beginsel moest worden afgeweken, werden de controles bij de overname in het met het slachthuis verbonden koelhuis uitsluitend door BALM-functionarissen verricht. De Bondsrepubliek Duitsland noemt zes gevallen van verbonden ondernemingen en voegt in de bijlage het dossier toe van de controles in het geval van de Annuss-ondernemingen (slachthuis en koelhuis). Zij preciseert, dat de BALM haar regionale diensten door middel van mondelinge instructies had opgedragen deze beginselen na te leven.
42 De Commissie vindt deze beweringen niet geloofwaardig: aanvankelijk hebben de Duitse autoriteiten gesteld, dat het rechtens ontoelaatbaar was dat ondernemingen die voor interventie verkochten, zelf zorgden voor de opslag van hun producten. Later is na een controle gebleken, dat deze bewering niet met de werkelijkheid strookte en dat verbonden ondernemingen inderdaad onderling zulke contracten sloten. Volgens de Commissie hebben de Duitse autoriteiten daarop verklaard, dat in die gevallen de controles moesten worden versterkt. Thans wordt in het verzoekschrift van de Bondsrepubliek Duitsland betoogd, dat in het geval van verbonden ondernemingen, de controles steeds door BALM-functionarissen zijn verricht. Om die redenen is deze argumentatie volgens de Commissie ongeloofwaardig. De instructies van de BALM aan haar regionale diensten bevatten geen woord over het bijzondere probleem van de verbonden ondernemingen. De enkele overlegging van het controledossier Annuss - Annuss vormt geen bewijs, dat de controles stelselmatig volledig door BALM-functionarissen zijn uitgevoerd.
2. Concrete, bij controles aan het licht gekomen onregelmatigheden
43 Luidens het syntheseverslag van de Commissie is de twijfel over de betrouwbaarheid van het Duitse controlestelsel door de ontdekking van frauduleuze praktijken verder toegenomen. In een bij het onderzoek van het EOGFL aan het licht gekomen geval had een werknemer van het koelhuis delen van kwartieren tussen de overname en het invriezen weggenomen. In een ander typisch geval werd de classificatiestempel van de klasse "O" bedrieglijk door de stempel "R" vervangen, waardoor 6,7 ton niet voor interventie geschikt vlees kon worden overgenomen. In nog een ander geval werd de overname van 92 ton rundvlees mogelijk gemaakt door het gebruik van een valse stempel van de BALM. Dit geval werd pas na de uitslag ontdekt.
44 De Bondsrepubliek Duitsland voert aan dat deze in drie gevallen vastgestelde, aan frauduleuze praktijken te wijten onregelmatigheden, op zich niet aan de zekerheid en de regelmatigheid van het gehele controlestelsel kunnen afdoen, temeer omdat zij dankzij controles van de BALM en van andere Duitse diensten zijn ontdekt, de verantwoordelijken ter verantwoording zijn geroepen en er derhalve geen financieel nadeel voor de Gemeenschap is ontstaan.
45 Volgens de Commissie kan de omstandigheid dat de BALM of andere Duitse diensten drie gevallen van onregelmatigheden hebben ontdekt, evenmin als bewijs van de betrouwbaarheid van het Duitse controlestelsel worden beschouwd. De forfaitaire correctie van 2 % is niet op die gevallen gebaseerd, maar die gevallen tonen wel duidelijk de tekortkomingen van het controlestelsel in de stadia van de overname, het beheer van de voorraad en de uitslag van het rundvlees in het kader van de interventie aan.
46 De Commissie meent dat het eerste geval een goed voorbeeld vormt van de tekortkomingen van het Duitse stelsel. Indien er bij de overname regelmatig en overeenkomstig het gemeenschapsrecht controles hadden plaatsgevonden, zou het volkomen uitgesloten zijn geweest dat stukken vlees tussen de levering en het invriezen worden weggenomen, aangezien de controles de gehele periode bestrijken, vanaf het moment waarop de kwartieren vlees worden geleverd totdat zij worden bevroren. Het feit dat deze fraude achteraf werd ontdekt, doet niet af aan de nalatigheden en tekortkomingen van de controle bij de overname.
47 De Commissie zet in haar verweerschrift uiteen, dat is vastgesteld dat het aantal voor opslag overgenomen halve karkassen vaak niet met het voordien in het slachthuis getelde aantal halve karkassen overeenstemde.
48 De Bondsrepubliek Duitsland repliceert dat de verschillen in het aantal halve karkassen die in het slachthuis kwalitatief werden onderzocht, worden verklaard door hetgeen de Duitse diensten in de controlefase uitgebreid aan de Commissie hebben uitgelegd, te weten dat er tijdens het vervoer naar het koelhuis gebreken aan de voor overname bestemde halve karkassen gaan optreden, bijvoorbeeld aan het vervoer te wijten vervuiling, hetgeen in het kader van de controle bij de overname tot weigering van het vlees wegens niet-eerbiediging van de voorwaarden voor interventie leidt. Deze verschillen houden geen verband met leemtes in het controlestelsel. Zij zijn niet relevant, omdat enkel vlees dat in het koelhuis wordt overgenomen in aanmerking komt voor interventie.
49 In dupliek beoogt de Commissie, dat de door de Bondsrepubliek Duitsland verschafte uitleg volkomen geloofwaardig is. Zij verbaast zich er alleen over, dat deze anomalieën in de processen-verbaal betreffende de kwaliteitsbeoordeling en overname van het rundvlees niet zijn vermeld, met name in de in het syntheseverslag vermelde gevallen. Die gevallen tonen ook aan, dat het bestaan van dergelijke onregelmatigheden, anders dan de Duitse regering wil doen geloven, niet noodzakelijkerwijs tot de weigering van het betrokken vlees leidt.
50 Met betrekking tot het risico van fraude in het algemeen, waarbij vlees van betere kwaliteit zou worden vervangen door vlees van mindere kwaliteit, verklaart de Bondsrepubliek Duitsland dat over het uitgevoerde vlees (95 %) door de afnemers nooit klachten zijn geuit. Zij gaat ervan uit dat, indien dergelijke fraude zou hebben plaatsgevonden, de kopers deze aan de kaak zouden hebben gesteld. Voor het gedeelte van de voorraden dat bestemd is voor voedselhulp (5 %), was een verwisseling uitgesloten, omdat voor versneden en verpakt vlees moeilijk een afnemer zou zijn gevonden.
51 De Commissie antwoordt dat het gevaar van fraude reëel was en in het geval van verbonden ondernemingen bijna een zekerheid was geworden omdat het kennelijk niet moeilijk was een vals proces-verbaal in het betalingsstelsel te brengen, zonder dat hoefde te worden gevreesd voor ontdekking.
52 Volgens de regering van de Bondsrepubliek Duitsland bestaat de mogelijkheid om valse processen-verbaal in het betalingsstelsel te brengen slechts wanneer alle voor de overname van het aangekochte rundvlees en voor de administratieve controle verantwoordelijke personen en diensten (slachthuis, BALM-controleur/BALM-gemachtigden, beëdigde weger, koelhuis, regionale diensten en hoofdkantoor van de BALM) gezamenlijk bedrog plegen. Tegen een dergelijke omvangrijke en ernstige fraude biedt volgens haar geen enkel stelsel voldoende bescherming.
53 De Commissie herinnert eraan, dat de Duitse regering in antwoord op haar brief van 13 april 1994, waarin op het risico van de tersluikse inbreng van valse processen-verbaal werd gewezen, bij brief van 6 juli 1994 heeft verklaard, dat er "ter verzekering dat de bij de overname door het BALM-hoofdkantoor, door de regionale BALM-diensten en door het koelhuis opgestelde processen-verbaal onderling overeenstemmen (...), naast de bestaande controleprocedure - zoals door het EOGFL voorgesteld - een passende interne controle- en vergelijkingsprocedure zal worden ingevoerd". Met die verklaring heeft de Duitse regering naar het inzien van de Commissie toegegeven, dat de tot dan toe gevolgde procedure geen volledige bescherming bood tegen de tersluikse inbreng van valse processen-verbaal in het betalingsstelsel.
3. Statistieken
54 De Commissie heeft in haar syntheseverslag vastgesteld, dat een "vergelijking van de statistieken opvallende contrasten in de regionale controleactiviteit opleverde. Zo was de BALM van Hamburg, die ongeveer 40 % van de leveringen voor opslag voor 1991 en 1992 voor zijn rekening nam, in staat te bewijzen dat een functionaris van de BALM in meer dan de helft van de gevallen in haar regio bij de overname aanwezig was (38 % in 1991 en 72 % in 1992). De minst belangrijke regio's voor de BALM, Berlijn en Weimar, vertoonden een controlegraad van 80 %. In de regio's van Mühlheim en Mannheim, die voor ongeveer 25 % van de nationale leveringen instaan, bedroeg de controlegraad slechts 20 %. In de regio van München, de tweede belangrijkste voor de BALM (ongeveer 28 % van het nationale totaal), was er geen enkele controle in 1991."
55 De Bondsrepubliek Duitsland zet in haar verzoekschrift uiteen, dat voor het begrotingsjaar 1992 het bewijs is geleverd dat meer dan de helft (ongeveer 52 %) van de 14 000 in een koelhuis verrichte controles door een controleur van de BALM zijn verricht en dat, bij die gelegenheid, de controleur van de BALM naast het proces-verbaal van overname (deel B) ook een formulier genaamd "Bericht über die Prüfung im Empfangsbetrieb" (verslag over de controle in het bedrijf van bestemming) heeft ingevuld en aan de BALM bezorgd. De overige controles (ongeveer 48 %) zijn volgens de Bondsrepubliek Duitsland door gemachtigden van de BALM verricht, zodat een controle bij de overnames voor 100 % gewaarborgd was.
