Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige zaak betreft een verzoek van de Commissie aan het Hof krachtens artikel 181 van het Verdrag, strekkende tot veroordeling van de Italiaanse vennootschappen Cascina Laura sas di arch. Aldo Delbó e C. (hierna: "Cascina Laura") en Gariboldi Engineering Company srl (hierna: "Garibaldi" of "verweerster") tot terugbetaling van de bedragen aan hen betaald voor de verwezenlijking van een project in het kader van een door de Commissie wegens niet-nakoming eenzijdig beëindigde overeenkomst. Meer bepaald vordert verzoekster veroordeling van Gariboldi en Cascina Laura tot terugbetaling van 479 134 ECU, vermeerderd met interessen, berekend op basis van het door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ECU toegepaste, op de eerste werkdag van iedere maand in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte tarief. De Commissie vordert voorts veroordeling van de twee vennootschappen tot vergoeding van de door haar ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst geleden schade en verwijzing in de kosten. Na de faillietverklaring van Cascina Laura heeft de Commissie ten aanzien van deze vennootschap afstand gedaan van instantie, doch haar vordering tot verwijzing in de proceskosten gehandhaafd.
De feiten
De tussen partijen gesloten overeenkomst
2 Op 1 juni 1990 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met Cascina Laura, Gariboldi en de vennootschap Servizi Agroalimentare e Ambiente Srl (hierna: "SAA") overeenkomst nr. BM 5/89 IT (hierna: "overeenkomst"). In de aanhef van de overeenkomst werd gestipuleerd, dat de drie Italiaanse vennootschappen (hierna: "contractpartij") hoofdelijk handelden.
3 Voorwerp van de overeenkomst was de verwezenlijking van een "project voor stroom- en warmteopwekking uit de biomassa van afvallen van de rijstproductie (stro en kaf)" in het kader van "demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied" als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3640/85(1) (artikel 1.1).
4 Bij de overeenkomst verleende de Commissie de contractpartij financiële steun gelijk aan 40 % van de daadwerkelijke kosten van het project, doch hoogstens voor een bedrag van 680 103 ECU (artikel 3). Als tegenprestatie voor deze verbintenis nam de contractpartij de technische en financiële verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden op zich (artikel 4.1). Naast de hoofdverplichting tot verwezenlijking van het project, nam de contractpartij nog andere verplichtingen op zich, waaronder de verplichting bepaalde termijnen in acht te nemen en de Commissie regelmatig een gedetailleerd verslag uit te brengen over de stand der werkzaamheden met een opgave van de ontstane kosten (artikel 4.3.2). De werkzaamheden moesten op 1 december 1989 starten en op 31 juli 1991 beëindigd zijn.
5 Volgens artikel 8 kan de overeenkomst door de Commissie worden opgezegd indien de contractpartij een van de op haar rustende verplichtingen niet nakomt, "inzonderheid bij niet-inachtneming van het bepaalde in artikel 4.3". Volgens hetzelfde artikel gaat de opzegging in "na per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebrachte ingebrekestelling waaraan binnen een maand geen gevolg is gegeven" en moeten in geval van opzegging "de als financiële bijdrage uitgekeerde bedragen door de contractpartij onmiddellijk worden terugbetaald, vermeerderd met interessen berekend vanaf de datum van ontvangst van die bijdrage". De rentevoet is die welke het Europees Fonds voor monetaire samenwerking toepast voor zijn handelingen in ECU, op de eerste werkdag van iedere maand bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
6 Volgens het in artikel 13 neergelegde arbitragebeding wordt elk eventueel geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van de overeenkomst aan het Hof van Justitie voorgelegd. Ingevolge artikel 14 wordt de overeenkomst door Italiaans recht beheerst.
Het gedrag van partijen
7 Op 5 juli 1990 stortte de Commissie een bedrag van 204 031 ECU, zijnde 30 % van het maximumbedrag van de financiële bijdrage, op rekening-courant nr. 2007/1 bij de Banca Populare di Intra (Novara). Die rekening stond op naam van Cascina Laura. In opdracht van laatstgenoemde werd het volle bedrag, vermeerderd met interessen tot en met 12 september 1990, vervolgens door de bank in Italiaanse valuta aan SAA en aan Gariboldi overgemaakt. Eerstgenoemde ontving per cheque van 10 juli 1990 een bedrag van 15 360 000 LIT en de tweede ontving op 26 september 1990 een overschrijving van 297 038 483 LIT.
