Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Het onderhavige geschil betreft, kort gezegd, de rechtmatigheid van bij wijze van voorschot uitgekeerde steunbedragen, die door zekerheden gedekt moeten zijn. De zekerheid mag pas worden vrijgegeven wanneer het recht op steun is erkend. Indien een steunbedrag ten onrechte is uitgekeerd, moet het door de nationale autoriteiten worden teruggevorderd, omdat anders geen aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding door de diensten van het EOGFL.
2 In casu vordert de Italiaanse Republiek de gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 (hierna: "beschikking") tot wijziging van beschikking 96/311/EG(1) betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993.(2) De Italiaanse Republiek vecht de beschikking aan, voor zover daarin bepaalde uitgaven voor steun voor de consumptie van olijfolie niet ten laste van het EOGFL zijn gebracht.
3 Ter rechtvaardiging van de uiteindelijk toegepaste financiële correctie ten belope van 11 934 331 913 LIT voerde de Commissie hoofdzakelijk aan, dat de procedure- en controlevoorschriften inzake de toekenning van de steun niet in acht waren genomen.
B - Feiten
4 Na een uitvoerige briefwisseling tussen het EOGFL en de Italiaanse autoriteiten over de documenten en bewijsstukken die moesten worden overgelegd om de rechtmatigheid van de consumptiesteun voor olijfolie voor het begrotingsjaar 1992 aan te tonen, wilde de Commissie in eerste instantie een financiële correctie van 17 149 929 372 LIT toepassen. Daarop kwamen de Italiaanse autoriteiten in september 1994 met aanvullende informatie. Bij beschikking van 13 januari 1995 liet de Commissie de lidstaten weten, dat enkel de uiterlijk op 28 februari 1995 aan haar toegezonden stukken voor de goedkeuring van de rekeningen over het begrotingsjaar 1992 in aanmerking zouden worden genomen.
5 Bij brief van 15 juni 1995 deelde het EOGFL de Italiaanse autoriteiten mee, dat, gelet op de aanvullende informatie die in de tussentijd was binnengekomen, de toe te passen financiële correctie 11 934 331 913 LIT zou bedragen, overeenkomend met de ten onrechte uitgekeerde en nog niet teruggevorderde bedragen aan steun voor de consumptie van olijfolie.
6 Daarop deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten bij brief van 6 juli 1995 formeel mee, dat het litigieuze bedrag niet voor het begrotingsjaar 1992 in aanmerking kon worden genomen. De teruggevorderde en terugontvangen bedragen zouden echter, zo deelde de Commissie in een brief van 17 januari 1996 mee, voor het begrotingsjaar 1995 in aanmerking kunnen worden genomen, voor zover onder meer de desbetreffende documenten uiterlijk op 29 februari 1996 aan het EOGFL zouden zijn toegestuurd.
7 Nadat zij ook hier een verlenging van de termijn had toegestaan, paste de Commissie uiteindelijk voor het begrotingsjaar 1995 een positieve correctie van ongeveer 743 miljoen LIT toe, die mede betrekking had op vier van de dossiers waarom het in deze zaak gaat.
8 Op 20 november 1996 stelde de Commissie op basis van de haar uiterlijk op 28 februari 1995 meegedeelde gegevens de bestreden beschikking vast, betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 en van bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993, waarin zij de aangekondigde financiële correctie van in totaal 11 934 331 913 LIT bevestigde.
9 Zoals uit het syntheseverslag(3) blijkt, heeft de Commissie de thans aangevochten beschikking vastgesteld op grond dat in 82 gevallen ten onrechte steun zou zijn uitgekeerd, terwijl die steun niet meer door geldige zekerheden was gedekt en nog niet door de nationale autoriteiten van de begunstigden was teruggevorderd.
10 De Italiaanse regering betwist de rechtmatigheid van de toegepaste kortingen en voert daartoe in hoofdzaak aan, dat de conclusies in het syntheseverslag onjuist zijn. In het kader van haar betoog verdeelt zij de betrokken ondernemingen onder in vijf groepen.