56 De Commissie leidt uit de statistieken af dat er reële tekortkomingen zijn, ook al zijn de meeste controles verricht door functionarissen van de BALM zelf (52 % in totaal voor het jaar 1992). De Commissie hecht veel belang aan de regionale verschillen die in het syntheseverslag zijn vermeld en waaruit blijkt, dat achter het gemiddelde van 52 % grote verschillen in controleactiviteit schuilgaan. In het geval van München wijzen de vastgestelde verschillen op de ernst van de tekortkomingen van het Duitse controlestelsel.
57 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland is de passage in het syntheseverslag betreffende de controleurs van de BALM van de regionale dienst van München onjuist; deze bewering, die voor het eerst is geuit tijdens de bemiddelingsprocedure en op een misverstand stoelt, is onmiddellijk gecorrigeerd. De processen-verbaal van overname bewijzen dat de regionale dienst van München 16 % van de controles bij de overname in koelhuizen door eigen controleurs heeft verricht.
58 De Commissie geeft toe, dat zij in haar verweerschrift lijkt te suggereren, dat de functionarissen van de BALM geen enkele controle zouden hebben verricht in München. Dat was echter niet de belangrijkste vaststelling. Wat zij op basis van de door de Duitse autoriteiten opgevraagde en doorgegeven regionale controle-informatie heeft kunnen vaststellen, is dat alleen München niet het algemene controlestelsel volgde en ten bewijze van de controles door functionarissen van de BALM het "verslag over de controle in het bedrijf van bestemming" heeft overgelegd. Bij gebreke van een geloofwaardige verklaring voor het bijzondere geval van de regionale dienst van München, heeft de Commissie verondersteld dat de voor de dienst van München vermelde aantallen controles door functionarissen van de BALM onvoldoende waren gestaafd. De Commissie wijst er nog op dat, uitgaande van de door de Duitse diensten geleverde cijfers, niet 16 % maar slechts 11 % van de controles bij de overname rechtstreeks door de regionale dienst van München zijn verricht (op een totaal van 3 747 zijn 412 processen-verbaal opgesteld door BALM-functionarissen).
4. Documentatie betreffende overnamecontroles
59 In haar syntheseverslag zet de Commissie uiteen, dat uit onderzoek van een aantal controleverslagen is gebleken dat de controles van de individuele partijen niet altijd volledig waren, omdat zij niet altijd alle in de dienstinstructies van de BALM voorgeschreven elementen, van de levering tot de opname in de voorraad, omvatten. Anderzijds bevatten 10 % van de door het EOGFL onderzochte verslagen een of andere negatieve opmerking (bv. slechte versnijding, te hoge temperatuur, enz.) waardoor een deel of het geheel van de levering werd geweigerd. Een en ander wijst op het belang van onafhankelijke officiële controles bij de overname in de overnemende onderneming, in het bijzonder wanneer het slachthuis en het koelhuis tot dezelfde onderneming horen.
60 In haar verweerschrift verklaart de Commissie, dat haar onderzoek van de controleverslagen aantoont, dat deze de toets van het gemeenschapsrecht niet doorstaan. De verslagen, die haar met vertraging werden bezorgd, vallen volgens de Commissie uiteen in drie groepen:
Eerste groep: verslagen over controles bij de overname die door functionarissen van de BALM zelf zijn verricht op het moment van de levering van de partijen rundvlees: deze verslagen vermelden vaak kleinere onvolkomenheden hetgeen volledig overeenstemt met de gangbare praktijk en met hetgeen men kan verwachten, en men kan eruit afleiden dat de controles volledig en zorgvuldig waren.
Tweede groep: verslagen over controles die door functionarissen van de BALM na de overname zijn verricht. Deze verslagen bevestigen dat de partijen rundvlees zijn onderzocht toen zij al bevroren waren, en stellen uitdrukkelijk vast dat het in dat stadium niet meer mogelijk was een volledige controle van de overname te verrichten.
Derde groep: verslagen over de overname van de interventiewaar door gemachtigden van de BALM; het gaat daarbij om deel B van het "proces-verbaal betreffende de kwaliteitsbeoordeling en overname van het rundvlees", waarin, na de vaststellingen door het slachthuis op deel A, de overname van het rundvlees met het oog op opslag wordt bevestigd. Het verdient opmerking, dat de gemachtigden van de BALM op dit deel B van het proces-verbaal geen enkele negatieve opmerking noteren. Dit resultaat stemt niet overeen met wat in de praktijk wordt vastgesteld en wordt trouwens tegengesproken door het resultaat van de door de functionarissen van de BALM verrichte controles. Deze tegenspraak is onmiskenbaar en versterkt de stelling van de Commissie, dat het controlestelsel tekortkomingen vertoont.
61 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland gaat het hier om een verkeerde beoordeling van de documenten. Er bestaan twee documenten: het "proces-verbaal betreffende de kwaliteitsbeoordeling en de overname van het rundvlees", door de Commissie als controleverslag aangeduid, en het "verslag over de controle in de overnemende onderneming". In het Duitse systeem is enkel het proces-verbaal relevant. Het tweede document is een intern document van de BALM.
62 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland zijn de beweringen van de Commissie onjuist voor zover zij uitsluitend verwijzen naar het "verslag over de controle in de overnemende onderneming". Bovendien verwerpt de Bondsrepubliek Duitsland de bewering als zouden de door de gemachtigden van de BALM opgestelde processen-verbaal van overname (deel B), die geen negatieve opmerking bevatten, niet overeenstemmen met wat de Commissie in de praktijk heeft vastgesteld. Anderzijds zou de Commissie slechts een zeer beperkt aantal "verslagen over de controle in de overnemende onderneming", met daarin vaststellingen van controleurs van de BALM met betrekking tot de verschillen met de normale controleprocedures, hebben gepresenteerd. Die verslagen kunnen dan ook niet als bewijs dienen voor een eventueel algemeen gebrek aan controle te wijten door de inzet van gemachtigden.
63 Hierop antwoordt de Commissie, dat zij in haar verweerschrift enkel een aantal voorbeelden heeft gekozen die haar stellingen staafden. De bewering als zou het slechts om een "zeer beperkt aantal" verslagen handelen, is dan ook ongegrond. De Commissie zet uiteen, dat in totaal in ongeveer 15 % van de na het gesprek van 20 januari 1996 onderzochte controleverslagen melding is gemaakt van gebreken, waarbij éénmaal de vermelding "ontbreken van een stempel van de BALM".
64 De Commissie voegt hieraan toe, dat de Duitse diensten zelf de "verslagen over de controle in de overnemende onderneming" naar voren hebben geschoven om de regelmatige werking van het Duitse controlestelsel aan te tonen, nadat de Commissie had vastgesteld dat de processen-verbaal van overname vaak niet door de Duitse diensten werden opgesteld, hetgeen hun eigen instructies nochtans vereisten, en soms niet eens waren ondertekend. Het is dan ook logisch dat de diensten van de Commissie eveneens met de "verslagen over de controle in de overnemende onderneming" rekening gingen houden.
65 De Duitse regering zet uiteen dat in het formulier "proces-verbaal betreffende de kwaliteitsbeoordeling en overname van rundvlees" dat in het begrotingsjaar 1992 werd gebruikt voor de controle bij de overname, geen rubriek was voorzien waarin de functionarissen of de gemachtigden van de BALM bijzonderheden of kleine gebreken konden noteren die hen bij de overname waren opgevallen. Alleen in het koelhuis overgenomen halve karkassen werden in deel B van het proces-verbaal van overname genoteerd. Later heeft de BALM, op suggestie van het EOGFL, het formulier gewijzigd en een rubriek voor de vermelding van de opgevallen bijzonderheden of gebreken opgenomen.
66 De Commissie ziet in deze omstandigheid een bijkomende illustratie van de tekortkomingen van het toenmalige Duitse stelsel. Zij beschouwt het ontbreken van een dergelijke rubriek in het proces-verbaal als een ernstige nalatigheid. Dat klemt te meer wanneer, zoals de Duitse regering verklaart, het proces-verbaal bij overname in feite het belangrijkste controledocument vormt voor het stadium van de overname. Een dergelijke rubriek zou de met de controle belaste persoon ertoe hebben aangezet om de eventuele gebreken van het geleverde vlees met zorg op te sporen en eventueel, door het plaatsen van zijn handtekening, de goede kwaliteit van het vlees uitdrukkelijk te bevestigen.
67 Enkele "verslagen over de controle in de overnemende onderneming" maken gewag van rundvlees dat in de vriestunnel werd geïnspecteerd. De Bondsrepubliek Duitsland verklaart dat het daarbij nog om vers vlees ging, en niet, zoals de Commissie beweert, om bevroren vlees. De controles bij de overname konden correct plaatsvinden, aangezien het invriezen pas begon nadat de hele geleverde partij in de vriestunnel was gebracht.
68 De Commissie repliceert dat uit twee van de betrokken verslagen blijkt, dat het vlees pas daags na de levering, respectievelijk de daarop volgende dag, werd geïnspecteerd. De Duitse regering dient uit te leggen of en hoe het mogelijk is dat het vlees na meer dan 24 uur vers zou zijn gebleven en niet bevroren. Wat er ook van zij, controles achteraf maken het in elk geval onmogelijk toe te zien op het aanhouden van de voor de levering voorgeschreven temperatuur van 7_ C. Wanneer de verslagen deze temperatuur bevestigen, kan deze bevestiging niet steunen op door functionarissen van de BALM verrichte controles.