8 Na in december 1990 het eerste ingevolge de overeenkomst vereiste technische en financiële tussenverslag te hebben ontvangen, stortte de Commissie op 20 februari 1991 ten gunste van Cascina Laura een tweede bedrag, ter hoogte van 275 103 ECU. Evenwel ontving de Commissie niet de in artikel 4.3.2. van de overeenkomst voorziene latere verslagen. Daarop verzocht zij Cascina Laura bij op 9 juli en 31 augustus 1991 verzonden brieven, die verplichting na te komen. Op 25 oktober 1991 deelde zij Cascina Laura mee, dat zij de overeenkomst zou opzeggen indien zij vóór 15 november 1991 geen technisch en financieel verslag ontving. Cascina Laura antwoordde bij brief van 12 november 1991, waarin zij zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van haar contractuele verplichtingen beriep op financiële problemen, die zij dank zij een op handen zijnd akkoord met een nieuwe partner snel meende te kunnen oplossen. Hierop volgden evenwel geen concrete stappen.
9 Op 10 april 1992 wendde Gariboldi zich tot de Commissie om deze te wijzen op het gedrag van Cascina Laura, die haars inziens verantwoordelijk was voor een reeks verzuimen waardoor de verwezenlijking van het project wellicht definitief onmogelijk werd. Gariboldi gaf bovendien te kennen, dat ofschoon zij haar verplichtingen getrouw en tijdig was nagekomen, zij van de financiële bijdrage, die was gestort op een rekening die uitsluitend op naam van Cascina Laura stond, niets had ontvangen. Haars inziens waren alle problemen rond de verwezenlijking van het project te wijten aan het onvermogen van Cascina Laura, de jegens haar eigen crediteuren en haar leveranciers aangegane verplichtingen na te komen. Gariboldi stelde de Commissie er dan ook van in kennis, dat zij het Tribunale di Milano om inleiding van een faillissementsprocedure tegen Cascina Laura had verzocht.
Daarop deelde de Commissie Gariboldi bij brief van 7 mei 1992 mee, dat zij met Cascina Laura, inzonderheid met de architect Delbo, contact had opgenomen teneinde duidelijkheid te verkrijgen rond de stand van uitvoering van de overeenkomst.
10 Op 2 september 1992 zond de Commissie Cascina Laura een nieuwe herinnering. In haar antwoord beriep deze laatste zich op haar financiële moeilijkheden en voerde zij aan, dat gerechtelijke stappen jegens haar achterwege moesten worden gelaten omdat deze haar onherstelbare schade zouden berokkenen. Daarop wendde Gariboldi zich op 20 oktober 1992 nogmaals tot de Commissie waarbij zij zich wederom over het gedrag van Cascina Laura beklaagde en iedere verantwoordelijkheid voor de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen afwees.
11 Op 21 en 22 juni van het volgende jaar voerde de Commissie bij Cascina Laura en Gariboldi inspecties ter plaatse uit. In het daarop uitgebrachte verslag, gedateerd 6 juli 1993, stelden de ambtenaren van de Commissie vast dat alleen het thermische gedeelte van het project - waarvoor volgens de onderlinge afspraken Gariboldi moest zorgen - was uitgevoerd, terwijl alle overige belangrijke onderdelen nog niet waren afgerond. Gelet op de reeds verrichte werkzaamheden, het belang van Gariboldi bij voortzetting van de betrekkingen alsmede de toezeggingen van Cascina Laura, achtten de ambtenaren van de Commissie het redelijk partijen een laatste korte termijn te gunnen om het project ten uitvoer te leggen. Indien resultaten mochten uitblijven, zou de Commissie zonder meer tot opzegging van de overeenkomst overgaan.