11 Groep A omvat zeven ondernemingen waarvan de steun is teruggevorderd en reeds naar het EOGFL is overgeboekt. Het betreft hier de ondernemingen Valdolio, P. I. O., Certo C., Ol. F.lli di Sensi, Perilli, Vizzari en Ol. Albanese.
12 Onder groep B valt de onderneming Luccisano, waarbij de terug te betalen steun met andere schuldvorderingen is verrekend.
13 Groep C betreft de onderneming Valle Picentino, waarbij - onder meer - de uitgekeerde steun inmiddels wordt gedekt door een vrijwillige hypotheek op onroerende zaken van het bedrijf en door een bankgarantie. Toen de zekerheid destijds werd vrijgegeven, waren er volgens de Italiaanse regering nog onvoldoende aanwijzingen dat die onderneming zich schuldig maakte aan onrechtmatige praktijken.
14 Wat de ondernemingen van groep D betreft, wijst de Italiaanse regering erop, dat de procedures inzake de terugvordering van de steun nog niet zijn beëindigd, maar dat de steun nog steeds door zekerheden wordt gedekt.
15 In de vijfde plaats ten slotte is er het bijzondere geval van de onderneming Caruso Rosa, waarbij de instantie die belast is met de controle op de inachtneming van de voorschriften voor de toekenning van de consumptiesteun voor olijfolie (Agecontrol), weliswaar onregelmatigheden heeft vastgesteld, maar niet het precieze bedrag van de ten onrechte uitgekeerde steun heeft kunnen bepalen. Aangezien exacte gegevens ontbraken, was het ook niet mogelijk, de zekerheden verbeurd te verklaren. Zodra echter de thans lopende aanvullende onderzoeken zijn afgesloten, zal volgens de Italiaanse regering het ten onrechte uitgekeerde steunbedrag worden teruggevorderd.
16 De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
- beschikking nr. C(96) 3274 def. van de Commissie van 20 november 1996 nietig te verklaren, voor zover daarbij in het kader van de goedkeuring van de door de Italiaanse regering uit hoofde van het begrotingsjaar 1992 ingediende rekeningen is geweigerd een bedrag van 11 934 331 913 LIT ten laste van het EOGFL te brengen;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
17 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
18 Volgens de Commissie heeft de Italiaanse regering niet aangetoond, dat zij bij de beoordeling van de feiten een vergissing heeft begaan. Zij stelt zich op het standpunt, dat zij alle informatie die haar vóór 25 februari 1995 was verstrekt, op juiste wijze heeft gewaardeerd en derhalve terecht heeft geweigerd, de betrokken uitgaven ter zake van consumptiesteun voor olijfolie ten laste van het EOGFL te brengen. Dit alleen is haars inziens al voldoende reden om het beroep van de Italiaanse Republiek te verwerpen.
19 Ten aanzien van de door de Italiaanse regering afzonderlijk genoemde ondernemingen merkt de Commissie het volgende op:
Wat de ondernemingen van groep A betreft, zijn de gedeclareerde uitgaven in aanmerking genomen bij de goedkeuring van de rekeningen over het begrotingsjaar 1995, met uitzondering van die betreffende de ondernemingen P. I. O., Certo C. en Perilli. De met betrekking tot deze drie ondernemingen verstrekte gegevens zijn tegenstrijdig en laten niet de conclusie toe, dat daadwerkelijk terugbetaling heeft plaatsgevonden.
20 Ook uit de stukken betreffende de onderneming Luccisano kan volgens de Commissie niet worden opgemaakt, dat het gedeclareerde bedrag werkelijk naar het EOGFL is overgeboekt.
21 In verband met de onderneming Valle Picentino merkt de Commissie op, dat de oorspronkelijk gestelde zekerheid niet verbeurd is verklaard en dat het gedeclareerde bedrag noch is teruggevorderd, noch aan het EOGFL is gecrediteerd.
22 Met betrekking tot de ondernemingen van groep D heeft de Italiaanse regering zelf erkend, dat de betaalde bedragen nog niet zijn terugontvangen en dat de Italiaanse autoriteiten niet in staat zijn, het bestaan van de zekerheden te bewijzen. Hieruit blijkt volgens de Commissie, dat de bestreden kortingen terecht zijn toegepast.
