Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleidende opmerkingen
1 Met vier prejudiciële vragen verzoekt de Franse Cour de cassation het Hof om uitlegging van artikel 5, sub 1 en 3, en van artikel 6 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(1), zoals laatstelijk gewijzigd bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek.(2)
II - De feiten
2 De feiten van onderhavige zaak komen uit de verwijzingsbeschikking, de opmerkingen van partijen of uit het procesdossier van het hoofdgeding niet in alle duidelijkheid naar voren. Blijkens de gegevens uit het dossier heeft de vennootschap naar Frans recht Brambi Fruits, gevestigd te Rungis (hierna: "Brambi"), in mei 1988(3) een grote hoeveelheid peren gekocht van de vennootschap naar Australisch recht F. W. Year, gevestigd te Melbourne.
3 Onder cognossement aan toonder, op 8 mei 1992 te Sydney (Australië) afgegeven door de vennootschap Refrigerated container carriers PTY Ltd, gevestigd te Sydney (hierna: "RCC"), werden de goederen in Melbourne in acht koelcontainers, met 5 199 dozen peren, ingeladen in het schip "Alblasgracht V002", met bestemming Rotterdam, dat was aangewezen als plaats van lossing en aflevering. Dat schip werd naar het schijnt gecharterd door de Nederlandse vennootschap Spliethoff's Bevrachtingskantoor BV, te Amsterdam, die in het cognossement niet wordt genoemd.
4 Vanaf Rotterdam werden de containers onder geleide van een internationale vrachtbrief over de weg vervoerd naar Rungis (Frankrijk), alwaar Brambi is gevestigd. De vrachtbrief voor dit gedeelte van het vervoer is, zo staat daarin vermeld, afgegeven door de vennootschap Transeco, en "Conship" is de expediteur.
5 Bij aankomst van de lading te Rungis aanvaardde Brambi de lading onder voorbehoud, want zij had schade aan de goederen vastgesteld. De schade bestond in vroegtijdige rijping van het fruit, veroorzaakt door een defect in de koelinstallatie.(4) De maatschappij Réunion européenne en negen andere verzekeringsmaatschappijen, in het hoofdgeding optredend als verzoekers in cassatie, hebben de schade voor hun rekening genomen.
6 Na het schadebedrag te hebben uitgekeerd, wendden de verzekeraars, in de rechten van Brambi gesubrogeerd, zich tot het Tribunal de commerce de Créteil, waar Rungis onder ressorteert, met een schadevordering tegen enerzijds RCC, die het cognossement voor het vervoerstraject over zee had afgegeven, en anderzijds Spliethoff's Bevrachtingskantoor BV, benevens de kapitein van het schip "Alblasgracht V002", in hun hoedanigheid van werkelijke zeevervoerders.
7 Het Tribunal de commerce de Créteil overwoog, dat de peren blijkens de correspondentie tussen Brambi en RCC, te Rungis aan Brambi moesten worden afgeleverd, en verklaarde zich derhalve bevoegd ten aanzien van de "transactie" tussen die twee vennootschappen. Hierbij paste het Tribunal Frans recht toe, stellig op grond van artikel 4, eerste alinea, Executieverdrag, en niet de bepalingen van het Executieverdrag, omdat Australië geen partij is bij dat verdrag. Bovendien veroordeelde het Tribunal RCC tot betaling van schadevergoeding aan de verzekeraars tot een bedrag van 400 000 FF en verwees het haar in de kosten van het geding, omdat zij haar "contract" niet was nagekomen.
Daarentegen verklaarde het Tribunal zich onbevoegd ten aanzien van de twee andere verweerders, overwegende dat er geen sprake was van gecombineerd vervoer van Melbourne naar Rungis, dat Rotterdam de plaats was waar de verbintenis door verweerders moest worden uitgevoerd, en dat dus de rechter te Rotterdam, de plaats waar de goederen moesten worden afgeleverd, dan wel die te Amsterdam, de woonplaats van verweerders, bevoegd was.(5)
8 In door de verzekeraars ingesteld hoger beroep bekrachtigde de Cour d'appel de Paris het vonnis in eerste aanleg, overwegende dat de aansprakelijkheid van Spliethoff en van de kapitein noodzakelijkerwijze voortvloeide uit overeenkomst en de bevoegdheid ingevolge de artikelen 2 en 5, sub 1, Executieverdrag dus toeviel aan de hierboven genoemde Nederlandse rechters.
9 Tegen deze uitspraak stelden de verzekeraars beroep tot cassatie in voor de verwijzende rechter. Zij voerden daarbij aan, dat het geschil met verweerders niet van contractuele aard was, zoals de rechter in hoger beroep ten onrechte had aangenomen, maar dat het een vordering uit onrechtmatige daad betrof, waarop artikel 5, sub 3, Executieverdrag van toepassing is, met alle gevolgen van dien voor de rechterlijke bevoegdheid. Subsidiair betoogden de verzekeraars, dat het om een onsplitsbaar geschil ging, aangezien de verweerders alle drie aan dezelfde vervoersoperatie over zee hadden deelgenomen. De rechter in hoger beroep had zich dus ook ten aanzien van de twee andere verweerders bevoegd moeten verklaren, daar hij zich immers bevoegd had verklaard ten aanzien van de eerste verweerder.
10 Wegens het autonome karakter van het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" meende de Franse Cour de cassation, dat voor oplossing van het geschil uitlegging van het Executieverdrag nodig was, en zij heeft het Hof daarom de volgende vier prejudiciële vragen voorgelegd.
III - De prejudiciële vragen
De Franse Cour de cassation stelt het Hof van Justitie de volgende vragen:
"1) Berust de vordering waarmee de ontvanger van goederen waarvan na vervoer over zee en vervolgens over land wordt vastgesteld dat zij beschadigd zijn, of zijn verzekeraar die in zijn rechten is gesubrogeerd omdat hij hem schadeloos heeft gesteld, met een beroep op het cognossement voor het zeevervoer vergoeding van zijn schade vordert, niet tegenover degene die dit document onder zijn briefhoofd heeft afgegeven, maar tegenover de persoon die de eiser als de werkelijke zeevervoerder beschouwt, op de vervoersovereenkomst, en vloeit zij derhalve op deze of op een andere grond voort uit een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag?
2) Ingeval de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, betreft het hier dan een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag, of moet dan het in artikel 2 Executieverdrag neergelegde beginsel worden toegepast dat de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn?
3) Wanneer het moet worden geacht te gaan om een verbintenis uit onrechtmatige daad, kan dan, en zo ja, onder welke voorwaarden, de plaats waar de ontvanger na afloop van het vervoer over zee en vervolgens tot de eindbestemming over land, enkel de schade aan de hem geleverde goederen heeft vastgesteld, worden beschouwd als de plaats waar de schade is ingetreden, die volgens het arrest van het Hof van 30 november 1976, Bier (21/76, Jurispr. blz. 1735), de $plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag kan zijn?
4) Kan een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen voor het gerecht waarbij een vordering is aangebracht tegen een medeverweerder die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, op grond dat het geschil onsplitsbaar is en er niet enkel sprake is van samenhangende vorderingen?"