12 Nadat deze aan partijen gegunde termijn zonder resultaat was verstreken, zond de Commissie Cascina Laura en Gariboldi op 26 november 1993 een formele ingebrekestelling. Luidens artikel 8 van de overeenkomst leidde ingebrekestelling van rechtswege tot beëindiging van de overeenkomst indien er niet binnen één maand na kennisgeving gevolg aan werd gegeven. Gariboldi antwoordde, dat zij zich strikt aan de op haar rustende contractuele verplichtingen had gehouden, terwijl iedere reactie van Cascina Laura uitbleef. Op 27 april 1994 bevestigde de Commissie Gariboldi en Cascina Laura, dat de overeenkomst beëindigd was met de mededeling, dat het terug te betalen bedrag, inclusief interessen, 608 647 ECU beliep. Bij brieven van achtereenvolgens 2 mei, 26 mei en 16 november 1994 vorderde de Commissie betaling van dit bedrag. Op deze verzoeken antwoordde alleen Gariboldi, die te kennen gaf niet verantwoordelijk te zijn voor de niet-uitvoering van de overeenkomst, die uitsluitend aan het gedrag van Cascina Laura te wijten was.
13 SAA werd door het Tribunale di Novara op 18 januari 1994 failliet verklaard. Cascina Laura, die sinds 29 november 1994 in gedwongen administratieve vereffening verkeerde, werd door voormeld Tribunale op 23 juni 1997 failliet verklaard. Gariboldi besloot tijdens haar algemene vergadering op 2 juni 1994, tot vrijwillige vereffening over te gaan.
Conclusies van partijen
14 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 14 september 1997, heeft de Commissie het Hof verzocht:
"1. Cascina Laura en Gariboldi hoofdelijk te veroordelen tot terugbetaling van 479 134 ECU, vermeerderd met interessen vanaf de dag van uitkering van voornoemd bedrag, te weten maandelijks 1 742 ECU vanaf 31 juli 1990 plus 2 464 ECU vanaf 20 april 1991, tezamen 4 206 ECU vanaf 20 april 1991, tot de datum van terugbetaling;
2. Cascina Laura en Gariboldi hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Commissie van schadevergoeding ten bedrage van 100 000 ECU of een ander billijk te achten bedrag;
3. Cascina Laura en Gariboldi hoofdelijk in de kosten te verwijzen".
15 Gariboldi heeft op 12 mei 1997 haar verweerschrift ingediend en geconcludeerd dat het het Hof behage:
"1. Primair:
vast te stellen dat overeenkomst BM 5/89 IT jegens verweerster nooit in werking is getreden, daar de Commissie, door de steun aan een daartoe onbevoegde persoon te betalen, de overeenkomst niet is nagekomen, en dat verweerster de Commissie uit dien hoofde derhalve niets verschuldigd is;
subsidiair, vast te stellen dat de ondertekening van overeenkomst BM 5/89 IT door verweerster hooguit als borgstelling geldt, zoals verzoekster zelf heeft verklaard, en derhalve onderworpen is aan het bepaalde in artikel 1955 Codice civile;
vast te stellen dat de op verweerster uit hoofde van de borgstelling rustende verplichting krachtens artikel 1955 Codice civile ingevolge de tekortkoming van verzoekster teniet is gegaan;
bijgevolg alle door verzoekster jegens verweerster ingediende vorderingen feitelijk en rechtens ongegrond te verklaren;
2. Zeer subsidiair:
zo het Hof mocht vaststellen dat op verweerster uit hoofde van de litigieuze overeenkomst enigerlei verantwoordelijkheid mocht rusten, quod non, nu reeds (louter incidenteel) te verklaren, dat de vennootschap Orzya Srl niet in het geding betrokken is en niet aansprakelijk is, daar deze ten tijde van het ontstaan van de betrokken verplichting niet enig aandeelhouder van verweerster was.
3. Verzoekster in de kosten te verwijzen."
16 De Commissie en Gariboldi hebben op 10 juli 1997 en 8 oktober 1997 hun conclusies van repliek respectievelijk dupliek ingediend, waarbij zij hun eerdere conclusies hebben gehandhaafd.
17 Cascina Laura heeft geen verweerschrift ingediend. Nadat deze vennootschap door het Tribunale di Novara failliet was verklaard, heeft de Commissie het Hof op 21 april 1998 overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering bericht dat zij afstand deed van instantie wat haar vorderingen tegen Cascina Laura betreft. De Commissie verzocht het Hof evenwel overeenkomstig artikel 69, lid 5, van dit Reglement, Cascina Laura in de aan haar toe te rekenen proceskosten te veroordelen, met de verklaring haar vorderingen tegen Gariboldi te handhaven.
De gegrondheid
18 De vordering van de Commissie tot terugbetaling van het gestorte bedrag, vermeerderd met interessen, is gegrond. De schadevordering moet evenwel worden afgewezen.