23 Wat ten slotte de onderneming Caruso Rosa betreft, merkt de Commissie op, dat de zekerheden niet hadden mogen vrijgegeven en dat de Italiaanse autoriteiten juist een verlenging van de geldigheidsduur van die zekerheden hadden moeten verlangen.
C - Toepasselijke bepalingen
24 De basisregels van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten zijn neergelegd in verordening nr. 136/66/EEG.(4) Artikel 11, lid 1, dat is ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2210/88(5), bepaalt ten aanzien van de consumptiesteun voor olijfolie:
"Wanneer de met de productiesteun verminderde productierichtprijs hoger is dan de representatieve marktprijs voor olijfolie, wordt consumptiesteun toegekend voor in de Gemeenschap geproduceerde en op de markt gebrachte olijfolie. Deze steun is gelijk aan het verschil tussen deze twee bedragen."
25 In verordening (EEG) nr. 3089/78(6) is de basisregeling voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie neergelegd. Overeenkomstig artikel 7 van deze verordening stellen de lidstaten "een controlesysteem in om te waarborgen dat het product waarvoor steun wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften om ervoor in aanmerking te komen".
26 Volgens artikel 8 wordt de steun uitbetaald "wanneer de controle-instantie die is aangewezen door de lidstaat waar de verpakking plaatsvindt, heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun.
Vanaf de indiening van de steunaanvraag kan echter een voorschot op de steun worden verleend op voorwaarde dat een toereikende waarborg wordt gesteld."
27 De uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie, voor zover betrekking hebbend op het thans aan de orde zijnde begrotingsjaar 1992, zijn vervat in verordening (EEG) nr. 2677/85(7), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/91.(8)
28 Luidens artikel 9, lid 3, keert de lidstaat "de steun uit binnen 150 dagen volgende op de dag van indiening van de aanvraag. Deze termijn kan evenwel worden verlengd wanneer de uitgevoerde controles een aanvullend onderzoek vragen, op voorwaarde dat de geldigheidsduur van de in artikel 11, lid 1, bedoelde zekerheid voor dezelfde periode wordt verlengd."
29 Artikel 11 bepaalt met betrekking tot de zekerheid:
"1. Het steunbedrag wordt voorgeschoten zodra de belanghebbende tegelijk met de steunaanvraag een verklaring overlegt waaruit blijkt dat een met het steunbedrag overeenkomende zekerheid is gesteld.
2. De zekerheid wordt gesteld door een instelling die voldoet aan de criteria welke zijn vastgesteld door de lidstaat waar de steunaanvraag wordt ingediend. De zekerheid heeft een geldigheidsduur van ten minste zes maanden.
3. De zekerheid wordt vrijgegeven zodra de bevoegde instantie van de lidstaat voor de in de aanvraag opgegeven hoeveelheden het recht op steun heeft erkend.
Indien het recht op steun niet wordt erkend voor de in de aanvraag opgegeven hoeveelheden of voor een deel daarvan, wordt de zekerheid verbeurd naar evenredigheid van de hoeveelheden waarvoor de voorwaarden die recht geven op de steun, niet zijn nagekomen.
De instantie die met de controle op het recht op steun is belast, houdt het betaalorgaan maandelijks op de hoogte van haar werkzaamheden in verband met de erkenning van het recht op steun van ieder erkend bedrijf.
(...)"
30 Artikel 12, lid 1, preciseert het in artikel 7 van verordening nr. 3089/78 bedoelde controlesysteem, teneinde de doeltreffendheid en de regelmatige uitvoering van de controles te waarborgen.
31 Voorts bepaalt artikel 12 onder meer:
"1. (...)
2. In geval van twijfel over de juistheid van de in de steunaanvraag vermelde gegevens schorst de betrokken lidstaat de betaling van de steun voor de hoeveelheid olijfolie waarop de controle betrekking heeft en neemt hij alle nodige maatregelen om te waarborgen dat eventueel ten onrechte uitgekeerde steun wordt teruggevorderd en dat eventuele boetes worden betaald.