5. Toepasselijkheid van verordening nr. 2456/93
69 Volgens het verzoekschrift van de Bondsrepubliek Duitsland baseert de Commissie zich bij haar kritiek op het in Duitsland gebruikte opslagsysteem - weliswaar niet uitdrukkelijk, maar wel inhoudelijk - op artikel 17, lid 4, van verordening (EG) nr. 2456/93 van de Commissie van 1 september 1993 tot uitvoering van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad wat de algemene en de speciale interventiemaatregelen in de sector rundvlees betreft(8). Uit de overwegingen van deze verordening blijkt, dat de Commissie zelf toegaf dat het reglementair arsenaal waarover zij in de sector beschikte niet voldeed om aan de uitzonderlijke situatie eind 1992, met de grootste interventievoorraden voor rundvlees sinds de oprichting van de Gemeenschap, het hoofd te bieden. Deze verordening trad pas in september 1993 in werking en was niet van toepassing op het begrotingsjaar 1992; een vergelijkbare bepaling ontbrak in verordening (EEG) nr. 859/89, die daarvóór gold. De Bondsrepubliek verwijt de Commissie, dat deze onder voorwendsel van artikel 8 van verordening nr. 729/70 de strengere bepalingen van verordening nr. 2456/93 met terugwerkende kracht op het begrotingsjaar 1992 toepast.
70 Volgens de Commissie is dit verwijt onjuist, omdat de kritiek op het Duitse controlestelsel voor het begrotingsjaar 1992 feitelijk noch rechtens is gebaseerd op de bij verordening nr. 2456/93 ingevoerde regeling, maar op de omstandigheid dat de Duitse regering in strijd met de vereisten van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 niet alle maatregelen heeft genomen die nodig waren om zich ervan te vergewissen, dat de door het EOGFL gefinancierde verrichtingen daadwerkelijk en op regelmatige wijze waren uitgevoerd.
B - Onderzoek
71 Bevat het Duitse controlestelsel bij de overname van rundvlees in interventie tekortkomingen die een, zij het beperkt, gevaar voor verlies voor het EOGFL opleveren?
72 Ondanks de door de verzoekende regering naar voren geschoven argumenten moet deze vraag bevestigend worden beantwoord.
73 Het valt stellig niet te ontkennen, dat de functionarissen van de BALM bij de controles in het slachthuis de eerbiediging van de voorwaarden voor interventie volledig controleren. Deze controles kunnen echter de tekortkomingen van de controles bij de overname in het koelhuis niet corrigeren. De regelmatigheid van de in het slachthuis verrichte controles is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de controles bij de overname in het koelhuis namelijk irrelevant. Op grond van het eerder genoemde artikel 14 van verordening nr. 859/89 is het bepalende moment voor de eigendomsoverdracht van de producten die in interventie worden overgenomen en voor de betaling, het moment waarop het vlees wordt overgenomen. De Commissie verklaart dan ook terecht dat de controles in het koelhuis een zelfstandige, belangrijke rol spelen in het betalingssysteem van de Gemeenschap.
74 De Duitse regering geeft zelf toe, dat een afzonderlijke beoordeling van deze controles onvermijdelijk tot de vaststelling van tekortkomingen leidt(9).
75 Uit de op controleverslagen gebaseerde vaststellingen van de Commissie blijkt, dat de gemachtigden geen voldoende kritische controle uitvoeren. Wanneer de controles bij de overname door functionarissen van de BALM gebeuren, komen er in hun verslagen vaak opmerkingen voor, terwijl bij de gemachtigden van de BALM geen negatieve opmerkingen voorkomen. Dit is volgens de Commissie bevestigd bij controles achteraf door BALM-functionarissen, die in 15 % van de gevallen kanttekeningen maken bij de door de gemachtigden verrichte controle.
76 Het argument van de Duitse regering dat de door functionarissen van de BALM opgestelde verslagen van controles achteraf slechts een intern document van de BALM vormen, en dat alleen het bij de overname ingevulde proces-verbaal van controle rechtskracht heeft, moet worden verworpen. Zoals de Commissie terecht stelt, hebben de Duitse diensten die documenten zelf naar voren geschoven, om aan te tonen dat hun controlestelsel naar behoren functioneert. Daaruit volgt dat, indien die documenten haar bevindingen bevestigen, niets de Commissie belet om er een beroep op te doen.
77 De Commissie merkt terecht op, dat de noodzakelijke controles pas kunnen plaatsvinden op het moment van de levering van het rundvlees in het koelhuis; controles achteraf door functionarissen van de BALM kunnen eventuele tekortkomingen in de controles bij de overname niet ongedaan maken. Wanneer de BALM-controleur niet aanwezig is bij de overname, zal hij het vlees inspecteren wanneer het zich in de vriestunnel (Schockgefrierraum) bevindt, dan wel wanneer het reeds is opgeslagen.
78 In de eerste hypothese moet het vlees na 24 uur in de vriestunnel al wel zodanig bevroren zijn, dat de eigenschappen ervan niet meer met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden nagetrokken, om over de temperatuur bij aankomst maar te zwijgen.
79 In de tweede hypothese is een grondig onderzoek van de staat waarin het vlees de onderneming binnenkwam a fortiori onmogelijk, aangezien het invriezingsproces ten einde is en het vlees is verpakt en in opslag genomen.
80 Deze controles van documenten en het fysiek onderzoek achteraf zijn dus slechts van beperkte waarde wat de regelmatigheid van de verrichtingen betreft.
81 Gaat men er derhalve van uit, dat de belangrijkste controles plaatsvinden bij de overname van het vlees, dan is een bijkomende tekortkoming van het toenmalige Duitse stelsel, dat het in 1992 voor de controles bij de overname gebruikte proces-verbaal geen specifieke rubriek bevatte voor het vermelden van eventueel bij de controle van de overname aan het licht gekomen bijzonderheden of kleine gebreken van het over te nemen vlees. Dat klemt te meer wanneer, zoals de Duitse regering verklaart, enkel dat document rechtsgeldig is. Zij heeft deze tekortkoming overigens erkend en verholpen door voor latere begrotingsjaren een dergelijke rubriek op te nemen.
82 Het is minder duidelijk welke conclusies vallen te trekken uit de gevallen van fraude. Zoals gezegd is het bemiddelingsorgaan "geneigd te denken" dat deze onregelmatigheden, omdat het om fraude ging, evenmin hadden kunnen worden vermeden wanneer de BALM uitsluitend op eigen controleurs een beroep had gedaan. Dat is mogelijk. Anderzijds zouden de bedrieglijke vervanging van stempels "O" door stempels "R" en het gebruik van een vervalste BALM-stempel om 92 ton vlees toe te laten, veel moeilijker zijn wanneer BALM-functionarissen aanwezig waren bij de levering van het vlees bij het koelhuis. De Duitse regering verklaart terecht dat deze onregelmatigheden op zich niet aan de zekerheid en regelmatigheid van het gehele Duitse controlestelsel afdoen. Niettemin blijkt uit deze gevallen, dat dit stelsel door de inschakeling van gemachtigden kwetsbaar is.
83 Dit klemt te meer gezien het vrij geringe aantal controles bij overname dat door bepaalde regionale diensten van de BALM werd verricht. Gevreesd moet worden dat het geringe aantal officiële en onafhankelijke controles door de kantoren te Mühlheim, Mannheim en vooral München frauduleuze praktijken in de hand heeft kunnen werken, ook al bedraagt het percentage van rechtstreeks door BALM-functionarissen verrichte controles in totaal 52 %.
84 Met betrekking tot het risico van fraude in het geval van verbonden ondernemingen wekt de bewering van de Commissie verbazing, als zou de Duitse regering pas in haar verzoekschrift hebben gesteld dat de controles in een dergelijk geval steeds door functionarissen van de BALM worden verricht. In het syntheseverslag wordt duidelijk melding gemaakt van mondelinge instructies aan de regionale diensten, volgens welke voor de controle bij de overname uitsluitend een beroep moet worden gedaan op een functionaris van de BALM, wanneer het slachthuis en het koelhuis tot dezelfde groep ondernemingen behoren.
85 Het feit dat deze instructies louter mondeling zijn, hetgeen de Duitse regering niet betwist, is wel vatbaar voor kritiek. Controles door een BALM-functionaris zijn voor de regelmatigheid van de overname van essentieel belang wanneer het koelhuis verbonden is met het slachthuis. Door haar mondelinge instructies heeft de BALM dit belang onderkend, zonder er echter het gewicht van schriftelijke instructies aan te geven. Derhalve kan worden aangenomen, dat de instructies van de BALM door hun mondeling karakter aan werkzaamheid inboeten, hetgeen eveneens als een tekortkoming van het Duitse controlestelsel kan worden gezien.
86 De mogelijkheid om een vals proces-verbaal in het stelsel in te brengen wanneer de twee ondernemingen verbonden zijn, bestaat. De kans op ontdekking van dergelijke fraude is weliswaar niet groot, maar het risico bestaat. De Duitse autoriteiten hebben dit zelf toegegeven door aan te kondigen dat zij een procedure zouden invoeren om te waarborgen dat de bij de overname opgestelde processen-verbaal waarover het BALM-hoofdkantoor, zijn regionale diensten respectievelijk het koelhuis beschikken, volledig overeenstemmen.