19 Aangaande de vordering tot terugbetaling moet allereerst worden opgemerkt, dat verweerster niet betwist dat het in de overeenkomst bedoelde project niet tijdig noch op de overeengekomen wijze is uitgevoerd. De niet-uitvoering van het project blijkt voorts duidelijk uit het verslag van de inspectie op 21 en 22 juni 1993, dat bij het inleidend verzoekschrift is gevoegd. De Commissie beroept zich derhalve terecht op artikel 8 van de overeenkomst, op grond waarvan deze "door de Commissie zonder rechterlijke tussenkomst kan worden opgezegd indien de contractpartij een van de krachtens de onderhavige overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt", inzonderheid bij niet-inachtneming van de bepalingen betreffende de opstelling van de verslagen over de voortgang der werkzaamheden met een opgave van de gedane uitgaven, en de mededeling daarvan aan de Commissie (artikel 4.3 van de overeenkomst).
Ingeval de overeenkomst om bovenvermelde redenen wordt beëindigd, verplicht artikel 8 van de overeenkomst de contractpartij, de als financiële bijdrage voor de uitvoering van het project gestorte bedragen onmiddellijk aan de Commissie terug te betalen, vermeerderd met interessen vanaf de datum van ontvangst van die bedragen. De rentevoet is die welke het Europees fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ECU toepast.
20 Verweerster bestrijdt haar aansprakelijkheid. Zij acht zich niet gehouden tot terugbetaling van de bedragen die de Commissie uitsluitend rechtstreeks aan Cascina Laura heeft betaald, aangezien de overeenkomst deze laatste of haar wettige vertegenwoordiger niet machtigde, de bedragen voor rekening van andere vennootschappen in ontvangst te nemen. Voorts zou Gariboldi tijdens de contractuele betrekkingen, tot de ingebrekestelling, nooit in kennis zijn gesteld van de nakoming van de contractuele verplichtingen. Verweerster leidt hieruit af, dat de passieve hoofdelijkheid nooit is ontstaan, zulks door het gedrag van de Commissie, die vanaf het begin enkel met Cascina Laura contractuele betrekkingen heeft onderhouden.
21 Subsidiair voert verweerster aan, dat voormeld gedrag van de Commissie aantoont dat deze laatste de bedoeling had, Gariboldi enkel te beschouwen als borg voor de nakoming van de hoofdverplichting (de uitvoering van het project) door Cascina Laura, die de financiële steun daadwerkelijk heeft ontvangen. In dit rechtskader zou artikel 1955 van de Codice civile van toepassing zijn, op grond waarvan de borg van zijn verplichtingen wordt ontslagen wanneer de tekortkoming van de crediteur tot gevolg heeft dat ieder regres op de hoofdschuldenaar onmogelijk wordt. In casu heeft de Commissie niet met de noodzakelijke zorgvuldigheid erop toegezien, dat Cascina Laura aan haar contractuele verplichtingen voldeed, ondanks de herhaalde verzoeken en het regelmatig aandringen van Gariboldi. Deze laatste heeft haar rechten derhalve niet kunnen vrijwaren door verstrekt materiaal terug te vorderen en een andere partner te zoeken om de aangevangen werkzaamheden te beëindigen. Mitsdien is de verbintenis van de borg (Gariboldi) voor de nakoming van de op de hoofdschuldenaar (Cascina Laura) rustende verplichting tenietgegaan door de tekortkoming van de schuldeiser (de Commissie), door wiens gedrag regres van de borg op de hoofdschuldenaar onmogelijk zou zijn geworden.
Verweerster voegt hieraan toe, dat de Commissie stilzwijgend met deze oplossing heeft ingestemd, met name in het onderdeel van het verzoekschrift waar zij de ratio van de passieve hoofdelijkheid in de contractuele betrekkingen uiteenzet met de opmerking, dat deze tot doel heeft "het recht van de schuldeiser te versterken, zowel als waarborg als door vergemakkelijking van de inning van de schuld". Verweerster leidt hieruit af, dat de Commissie had aanvaard dat de deelneming van Gariboldi er enkel in bestond, het orgaan waarvan de financiering afkomstig was een waarborg te verschaffen voor de nakoming van de op de andere vennootschappen rustende hoofdverplichtingen. Aangezien het doel van de hoofdelijkheid derhalve was, een zekerheid te bieden, moeten de in de Codice civile neergelegde regels inzake borgstelling worden toegepast. Daartoe behoort voormeld artikel 1955 Codice civile, dat de borg de mogelijkheid biedt zich van de jegens de crediteur aangegane verplichting te bevrijden, wanneer door aan deze laatste te wijten omstandigheden geen regres op de hoofdschuldenaar kan plaatsvinden.