IV - Het rechtskader
11 Artikel 2 Executieverdrag bepaalt:
"Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat."
12 Artikel 3 bepaalt:
"Degenen die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats hebben, kunnen niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van deze titel gegeven regels."
13 Artikel 4 bepaalt:
"Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, wordt de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld door de wetgeving van die staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16."
14 Artikel 5 bepaalt:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (...)
(...)
3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan; (...)"
15 Artikel 6 bepaalt:
"Deze verweerder kan ook worden opgeroepen:
1) indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner;
(...)"
16 Artikel 22 ten slotte bepaalt:
"Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.
Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven."
V - Ten gronde
De eerste vraag
17 Verweerders betogen dat nu de vordering tegen hen is ingesteld op grond van het cognossement, dat wil zeggen het document waarin de vervoersovereenkomst is vastgelegd, het geschil een verbintenis uit overeenkomst betreft. De Duitse en de Franse regering alsmede de Commissie ontkennen dat het gaat om een geschil van contractuele aard, wegens het gemis van een contractuele band tussen de koper en de zeevervoerder.
18 Het standpunt van verweerders is niet houdbaar.
19 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat het Executieverdrag onder meer ten doel heeft de regels inzake de internationale bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten een te maken, door zo veel mogelijk te voorkomen, dat met betrekking tot eenzelfde rechtsverhouding meer rechterlijke instanties bevoegd zijn, en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken, door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, en de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.(6) De rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen en de rechtszekerheid worden hiermee versterkt.
20 In het stelsel van het verdrag geldt als algemene regel, dat de gerechten van de verdragsluitende staat waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn (artikel 2), en zijn er enkel bij afwijking van deze algemene regel een aantal uitputtend opgenoemde gevallen waarin de verweerder, al naar het geval, kan (bij bijzondere bevoegdheid) of moet (bij uitsluitende bevoegdheid of door partijen gekozen bevoegdheid) worden gedaagd voor de rechter van een andere verdragsluitende staat.(7)
In het algemeen immers wordt de verweerder beschouwd als de zwakste partij, omdat hij degene is tegen wie de vordering wordt ingesteld, behalve in bepaalde welomschreven gevallen, waarin de verzoeker als zwakste partij wordt beschouwd, in welk geval het verdrag aan de verzoekende partij tegemoet komt.(8)
21 Zo noemt artikel 5 een aantal gevallen van bijzondere bevoegdheid, waarbij de verzoeker de verweerder naar keuze kan oproepen op een andere plaats dan diens woonplaats.
Deze keuzemogelijkheid is gegeven ter wille van een nuttige procesinrichting in welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauw verband bestaat tussen een vordering en het gerecht dat kan worden geroepen daarvan kennis te nemen.(9)
22 Zo'n geval doet zich voor in geschillen inzake verbintenissen uit overeenkomst. Het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" wordt in het Executieverdrag niet gedefinieerd. Niettemin moet, zo heeft het Hof bij tal van gelegenheden benadrukt, aan dit begrip een autonome uitlegging worden gegeven, waarbij met het oog op de eenvormige toepassing van het Executieverdrag in alle verdragsluitende staten in de eerste plaats aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van het verdrag; dit begrip kan derhalve niet worden geacht te verwijzen naar de kwalificatie die de toepasselijke nationale wet geeft aan de voor de nationale rechter aan de orde zijnde rechtsbetrekking.(10)
23 Het begrip verbintenissen uit overeenkomst is met name in het arrest Handte(11) nader verduidelijkt. In deze zaak had een Franse vennootschap, gevestigd te Bonneville, producten gekocht van de dochtermaatschappij van een Duitse vennootschap, gevestigd te Straatsburg. Omdat die producten gebreken vertoonden, stelde zij voor het Tribunal de grande instance de Bonneville zowel tegen de verkoopster als tegen de Duitse fabrikant van het product een rechtsvordering in tot schadevergoeding. Gevraagd om een uitspraak over de vraag of de verhouding tussen de latere verkrijger en de fabrikant van contractuele aard is (het enige geval waarin de fabrikant kon worden opgeroepen voor het gerecht van de "plaats waar de verbintenis moest worden uitgevoerd"), oordeelde het Hof, na te hebben herinnerd aan de doelstellingen van het verdrag, dat het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, niet aldus mag worden uitgelegd, dat het ziet op een situatie waarin er geen sprake is van een verbintenis die een partij vrijwillig is aangegaan jegens een andere (punt 15), zoals in de verhouding tussen de latere verkrijger van een bij een eerste koper gekocht goed en de fabrikant van dat goed (punt 16).
Het Hof beklemtoonde: "In het geval van een keten van internationale overeenkomsten kunnen de contractuele verbintenissen van de partijen bovendien van de ene overeenkomst tot de andere verschillen, zodat de rechten die de latere verkrijger uit hoofde van de overeenkomst jegens zijn directe verkoper geldend kan maken, niet noodzakelijk dezelfde zijn als die welke de eerste koper in zijn betrekkingen met de fabrikant geldend kan maken" (punt 17).
In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld, dat bij ontbreken van een contractuele band met de latere verkrijger, wiens identiteit en woonplaats hij volgens de wet niet behoeft te kennen, de fabrikant niet kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen, hetgeen onverenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel dat het verdrag beoogt te beschermen (punten 18 en 20).
24 Uit deze rechtspraak blijkt, dat in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag - dat als afwijking van artikel 2 restrictief moet worden uitgelegd(12) - een vordering tot schadevergoeding slechts gebaseerd kan zijn op een "verbintenis uit overeenkomst", wanneer er sprake is van een vrijwillig aangegane verbintenis, niet tussen de eiser en een derde, of tussen verweerder en een derde, maar tussen eiser en gedaagde, en wanneer de eiser in zijn dagvaarding stelt, dat de verweerder de verplichtingen niet is nagekomen die uit die verbintenis voortvloeien.
25 In casu vraagt de verwijzende rechter of het geschil onder de gegeven omstandigheden zou kunnen worden beschouwd als een geschil van contractuele aard, omdat het voortspruit uit een "vervoersovereenkomst". Maar welke "vervoersovereenkomst" en tussen wie?
26 Op dit punt heerst onduidelijkheid, die eisers en verweerders in hun processtukken in het hoofdgeding en in hun opmerkingen in de huidige procedure allerminst hebben opgehelderd, om niet te zeggen dat zij een en ander zorgvuldig in het vage hebben gelaten.
27 Uit de bevindingen van de rechter in eerste aanleg en de rechter in hoger beroep komt in ieder geval naar voren, dat er overleg is geweest tussen RCC en Brambi over de aflevering van de peren te Rungis, welk overleg waarschijnlijk plaatsvond in het kader van een vervoersovereenkomst tussen de twee vennootschappen, die betrekking had op het transport van de goederen van Melbourne naar Rungis.(13) In ieder geval is het transport uitgevoerd in twee afzonderlijke, los van elkaar staande fasen, namelijk een traject over zee en een traject over land.