(...)
3. De ten onrechte uitgekeerde voorschotten en steunbedragen moeten worden terugbetaald, verhoogd met een rente (...)
Het door de betrokken lidstaat geïnde bedrag wordt door de betaaldiensten van die lidstaat in mindering gebracht op de uitgaven van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw."
32 Artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2220/85(9) ten slotte bepaalt:
"Wanneer de bevoegde autoriteit kennis draagt van de elementen die tot volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid leiden, eist zij onverwijld betaling van betrokkene van het bedrag van de verbeurde zekerheid, welke betaling dient te geschieden binnen een maximumtermijn van 30 dagen (...)"
Wanneer de betaling echter niet binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, kan onder meer ook de borg onverwijld tot betaling worden aangesproken.
33 Samenvattend kan dus worden gezegd, dat de steun slechts wordt uitbetaald wanneer de controle-instantie heeft vastgesteld, dat aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan. Het steunbedrag kan echter worden voorgeschoten op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld, die pas wordt vrijgegeven zodra het recht op steun is erkend. Indien er echter geen recht op steun bestaat, wordt de gestelde zekerheid onverwijld verbeurd. De betrokken onderneming dient de bij wijze van voorschot ontvangen steun dus terug te betalen, indien er volgens de bevoegde autoriteiten geen recht op steun bestaat.
34 Luidens artikel 5 van verordening (EEG) nr. 729/70(10) keurt de Commissie de rekeningen goed aan de hand van de door de lidstaten verstrekte jaarrekeningen, vergezeld van de stukken die nodig zijn voor die goedkeuring.
35 De Commissie kan overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1723/72(11), dat is toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 422/86(12), een uiterste datum vaststellen voor de toezending van aanvullende inlichtingen door de lidstaten. Wanneer de genoemde inlichtingen niet binnen de vastgestelde termijn worden toegezonden, "zal de Commissie haar beslissing nemen op grond van de gegevens waarover zij beschikt op de vastgestelde uiterste datum, behoudens indien de te late toezending van de inlichtingen door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd".
D - Standpuntbepaling
36 Met betrekking tot vier van de zeven ondernemingen van groep A, namelijk Valdolio, Vizzari, Ol. Albanese en Ol. F.lli di Sensi, heeft de Italiaanse regering ter terechtzitting - nadat de Commissie in haar memories daarop had gewezen - erkend, dat het beroep zonder voorwerp is geraakt(13), daar de van deze ondernemingen teruggevorderde bedragen door de Commissie in aanmerking zijn genomen voor het begrotingsjaar 1995. Mijn onderzoek kan dus beperkt blijven tot de overige door de Italiaanse regering genoemde ondernemingen.
37 Het betoog van de Italiaanse regering komt kort gezegd hierop neer, dat de op de toezending van documenten betrekking hebbende voorschriften in acht zijn genomen en dat de Commissie dus gehouden was, de uitgaven te erkennen.
38 De Commissie beroept zich in de eerste plaats op de door haar op 28 februari 1995 vastgestelde uiterste datum voor de toezending van documenten en merkt op, dat de na deze referentiedatum verstrekte aanvullende gegevens als tardief moeten worden beschouwd. Zij wijst bovendien op onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verstrekte gegevens en stelt, dat de voorschriften betreffende de toekenning van steun niet in acht zijn genomen.