87 Met betrekking tot het argument van de Duitse regering, dat de Commissie artikel 17 van bovenvermelde verordening nr. 2456/93 met terugwerkende kracht heeft toegepast, heeft de Commissie gelijk. Dit argument is feitelijk noch rechtens gegrond. Weliswaar beschrijft dit artikel de procedure van de overname voor het eerst nauwkeurig, maar ook al bevatte de communautaire wetgeving derhalve nog geen even nauwkeurige bepalingen, artikel 8 van de bovenvermelde verordening nr. 729/70 verplicht de lidstaten reeds de nodige maatregelen te nemen om:
- zich ervan te vergewissen, dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen.
88 Deze bepaling, waarin op landbouwgebied de verplichtingen van de lidstaten ingevolge artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) tot uitdrukking komen, stelt de beginselen vast waaraan de Gemeenschap en de lidstaten zich bij de uitvoering van de door het EOGFL gefinancierde communautaire landbouwinterventiemaatregelen en bij de bestrijding van fraude en onregelmatigheden met betrekking tot deze maatregelen moeten houden. Deze bepaling legt de lidstaten een algemene verplichting op, de nodige maatregelen te nemen om zich ervan te vergewissen, dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd, ook indien de specifieke gemeenschapshandeling niet uitdrukkelijk de vaststelling van deze of gene controlemaatregel voorschrijft(10).
89 Uit hoofde van die verplichting moesten de Duitse autoriteiten zich vergewissen van de doeltreffendheid van de controles bij de overname van het rundvlees.
90 Uit het voorafgaande onderzoek blijkt, dat de argumenten die de Duitse regering tegen de door de Commissie ingeroepen tekortkomingen heeft ingebracht, niet kunnen overtuigen.
91 Ten slotte kan, met betrekking tot het verwijt van een gebrek aan motivering, worden volstaan met eraan te herinneren dat beschikkingen inzake goedkeuring van de rekeningen geen gedetailleerde motivering behoeven, aangezien zij op grond van syntheseverslagen en briefwisseling tussen de betrokken lidstaat en de Commissie worden gegeven. Dit brengt met zich dat de betrokken regering nauw bij de totstandkoming van de beslissing betrokken is en dat zij derhalve de reden kende waarom de Commissie van mening was de bedragen niet ten laste van het EOGFL te kunnen brengen(11).
IV - De controles tijdens de opslag
A - Argumenten van partijen
92 De argumentatie van verzoekster op dit punt bestaat uit vier onderdelen.
1. Opname in de inventaris
93 Artikel 3 van de eerder genoemde verordening nr. 618/90 luidt als volgt:
"In de laatste twee maanden van het begrotingsjaar verifieert de opslaghouder de aan de hand van de boeken opgemaakte inventaris.
Daarbij wordt de materiële aanwezigheid van de goederen geverifieerd aan de hand van een formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage II.
De verificatie vindt plaats in tegenwoordigheid van een gemachtigde van het interventiebureau.
Indien de gemachtigde van het interventiebureau daarbij toch niet aanwezig is, verifieert hij de desbetreffende gegevens bij een volgend bezoek; hij houdt dan rekening met de voorraadmutaties die inmiddels hebben plaatsgevonden."
94 Op het formulier, waarvan het model in bijlage II bij de genoemde verordening is opgenomen, staan zes kolommen met volgende titels: "Geboekt gewicht", "Geverifieerd gewicht", "Gecontroleerd gewicht", "Opmerkingen". Onderaan het formulier staan de volgende aanduidingen: "Geverifieerd gewicht: op basis van de geconstateerde materiële aanwezigheid van de goederen (artikel 3)", "Gecontroleerd gewicht: op basis van uitgekozen en gewogen partijen (artikel 4)".
95 De Commissie heeft in haar syntheseverslag vastgesteld, dat het in de boeken vermelde gewicht en het bij de controle gebleken gewicht in de opgemaakte inventarissen telkens gelijk waren. In de bezochte koelhuizen zou zijn bevestigd, dat de materiële aanwezigheid van de goederen in strijd met artikel 3 van verordening nr. 618/90 niet werd geverifieerd, maar de gegevens over de hoeveelheid en het gewicht eenvoudig uit de voorraadboekhouding van het koelhuis werden overgenomen.
96 De Duitse regering is van mening, dat artikel 3 van verordening nr. 618/90 niet voorschrijft, dat het gewicht van het vlees bij het opmaken van de inventaris moet worden geverifieerd, aangezien de materiële verificatie overeenkomstig artikel 4 van de verordening op een later tijdstip plaatsvindt. Hieruit volgt, aldus de Duitse regering, dat er, in tegenstelling tot wat de Commissie beweert, geen verschil in gewicht in de jaarlijkse inventaris kan worden vastgesteld tijdens de materiële verificatie.
97 Volgens de Commissie moet het verdwijnen van een laadbord of van een stuk noodzakelijkerwijs leiden tot een gewichtsverlies, dat moet worden opgeschreven in het proces-verbaal van inventaris. Het ontbreken van zulke melding bevestigt hetgeen medewerkers van koelhuizen aan de agent van de Commissie vertelden tijdens verificaties ter plaatse, dat de materiële aanwezigheid van de goederen niet werd geverifieerd door de opslaghouder, maar dat deze de gegevens over de hoeveelheid en het gewicht rechtstreeks overnam uit de voorraadboekhouding van het koelhuis. Dat is volgens de Commissie het echte zwakke punt van de inventarisatieprocedure, omdat de jaarlijkse inventaris van de koelhuizen nooit een afwijking aan het licht bracht tussen de hoeveelheid en het gewicht in de boekhouding en hetgeen werd geverifieerd.
98 De Bondsrepubliek Duitsland verklaart dat de Commissie dergelijke beweringen moet bewijzen. Zij biedt als bewijs de getuigenverklaringen van bepaalde BALM-functionarissen aan. Verder wijst de Bondsrepubliek Duitsland er ook op, dat de opslaghouder elk jaar de schriftelijke instructie ontvangt zich aan de voorschriften voor het opstellen van de jaarlijkse inventaris te houden. Door zijn handtekening op de jaarlijkse inventaris aan te brengen, certificeert de opslaghouder dat de controle correct is verlopen. De verordening eist geen bewijzen of bijkomende documenten waaruit de naleving van artikel 3 bij de controle van de boekhoudkundige inventaris zou blijken.
99 Hierop antwoordt de Commissie dat uit de verplichting om de materiële aanwezigheid van de goederen te verifiëren, voortvloeit dat uit documenten moet blijken dat deze controles ook effectief hebben plaatsgevonden. Daarom zijn de door de Commissie geëiste bewijzen geen "bijkomende" bewijzen, maar eenvoudig het bewijs dàt de verificatie heeft plaatsgevonden.
100 Volgens de Duitse Bondsrepubliek moet bij de vaststelling van de materiële aanwezigheid van de goederen geen fysieke controle van de goederen met inbegrip van een weging in het kader van de in artikel 3 beschreven inspectie worden doorgevoerd, maar moet men zich - overeenkomstig de definitie van de uitdrukking "geverifieerd gewicht" - beperken tot het registreren van de gewichten die, in het kader van de vaststelling overeenkomstig artikel 3 van de materiële aanwezigheid van de goederen, ter plaatse zijn geverifieerd. Tenzij de verificatie ter plaatse van de voorraad een fout in de inventaris aan het licht heeft gebracht, moeten de gewichten in de kolommen "geboekt gewicht" en "geverifieerd gewicht" op het formulier altijd samenvallen, aangezien er na de verificatie geen weging meer plaatsvindt.
101 De Commissie verklaart in dit verband dat de Duitse Bondsrepubliek, in tegenstelling tot de argumenten die zij nu ontwikkelt, niet heeft uitgesloten dat er een praktijk van overschrijven van gegevens bestond in de koelhuizen, en, in antwoord op een opmerking van de Commissie die dat gevaar onderstreepte, het voornemen heeft geformuleerd om "in de toekomst de naleving van de bepalingen door de opslaghouders nauwkeuriger te controleren". De Commissie acht het op basis van de eenvoudige boekhoudkundige overname van cijfers heel normaal dat er geen enkele onjuistheid kon worden vastgesteld; daar kan men naar haar mening echter niet uit afleiden, zoals de Duitse regering probeert, dat de controles correct verlopen.
2. De controle op de inventaris
102 Artikel 4 van verordening nr. 618/90 luidt:
"De gemachtigde van het interventiebureau voert aan de hand van de inventarissen volgens de boekhouding ter plaatse controles uit met betrekking tot:
- de door de opslaghouder gevolgde werkwijze voor het opmaken van de inventarissen en
- de boekhoudgegevens betreffende de opslagplaats (ingeslagen en uitgeslagen hoeveelheden, resterende voorraad) en de uitkomsten van de jaarlijkse inventaris van de opslaghouder.
De gemachtigde van het interventiebureau vergelijkt de genoemde boekhoudgegevens met die van de boekhouding van het interventiebureau en met de maandelijkse inventarissen volgens de boeken.
Indien de verschillende boekhoudgegevens met elkaar in overeenstemming zijn, voert hij volgens de in bijlage III voor ieder product afzonderlijk beschreven werkwijze een materiële inspectie uit voor ten minste 5 % van de totale opgeslagen hoeveelheid.
Indien de boekhoudgegevens niet met elkaar in overeenstemming zijn of indien bij de materiële inspectie blijkt van materiële verschillen, en hiervoor niet onmiddellijk een verklaring kan worden geboden, wordt volgens dezelfde methode een bijkomend percentage van de opgeslagen hoeveelheid geïnspecteerd. De aanvullende inspectie heeft betrekking op telkens 5 % meer van de totale opgeslagen hoeveelheid en wordt voortgezet tot voor de vastgestelde boekhoudkundige en materiële verschillen een verklaring wordt gevonden.