28 Voor het traject over zee, het enige dat hier aan de orde is, heeft de vennootschap RCC een cognossement aan toonder afgegeven, waarop de vennootschap Year als afzender staat vermeld (dus de verkoopster), terwijl de vennootschap Brambi wordt genoemd als degene aan wie het cognossement moest worden betekend; voorts staat vermeld, dat het vervoer zou geschieden met het schip Alblasgracht. Volgens de rechter in eerste en tweede aanleg gold het cognossement, hoewel daarop de voorgedrukte vermelding stond dat het een gecombineerd cognossement was (dat wil zeggen een cognossement dat verschillende vervoerswijzen dekte), in werkelijkheid alleen het traject over zee, omdat Rotterdam de haven van lossing en aflevering van de goederen was. Uit deze gegevens hebben de rechter in eerste aanleg en de rechter in hoger beroep opgemaakt, dat Spliethoff de werkelijke zeevervoerder was, die in het cognossement weliswaar niet wordt genoemd, maar die de bevrachter was van het schip waarmee het vervoer heeft plaatsgevonden.
29 Over de relatie tussen Brambi en Spliethoff ontbreken concrete gegevens. Uit de verklaringen van partijen in het hoofdgeding en hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof blijkt niet van enige contractuele band tussen die twee vennootschappen. Integendeel, verzoekers hebben aangevoerd, hierin door verweerders niet overtuigend weersproken, dat RCC het vervoer over zee aan Spliethoff had uitbesteed.(14) Daarmee is logischerwijze een overeenkomst tot stand gekomen tussen RCC en Spliethoff.(15) Het mogelijke bestaan van een dergelijke overeenkomst is in casu echter niet relevant, omdat de vennootschap Brambi ten aanzien van die overeenkomst als derde is te beschouwen. En dit omdat, zoals hiervoor reeds opgemerkt (zie hierboven, punt 20), voor een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, niet elke willekeurige met de zaak verband houdende overeenkomst tussen eiser of verweerder en een derde voldoende is: er moet een overeenkomst bestaan tussen de verzoeker en de verweerder.
30 Ongeacht dus de juridische aard van het litigieuze cognossement(16) en ongeacht de rechtsverhouding tussen de vennootschappen RCC en Brambi, valt in deze zaak uit de gegevens van het dossier een vrij duidelijke conclusie trekken: dat er geen vrijwillig aangegane contractuele band bestaat tussen de vennootschap Brambi enerzijds en de vennootschap Spliethoff en de kapitein anderzijds.
31 Waar dus de nationale rechter, die als enige de feiten moet vaststellen, zich ervan heeft overtuigd dat er geen contractuele band bestond tussen de vennootschap Brambi en de verwerende partijen, of juister gezegd, tussen Brambi en de vennootschap Spliethoff, betreft het onderhavige geschil in ieder geval geen verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.(17)
De tweede vraag
32 Alle partijen zijn het erover eens, dat wanneer de aansprakelijkheid van de zeevervoerder niet in het geding is en het geschil niet van contractuele aard is, het hier gaat om een geschil uit onrechtmatige daad.
33 Bij deze zienswijze sluit ik mij aan.
34 Zoals reeds gezegd, bepaalt artikel 5, sub 3, Executieverdrag, in afwijking van het algemene beginsel dat de rechter van de woonplaats van verweerder bevoegd is, dat de verweerder kan worden opgeroepen:
"3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan".
35 Volgens de rechtspraak van het Hof moet evenals het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" in artikel 5, sub 1, ook het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" in artikel 5, sub 3, autonoom worden uitgelegd. Om eenzelfde uitkomst in alle lidstaten te verzekeren, moet het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad aldus worden begrepen, dat daaronder elke rechtsvordering valt "die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1".(18)
36 Aangezien verweerders in het onderhavige geval aansprakelijk worden gesteld voor de schade aan de goederen tijdens het zeevervoer en het geschil niet van contractuele aard is, betreft het hier noodzakelijkerwijs een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag. Dit is dus een geval van bijzondere bevoegdheid, zodat de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 niet van toepassing is.
De derde vraag
37 Met de derde vraag wil de verwijzende rechter weten, of onder omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, de plaats waar enkel de schade is geconstateerd, de "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" is in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag, zoals deze bepaling door het Hof is uitgelegd.
38 Hier worden twee problemen aan de orde gesteld. Het eerste is, op welke plaats het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan wanneer de schade, zoals in casu, gedurende internationaal vervoer is ingetreden. Het tweede probleem is, of die plaats samenvalt met de plaats waar de schade enkel is vastgesteld.
39 In beginsel zijn alle partijen het erover eens, dat de plaats waar de schade enkel is vastgesteld, niet doorslaggevend is wanneer deze niet samenvalt met de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of de plaats waar de schade is ingetreden. Voorts zijn verweerders en de Franse regering van mening, zo blijkt uit hun opmerkingen, dat onder omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, het eindpunt van het zeetraject, waar verweerders de goederen moesten afleveren, de plaats is waar de schade is ingetreden.
40 Deze standpunten moet ik hier nader bespreken.
41 Zoals het Hof meermaals heeft verklaard, berust de regel van bijzondere bevoegdheid van artikel 5, sub 3, die ter keuze van verzoeker staat, op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de staat van de woonplaats van de verweerder, zodat de bevoegdheid van die rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting.(19)
42 De betekenis van de uitdrukking "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan", die in artikel 5, sub 3, wordt gebezigd als criterium voor bijzondere bevoegdheid, is niet altijd duidelijk. Reeds in het verslag-Jenard(20) staat expliciet: "Het comité heeft gemeend de vraag of de plaats waar het schadebrengende feit is gepleegd dan wel de plaats waar de schade is ingetreden in aanmerking moet worden genomen niet uitdrukkelijk te moeten beantwoorden, omdat het er de voorkeur aan gaf een formulering te gebruiken die in verscheidene wetgevingen voorkomt."
43 In het arrest Bier(21) signaleerde het Hof, dat de zin van deze uitdrukking "onduidelijk is wanneer de gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, heeft plaatsgevonden in een andere staat dan die waar de schade is ingetreden" (punt 13), en vroeg het zich af, of in een dergelijk geval moet worden aangeknoopt bij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis of bij de plaats waar de schade is ingetreden, dan wel of aan verzoeker de keus tussen deze twee moet worden gelaten (punt 14).
Volgens hetzelfde arrest kunnen de plaats van de veroorzakende gebeurtenis en de plaats van het intreden van de schade, al naar het geval, van betekenis zijn als aanknoping voor de rechterlijke bevoegdheid. Beide kunnen immers een belangrijke aanknoping zijn tussen het geschil en de aangezochte rechter, aangezien elk naar gelang van de omstandigheden een bijzonder nuttig uitgangspunt kan vormen voor de bewijslevering en de procesvoering (punten 15-17).(22)
Het Hof oordeelde dan ook, dat wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen, en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, de uitdrukking "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" in artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden verstaan, dat zowel de plaats waar de schade is ingetreden, als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld, zodat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden opgeroepen voor de rechter van zowel de ene als de andere plaats (punten 24 en 25).(23)
Het Hof overwoog tevens, dat de keuze van enkel de plaats van de veroorzakende gebeurtenis in tal van gevallen zou leiden tot een zodanige versmelting van de in de artikelen 2 en 5, sub 3, Executieverdrag geregelde bevoegdheden, dat het nuttig effect van laatstgenoemde bepaling verloren zou gaan (punt 20).(24)
44 In de zaak Bier/Mines de potasse d'Alsace was de plaats van het schadebrengende feit (de plaats waar de Franse onderneming afvalwater in de Rijn loosde en het water vervuilde) duidelijk een andere dan de plaats waar de schade intrad (de plaats waar het Nederlandse kwekersbedrijf de gewassen met vervuild water besproeide, waardoor die gewassen verloren gingen). Dat onderscheid is echter niet altijd gemakkelijk, terwijl de juiste aanwijzing van de plaats waar de schade is ingetreden, ook om andere redenen problemen oproept. In zijn rechtspraak heeft het Hof veel van dergelijke vragen in zulke casusposities moeten oplossen.