39 Allereerst moet in herinnering worden gebracht, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in geschillen waarin een lidstaat de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie op het gebied van de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen vordert, op de verzoeker een buitengewoon zware bewijslast rust.(14)
40 De Commissie is bovendien niet verplicht, de onregelmatigheid van de door de lidstaten meedeelde gegevens volledig aan te tonen; zij behoeft enkel een bewijs te leveren voor de ernstige en gerede twijfels die zij omtrent de door de nationale autoriteiten meegedeelde cijfers koestert.(15) Aan dit bewijslastbeginsel ligt de gedachte ten grondslag, dat uiteindelijk de lidstaat het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat zo gedetailleerd en volledig mogelijk dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist.(16)
41 Wat nu de overgebleven ondernemingen van groep A betreft, te weten P. I. O., Certo C. en Perilli, merkt de Commissie op, dat uit de ter beschikking gestelde documenten kon worden opgemaakt, dat deze pas na de referentiedatum, die door haar was vastgesteld op 28 februari 1995, waren toegezonden. Bovendien bevatten de toegezonden documenten verschillende cijfers waar het de terug te vorderen bedragen betrof, aangezien een deel van die bedragen weliswaar was teruggevorderd, maar nog niet was terugbetaald, en aangezien die bedragen bij verschillende begrotingsposten werden opgevoerd, zodat niet duidelijk was bij welke post zij nu hoorden, noch of zij niet onder meerdere posten vielen en daarmee dubbel waren geboekt. Uit de documenten zou kortom niet kunnen worden opgemaakt, om welke concrete bedragen het ging en in hoeverre die bedragen ook waren terugbetaald.
42 In de eerste plaats staat vast, dat in casu de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72 bedoelde uiterste datum door de Commissie was vastgesteld op 28 februari 1995. Nu de Italiaanse regering geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangevoerd, moeten de na die referentiedatum verstrekte aanvullende inlichtingen bijgevolg als tardief worden beschouwd.(17) Alleen al hierom moet het op dit punt van de bestreden beschikking betrekking hebbende middel worden afgewezen. Daar komt nog bij, dat de Italiaanse Republiek geen concrete of beslissende bewijzen heeft aangedragen op grond waarvan de juistheid van de door de Commissie bereikte conclusies of van de consequenties die deze daaraan heeft verbonden, in twijfel zou kunnen worden getrokken. Een loutere bewering van het tegendeel kan, gelet op de hierboven uiteengezette beginselen op het gebied van de bewijslast, hiertoe niet volstaan.
43 Aangezien de Italiaanse regering enkel heeft verklaard, dat de toegezonden documenten haars inziens geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden vertoonden, heeft zij niet rechtens genoegzaam aangetoond, dat de Commissie een vergissing heeft begaan.
44 Ook met betrekking tot de onder groep B genoemde onderneming Luccisano moet worden vastgesteld, dat de Commissie enkel de uiterlijk op 28 februari 1995 aan haar toegezonden documenten in aanmerking behoefde te nemen. De bevoegde Italiaanse instantie liet de Commissie echter pas bij brief van 18 september 1995 weten, dat de onderneming Luccisano in augustus 1994 had verzocht de terug te betalen steun met opeisbare schuldvorderingen te verrekenen. Die verrekening zelf vond eerst plaats ingevolge een besluit van 15 december 1995.
45 In dit verband moet nog worden opgemerkt, dat de Commissie zelf heeft verklaard, dat zij de na de referentiedatum verstrekte inlichtingen in aanmerking heeft genomen voor het begrotingsjaar 1995, althans voor zover deze haar hadden bereikt vóór 15 oktober 1995 (de uiterste datum voor de toezending van documenten voor het begrotingsjaar 1995). Uit het voorgaande blijkt, dat de Italiaanse regering de documenten niet binnen de door de Commissie bepaalde termijn heeft toegezonden en ook geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangevoerd die deze vertraging kunnen rechtvaardigen.
46 Derhalve moet ook dit onderdeel van het middel betreffende de niet-erkenning van de uitgaven voor het begrotingsjaar 1992 worden afgewezen.
47 Wat de onder groep C genoemde onderneming Valle Picentino betreft, heeft de Commissie haar weigering om de betrokken uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, gebaseerd op een rapport van de Italiaanse controle-instantie. In dat rapport wordt verklaard, dat ofschoon daarvoor geen duidelijke bewijzen bestaan, redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat er sprake is geweest van aankopen van olijfolie die, althans ten dele, fictief waren. Daarmee wordt dus een vermoeden van fraude geuit, dat in beginsel de erkenning van een recht op steun uitsluit. Ook de Italiaanse regering heeft ter terechtzitting erkend, dat in verband met het op deze onderneming betrekking hebbende bedrag zeker van mogelijke onregelmatigheden kan worden gesproken. Het zou hierbij echter slechts om onbewezen twijfels gaan.