Het interventiebureau mag zich laten vertegenwoordigen door een accountant of een door een lidstaat erkend controleur.
De controle wordt uitgevoerd door een persoon die generlei binding heeft met de opslaghouder."
103 In bijlage III, onderdeel VI, van dezelfde verordening wordt met betrekking tot rundvlees voor de materiële inspectie bij de opmaak van de inventaris de volgende werkwijze voorgeschreven:
"1. Selectie van een aantal partijen dat overeenkomt met 5 % van de totale in openbare interventie opgeslagen hoeveelheid. De selectie mag voor het bezoek aan de opslagplaats worden voorbereid aan de hand van de boekhoudgegevens van het interventiebureau, maar mag niet aan de opslaghouder worden meegedeeld.
2. Verificatie ter plaatse van de aanwezigheid van de gekozen partijen en van de samenstelling van de partijen; dit omvat:
- voor vlees met been: - identificatie van de partijen en verificatie van het aantal stuks,
- verificatie van het gewicht voor 20 % van het aantal stuks per type deelstuk en/of kwaliteit,
- visuele verificatie van de staat van de verpakking; - voor vlees zonder been: - identificatie van de partijen en verificatie van het aantal kartons;
- verificatie van het gewicht voor 10 % van het aantal laadborden, recipiënten,
- verificatie van 10 % van het aantal kartons van ieder laadbord of recipiënt voor ieder type deelstuk,
- visuele verificatie van de inhoud van de bedoelde kartons en van de staat van de verpakking in het karton.
De selectie van de laadborden of recipiënten moet rekening houden met de verschillende types van opgeslagen deelstukken.
3. Beschrijving, in het proces-verbaal, van de materieel geïnspecteerde partijen en van de daarbij geconstateerde gebreken."
104 In haar syntheseverslag merkt de Commissie op, dat zij niet heeft kunnen verifiëren dat de door artikel 4 en bijlage III van verordening nr. 618/90 vereiste materiële inspectie van ten minste 5 % van de opgeslagen hoeveelheid vlees heeft plaatsgevonden. Het verslag verwijst naar moeilijkheden die het EOGFL heeft ondervonden om de inventarissen te onderzoeken: overvolle opslagplaatsen, moeilijkheid om vast te stellen welke hoeveelheden visueel waren gecontroleerd, moeilijkheid om het aantal stukken op elk laadbord te bepalen, ontbreken van controle om te verzekeren dat de gekozen laadborden overeenstemden met de gewogen laadborden, enz.
105 In haar verzoekschrift betwist de Bondsrepubliek Duitsland de stelling van de Commissie als zouden de in artikel 4 en bijlage III van verordening nr. 618/90 voorziene controles niet naar behoren zijn uitgevoerd. Zij verklaart dat een aantal partijen, overeenstemmend met ten minste 5 % van de totale opgeslagen hoeveelheid, werd uitgekozen en dat de samenstelling van die loten ter plaatse werd geverifieerd. Zij voegt hieraan toe dat een nadere verificatie van het gewicht heeft plaatsgevonden, waarbij de BALM-functionaris ter plaatse 20 % van de stukken (laadborden) ter verificatie uitkoos. De handtekening die de BALM-functionaris en de opslaghouder op het proces-verbaal van inventaris plaatsen waarbij een voorraadboekhouding hoort waarin de geverifieerde en fysiek geïnspecteerde opgeslagen partijen afzonderlijk vermeld staan, bekrachtigt het resultaat van de materiële inspectie van het opgeslagen vlees. Volgens de Duitse regering staat het gemeenschapsrecht de Commissie niet toe bijkomende vereisten te stellen.
106 De Commissie trekt niet in twijfel dat de gewichtscontrole voor 20 % van het gedeelte van 5 % in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is gebeurd, maar wijst erop dat dit percentage slechts overeenstemt met 1 % van de totale voorraad. De Commissie wijst erop dat zij dit onderdeel van de controles niet heeft bekritiseerd, zodat de desbetreffende opmerkingen in het verzoekschrift van de Duitse regering niet relevant zijn. Volgens de Commissie vertoont het stelsel van controle op de inventaris ernstige tekortkomingen op het gebied van de materiële inspectie van ten minste 5 % van het opgeslagen vlees. Op dit punt stemmen de verklaringen van de Duitse Bondsrepubliek volgens de Commissie niet overeen met de realiteit waarmee haar diensten bij hun eigen controles werden geconfronteerd. De gewichtsaanduidingen duiden enkel aan in welke partij of in welke categorie van goederen de 1 % van de totale voorraad voor gewichtscontrole is uitgekozen. Bij onderzoek van de door de BALM-functionarissen doorgevoerde controles van de inventaris, hebben de controleurs van de Commissie kunnen vaststellen dat het onmogelijk is precies vast stellen, welke hoeveelheid materieel is geïnspecteerd. Uit de processen-verbaal van inventaris kon niet worden opgemaakt, hoeveel en welke laadborden waren gewogen; het aantal stukken per laadbord was niet geteld; er werd niet gecontroleerd of de voor de gewichtscontrole uitgekozen laadborden identiek waren aan de effectief gewogen laadborden; de door de BALM-functionarissen gewogen laadborden konden niet worden geïdentificeerd; geen enkel stuk vlees was uitgepakt om het ingevroren vlees of de stempels erop te kunnen vergelijken met de aanduidingen van soort en categorie. Bovendien was de kolom "afwijkingen" op de processen verbaal van inventaris vaak niet ingevuld of onvoldoende ingevuld. Volgens de Commissie kan op basis van de processen-verbaal van inventaris niet worden vastgesteld, welke hoeveelheid precies materieel is geïnspecteerd.
107 Toen de Commissie aan de BALM bewijzen vroeg, was deze niet in staat werkdocumenten van haar controleurs over te leggen waaruit het precieze aantal gecontroleerde laadborden en stukken en hun gewicht kon worden afgeleid. De Commissie verklaart dat wanneer het gemeenschapsrecht in verband met het gebruik van gemeenschapsmiddelen concrete inspecties, zoals in casu de materiële inspectie van 5 % van het opgeslagen rundvlees, voorschrijft, de nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat tijdens de procedure tot goedkeuring van de rekeningen met behulp van passende documenten of aantekeningen kan worden geverifieerd, of aan die verplichting is voldaan. Aangezien dit hier niet is gebeurd, ligt de bewijslast bij de Duitse regering, die, aldus de Commissie, niet kan volstaan met verklaringen van BALM-functionarissen in te roepen.
108 De Bondsrepubliek Duitsland wijst erop dat de reële, overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 618/90 materieel geïnspecteerde hoeveelheid, in elk proces-verbaal van inventaris wordt vermeld in de vierde kolom van de bijgevoegde "Bestandsliste", met de nauwkeurige aanduiding van het gewicht.
109 Met betrekking tot de controle, hoeveel en welke laadborden werden gewogen en welke stukken daarop lagen, merkt de Bondsrepubliek Duitsland op dat op grond van de voorraadlijst, die deel uitmaakt van het proces-verbaal van inventaris, zonder betwisting kan worden vastgesteld welke partijen van de voorraad materieel zijn geïnspecteerd volgens de regels van artikel 4 en bijlage III, deel VI van verordening nr. 618/90. De gecontroleerde partijen en de vastgestelde gewichten staan op de voorraadlijst vermeld. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland kunnen de geïnspecteerde laadborden op elk moment tot zij worden uitgeslagen ter plaatse worden geïdentificeerd met behulp van de etiketten; in het kader van de inventarisatie plaatsen de BALM-controleurs immers een BALM-stempel en/of -logo op de etiketten van de geïnspecteerde en gewogen laadborden; na het wegen worden de laadborden niet meer op hun oude plaats teruggezet, maar afzonderlijk opgeslagen.
110 De Commissie ziet hierin de beschrijving van een procedure die theoretisch toelaat de gecontroleerde laadborden te identificeren, maar waarvan de daadwerkelijke toepassing geenszins gewaarborgd is. Tijdens hun controles hebben haar diensten bijvoorbeeld vastgesteld dat de BALM-controleurs dikwijls een speciale nummering geven aan de uitgekozen laadborden (van 1 tot 20, enz.). Volgens de Commissie maakte die werkwijze elke latere controle onmogelijk. Het gebruik van de etiketten op de laadborden lijkt de Commissie in principe zeker een nuttige maatregel om de laadborden te identificeren, maar controles met behulp van die etiketten zijn slechts mogelijk indien het rundvlees zich daadwerkelijk nog op het laadbord bevindt. Indien dat niet het geval is, is dat het gevolg van het ontbreken van duidelijke instructies.
3. Het ontbreken van uitdrukkelijke nationale instructies over de materiële inspecties van 5 % van het opgeslagen vlees
111 In haar syntheseverslag stelt de Commissie dat
"de nationale instructies over de uitvoering van de materiële inspectie van 5 % niet uitdrukkelijk zijn, maar simpelweg naar de bijlage van de toepasselijke gemeenschapsverordening verwijzen".
112 De Duitse regering is van mening dat de Commissie het bij het verkeerde eind heeft, aangezien de BALM ter uitvoering van verordening nr. 618/90 dienstinstructies met betrekking tot de controle op de jaarinventaris voor landbouwproducten in openbare opslag heeft opgesteld. De verwijzing in deze dienstinstructies naar bijlage III, deel VI, van de eerder genoemde verordening zou volstaan omdat die bijlage alle uit te voeren stappen volledig en op een voor de BALM-functionarissen begrijpelijke wijze beschrijft.