45 In het arrest Shevill e.a.(25) stond het Hof voor de vraag, welke rechter bevoegd is waar het gaat om belediging door middel van een krantenartikel, in het geval dat de betrokken krant in een bepaalde lidstaat verschijnt, maar de schade door de verspreiding van die krant in met name de staat van woonplaats van de beledigde partij wordt teweeggebracht. Het Hof oordeelde, dat in dat geval bevoegdheid toekomt aan zowel de rechter van de plaats waar de gebeurtenis zich voordeed die de schade heeft veroorzaakt, dat wil zeggen de rechter van de plaats van uitgave van de krant, en wel voor de integrale immateriële schade (punten 24 en 25), als de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden. Onder dit laatste moet worden verstaan de "plaats waar het feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de laedens teweegbrengt, de schadelijke gevolgen voor de gelaedeerde heeft voortgebracht" (punt 28). Met deze overwegingen kwam het Hof tot de conclusie, dat de gerechten van de staten waar de krant werd verspreid, alleen bevoegd zijn ten aanzien van de immateriële schade die door de verspreiding van de krant in die staat is veroorzaakt (punten 29-33).
46 In de zaak Dumez France en Tracoba (C-220/88) stelde een aantal Franse ondernemingen voor de Franse rechter een vordering tot schadevergoeding in tegen een aantal Duitse banken, wegens de schade die zij hadden geleden door het faillissement van hun in Duitsland gevestigde dochtermaatschappijen. Volgens de verzoeksters in die zaak was de schade veroorzaakt door het feit dat een door een Duitse aannemer in Duitsland uit te voeren bouwproject moest worden stopgezet omdat de Duitse banken de aan laatstgenoemde verleende kredieten hadden opgezegd.
In zijn arrest van 11 januari 1990(26) in deze zaak overwoog het Hof, dat de door de moedermaatschappijen gestelde schade slechts het indirecte gevolg was van de financiële verliezen die hun dochtermaatschappijen elders hadden opgelopen (punten 13-16). Na een uitlegging van het Executieverdrag te hebben afgewezen, volgens welke de gerechten van de woonplaats van de verzoeker bevoegd zouden kunnen zijn, waardoor deze laatste, buiten de uitdrukkelijk voorziene gevallen, met de keuze van zijn woonplaats de bevoegde rechter zou kunnen bepalen (punt 19), oordeelde het Hof, dat "de bevoegdheidsregel van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat een verzoeker die stelt schade te hebben geleden die het gevolg is van schade geleden door andere personen die rechtstreeks door het schadebrengende feit zijn gelaedeerd, de veroorzaker van dat feit kan oproepen voor de gerechten van de plaats waar hij zelf de schade in zijn vermogen heeft vastgesteld" (punt 22, cursivering van mij).
47 Nog interessanter voor de onderhavige zaak is het arrest Marinari.(27) In die zaak had Marinari, wonend in Italië, orderbriefjes ter bewaring gedeponeerd bij een Engelse bank. De personeelsleden van de bank koesterden verdenking omtrent de herkomst van die orderbriefjes, openden het pakket en waarschuwden de politie, met als gevolg dat Marinari werd gearresteerd en de orderbriefjes in beslag werden genomen. Nadat Marinari door de Engelse justitie van rechtsvervolging was ontslagen, stelde hij voor de Italiaanse rechter een rechtsvordering tegen de bank in, waarbij hij enerzijds schadevergoeding vorderde tot een bedrag dat gelijk was aan de waarde van de orderbriefjes, en tevens schadevergoeding wegens zijn detentie, de annulering van verschillende overeenkomsten en geldelijke genoegdoening voor immateriële schade.
Ten aanzien van de vraag of de Engelse dan wel de Italiaanse rechter bevoegd was, oordeelde het Hof, na te hebben herinnerd aan de uit de arresten Bier, Dumez France en Tracoba, en Shevill e.a. af te leiden beginselen, dat de mogelijkheid van verzoeker om te kiezen tussen de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, en de plaats waar de schade is ingetreden, beperkt moet blijven tot de bijzondere omstandigheden die die keuzemogelijkheid rechtvaardigen, omdat anders de algemene regel dat bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, zou worden uitgehold en uiteindelijk, buiten de uitdrukkelijk geregelde gevallen, de bevoegdheid zou worden erkend van de gerechten van de woonplaats van de eiser, welke bevoegdheid het Executieverdrag uitdrukkelijk heeft afgewezen door in artikel 3, tweede alinea, de toepassing van nationale bepalingen die in dergelijke bevoegdheden voorzien, uit te sluiten voor verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat (punt 13).
Het Hof oordeelde dan ook, dat het begrip "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" niet zo ruim kan worden uitgelegd, dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (punt 14).
Met name omvat dat begrip niet de plaats waarin de gelaedeerde stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een door hem geleden, in een andere verdragsluitende staat ingetreden aanvankelijke schade (punt 15).
48 Uit deze rechtspraak is dunkt mij af te leiden, dat voor het bepalen van de "plaats waar de schade is ingetreden", van belang is de definitie van de "schade" die in aanmerking moet worden genomen. Onder "schade" zal de schade aan het vermogen of aan de persoon van de verzoeker moeten worden verstaan, die in rechtstreeks en causaal verband staat(28) met het schadebrengende feit, dat wil zeggen de onrechtmatige gedraging die aan de verweerder wordt toegeschreven - en niet de indirecte, latere of door kettingreactie ontstane schade die de verzoeker stelt te hebben geleden. Daarom is "de plaats waar de schade is ingetreden" de plaats waar het schadebrengende feit de verzoeker schade in de hierboven aangegeven zin heeft berokkend.
49 Deze arresten bevatten voldoende gegevens om de "plaats waar de schade is ingetreden" te kunnen bepalen in geval van schade ontstaan tijdens internationaal vervoer van goederen, zoals in casu.
50 Voorop moet worden gesteld, dat de fundamentele verplichting van iedere vervoerder erin bestaat, de goederen op een plaats in ontvangst te nemen en onbeschadigd op een andere plaats af te leveren. Derhalve is de vervoerder in beginsel aansprakelijk voor elke schade die de goederen tussen begin- en eindpunt van de reis, dus tijdens de gehele duur ervan, ondervinden.
