Conclusie van de advocaat generaal
1 De Franse regering, met de Commissie aan haar zijde, heeft hogere voorziening ingesteld tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, op 11 december 1996 gewezen in zaak T-70/94 tussen de ondernemingen Comafrica SpA en Dole Fresh Fruit Europe Ltd & Co. (hierna: "Comafrica" en "Dole") en de Commissie(1), voor zover bij dat arrest de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is verworpen.
2 In dat arrest heeft het Gerecht de conclusies van de verzoekende vennootschappen tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 3190/93 van de Commissie van 19 november 1993 tot vaststelling van de uniforme verminderingscoëfficiënt voor het bepalen van de hoeveelheid bananen die in het kader van het tariefcontingent voor 1994 aan elke marktdeelnemer van de categorieën A en B wordt toegewezen(2), ongegrond verklaard en de door hen krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag gevorderde schadevergoeding afgewezen.
3 Het Gerecht had vóór deze beslissing ten gronde verzoeksters' conclusies tot nietigverklaring ontvankelijk verklaard en de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid derhalve verworpen.
4 De Franse regering meent, dat het Gerecht heeft voorbijgezien aan artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag zoals uitgelegd in 's Hofs rechtspraak, door de verzoekende vennootschappen rechtstreeks en individueel geraakt te achten door artikel 1 van de bestreden verordening.
De originaliteit van deze hogere voorziening
5 Het is zeker niet de eerste keer dat het Hof te maken krijgt met bepalingen betreffende de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen, maar deze procedure heeft wel een ongewoon karakter.
6 De hogere voorziening is hier namelijk ingesteld door de Franse Republiek, die niet was tussengekomen in eerste aanleg. Naar mijn weten gaat het om een eerste geval van toepassing van artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
7 Uit deze bepaling, gelezen in samenhang met de tweede alinea van het artikel, blijkt dat een lidstaat niet behoeft aan te tonen belang te hebben bij een dergelijke hogere voorziening.
8 Anderzijds kan volgens de eerste alinea van hetzelfde artikel bij het Hof hogere voorziening worden ingesteld tegen beslissingen van het Gerecht "die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid".
9 Artikel 113 van het Reglement van het Hof voor de procesvoering bepaalt voorts, dat hogere voorziening moet strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing of tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde; nieuwe conclusies zijn daarbij niet toegelaten.
10 Dit is hier het geval, aangezien de hogere voorziening van de Franse regering strekt tot zowel gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht als toewijzing van het in eerste aanleg door de Commissie gevorderde ter zake van de ontvankelijkheid van het beroep.
11 Ik merk op, dat met de hogere voorziening geen wijziging wordt beoogd van de uiteindelijke beslissing van het Gerecht, te weten verwerping van het beroep. Strikt formeel, zelfs formalistisch, zou men kunnen stellen, dat het dictum van het bestreden arrest dus niet zou worden gewijzigd. Wil dit nu ook zeggen, dat deze hogere voorziening niet strekt tot "gehele of gedeeltelijke vernietiging" van de beslissing van het Gerecht in de zin van artikel 113, lid 1, eerste streepje, van het Reglement voor de procesvoering?
12 Een dergelijke redenering gaat niet verder dan de oppervlakkige schijn. Immers, buiten het eigenlijke dictum van het bestreden arrest moeten ook de daaraan voorafgaande stappen worden bemeten. De beslissing van het Gerecht tot verwerping van het beroep ten gronde wordt voorafgegaan door een gedeelte "Ontvankelijkheid", waarin het Gerecht de ontvankelijkheid van het beroep, die de Commissie met een desbetreffende exceptie formeel had betwist, uitdrukkelijk aanvaardt. Het Gerecht heeft dusdoende een einde gemaakt aan een procesincident ter zake van een niet-ontvankelijkheidsexceptie in de zin van artikel 49, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
13 Dat het Gerecht vervolgens, logischerwijs, tot het onderzoek ten gronde is overgegaan en dat wij niet te doen hebben met een afzonderlijk arrest dat uitsluitend over de ontvankelijkheid gaat (wat het geval zou zijn geweest bij aanvaarding van de exceptie), kan niet verhelen, dat het Gerecht wel degelijk twee afzonderlijke beslissingen heeft getroffen. Tegen elk van beide moet hogere voorziening mogelijk zijn.
14 Evenmin mag men blijven staan bij de overweging, dat de hogere voorziening van de Franse regering als het ware het karakter heeft van een beroep in het belang van een juiste uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht. Waar 's Hofs Statuut-EG bepaalt, dat hogere voorziening openstaat "voor de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap die niet in het geding voor het Gerecht zijn tussengekomen", is dit soort beroep impliciet toegelaten.