113 De Commissie acht dit onvoldoende om een correcte uitvoering van de door het gemeenschapsrecht voorgeschreven materiële inspectie te verzekeren of in voorkomend geval te bewijzen.
4. Concrete onregelmatigheden
114 De Commissie betoogt in haar verweerschrift, dat de controles in twee koelhuizen een goed voorbeeld bieden van de in de praktijk vastgestelde onregelmatigheden en tekortkomingen. In het eerste koelhuis werden ernstige gebreken vastgesteld op drie laadborden: terwijl er op de laadbordkaart twaalf kwartieren vlees met een brutogewicht van 1 129 kg stond aangegeven, lagen er op het laadbord bij inspectie slechts elf kwartieren met een gezamenlijk gewicht van 1 021 kg. Bovenop die elf kwartieren lag een los etiket, dat waarschijnlijk toebehoorde aan het ontbrekende twaalfde kwartier. De fiche van een ander laadbord duidde aan dat er elf kwartieren op lagen, met een brutogewicht van 1 104 kg, later gewijzigd in 1 094 kg. Op een ongenummerd laadbord lagen drie kwartieren zonder gewichtsaanduiding. In het tweede koelhuis stak in een kwartier op een zichtbaar laadbord een grote metalen haak die waarschijnlijk was vergeten en bij de overname in opslag was meegerekend voor het gewogen brutogewicht.
115 De Duitse regering geeft hiervoor de volgende verklaringen: in het eerste geval ontbrak het twaalfde kwartier niet, maar was het op een ander laadbord gelegd omdat het overdreven werd geacht twaalf kwartieren op één laadbord te leggen. De laadbordkaart was per vergissing niet aangepast. Bij het tweede door de Commissie vermelde laadbord was de wijziging in het gewicht slechts de correctie van een fout in de oorspronkelijke kaart. De drie kwartieren zonder gewichtsaanduiding waren goederen die op die dag niet meer konden worden geladen. Hoewel er was nagelaten een aanduiding te maken op het laadbord, bleek uit de plaats waar het stond duidelijk, bij welke levering het hoorde. Met betrekking tot de metalen haak meldt de Duitse regering dat het op verschillende honderdduizenden kwartieren de eerste keer was dat dit voorviel. De haak kon worden verwijderd en het gewicht ervan werd in mindering gebracht.
116 De Commissie brengt ook in herinnering dat het vlees krachtens artikel 26, eerste lid, van de hiervoor genoemde verordening nr. 859/89 op zodanig wijze moet worden opgeslagen, dat het gemakkelijk te identificeren partijen vormt. In de bezochte koelhuizen werd deze verplichting slechts gedeeltelijk nageleefd met behulp van laadbordkaarten; de bezochte ruimtes waren overvol, visuele inspectie werd bemoeilijkt door de afwezigheid van gangen en er was blijkbaar geen opslagplan dat aangaf waar de partijen zich bevonden. Bijgevolg konden enkel de laadborden vooraan in de opslagruimtes op een efficiënte manier, dit wil zeggen snel en zonder moeilijkheden, worden bekeken.
117 Met betrekking tot de krapte van de koelhuizen is de Bondsrepubliek Duitsland van mening dat de voorraden correct zijn gecontroleerd, ondanks het feit dat de koelhuizen voor een gedeelte van het begrotingsjaar 1992 door het uitzonderlijk hoog aantal aankopen overvol waren. Wanneer koelhuizen overvol waren werden er volgens de Bondsrepubliek Duitsland laadborden naar buiten gebracht om de inspectie van de achteraan staande laadborden mogelijk te maken. Het verwijt van de Commissie op dit punt houdt totaal geen rekening met de uitzonderlijke situatie in 1992.
118 Wat de onmogelijkheid betreft om de laadborden te identificeren, verklaart de Bondsrepubliek Duitsland dat de Commissie zich op een alleenstaand geval baseert, waarin de BALM-controleur de door hem in de opslagruimte gekozen laadborden niet naar buiten had gevolgd. Dit uitzonderlijk geval kan echter niet worden veralgemeend en kan geen bewijs vormen voor een gebrek aan controle dat alle inspecties op grond van artikel 4 van de verordening gedurende het begrotingsjaar 1992 zou hebben gekenmerkt.
119 De Commissie brengt hier twee punten tegen in:
- De in het eerste geval vastgestelde onregelmatigheden sprongen zo in het oog dat het EOGFL ze door een eenvoudige controle per steekproef kon ontdekken. Daar komt echter nog bij, dat de dag waarop het EOGFL de controle per steekproef uitvoerde, functionarissen van de BALM een controle van de inventaris hadden doorgevoerd waarbij deze in het oog springende onregelmatigheden niet werden vermeld.
- De Duitse regering heeft ook in repliek geen werkdocumenten van BALM-functionarissen kunnen overleggen waarin de Commissie, wanneer er regelmatig controles van de inventaris hadden plaatsgevonden, informatie had kunnen vinden over het aantal op de laadborden opgeslagen kwartieren rundvlees. De Commissie geeft te kennen dat zij altijd heeft verklaard dat zij dergelijk documenten, ondanks in concrete gevallen vastgestelde onregelmatigheden, als voldoende bewijs voor het plaatsvinden van door de band genomen regelmatige controles van de inventaris beschouwde. Tot nu toe zou de Commissie echter een dergelijk werkdocument nooit te zien hebben gekregen.
B - Onderzoek
120 Met betrekking tot het eerste punt, het opmaken van de inventaris, ben ik het met de Duitse regering eens, dat artikel 3 van de eerder genoemde verordening nr. 618/90 geen verplichting oplegt om het vlees te wegen. Ook de Commissie geeft dit toe. Er bestaat dus enkel verschil van mening over de vraag, of de opslaghouders bij het opstellen van de jaarlijkse inventaris enkel de gegevens uit de voorraadboekhouding hebben overgenomen, zoals de Commissie verklaart, dan wel, overeenkomstig artikel 3, de materiële aanwezigheid van de goederen daadwerkelijk hebben gecontroleerd.
121 De Commissie wijst er stellig terecht op, dat het verlies van een laadbord of van een stuk noodzakelijk tot een verschil leidt tussen de vaststellingen van het proces-verbaal van inventaris en de voorraadboekhouding. In casu wordt echter niet betwist, dat er bij de inventaris voor het begrotingsjaar 1992 geen ontbrekende hoeveelheid is vastgesteld. Hieruit volgt dat de verwondering van de Commissie over het feit, dat uit de jaarlijkse inventarissen geen verschillen tussen de geboekte en de gecontroleerde hoeveelheden en gewichten bleek, volkomen plausibel lijkt.
122 Rest derhalve de vraag, of functionarissen van de opslagondernemingen overeenkomstig de gemeenschapswetgeving de materiële aanwezigheid van de goederen hebben gecontroleerd. Terzake baseert de Commissie zich op de verklaring van functionarissen ten betoge dat deze controle niet systematisch plaatsvond. De Duitse regering biedt als tegenbewijs de getuigenis aan van BALM-functionarissen. Deze laatsten kunnen dit bewijs echter slechts leveren voor de enkele gevallen waarin zij daadwerkelijk aanwezig waren bij het opstellen van de inventaris. In de andere gevallen kan men niet om de door de Commissie meegedeelde getuigenissen heen, volgens welke het voorkwam dat de opslaghouders zich beperkten tot een overname van de voorraadboekhouding. In een brief van 6 juli 1994 aan de directeur-generaal landbouw van de Commissie geeft de bondsminister van Financiën trouwens het volgende toe:
"... de BALM-controleurs zijn niet altijd aanwezig bij het opstellen van de inventaris. Volgens artikel 3, lid 3, van de genoemde verordening is de aanwezigheid van het interventie-orgaan trouwens niet vereist. Daarom is het niet mogelijk te antwoorden op de vraag of de opslaghouder de daadwerkelijke aanwezigheid verifieert dan wel of hij eenvoudig de hoeveelheid in zijn voorraadrekeningen overneemt. Jaarlijks wordt evenwel de aandacht van de opslaghouders gevestigd op de bepalingen betreffende het opstellen van de inventarissen, neergelegd in verordening nr. 618/90. De BALM zal in de toekomst nauwkeuriger op de naleving van de bepalingen door de opslaghouders toezien(12)."
123 In de tweede plaats heeft de Commissie, wat de controles op de inventaris betreft, de Duitse autoriteiten verweten, dat in de processen-verbaal van de jaarlijkse inventarissen niets werd vermeld over de naleving van artikel 4 van verordening nr. 618/90, op grond waarvan 5 % van de opgeslagen hoeveelheid moet worden geïnspecteerd. Uit die documenten zou moeten blijken, dat de in bijlage III van de verordening voorgeschreven procedure stap voor stap en in al haar onderdelen is uitgevoerd(13).
124 De processen-verbaal van de jaarlijkse inventarissen en de bijbehorende voorraadlijsten verschaffen deze gegevens niet. De Commissie stelt terecht, dat de gewichtopgaven in de vierde kolom van de processen-verbaal enkel aanduiden, in welke partij of in welke categorie goederen de 1 % van de totale voorraad voor gewichtscontrole is uitgekozen.
125 De Commissie stelt terecht, dat wanneer het gemeenschapsrecht in verband met het gebruik van gemeenschapsmiddelen concrete inspecties, zoals in casu de materiële inspectie van 5 % van het opgeslagen rundvlees, voorschrijft, de nationale diensten ervoor moesten zorgen dat bij de goedkeuring van de rekeningen aan de hand van documenten of passende aantekeningen kan worden geverifieerd, of aan die verplichting is voldaan. Het ontbreken van dergelijke documenten of aantekeningen vormt een tekortkoming. In een brief van 6 oktober 1995 heeft het Bundesministerium für Ernährung, Landwirtschaft und Forsten(14) trouwens aangekondigd, dat voortaan "de bij de opslag uit te voeren controles, overeenkomstig (de) voorstellen (van de Commissie) volledig zullen worden gedocumenteerd". Daarmee heeft de Duitse regering het bestaan van een leemte op dit punt erkend.