51 Wanneer de ontvanger slechts met één vervoerder een overeenkomst is aangegaan, is diens aansprakelijkheid jegens de ontvanger voor de tijdens de duur van de reis ontstane schade van contractuele aard. Indien beide partijen woonplaats hebben in de Gemeenschap, kan de ontvanger ingevolge artikel 5, sub 1, Executieverdrag de vervoerder oproepen voor het gerecht van de plaats waar de goederen zijn of moesten worden afgeleverd.
52 Men stelle zich evenwel voor, dat de vervoerder, zonder medeweten van de ontvanger, een deel van het vervoer heeft uitbesteed aan een derde-vervoerder, die eveneens woonplaats heeft in de Gemeenschap, en die derde-vervoerder heeft de schade aan de goederen veroorzaakt. In dat geval blijft de oorspronkelijke vervoerder jegens de ontvanger aansprakelijk krachtens de tussen hen bestaande overeenkomst. De derde-vervoerder is aansprakelijk jegens de oorspronkelijke vervoerder krachtens de tussen hen bestaande overeenkomst, maar jegens de ontvanger, met wie hij geen enkele contractuele band heeft, is hij aansprakelijk uit onrechtmatige daad.(29)
53 Volgens het arrest Bier kan de ontvanger in dat laatste geval de derde-vervoerder aanspreken ofwel voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, ofwel voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden.
54 De plaats waar de schade is ingetreden, kan de verzoekende partij bekend zijn en kan binnen de Gemeenschap gelegen zijn, in welk geval de bevoegde rechter in zoverre gemakkelijk is aan te wijzen. Het kan echter zijn dat die plaats niet is aan te wijzen, of buiten de Gemeenschap ligt, in welk geval geen bevoegde rechter valt aan te wijzen.(30) Ook kan het zijn dat de schadebrengende gedraging van verweerder de hele reis heeft voortgeduurd, in welk geval het absurd zou zijn indien de verzoeker zich moest wenden tot de rechters van alle plaatsen waar het schip is langsgevaren. In dergelijke gevallen zal de ontvanger zich moeten beperken tot de plaats waar de schade is ingetreden. Daarmee rijst de vraag: welke plaats is dat?
55 Om te beginnen kan de plaats waar de schade is ingetreden, niet de plaats zijn van "de uiteindelijke aflevering" van de goederen, of anders de plaats waar de oorspronkelijke vervoerder de goederen aan de ontvanger behoorde af te leveren, zoals verzoekers beweren.
De redenen liggen voor de hand. Bij internationaal vervoer, dat zoals in dit geval, wordt uitgevoerd door verschillende opeenvolgende vervoerders, is er een keten van vervoersovereenkomsten, waarin de rechten en plichten van partijen aanzienlijk kunnen uiteenlopen. De derde-vervoerder zal waarschijnlijk onbekend zijn met de oorspronkelijk tussen vervoerder en ontvanger overeengekomen plaats van aflevering van de goederen, of zelfs met het bestaan en het adres van laatstgenoemde. Die plaats speelt dus geen rol in het geschil tussen ontvanger en derde-vervoerder. Bovendien, zo merkt de Commissie terecht op, wordt bij internationaal vervoer de bestemming van de goederen onderweg vaak gewijzigd, zodat de eigenlijke plaats van bestemming niet gemakkelijk valt te bepalen, of het gevaar bestaat dat de verzoeker naar believen een plaats van bestemming aanwijst, wat het "forum shopping" aanmoedigt. Aangezien de plaats van uiteindelijke aflevering van de goederen gewoonlijk de plaats is waar de verzoeker zijn bedrijfsvestiging heeft, zoals ook hier het geval is, zou de keuze van die plaats kunnen ontaarden in een nieuw bevoegdheidscriterium ten gunste van de rechter van de woonplaats of van de bedrijfsvestiging van de verzoekende partij, wat het Executieverdrag juist wil vermijden.(31) Dat zou echter de regel van artikel 2 Executieverdrag en het met het Executieverdrag beoogde stelsel ondergraven.
56 De plaats waar de schade is ingetreden, kan bovendien niet de plaats zijn waar de schade door verzoeker enkel is geconstateerd.
Bij internationaal vervoer dat, zoals in casu, door meer opeenvolgende vervoerders wordt uitgevoerd, wordt immers de aan een tussenvervoerder toegerekende schade aan de goederen vastgesteld ofwel op een van de volgende tussenstations van de reis, ofwel op de plaats van aflevering of verdere doorzending van de goederen, enzovoort, welke plaatsen voor de verweerder geen van alle voorzienbaar zijn geweest. Zou dus de plaats waar de schade is vastgesteld, doorslaggevend zijn, dan zou de bevoegdheid komen af te hangen van onzekere en toevallige factoren, wat zou indruisen tegen een fundamenteel doel van het Executieverdrag, namelijk "te voorzien in een zekere en voorzienbare toewijzing van de bevoegdheid".(32) Voorts zou deze uitlegging tot gevolg kunnen hebben dat bevoegdheid toevalt aan het gerecht van een plaats die geen enkele aanknoping heeft met de aspecten van het geschil, welk gerecht dus vanuit het oogpunt van doelmatige bewijsvoering volstrekt misplaatst zou zijn.(33) Ten slotte zou de verzoekende partij altijd kunnen stellen dat hij de schade pas heeft vastgesteld in zijn woonplaats of in de plaats van zijn bedrijfsvestiging, met de hierboven in de voorgaande alinea beschreven gevolgen.
57 Naar mijn mening kan de plaats waar de schade is ingetreden, in een geval als het onderhavige slechts de plaats zijn tot waar de derde-vervoerder die door de verzoeker wordt aangesproken, de goederen onder zijn verantwoordelijkheid had, dat wil zeggen de plaats waarop hij die goederen moest afleveren.
58 In de eerste plaats is er dan een causaal verband tussen het schadebrengende feit en de schade. Volgens verzoekers hebben verweerders tijdens het vervoer niet de normale vriestemperatuur gehandhaafd, met de vroegtijdige rijping van de peren tot gevolg. Deze nalatigheid van verweerders kan, indien daar inderdaad sprake van is, de oorzaak zijn geweest van het bederf van een dergelijk gevoelig product.
Met dit bederf van de goederen is op zichzelf reeds directe schade toegebracht aan het vermogen in ruime zin van de ontvanger van of de rechthebbende op de goederen.(34) Dat het bederf van de goederen vervolgens is verergerd (of wel door de aard van de goederen, of wel door onzorgvuldigheid van de overige vervoerders), is niet van belang voor het aspect dat hier aan de orde is, en doet niet af aan het feit dat de schade is ingetreden tijdens het betrokken vervoer of op zijn laatst aan het einde van het traject.(35)
59 Die plaats is bovendien concreet en voor de verweerder voorzienbaar en geeft dus rechtszekerheid. In de tweede plaats staat deze plaats naar zijn aard in nauw verband met het geschil tussen de ontvanger en de verweerder, hetgeen de bewijsopname vergemakkelijkt. Een en ander komt het doel van een goede rechtsbedeling ten goede. In zekere mate is deze plaats ook gunstig voor de verzoeker, omdat hij daardoor in het geval dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zich moeilijk of niet laat bepalen, of zeer ver verwijderd is, een plaats kan kiezen die wellicht dichter bij zijn woonplaats ligt dan de woonplaats van de verweerder. En wanneer de oorspronkelijke vervoerder het vervoer slechts aan één derde-vervoerder heeft uitbesteed, vallen de plaats waar de oorspronkelijke vervoerder zijn prestatie moest volbrengen, en de plaats waar de schade is ingetreden, samen, waardoor het aantal bevoegde fora beperkt blijft, hetgeen een juiste berechting van het gehele geschil ten goede komt. Deze oplossing houdt dus rekening met alle betrokken belangen en valt niet uit in het voordeel van deze of gene partij.