22 Verweersters argumenten zijn niet overtuigend. In de aanhef, waar de partijen worden aangewezen, vermeldt de overeenkomst als "contractpartij" de drie vennootschappen Cascina Laura, Gariboldi en SAA, met de verklaring dat deze "hoofdelijk handelen". Partijen hebben derhalve uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de wil te kennen gegeven, dat de drie voormelde vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Derhalve zijn de in de Italiaanse Codice civile neergelegde bepalingen inzake "hoofdelijke verbintenissen" van toepassing, inzonderheid artikel 1292, dat aangaande passieve hoofdelijkheid bepaalt, dat er sprake is van een hoofdelijke verplichting indien meerdere debiteuren ieder verplicht zijn tot dezelfde prestatie, in die voege dat ieder van hen tot verrichting van de gehele prestatie kan worden gedwongen en dat de prestatie van een van hen de anderen bevrijdt. De Italiaanse Corte di Cassazione heeft verklaard, dat in geval van meerdere hoofdelijke debiteuren tegenover één crediteur een veelheid van afzonderlijke, autonome betrekkingen tussen crediteur en debiteuren bestaat die enkel de te verrichten prestatie gemeen hebben, in dier voege dat de crediteur de hoofdelijke mededebiteur kiest van wie hij volledige nakoming zal vorderen, met als gevolg dat de in artikel 2740 bedoelde algemene vermogensrechtelijke waarborg het vermogen van elk van de debiteuren afzonderlijk voor de volledige schuld belast.(2) Met andere woorden, in het kader van de in bovenstaande bepalingen van de Italiaanse Codice civile bedoelde passieve hoofdelijkheid waarborgt elke debiteur ook de nakoming van de op de overige mededebiteuren rustende contractuele verplichtingen.
23 De niet-uitvoering van het in de overeenkomst bedoelde project legt op de "contractpartij" onvermijdelijk de verplichting, de van de Commissie ontvangen bedragen terug te betalen (artikel 8 van de overeenkomst). Deze laatste kan haar vordering geldend maken tegenover alle of tegenover een of twee contracterende vennootschappen, die alle hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uitvoering van het project. De vordering is aanhangig gemaakt tegen de twee vennootschappen die ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst nog actief waren (Cascina Laura en Gariboldi), en is sinds de faillietverklaring van eerstgenoemde enkel nog tegen Gariboldi gericht.
24 Thans moet het door Gariboldi aangevoerde verweer worden onderzocht. Ik wijs er onmiddellijk op, dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze vennootschap, die is ontstaan op het moment van ondertekening van de overeenkomst, niet kan worden ontkend op grond van de enkele omstandigheid, dat de Commissie de financiële bijdrage heeft gestort op een rekening die uitsluitend op naam stond van Cascina Laura, noch op grond dat de mededelingen betreffende de uitvoering van de overeenkomst in een eerste stadium enkel aan die vennootschap zijn gestuurd. De overeenkomst verplichtte de Commissie immers niet, de bijdrage te storten op een rekening op naam van de drie mededebiteuren: in bijlage II, die "financiële clausules" bevat, was enkel bepaald dat het bedrag moest worden gestort op een "daartoe door de contractpartij te openen rentedragende rekening".(3) De door de Commissie gestorte bedragen zijn vervolgens hoe dan ook overgemaakt aan Gariboldi, hetgeen deze, in afwijking van haar eerdere standpunt, in dupliek heeft erkend. In hun onderlinge betrekkingen had de omstandigheid dat de rekening-courant niet op naam van de drie vennootschappen stond, maar op naam van één van hen, derhalve generlei betekenis. Ook droeg Gariboldi derhalve kennis van het feit, dat de op naam van Cascina Laura geopende rekening werd gebruikt om de financiering in ontvangst te nemen. De beslissing om een rekening op naam van één van de mededebiteuren te gebruiken, zou ook gewoon eenvoudigheidshalve kunnen zijn genomen. Bij gebreke van uitdrukkelijke aanwijzingen in de overeenkomst, kan deze omstandigheid evenwel geen wijziging brengen in de hoofdelijkheid.