126 Wat het verwijt van de Commissie betreft dat geen nationale instructies zijn gegeven die de controleurs bij de materiële inspectie moesten volgen, stel ik vast dat die instructies duidelijk uit bijlage III bij de verordening volgen. Die bijlage was bij de dienstinstructies gevoegd, zodat de inspecteurs zeker in staat waren te begrijpen wat van hen werd verwacht. Niettemin hadden de Duitse autoriteiten in hun instructies de verplichting moeten opnemen, gedetailleerde rapporten over de materiële inspectie van 5 % van het opgeslagen vlees op te stellen.
V - De controles bij de uitslag
A - Argumenten van partijen
127 In verordening (EEG) nr. 147/91 van de Commissie van 22 januari 1991 tot vaststelling van tolerantiegrenzen voor de verliezen aan door de interventiebureaus opgeslagen landbouwproducten(15), wordt een tolerantiegrens vastgesteld voor de hoeveelheden die bij normale opslag volgens de regels voor goede bewaring verloren gaan, uitgedrukt als percentage van het werkelijke gewicht, zonder verpakking, van de ingeslagen en overgenomen hoeveelheden (artikel 1, leden 1 en 2). Artikel 2 van deze verordening legt dit percentage voor rundvlees vast op 0,6 %.
128 Bij een niet-geïdentificeerd verlies van rundvlees dat de bij verordening nr. 147/91 vastgestelde tolerantiegrens van 0,6 % overschrijdt, moeten de lidstaten het EOGFL crediteren voor een bedrag dat aanzienlijk boven de verkoopwaarde van de verloren gegane hoeveelheden ligt(16).
129 Verder bepaalt verordening (EEG) nr. 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 216/69(17), dat rundvlees met been uit openbare opslag volgens het werkelijk vastgestelde brutogewicht wordt verkocht.
130 Artikel 18, lid 2, van deze verordening luidt: "De overname van de producten geschiedt volgens de aanwijzingen voor uitslag van de interventiebureaus ..."
131 De Bondsrepubliek Duitsland heeft aan deze bepaling van verordening nr. 2173/79 nader uitvoering gegeven in punt 13.5.1 van Bekanntmachung 55/87/31 über die Allgemeinen Bedingungen für den Verkauf von Rindfleisch aus Interventionen, van 8 september 1987, naar luid waarvan het leveringsgewicht voor elke categorie ingevroren rundvlees door een gekwalificeerde weger bij de levering met behulp van een correct geijkte weegschaal wordt vastgesteld.
132 De tweede alinea van punt 13.5.1 van Bekanntmachung nr. 55/87/31 luidt: "Het brutogewicht wordt op weegkaarten aangegeven. Het totaal van de op de kaarten aangebrachte gewichten wordt voor de kwartieren naar de lagere of hogere kilogram, voor de versneden stukken naar het lagere of hogere honderdtal gram afgerond. De weger ondertekent de kaarten en plaatst er zijn stempel op."
133 Volgens het syntheseverslag "worden alle verliezen van kwartieren beschouwd als overschrijding van de tolerantie en moet het EOGFL hiervoor gecrediteerd worden. Het spreekt derhalve vanzelf dat de lidstaten ervoor moeten waken dat het uitgeslagen rundvlees correct wordt geboekt, gewogen en zowel voor de boekhouding als voor de betaling geregistreerd."
134 De Commissie wijst in haar syntheseverslag nog op het volgende:
"- Het EOGFL heeft geen aanwezigheid van een BALM-functionaris vastgesteld bij de uitslag, aangezien noch de dagelijkse staten van de voorraadbewegingen (Tagesmeldungen) noch de wegingsverslagen, de handtekening van BALM-inspecteurs dragen. De BALM heeft erop gewezen dat zij soms beroep doet op gemachtigden om de uitslag te controleren omdat de BALM-inspecteurs wegens personeelsgebrek niet bij elke uitslagoperatie aanwezig kunnen zijn.
- Bij controle van de stukken heeft het EOGFL vastgesteld, dat het koelhuis en de koper vaak tot dezelfde groep ondernemingen behoren. In één geval bleek uit de stukken, dat een partij rundvlees bij uitslag uit het koelhuis kennelijk niet was gewogen, omdat het uitgeslagen gewicht precies even groot was als de in het vorige jaar ingeslagen hoeveelheid.
De Duitse autoriteiten stellen, dat alle rundvlees bij uitslag wordt gewogen. Wel erkennen zij dat er een boekhoudkundige vergissing werd begaan waarbij twee verschillende categorieën rundvlees ten onrechte samen in plaats van afzonderlijk waren geboekt, waardoor er geen gewichtsverlies was in dat geval. Andere door het EOGFL aangeduide gevallen waarin er geen kilogram verschil was tussen inslag en uitslag, werden op dezelfde manier verklaard.
Bij gebreke van door de BALM terdege gecontroleerde procedures voor het wegen wordt het EOGFL niet overtuigd door de verschafte argumenten en bewijzen. Het is zonneklaar dat een zeer aanzienlijk aandeel van het opgeslagen vlees in afwezigheid van de BALM is uitgeslagen."
135 Volgens de Duitse regering zijn de vereisten van het gemeenschapsrecht inzake de uitslag van rundvlees geëerbiedigd. Voor de controles op de uitslag werd, behalve op controleurs van de BALM, ook een beroep gedaan op geselecteerde, opgeleide en gemachtigde werknemers van koelhuizen. Ook in de gevallen waarin gemachtigden optraden, was een correcte en gedegen uitslag gewaarborgd. Overigens letten ook de kopers erop dat het verkochte en betaalde vlees, wat hoeveelheid en kwaliteit betreft, naar behoren werd overgedragen, omdat op grond van de verkoopvoorwaarden van de BALM niet achteraf kan worden gereclameerd. In gevallen waarin het koelhuis tot dezelfde groep ondernemingen behoorde als de koper, zijn de verificaties uitsluitend door BALM-controleurs uitgevoerd.
136 De Commissie geeft toe, dat geen wettelijk voorschrift bepaalt dat de controles bij de uitslag uitsluitend door functionarissen van de interventiebureaus worden verricht, maar betoogt dat op de lidstaten een algemene verplichting rust om toe te zien op de juistheid van de hoeveelheden vlees die uit interventie worden uitgeslagen, aangezien de aan het EOGFL te crediteren bedragen op deze hoeveelheden steunen. Wanneer deze controles niet door BALM-functionarissen worden verricht, wordt het gehele controlestelsel vatbaar voor manipulatie en misbruik.
137 De opslagcontracten met de koelhuizen mogen dan wel controleverplichtingen opleggen, het bestaan daarvan betekent volgens de Commissie nog niet dat deze verplichtingen ook afdoende worden geëerbiedigd. Bovendien zou de Duitse regering nog steeds niet hebben aangetoond dat de in het opslagcontract vervatte verplichtingen volledig overeenstemmen met de communautaire controlevoorschriften. Wat de achteraf door de BALM verrichte controle betreft, stelt de Duitse regering dat een dergelijke controle van documenten de vereiste controle ter plaatse niet kan vervangen. Met betrekking tot het probleem van de verbonden ondernemingen, verwijst de Commissie naar haar argumenten in verband met de controles bij de inslag.
138 De Duitse Bondsrepubliek acht het risico voor manipulaties uitgesloten, aangezien er geen communautaire markt voor ingevroren kwartieren van jonge kalveren bestaat, waardoor een eventueel op de markt brengen tot vragen over de oorsprong van het vlees zou leiden. Bovendien zou het economisch geen zin hebben dergelijk vlees door koeievlees te vervangen. De prijs van ingevroren kwartieren van jonge kalveren ligt geenszins hoger dan die van vers koeievlees; het invriezingsproces doet het vlees van jonge kalveren altijd meer waarde verliezen dan het prijsverschil tussen bevroren kalfsvlees en koeievlees. Het is bovendien gemakkelijk onderscheid te maken tussen koeievlees en kalfsvlees. Elke koper van vlees uit interventie zou het verschil zien. Bovendien hebben de kopers van BALM-voorraad nooit dergelijke bezwaren geuit.
139 De Duitse regering geeft in haar repliek een uitgebreide beschrijving van de controles bij de uitslag. Volgens de Commissie gaat het daarbij vooral om algemene beschouwingen over het "normale" verloop van de controleprocedure, zonder dat er commentaar wordt gegeven bij de concrete tekortkomingen waarop de Commissie haar vaststellingen heeft gesteund.
140 De Commissie verwijst naar de passages in het syntheseverslag waarbij het EOGFL in verscheidene gevallen vaststelde dat het bij de uitslag aangeduide gewicht geen kilogram verschilde van het gewicht van de het jaar voordien ingeslagen hoeveelheid, hetgeen ongewoon is bij opslag in bevroren toestand, waarbij normaal gewichtsverlies optreedt. Dit leidt volgens de Commissie tot het vermoeden dat, bij gebreke van controle, de toename of afname van gewicht niet correct werd aangegeven.