15 Ten slotte kan hogere voorziening volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG alleen rechtsvragen betreffen. De vraag of verzoeksters rechtstreeks en individueel geraakt waren in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, is stellig een rechtsvraag, zoals het Hof trouwens al heeft beslist.(3)
16 De ontvankelijkheid van de hogere voorziening staat derhalve buiten twijfel.
Het juridisch kader
17 Het Gerecht heeft het juridisch kader van het aldaar ingestelde beroep weergegeven als volgt:
"1 Vóór 1993 bestonden er in de Gemeenschap verschillende nationale regelingen voor de afzet van bananen. Er waren drie bevoorradingsbronnen: in de Gemeenschap geteelde bananen, bananen geteeld in een aantal staten waarmee de Gemeenschap de Overeenkomst van Lomé had gesloten (hierna: $ACS-bananen') en in andere staten geteelde bananen (hierna: $bananen uit derde landen').
2 Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen(4) (hierna: $verordening nr. 404/93'), werd per 1 juli 1993 een gemeenschappelijke invoerregeling ingesteld, die de verschillende nationale regelingen verving. Verordening nr. 404/93 is laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde.(5) In het onderhavige arrest gaat het om de versie van 13 februari 1993.
3 De regeling voor het handelsverkeer met derde landen, die het onderwerp is van titel IV van verordening nr. 404/93, bepaalt, dat voor elk jaar een tariefcontingent wordt geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. De termen $traditionele invoer' en $niet-traditionele invoer' uit de ACS-staten worden omschreven in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 404/93. Onder $traditionele invoer uit de ACS-staten' wordt verstaan de in de bijlage bij verordening nr. 404/93 vastgestelde hoeveelheden bananen die door elke traditioneel exporterende ACS-staat naar de Gemeenschap zijn geëxporteerd. De door de ACS-staten boven deze hoeveelheden geëxporteerde hoeveelheden bananen worden $niet-traditionele ACS-bananen' genoemd.
4 Ingevolge artikel 20 van verordening nr. 404/93 mag de Commissie volgens de zogenoemde beheerscomitéprocedure van artikel 27 uitvoeringsbepalingen vaststellen. Deze uitvoeringsbepalingen kunnen met name betrekking hebben op de afgifte van invoercertificaten aan de marktdeelnemers van de verschillende categorieën, de frequentie van de afgifte van die certificaten en de minimumhoeveelheid bananen die de marktdeelnemers moeten hebben afgezet om in aanmerking te komen. De bepalingen ter uitvoering van titel IV van verordening nr. 404/93 zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap(6) (hierna: $verordening nr. 1442/93').
5 Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93 bepaalt, dat voor elk jaar een tariefcontingent van 2 miljoen ton nettogewicht wordt geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen, en dat voor de eerste periode waarin de nieuwe marktordening van toepassing is, te weten de tweede helft van het jaar 1993, het tariefcontingent wordt vastgesteld op 1 miljoen ton nettogewicht. In het kader van het tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen 100 ECU per ton geheven en werd op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast. Buiten het tariefcontingent werd op eerstgenoemde invoer 750 ECU per ton en op laatstgenoemde invoer 850 ECU per ton geheven.
(...)
9 De importen die in het kader van het jaarlijkse tariefcontingent worden verricht, en de certificaten die daartoe worden afgegeven, worden volgens artikel 19 als volgt over drie categorieën marktdeelnemers verdeeld:
- 66,5 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hebben afgezet;
- 30 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet;
- 3,5 % voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 zijn begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten.
10 Verder dient te worden gewezen op de navolgende bij verordening nr. 1442/93 vastgestelde bepalingen ter uitvoering van de bij verordening nr. 404/93 ingestelde regeling, zoals die hierboven is beschreven.
(...)
12 Volgens artikel 5 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk jaar uiterlijk op 1 juli, en voor het jaar 1994 uiterlijk op 1 oktober 1993, voor elke bij hen geregistreerde marktdeelnemer van de categorieën A en B het gemiddelde vast van de hoeveelheden die zijn afgezet in de drie jaren die zijn voorafgegaan aan het jaar vóór dat waarvoor het contingent wordt geopend, welke hoeveelheden daartoe overeenkomstig artikel 3 worden gesplitst volgens de aard van de door de marktdeelnemer uitgeoefende functies. Dit gemiddelde wordt de $referentiehoeveelheid' van de marktdeelnemer genoemd.
13 Volgens artikel 3, lid 1, wordt als $marktdeelnemer' van de categorieën A en B beschouwd, een economisch subject of enige andere entiteit, die voor eigen rekening een of meer van de volgende functies heeft verricht:
a) aankoop van groene bananen van oorsprong uit derde landen en/of uit ACS-landen van de producenten, of eventueel productie, gevolgd door verzending ervan en verkoop ervan in de Gemeenschap (hierna: $activiteiten van het type a');
b) voorziening met groene bananen en in het vrije verkeer brengen ervan, een en ander als eigenaar van deze bananen, en verkoop met het oog op een latere afzet op de communautaire markt; het dragen van de risico's van kwaliteitsverslechtering of verlies van het product wordt gelijkgesteld met het dragen van het risico dat op de eigenaar van het product rust (hierna: $activiteiten van het type b');
c) groene bananen als eigenaar ervan laten rijpen en afzet op de markt van de Gemeenschap (hierna: $activiteiten van het type c').