25 Hetzelfde kan worden opgemerkt aangaande de betrekkingen die de Commissie uitsluitend met Cascina Laura heeft onderhouden. Bij gebreke van uitdrukkelijke andersluidende aanwijzingen in de contractuele clausules, kon de Commissie zich ook tot één van de vennootschappen wenden om nakoming van de contractuele verplichtingen te vorderen. Zoals verweerster zelf meerdere malen heeft beklemtoond, heeft de Commissie zich gewend tot de vennootschap die onwillig was de krachtens de interne betrekkingen op haar rustende verplichtingen na te komen, zodat niet valt in te zien hoe een andere handelwijze van de Commissie, dat wil zeggen indien deze ook van Gariboldi nakoming had gevorderd, tot een ander resultaat had kunnen leiden. In alle gevallen zou de overeenkomst zijn ontbonden en zouden de hoofdelijk aansprakelijke vennootschappen verplicht zijn geweest tot terugbetaling.
26 De totstandkoming van de passieve hoofdelijkheid is derhalve niet uitgesloten door de wijze waarop de Commissie de contractuele betrekkingen heeft onderhouden. Evenmin ben ik het met verweerster eens, dat het gedrag van de Commissie wijziging zou hebben gebracht in de verbintenisrechtelijke verhouding door voor de passieve hoofdelijkheid, loutere nomen iuris van die verhouding, een verbintenis uit hoofde van borgstelling in de plaats te stellen.
27 Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat artikel 1937 van de Italiaanse Codice civile verlangt dat de wil zich borg te stellen, tot uitdrukking wordt gebracht. Verweerster zelf erkent in haar verweerschrift, dat van borgstelling slechts sprake kan zijn, indien partijen daartoe ondubbelzinnig en uitdrukkelijk de wil te kennen hebben gegeven. In casu is duidelijk, dat de drie vennootschappen zich hoofdelijk tegenover de Commissie hebben verbonden. Dit blijkt onbetwistbaar uit de bewoordingen van de overeenkomst. Elk van hen heeft zich er tegenover de Commissie vrijwillig toe verbonden, volledige nakoming te verzekeren. Naar buiten blijkt nergens van een onderlinge verdeling die de mededebiteuren in hun interne betrekkingen zouden zijn overeengekomen. Het gedrag van de Commissie, die nagenoeg uitsluitend met Cascina Laura heeft gecorrespondeerd, kan in deze uitdrukkelijke wil van partijen geen radicale wijziging brengen. Daar komt bij dat de bijdrage van Gariboldi geenszins beperkt was tot het stellen van een waarborg voor de nakoming door de overige vennootschappen, maar in werkelijkheid zeer concreet was: Gariboldi heeft de machines geleverd die onmisbaar waren voor de uitvoering van het in de overeenkomst voorziene project. In die omstandigheden kan ervan worden uitgegaan, dat de drie mededebiteuren in hun onderlinge betrekkingen verschillende taken op zich hebben genomen ter bereiking van een gemeenschappelijk doel.
Uiteraard had Gariboldi haar positie in de contractuele betrekkingen anders kunnen bepalen door haar rol te beperken tot het leveren van het noodzakelijke materiaal voor de uitvoering van het project. Maar dat heeft zij niet gedaan: zij heeft vrijwillig aanvaard, met de andere subjecten het risico van de verbintenissen te delen, door zich bij de Commissie als hoofdelijk medeschuldenaar aan te bieden. Indien vervolgens in de loop van de contractuele betrekkingen de voor een gemeenschappelijk project volledig autonoom gekozen subjecten niet betrouwbaar zijn gebleken in de inachtneming van de uit de onderlinge betrekkingen voortvloeiende verplichtingen, kan Gariboldi zich daarover stellig niet bij de Commissie beklagen.
28 Voor zover de Commissie zou hebben aanvaard, dat de verplichting die Gariboldi op zich heeft genomen in borgstelling bestaat, kan worden volstaan met de opmerking, dat geen van de in de stukken van de Commissie opgenomen verklaringen kan worden uitgelegd op de door verzoekster voorgestane wijze. Het staat immers vast, dat de passieve hoofdelijkheid tot doel heeft de crediteur een zekerheid te bieden, in dier voege dat de hoofdelijke verbintenis de inning van de vordering van de crediteur zekerder en gemakkelijker moet maken. De hoofdelijke verplichting ingevolge artikel 1292 van de Italiaanse Codice civile heeft de functie van een waarborg, voor zover de debiteur zich ook verbindt voor het deel van zijn mededebiteuren.