141 De Bondsrepubliek Duitsland antwoordt, dat de BALM de door de Commissie aangehaalde gevallen van identiek gewicht bij inslag en bij uitslag heeft onderzocht, en dat zich twee gevallen hebben voorgedaan. Deze zijn aan de Commissie uiteengezet. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland kwam de anomalie niet voort uit manipulaties bij de vaststelling van het gewicht of uit een nalaten te wegen, maar uit het ten onrechte gezamenlijk boeken van twee verschillende categorieën rundvlees, waardoor er geen enkel gewichtsverlies optrad. Volgens de bondsregering is het volkomen aannemelijk dat in specifieke gevallen het gewicht bij inslag overeenstemt met het gewicht bij de uitslag.
142 Volgens de Commissie is deze uiteenzetting niet overtuigend en is zij evenmin gestaafd. De Commissie blijft de besproken gevallen derhalve beschouwen als duidelijke aanwijzingen van tekortkomingen in de controle op de uitslag, zonder dat deze specifieke gevallen op zich de basis vormen voor de forfaitaire correctie van 2 % van de uitgaven.
B - Onderzoek
143 Met betrekking tot de controles bij de uitslag zijn mijns inziens de volgende elementen bepalend voor het vellen van een oordeel.
144 Het staat buiten kijf dat noch de in 1992 geldende communautaire regeling noch de daarvoor in de plaats gekomen regeling de aanwezigheid van functionarissen van het nationale interventiebureau bij de uitslag van het vlees voorschrijft. Uit de gehele of gedeeltelijke afwezigheid van dergelijke functionarissen kan dus op zich geen tekortkoming van het controlestelsel worden afgeleid die de weigering om 2 % van de uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, zou kunnen rechtvaardigen.
145 De Commissie daarentegen stelt terecht dat er altijd BALM-functionarissen aanwezig moeten zijn wanneer het koelhuis en de koper van het vlees tot dezelfde groep van ondernemingen behoren. Dit is overigens door de Bondsrepubliek Duitsland niet betwist. Deze heeft enkel tegengeworpen, dat er in dergelijke situaties altijd een functionaris van de BALM aanwezig was. Van zijn kant is het bemiddelingsorgaan tot de conclusie gekomen, dat de door de Duitse autoriteiten overgelegde documenten deze bewering "aan de hand van bepaalde concrete voorbeelden" bevestigden.
146 Gelet op de uitdrukkelijke verklaringen van de Bondsrepubliek Duitsland en op het feit dat de Commissie niet alle verbonden ondernemingen heeft gecontroleerd, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de BALM-functionarissen aanwezig waren bij de aflevering van vlees aan met de eigenaar van het koelhuis verbonden ondernemingen.
147 Zoals ik al zei in verband met de overname van vlees door de koelhuizen, wordt de Duitse positie verzwakt door het feit dat de schriftelijke instructies aan de controleurs die aanwezigheid niet formeel voorschrijven. Op dit punt vertoont het controlestelsel een zekere leemte.
148 Wat de andere gevallen betreft, waarin wanneer de uitslag onder toezicht van gemachtigden van de BALM (dus in afwezigheid van functionarissen van dit orgaan) plaatsvond, heeft de Commissie gewezen op gevallen waarin het gewicht van het uitgeslagen vlees exact overeenstemde met dat van het in opslag genomen vlees. Een voorbeeld wordt genoemd in een verslag van de EOGFL-controleurs, dat de Commissie de Duitse autoriteiten in een brief van 13 april 1994 (nr. VI/014852, bijlage 3 bij het verzoekschrift) heeft doen toekomen en dat op bladzijde 10 vermeldt dat 273 stukken vlees bij inslag 26 591 kg wogen en bij uitslag precies hetzelfde gewicht hadden. Evenwel moeten de stukken vlees bij de inslag worden gewogen alvorens te worden verpakt, terwijl zij bij de uitslag met de verpakking moeten worden gewogen (bruto gewicht). Het is weinig waarschijnlijk, dat het gewichtsverlies dat zich in het algemeen bij opgeslagen vlees voordoet, precies wordt gecompenseerd door het gewicht van de verpakking. De Commissie veronderstelt derhalve terecht, dat het vlees bij de uitslag niet altijd is gewogen.
149 Bovendien moeten de lidstaten, bij niet-geïdentificeerde verliezen van rundvlees die de tolerantiegrens van 0,6 % overschrijden, het EOGFL crediteren voor een bedrag dat veel hoger is dan de verkoopwaarde van de verloren gegane hoeveelheden. De lidstaten moeten dus strenge controles uitvoeren om na te gaan of deze grens al dan niet is overschreden. Deze controles mogen door andere personen dan door functionarissen van het interventiebureau worden verricht, maar zij moeten voldoende streng zijn.
150 De controles aan de hand van documenten, die achteraf door de BALM worden verricht in de gevallen waarin zij voor de controle op de uitslag een beroep heeft gedaan op gemachtigden, kunnen eventuele onregelmatigheden bij de uitslag niet verhelpen.
151 De loutere bewering dat de kopers niet zouden hebben gereclameerd, kan niet als doorslaggevend worden beschouwd, alleen al op grond dat de verkoopvoorwaarden van de BALM reclamaties achteraf uitsluiten.
152 De Duitse regering heeft dus slechts zeer ten dele het bewijs geleverd, dat de door de Commissie aangevoerde tekortkomingen inzake de controle bij de uitslag van rundvlees niet bestonden.
VI - Conclusie
153 Anders dan de Duitse regering in haar verzoekschrift stelt, kwalificeert het syntheseverslag, dat tot de aangevochten beschikking van de Commissie heeft geleid, de vastgestelde tekortkomingen niet als aanzienlijk ("beträchtlich").
154 Anderzijds heeft de Commissie tijdens de procedure voor het Hof beklemtoond, dat haar beschikking niet steunt op de in elk van de drie stadia vastgestelde tekortkomingen afzonderlijk, maar op een beoordeling van de gehele door de Bondsrepubliek Duitsland gevolgde procedure.
155 Naar onze overtuiging bewijzen de door de Bondsrepubliek Duitsland voorgedragen argumenten niet, dat deze procedure geen tekortkomingen vertoont die tezamen een gevaar voor geringe verliezen voor het EOGFL kunnen opleveren. Uit verschillende bij het dossier gevoegde stukken blijkt overigens, dat verzoekster heeft beloofd deze tekortkomingen op te heffen, hetgeen bewijst dat deze wel degelijk bestonden.
156 Gelet op mijn beoordeling van de in elk van de drie stadia uitgevoerde controles concludeer ik derhalve, dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de vaststellingen van de Commissie onjuist waren.
157 Bovendien moet worden vastgesteld, dat de Duitse regering alleen de tekortkomingen die aan de forfaitaire verlaging ten grondslag liggen aanvecht. De toepassing van deze verlaging op de vastgestelde tekortkomingen heeft zij daarentegen niet bekritiseerd.
158 In het kader van een beroep tot nietigverklaring beperkt het Hof zich tot een onderzoek van de middelen van de verzoekster. In casu hoeft het dus niet in te gaan op de vraag, of de vastgestelde tekortkomingen de toepassing van de forfaitaire correctie rechtvaardigen.
159 Ik concludeer derhalve tot verwerping van het beroep.
160 Ik wil hier echter nog aan toevoegen, dat zo verzoekster de vraag had opgeworpen of de onregelmatigheden behoorden tot de gebreken waarop volgens het door de Commissie vastgestelde tarief een forfaitaire correctie van 2 % moet worden toegepast, het antwoord hetzelfde zou zijn geweest. Een dergelijke correctie wordt immers toegepast "wanneer de tekortkoming slechts minder belangrijke onderdelen van het controlestelsel betreft dan wel de uitvoering van controles die niet wezenlijk zijn om de regelmatigheid van de uitgaven te waarborgen, zodat redelijkerwijze kan worden geconcludeerd, dat het risico van verlies voor het EOGFL gering was". Het valt moeilijk te ontkennen, dat de uit dit onderzoek naar voren komende tekortkomingen een gering risico van verlies voor het EOGFL inhouden.
161 De vraag of in dergelijke gevallen de toepassing van een correctie van 2 % van de uitgaven al dan niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, is in casu niet opgeworpen.
VII - Conclusie
162 Ik geef het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen
2) verzoekster in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 323, blz. 26.
(2) - Zie doc. VI/6355/95 van 27 maart 1996 en doc. VI/5112/96 van 14 juni 1996.
(3) - PB L 94, blz. 13.
(4) - PB L 67, blz. 21.
(5) - PB L 182, blz. 45.
(6) - Arrest Italië/Commissie, C-242/96, Jurispr. I-0000, punten 58 en 59.
(7) - PB L 91, blz. 5.
(8) - PB L 225, blz. 4.
(9) - Zie eerder, punt 35.
(10) - Zie het arrest van 1 oktober 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-209/96, Jurispr. blz. I-5655, punt 43.
(11) - Zie inzonderheid, het arrest van 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie, 347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 60.
(12) - Vrije vertaling door ondergetekende.
(13) - Zie eerder, punt 103.
(14) - Bijlage 7 bij het verzoekschrift.
(15) - PB L 17, blz. 9.
(16) - Zie verordeningen (EEG) nr. 3492/90 van de Raad van 27 november 1990 houdende bepaling van de elementen die in acht dienen te worden genomen in de jaarrekeningen voor de financiering van interventiemaatregelen in de vorm van openbare opslag door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB L 337, blz. 3), en (EEG) nr. 3597/90 van de Commissie van 12 december 1990 inzake boekingsregels voor aankoop, opslag en verkoop van landbouwproducten door de interventiebureaus (PB L 350, blz. 43).
(17) - PB L 251, blz. 12.
Full & Egal Universal Law Academy