48 De door de gemeenschapswetgever vastgestelde uitvoeringsbepalingen op het gebied van de consumptiesteun voor olijfolie zijn echter, zoals uit de considerans van de desbetreffende regelingen blijkt, ook bedoeld om fraude te voorkomen.
49 Tegen deze achtergrond moet artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 dan ook worden gezien. Volgens deze bepaling mag de zekerheid pas worden vrijgegeven indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat het recht op steun hebben erkend. Wanneer er echter gerechtvaardigde twijfels bestaan, kan blijkens de regeling van artikel 11 een dergelijk recht niet worden erkend. De Commissie merkt dus terecht op, dat de oorspronkelijk gestelde zekerheid wegens het bestaan van ernstige twijfels omtrent de rechtmatigheid van de praktijken van de betrokken onderneming niet had mogen worden vrijgegeven, te meer daar de controle-instantie zelf wijst op mogelijke fraude in de vorm van fictieve aankopen.
50 Aan deze conclusie kan ook niet worden afgedaan door de omstandigheid dat naderhand nieuwe zekerheden zijn gesteld. Aangezien volgens de toepasselijke bepalingen de steun enkel kan worden voorgeschoten indien een zekerheid wordt gesteld, kan deze bepaling, juist om frauduleuze bedoelingen tegen te gaan, niet worden omzeild door oorspronkelijk gestelde zekerheden vrij te geven en deze eventueel in de loop van de tijd door nieuwe zekerheden te vervangen.
51 In casu dateert het rapport van de controle-instantie van 26 januari 1993, terwijl de door de Italiaanse regering aangevoerde nieuwe zekerheden pas in september 1993, dus negen maanden later, werden gesteld. Voor een effectieve toepassing van de steunregeling is het echter noodzakelijk, dat de steunvoorschotten door een zekerheid gedekt blijven zolang het recht op steun niet is erkend. Het is daarom met de toepasselijke bepalingen in strijd, dat de gestelde zekerheden ondanks het bestaan van ernstige twijfels zijn vrijgegeven en pas driekwart jaar later, in het kader van een aanhangig gemaakte strafzaak, door nieuwe zekerheden zijn vervangen. Een dergelijke handelwijze staat op gespannen voet met de zin en het doel van de op het gebied van de consumptiesteun voor olijfolie geldende controlevoorschriften, waarmee onder meer wordt beoogd mogelijke fraude tegen te gaan. De Italiaanse regering heeft zich in eerste instantie beroepen op het feit dat met betrekking tot de onderneming Valle Picentino geen onregelmatigheden waren vastgesteld, maar dit gold slechts voor het jaar 1990 en is dus voor de onderhavige zaak irrelevant.
52 Uit een en ander volgt, dat de Commissie het hier bij het rechte eind heeft en dat dit onderdeel van het betoog van de Italiaanse regering faalt.
53 Ook het middel betreffende de ondernemingen van groep D kan niet slagen. De Italiaanse regering stelt enkel, dat de procedures inzake de terugvordering van de betrokken bedragen nog niet zijn beëindigd en dat zij het bestaan van zekerheden kan aantonen, zonder dat zij dit echter heeft gedaan.
54 Aangezien het bestaan van die zekerheden dus niet is bewezen, doet de Italiaanse regering in feite niet meer dan het tegendeel beweren van hetgeen de Commissie heeft aangevoerd; dit is niet voldoende om de onwettigheid van de beschikking van de Commissie op dit punt aan te tonen. Nu in dit verband ook verder geen bijzonderheden zijn verstrekt, moet dit middel van de hand worden gewezen.