29 Nu borgstelling in casu is uitgesloten, hoeft niet te worden onderzocht of de bepalingen die Gariboldi heeft aangevoerd ten betoge dat de borgstelling door het gedrag van de crediteur teniet is gegaan, van toepassing zijn. De grieven inzake de gestelde traagheid waarmee de Commissie, ondanks de waarschuwingen van Gariboldi, erop zou hebben toegezien dat Cascina Laura aan haar contractuele verplichtingen voldeed en de overeenkomst vervolgens heeft opgezegd, zijn derhalve irrelevant. Gariboldi heeft die omstandigheden immers uitsluitend aangevoerd ten bewijze dat de borgstelling ten gevolge van de tekortkoming van de crediteur teniet is gegaan in de zin van artikel 1955 Codice civile.
30 Gelet op bovenstaande overwegingen ben ik van oordeel, dat de vordering van de Commissie moet worden toegewezen. Gariboldi moet derhalve worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een bedrag van 479 134 ECU, vermeerderd met interessen berekend tegen het tarief dat het Europees Fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ECU hanteert, bekendgemaakt op de eerste werkdag van iedere maand. De voor de berekening van de interessen relevante data zijn 31 juli 1990 voor de eerste betaling, van 204 031 ECU, tegen het tarief van 10,25 % per jaar(4), en 20 april 1991 voor de tweede betaling, van 275 103 ECU, tegen het tarief van 10,75 % per jaar.(5) Bijgevolg moet het kapitaal, zoals hiervoor vermeld, worden vermeerderd met interessen ten bedrage van 1 742 ECU per maand vanaf 31 juli 1991 en 2 464 ECU per maand vanaf 20 april 1991, tot de dag van volledige betaling.
Schadevergoeding
31 De Commissie vordert voorts vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden doordat de overeenkomst niet ten uitvoer is gelegd. Deze vordering is gebaseerd op artikel 1453 van de Italiaanse Codice civile, bepalende dat in geval van wederkerige overeenkomsten, wanneer een van de contractpartijen niet aan haar verplichtingen voldoet, de andere partij naar keuze nakoming of ontbinding van de overeenkomst kan vorderen, onverminderd de mogelijkheid om in alle gevallen een schadevordering in te dienen. Voor de vaststelling van de schade zou artikel 1226 Codice civile van toepassing zijn, volgens hetwelk het bedrag van de schade naar billijkheid door de rechter wordt bepaald, indien het niet met nauwkeurigheid kan worden bewezen.
32 De Commissie betoogt, dat zij in casu schade heeft geleden door de niet-nakoming van de contractpartij, en wel om drie redenen: a) de Commissie heeft aanzienlijke bedragen gestort voor een project dat niet eens is begonnen; die bedragen hadden in het kader van hetzelfde programma aan andere ondernemingen kunnen worden uitgekeerd; b) de Commissie heeft onnodig middelen verspild bij de slechte afwikkeling van haar betrekkingen met de contractpartij. De gedane inspanningen hebben haar verarmd, daar zij personeel en materiaal heeft moeten inzetten dat voor het algemeen belang en de instelling van groter nut had kunnen zijn; c) de Commissie heeft schade geleden doordat haar aanzien tegenover de andere instellingen, de lidstaten en andere potentiële contractpartijen is geschaad.
Op bovenstaande gronden vordert de Commissie schadevergoeding ten bedrage van 100 000 ECU of enig ander door het Hof van Justitie billijk te achten bedrag.
33 Het verzoek van de Commissie kan niet worden ingewilligd. Zelfs indien de zojuist genoemde omstandigheden in theorie tot aansprakelijkheid van de contractpartij leiden, geloof ik niet, dat de Commissie heeft voldaan aan de bewijsplicht die ingevolge de Italiaanse regelgeving op het gebied van onrechtmatige daad rust op degene die schadevergoeding vordert.(6) Ik herinner eraan, dat overeenkomstig het in artikel 1223 van de Codice civile neergelegde algemene beginsel het recht op schadevergoeding wegens niet-nakoming van een contractuele verplichting, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in de betrokken overeenkomst uitsluitend kan worden erkend, wanneer de partij die schade stelt te hebben geleden, aantoont dat zij ten gevolge van de niet-nakoming vermogensrechtelijke schade (damnum emergens) heeft geleden of winst heeft gederfd (lucrum cessans), zulks als onmiddellijk en rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige daad (voldoende causaal verband).