60 Aangezien verweerders in de dagvaarding aansprakelijk worden gesteld voor de schade gedurende het zeevervoer van de goederen van Melbourne naar Rotterdam, was laatstgenoemde haven de laatste plaats waar de goederen zich onder de verantwoordelijkheid van verweerders bevonden en de schadelijke gevolgen van de hun verweten onrechtmatige gedraging ondergingen.(36) Daarom moet die plaats worden beschouwd als de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag.
De vierde vraag
61 Gelet op de reeds beschreven achtergrond van het geding, moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met de laatste prejudiciële vraag wenst te vernemen, of het Executieverdrag toelaat, dat een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende staat, tegen wie een op artikel 5, sub 3, Executieverdrag gebaseerde vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld, wordt opgeroepen voor het gerecht van een andere verdragsluitende staat, waar een ander, en bovendien op het nationale recht gebaseerd, onderdeel van dezelfde vordering wordt ingesteld tegen een verweerder die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, en wel omdat de twee zaken "onsplitsbaar" en niet enkel samenhangend zijn.
62 In deze prejudiciële vraag worden geen concrete bepalingen genoemd waarvan uitlegging wordt gevraagd. In tegenstelling bovendien met het begrip "verwant zijn", waarover artikel 22 Executieverdrag handelt, is de in de prejudiciële vraag gebruikte term "onsplitsbaarheid" van het geschil niet in het Executieverdrag terug te vinden als mogelijk bevoegdheidscriterium.(37)
63 Voorop staat, dat volgens artikel 3 Executieverdrag de verweerder die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats heeft, niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat kan worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van titel II gegeven regels.(38)
64 Artikel 22, dat handelt over samenhangende vorderingen, behoort tot afdeling 8 van titel II. Dat artikel kan in casu dus geen toepassing vinden.
In zijn arrest van 24 juni 1981, Elefanten Schuh(39), overwoog het Hof: "Artikel 22 Executieverdrag bedoelt regelen te geven voor het geval van samenhangende vorderingen die bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht. Het deelt geen bevoegdheid toe; inzonderheid verleent het geen bevoegdheid aan een rechter van een verdragsluitende staat om te beslissen op een vordering die samenhangt met een andere vordering die krachtens de voorschriften van het Executieverdrag voor deze rechter is gebracht" (punt 19).
Aan de verwijzende rechter moest daarom worden geantwoord, "dat artikel 22 Executieverdrag enkel van toepassing is wanneer samenhangende vorderingen bij de gerechten van twee of meer verdragsluitende staten zijn aangebracht" (punt 20).
Los van de vraag of er sprake is van "samenhang" in de zin van artikel 22 Executieverdrag tussen het tegen RCC gerichte onderdeel van de vordering en het tegen verweerders gerichte onderdeel, zijn er in casu geen afzonderlijke vorderingen voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten aangebracht. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 22 is dus hoe dan ook niet voldaan.
65 Ik keer terug naar artikel 3 Executieverdrag. Van de afdelingen 2 tot en met 6 van titel II spelen de afdelingen 3 tot en met 5 in casu geen rol. Aangezien artikel 5 niet de mogelijkheid kent van bevoegde rechter te veranderen, is de enige relevante bepaling voor het voorwerp van de prejudiciële vraag artikel 6, sub 1. Ik zal mij dus beperken tot bespreking van die bepaling.
66 Blijkens de bewoordingen van deze bepaling geldt als onontbeerlijke voorwaarde voor toepassing daarvan, in de eerste plaats dat het geschil wordt aangebracht voor de rechter van de woonplaats van een van de verweerders.(40) Dat betekent uiteraard, dat de woonplaats van die verweerder zich op het grondgebied van een verdragsluitende staat moet bevinden en die verweerder dus woonplaats heeft in een verdragsluitende staat. Voorts moet, zoals uit de rechtspraak blijkt, er in de tweede plaats een samenhang in de zin van artikel 22 bestaan, tussen de tegen verweerders aangebrachte vorderingen.(41)
67 Wat de eerste voorwaarde aangaat, wijs ik erop, dat RCC, die verzoekers in het geschil met verweerders willen betrekken, niet is gevestigd in het arrondissement van het Tribunal de commerce de Créteil, waar de vordering tegen haar is aangebracht, maar in een niet-verdragsluitende staat. Vooral om die reden kunnen verweerders dus niet op grond van artikel 6, sub 1, Executieverdrag voor het Tribunal worden gedaagd.
68 Wat de tweede voorwaarde betreft, wijs ik erop, dat in de zaak Kalfelis het Hof reeds de vraag werd gesteld, of een criterium van nationaal recht, zoals de gewone dan wel de noodzakelijke cumulatie van gelijksoortige vorderingen, kan worden gebruikt voor de definitie van het begrip "verwante vorderingen" in de zin van artikel 6, sub 1, Executieverdrag, ingeval tegen dezelfde verweerder meer rechtsvorderingen worden ingesteld.
69 Het Hof overwoog, dat artikel 6, sub 1, een uitzondering vormt op de regel van artikel 2 en niet aldus mag worden uitgelegd, dat het beginsel zelf op losse schroeven komt te staan (punt 8). Dat zou het geval kunnen zijn, wanneer een verzoeker de mogelijkheid had een vordering tegen verschillende verweerders in te stellen met het enkele doel een van die verweerders af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft; daarom is vereist, dat er een verband bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen (punt 9), welk verband autonoom moet worden bepaald (punt 10).
Vervolgens wees het Hof erop, dat artikel 6, sub 1, evenals overigens artikel 22, beoogt te vermijden dat in de verdragsluitende staten onderling onverenigbare beslissingen worden gewezen (punt 11), en oordeelde het: "Artikel 6, sub 1, is derhalve van toepassing, wanneer tussen de tegen verschillende verweerders ingestelde vorderingen een verband bestaat op het tijdstip waarop zij worden aangebracht, dat wil zeggen, wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om de gelijktijdige behandeling en berechting ervan, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare uitspraken worden gegeven. Het staat aan de nationale rechter, in elk concreet geval te onderzoeken of aan die voorwaarde is voldaan" (punt 12).