55 Het laatste middel van de Italiaanse regering betreft de onderneming Caruso Rosa. Hier betoogt zij, dat de controle-instantie weliswaar onregelmatigheden heeft vastgesteld, maar er niet in is geslaagd het precieze bedrag van de ten onrechte uitgekeerde steun vast te stellen. Er zouden daarop aanvullende onderzoeken zijn verricht, maar deze zouden niet tot een ander resultaat hebben geleid. Tegen het verwijt van de Commissie, dat de Italiaanse autoriteiten een verlenging van de zekerheid hadden moeten verlangen, brengt de Italiaanse regering enkel in, dat dit zinloos was geweest.
56 Ook hier moet worden vastgesteld, dat wegens het bestaan van twijfels niet was voldaan aan de voorwaarden waarvan het recht op steun afhankelijk is gesteld, zodat volgens de toepasselijke voorschriften de zekerheden niet hadden mogen worden vrijgegeven. Gelet op de eerder besproken beginselen op het gebied van de bewijslast moet ook hier worden opgemerkt, dat de Italiaanse regering niet gemotiveerd heeft uiteengezet noch heeft bewezen, dat de zekerheden terecht zijn vrijgegeven en dat de handelwijze van de Commissie onwettig was. Uit de toepasselijke bepalingen blijkt nu eenmaal, dat wanneer het recht op steun niet kan worden erkend, de in verband met de steunvoorschotten gestelde zekerheid niet mag worden vrijgegeven.
57 Samenvattend moet worden geconcludeerd, dat de Italiaanse regering er niet in is geslaagd te bewijzen, dat de door de Commissie toegepaste correcties onjuist waren. Het beroep moet dan ook worden verworpen.
Kosten
58 Ingevolge artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
E - Conclusie
59 Ik geeft het Hof derhalve in overweging,
1) het beroep te verwerpen en
2) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
(1) - Beschikking van de Commissie van 10 april 1996 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 117, blz. 19). De Italiaanse Republiek heeft ook een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van deze beschikking van de Commissie ingesteld. Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Alber van 24 maart 1998 in de zaak Italië/Commissie (C-242/96, Jurispr. 1998, blz. I-5863).
(2) - PB L 323, blz. 26.
(3) - Syntheseverslag over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1992 en van bepaalde uitgaven betreffende het begrotingsjaar 1993 (document VI/6355/95 def. van de Commissie van 27 maart 1996).
(4) - Verordening van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025).
(5) - Verordening van de Raad van 19 juli 1988 tot wijziging van verordening nr. 136/66 (PB L 197, blz. 1).
(6) - Verordening van de Raad van 19 december 1978 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie (PB L 369, blz. 12).
(7) - Verordening van de Commissie van 24 september 1985 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie (PB L 254, blz. 5).
(8) - Verordening van de Commissie van 8 maart 1991 tot wijziging van verordening nr. 2677/85 (PB L 63, blz. 19).
(9) - Verordening van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5).
(10) - Verordening van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13).
(11) - Verordening van de Commissie van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB L 186, blz. 1).
(12) - Verordening van de Commissie van 25 februari 1986 tot wijziging van verordening nr. 1723/72 (PB L 48, blz. 31).
(13) - De Italiaanse regering heeft haar beroep op dit punt echter niet ingetrokken.
(14) - Arresten van 7 februari 1979, Nederland/Commissie (11/76, Jurispr. blz. 245, punt 9), en 10 november 1993, Nederland/Commissie (C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 16).
(15) - Arrest van 10 november 1993, Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 14, punt 17).
(16) - In dit verband moet worden bedacht, dat de Commissie niet over vergaande controlebevoegdheden met betrekking tot het beheer van gemeenschapsmiddelen door de nationale autoriteiten beschikt, zodat de bewijslastverdeling ook uit dit oogpunt gerechtvaardigd lijkt. Hierop heeft ook het Europees Parlement gewezen in zijn resolutie van 13 april 1989 over de voorkoming en bestrijding van fraudes ten nadele van de communautaire begroting in het "Europa van 1992" (PB C 120, blz. 279).
(17) - Zie ook arrest van 22 juni 1993, Duitsland/Commissie (C-54/91, Jurispr. blz. I-3399, punt 14).
Full & Egal Universal Law Academy