34 Uit de beweringen van de Commissie, die veeleer algemeen zijn, kan niet worden afgeleid, dat bovenstaande elementen in casu aanwezig zijn. Zij bevatten onvoldoende aanwijzingen om te kunnen beoordelen, of de schade die de Commissie stelt te hebben geleden, bestaat, en of er een causaal verband bestaat tussen de schade en de niet-nakoming door de contractpartij van haar contractuele verplichtingen. Inzonderheid wat eerstgenoemd element betreft, is niet duidelijk waarom de niet-uitvoering van het project, en dus de omstandigheid dat de betrokken gelden in het kader van hetzelfde programma niet aan andere ondernemingen konden worden uitgekeerd, de Commissie schade zou hebben berokkend. Daar komt bij, dat de keuze van de contractpartij door de Commissie zelf geschiedt, rekening houdend met de waarborgen voor betrouwbaarheid die deze voor een nauwgezette nakoming van haar contractuele verplichtingen biedt. Wat het tweede element betreft maakt de Commissie niet duidelijk, welke middelen in het kader van de contractuele betrekkingen met Cascina Laura en Gariboldi zouden zijn "verspild", noch in hoeverre de "inspanningen" die noodzakelijk waren om de contractpartij tot nakoming van de op haar rustende verplichtingen te dwingen, de instelling schade zou hebben berokkend. Gesteld al tenslotte dat een communautaire instelling door de niet-uitvoering van een overeenkomst onstoffelijke schade kan lijden, in casu is generlei bewijs geleverd dat de Commissie zou zijn benadeeld doordat zij tegenover de lidstaten en andere, particuliere subjecten haar geloofwaardigheid zou hebben verloren ten gevolge van de niet-uitvoering van het in de litigieuze overeenkomst voorziene project. Tenslotte brengt iedere contractuele betrekking met wederkerige verplichtingen het risico mee, dat een der partijen haar verplichtingen niet nakomt, zonder dat hieruit kan worden afgeleid, dat zulks rechtstreeks een aantasting van de geloofwaardigheid van de tegenpartij tot gevolg heeft.
35 Ik concludeer dan ook, dat de Commissie niet aan haar bewijsplicht heeft voldaan ter zake van haar vordering tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de niet-nakoming van de contractpartij. Mitsdien moet haar schadevordering worden afgewezen.
De kosten
36 Aangezien Gariboldi in het ongelijk moet worden gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie krachtens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen. Wat Cascina Laura betreft, is de gedeeltelijke afstand van instantie uitsluitend aan haar gedrag te wijten, zodat ook zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten moet worden veroordeeld, gelet op het bepaalde in artikel 69, lid 5, van voornoemd reglement.
37 Gelet op bovenstaande opmerkingen geef ik het Hof in overweging:
"1) Gariboldi te veroordelen tot betaling aan de Commissie van het bedrag van 479 134 ECU aan kapitaal, vermeerderd met interessen ten belope van 1 742 ECU per maand vanaf 31 juli 1991 en van 2 464 ECU per maand vanaf 20 april 1991, tot de datum van volledige betaling;
2) de schadevordering van de Commissie af te wijzen;
3) Gariboldi en Cascina Laura hoofdelijk in de kosten te verwijzen."
(1) - Verordening (EEG) nr. 3640 van de Raad van 20 december 1985 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied (PB L 350, blz. 29).
(2) - Cass. civ., arrest van 13 maart 1987, nr. 2623
(3) - Zie artikel 1 van de bijlage, "Wijze van betaling".
(4) - PB 1990 C 163, blz. 1.
(5) - PB 1991 C 86, blz. 1.
(6) - Volgens vaste rechtspraak van de Corte di Cassazione is voor vergoeding van schade, ook indien deze naar billijkheid geschiedt, het door de partij die schade stelt te hebben geleden te leveren bewijs noodzakelijk, dat er sprake is van schade. Zie met name Cass. Civ. 19 maart 1990, nr. 1837.
Full & Egal Universal Law Academy