70 Een en ander geldt voor het geval dat meerdere vorderingen tegen verschillende verweerders worden aangebracht. In diezelfde zaak werd echter de vraag gesteld, of in het geval van een vordering die cumulatief steunt op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking, de rechter die krachtens artikel 5, sub 3, bevoegd is voor één onderdeel van de vordering, ook kennis kan nemen van de onderdelen van de vordering die niet berusten op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
In antwoord op deze vraag herinnerde het Hof er in de eerste plaats aan, dat de in de artikelen 5 en 6 Executieverdrag genoemde bijzondere bevoegdheden een uitzondering vormen op het beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, en derhalve restrictief moeten worden uitgelegd. Vervolgens verklaarde het Hof, dat "een gerecht dat op grond van artikel 5, sub 3, bevoegd is om kennis te nemen van het onderdeel van een vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd, niet bevoegd is om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad" (punt 19).(42)
Deze oplossing, zo vervolgde het Hof, heeft weliswaar als nadeel, dat verschillende aspecten van een geschil door verschillende gerechten worden beslecht, maar dat nadeel wordt weer gecompenseerd doordat de verzoeker de mogelijkheid heeft het gehele geschil voor de rechter van de woonplaats van verweerder te brengen, en doordat ingevolge artikel 22 Executieverdrag het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, in bepaalde omstandigheden van het gehele geschil kennis kan nemen (punt 20).
71 Een en ander betekent, dat twee onderdelen van dezelfde vordering tot schadevergoeding, ingesteld tegen verschillende verweerders, waarvan het ene is gebaseerd op aansprakelijkheid uit overeenkomst en het andere op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, onderling niet samenhangend zijn.
72 Om dezelfde redenen moet deze oplossing ook in het onderhavige geval worden aanvaard. Waar het gerecht dat kennis neemt van het onderdeel van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, niet bevoegd is kennis te nemen van het onderdeel van de vordering waarin schadevergoeding wordt gevorderd wegens wanprestatie, kan de rechter die kennis neemt van dat laatste onderdeel (en nog wel krachtens andere bepalingen dan die van het Executieverdrag), ook niet kennis nemen van het eerstbedoelde onderdeel. Derhalve kan artikel 6, sub 1, in casu geen toepassing vinden.
VI - Conclusie
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) In een geval als in het hoofdgeding aan de orde is, heeft de vordering tot schadevergoeding die de ontvanger van goederen instelt tegen de vervoerder die, naar wordt gesteld, het gedeelte van het vervoer over zee heeft uitgevoerd, wegens schade die de goederen gedurende dat traject hebben geleden, geen betrekking op een $verbintenis uit overeenkomst' in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, wanneer er geen vrijwillig aangegane contractuele band bestaat tussen de verzoeker en de verweerder.
2) Indien de vervoerder met deze vordering aansprakelijk wordt gesteld voor de schade, zonder dat er een contractuele band bestaat tussen de verzoeker en de verweerder, is er sprake van een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag.
3) De plaats waar de verzoeker de schade enkel heeft vastgesteld, is niet beslissend voor de bepaling van de $plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan', in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag, zoals dit artikel door het Hof is uitgelegd.
4) De artikelen 3 en 6, sub 1, Executieverdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, niet in een andere verdragsluitende staat kan worden opgeroepen voor het gerecht waar een vordering is aangebracht tegen een medeverweerder die woonplaats heeft buiten het grondgebied van een verdragsluitende staat, op grond dat het geschil onsplitsbaar zou zijn en er niet enkel sprake is van samenhangende vorderingen."
(1) - PB 1972, L 299, blz. 32.
(2) - PB 1989, L 285, blz. 1.
(3) - Deze datum wordt genoemd in de processtukken. Misschien gaat het om een abuis, omdat deze datum vier jaren vroeger is dan het litigieuze transport.
(4) - Zie de opmerkingen van verweerders voor de Cour d'appel alsmede het verslag van de deskundige die in de uitspraak in eerste aanleg wordt genoemd.
(5) - Ik vermeld hier dat RCC voor de Franse rechter niet is verschenen en evenmin in de onderhavige procedure opmerkingen heeft ingediend.
(6) - Arresten van 3 juli 1997, Benincasa (C-269/95, Jurispr. blz. I-3767, punten 25 en 26), en 20 maart 1997, Farrell (C-295/95, Jurispr. blz. I-1683, punt 13).
(7) - Zie arrest van 17 juni 1992, Handte (C-26/91, Jurispr. blz. I-3967, punt 13), alsook de arresten Benincasa (punt 13) en Farrell (punt 18), aangehaald in voetnoot 6.
(8) - Arrest Farrell (punt 19), aangehaald in voetnoot 6.
(9) - Arresten van 30 november 1976, Bier (21/76, Jurispr. blz. 1735, punt 11), en 29 juni 1994, Custom Made Commercial (C-288/92, Jurispr. blz. I-2913, punt 12).
(10) - Arresten van 22 maart 1983, Peters (34/82, Jurispr. blz. 987, punten 9 en 10); 8 maart 1988, Arcado (9/87, Jurispr. blz. 1539, punten 10 en 11), en Handte (punt 10), aangehaald in voetnoot 7.
(11) - Aangehaald in voetnoot 7.
(12) - Zie arrest van 27 september 1988, Kalfelis (189/87, Jurispr. blz. 5565, punt 19).
(13) - Zie punt 7 supra.
(14) - Verzoekers hebben zich zelfs beroepen op een cognossement dat door Spliethoff bij het inladen van de goederen zou zijn uitgereikt (zie bijvoorbeeld hun memories in de cassatieprocedure), maar zij hebben geen enkel bewijs daarvan geproduceerd.
(15) - Misschien is dat de reden waarom de Cour d'appel heeft gemeend hier te doen te hebben met een "verbintenis uit overeenkomst", met Rotterdam als plaats waar de verbintenis diende te worden uitgevoerd. Voor de verschillende vormen die de verhouding tussen een vervoerder en een derde-vervoerder kunnen aannemen, zie Delbeque, P.: "Sous-traitance et transport", Le droit maritime français, 1995 (47, blz. 245).
(16) - De Commissie gaat uitvoerig in op de vraag of het cognossement een zeevervoersovereenkomst inhoudt of het bewijs vormt voor een zodanige overeenkomst, dan wel of de overdracht van de zakelijke rechten op de goederen behelst. Ik geloof niet dat het antwoord op deze vraag in casu relevant is [zie op dit punt het arrest van 19 juni 1984, Russ (71/83, Jurispr. blz. 2417), en de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, alsmede het commentaar van R. Roland, "Le connaissement et le droit européen", Jurisprudence du port d'Anvers, 1983-1984, blz. 403]. Volstaan kan hier worden met de opmerking dat een cognossement een vervoersovereenkomst vooronderstelt. Deze constatering heeft in casu geen nut, want een eventuele vervoersovereenkomst tussen RCC en Brambi zou niet relevant zijn, terwijl een overeenkomst tussen Brambi en Spliethoff, die inderdaad aan de oplossing in deze zaak zou bijdragen, niet is aangetoond en ook niet schijnt te zijn gesloten.
(17) - Vermeldenswaard is dat de eventuele aanwezigheid van een contractuele band tussen Brambi en Spliethoff en daarmee aanknoping van het geschil aan een "verbintenis uit overeenkomst" in geen geval betekent, dat het geschil met de kapitein eveneens een contractuele grondslag zou hebben in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag. Brambi kan redelijkerwijze niet met de kapitein afzonderlijk een overeenkomst hebben gesloten. De kapitein was enkel een werknemer van de werkelijke vervoerder, en zou hij tegenover de geadresseerde aansprakelijk zijn, dan kan het slechts om een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad gaan. Zoals ik hierna zal laten zien, volgt hieruit, dat voor elk onderdeel van de vordering tot schadevergoeding tegen Spliethoff respectievelijk de kapitein een andere rechter bevoegd zal zijn uit hoofde van het Executieverdrag, onverschillig of de vorderingen van verzoekers voortvloeien uit dezelfde oorzaak in brede zin (zie punt 70 infra).
(18) - Arrest Kalfelis (punten 16 en 17), aangehaald in voetnoot 12, en arrest van 26 maart 1992, Reichert e.a. (C-261/90, Jurispr. blz. I-2149, punt 16).
(19) - Zie arrest Bier (punt 11), aangehaald in voetnoot 9, en arresten van 19 september 1995, Marinari (C-364/93, Jurispr. blz. I-2719, punten 10 e.v.), en 7 maart 1995, Shevill e.a. (C-68/93, Jurispr. blz. I-415, punten 19 e.v.).
(20) - PB 1979, C 59, blz. 26.
(21) - Zie voetnoot 9 supra.
(22) - Zie eveneens arrest Shevill e.a. (punt 21), aangehaald in voetnoot 19.
(23) - Zie arresten Marinari (punt 11) en Shevill e.a. (punt 20), aangehaald in voetnoot 19.
(24) - Zie eveneens arresten Marinari (punt 12) en Shevill e.a. (punt 22), aangehaald in voetnoot 19.
(25) - Arrest aangehaald in voetnoot 19.
(26) - Jurispr. blz. I-49.
(27) - Aangehaald in voetnoot 19.
(28) - Ik wijs erop, dat van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad slechts sprake kan zijn wanneer er een causaal verband is aangetoond tussen de schade en het feit waaruit de schade voortvloeit [zie arrest Bier (punt 16), aangehaald in voetnoot 9].
(29) - Zie punten 32 e.v. supra. Voor het netelige probleem van de aansprakelijkheid van successieve vervoerders bij gecombineerd vervoer, zie Remond-Gouilloud, M.: Droit maritime, Pedone, Parijs 1993, punten 601 e.v.
(30) - Gezien de moeilijkheid om de plaats te bepalen waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, kan ik mij niet voorstellen dat de plaats waar de schade is ingetreden, met die "plaats" samenvalt, zoals de Duitse regering voorstelt.
(31) - Zie arrest Dumez France en Tracoba (punten 16-18) en arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C-89/91, Jurispr. blz. I-139, punt 17).
(32) - Arrest Marinari (punt 19), aangehaald in voetnoot 19.
(33) - Idem, punt 20.
(34) - De Duitse regering meent, dat rekening moet worden gehouden met de vraag wie de eigenaar is van de goederen gedurende het vervoer. Deze benadering zou echter op ongerechtvaardigde wijze de kring beperken van degenen die zich op artikel 5, sub 3, Executieverdrag kunnen beroepen. Bovendien zou de beoordeling van deze vraag de verificatie van de bevoegdheid van de aangezochte rechter extreem bemoeilijken. Derhalve lijkt mij dit criterium in dit geval ongeschikt.
(35) - Zie in deze zin, Gaudemet-Tallon, H.: Les conventions de Bruxelles et de Lugano, LGDJ, Parijs, 1993, punt 191.
(36) - De vraag of de verweerders werkelijk aansprakelijk zijn, is niet van belang voor het punt waarom het hier gaat, namelijk de vaststelling van de bevoegde rechter. Die vraag houdt verband met de materiële kant van de zaak, die de rechter niet hoeft te onderzoeken om over zijn bevoegdheid te kunnen beslissen [zie arrest Custom Made Commercial (punt 20), aangehaald in voetnoot 9], en zij zal worden behandeld door de rechter die volgens de regels van het Executieverdrag als bevoegd wordt aangewezen. Wanneer dus blijkt dat het schadebrengende feit zich inderdaad gedurende het zeevervoer heeft voorgedaan en de vervoerder daarvoor aansprakelijk is, zal de rechter het beroep toewijzen en de verweerder veroordelen. Wanneer de feitelijke omstandigheden waarop het geding berust, niet zijn aangetoond of de schade niet is toe te rekenen aan de derde-vervoerder (bijvoorbeeld omdat de inlader ongeschikte containers had gekozen), of wanneer grond bestaat om de derde-vervoerder van alle aansprakelijkheid te bevrijden (bijvoorbeeld omdat de schade is toe te schrijven aan overmacht), zal het gerecht de vordering afwijzen en eventueel de verzoeker veroordelen in de kosten. Voor de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag moet worden aangeknoopt bij de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, dat wil zeggen aan de plaats waar volgens de vordering en volgens de door verzoeker aangevoerde bewijsstukken het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of de schade is ingetreden. De vaststelling van die plaats veronderstelt uiteraard dat de aangezochte rechter de feiten beoordeeld overeenkomstig zijn eigen procesregels [zie arrest Shevill e.a. (punten 36 en 41), aangehaald in voetnoot 19]. Deze beoordeling is absoluut noodzakelijk voor de aangezochte rechter om, eventueel ambtshalve [zie arrest Shearson Lehman Hutton (punt 10), aangehaald in voetnoot 31], uitspraak te kunnen doen over zijn eigen bevoegdheid.
(37) - Misschien heeft de verwijzende rechter de "indivisibilité" of "connexité renforcée" van het Franse recht voor ogen gestaan (zie punt 8 en voetnoot 12 van de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Kalfelis, aangehaald in voetnoot 12). Zoals wij hierna zullen zien (punt 68 van deze conclusie), heeft het Hof dit begrip als criterium voor de aanwijzing van de bevoegde rechter in het arrest Kalfelis van de hand gewezen.
(38) - Althans niet zonder dat zij daarmee hebben ingestemd. In casu is er geen sprake van bevoegdheid door partijkeuze als bedoeld in artikel 17 Executieverdrag noch van bevoegdheid door stilzwijgende partijkeuze als bedoeld in artikel 18, aangezien verweerders in beginsel zijn verschenen en verweer hebben gevoerd.
(39) - 150/80, Jurispr. blz. 1671.
(40) - Zie Gothot, P. en Holleaux, D.: La convention de Bruxelles du 27 septembre 1968, Parijs, 1985, punt 114, en Gaudemet-Tallon, H., punt 223.
(41) - Zie arrest Kalfelis, aangehaald in voetnoot 12. In de literatuur wordt dezelfde opvatting gevolgd (zie Gaudemet-Tallon e.a., punt 224, Gothot-Holleaux e.a., punt 111).
(42) - Het Hof is de conclusie van advocaat-generaal Darmon niet gevolgd; deze had gemeend dat het geschil ter zake van verbintenissen uit overeenkomst als belangrijkste rechtsgrondslag het kader vormt waarbinnen alle geschilpunten zijn ontstaan, zodat de bevoegdheid alleen kan worden vastgesteld op basis van artikel 5, sub 1 (zie punten 28 e.v. van de conclusie).
Full & Egal Universal Law Academy