De marktdeelnemers die deze activiteiten verrichten, worden hierna respectievelijk $eerste importeurs', $tweede importeurs' en $rijpers' genoemd.
14 In artikel 5, lid 2, worden de wegingscoëfficiënten vastgesteld die op de afgezette hoeveelheden worden toegepast en variëren naar gelang van de verrichte activiteiten. Volgens de derde overweging van de considerans van de verordening hebben deze wegingscoëfficiënten tot doel, enerzijds rekening te houden met het belang van de vervulde economische functie en met de gedragen commerciële risico's, en anderzijds, de negatieve effecten van een meervoudige telling van dezelfde hoeveelheden producten in verschillende stadia van de handelsketen te corrigeren.
15 Artikel 6 luidt als volgt:
$Naar gelang van het volume van het jaarlijkse tariefcontingent en van de totale omvang van de in artikel 5 bedoelde referentiehoeveelheden van de marktdeelnemers stelt de Commissie zo nodig de uniforme verminderingscoëfficiënt voor elke categorie marktdeelnemers vast die op de referentiehoeveelheid van elke marktdeelnemer moet worden toegepast om de aan hem toe te wijzen hoeveelheid te bepalen.
De lidstaten stellen deze hoeveelheid voor elke geregistreerde marktdeelnemer van de categorieën A en B vast en stellen deze uiterlijk op 1 augustus, en voor het jaar 1994 uiterlijk op 1 november 1993, van deze vastgestelde hoeveelheid in kennis.'
(...)
18 (...) Op 19 november 1993 ging de Commissie over tot vaststelling van verordening (EEG) nr. 3190/93 (...) Artikel 1 van verordening nr. 3190/93 luidt als volgt:
$In het kader van het in de artikelen 18 en 19 van verordening (EEG) nr. 404/93 bedoelde tariefcontingent wordt de aan elke marktdeelnemer van de categorieën A en B voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1994 toe te wijzen hoeveelheid berekend door op de volgens artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1442/93 vastgestelde referentiehoeveelheid de volgende uniforme verminderingscoëfficiënt toe te passen:
- voor marktdeelnemers van categorie A: 0,506617
- voor marktdeelnemers van categorie B: 0,430217.'"
Beoordeling door het Gerecht van de ontvankelijkheid van het beroep
18 Wat de door partijen voor het Gerecht aangevoerde argumenten met betrekking tot de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, moge ik verwijzen naar de samenvatting in de punten 32-37 van het arrest van 11 december 1996.
19 Het lijkt mij echter wel nodig de beoordeling van het Gerecht van deze exceptie in extenso weer te geven; zij luidt:
"38 Ingevolge artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag zijn particulieren gerechtigd beroep in te stellen tegen elke beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hen rechtstreeks en individueel raakt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht heeft deze bepaling met name ten doel te voorkomen, dat de gemeenschapsinstellingen, enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt, onmogelijk kunnen maken. Het is dus duidelijk, dat de keuze van de vorm op zichzelf de wetgevende aard van een besluit niet kan wijzigen.(7)
39 Het Hof en het Gerecht hebben ook geoordeeld, dat marktdeelnemers slechts dan kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt door de handeling waarvan zij de nietigverklaring vorderen, indien zij in hun rechtspositie worden getroffen wegens een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander persoon karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde.(8)
40 Bovendien heeft het Hof in de context van een tariefcontingent voor rundvlees geoordeeld, dat een verordening van de Commissie houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de aangevraagde invoercertificaten moeten afgeven, de marktdeelnemers die op het ogenblik van de vaststelling van die verordening reeds dergelijke certificaten hadden aangevraagd, individueel raakt.(9) Het Hof heeft zijn oordeel, dat de betrokken marktdeelnemers individueel waren geraakt, gebaseerd op de overweging, dat de Commissie, door op basis van de totale hoeveelheid waarvoor aanvragen waren ingediend en op een moment dat daar geen enkele nieuwe aanvraag meer kon bijkomen, te bepalen, in welke mate aan die aanvragen kon worden voldaan, in feite had beslist over het aan elke ingediende aanvraag te geven gevolg. Het Hof heeft derhalve geoordeeld, dat de betrokken verordening moest worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen en niet als een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 189 van het Verdrag.
41 Het Gerecht wijst erop, dat in het onderhavige geval verordening nr. 3190/93 enkel van toepassing is op de marktdeelnemers die voor het jaar 1994 referentiehoeveelheden voor de invoer van bananen van categorie A of van categorie B hadden aangevraagd en verkregen. Zij geeft voor ieder van de betrokken marktdeelnemers aan, dat de hoeveelheid bananen die hij in het kader van het tariefcontingent voor het jaar 1994 mag invoeren, kan worden bepaald door op zijn referentiehoeveelheid een uniforme verminderingscoëfficiënt toe te passen. Aangezien verordening nr. 3190/93 als enige wetgevende functie heeft, die verminderingscoëfficiënt vast te stellen en bekend te maken, heeft zij tot onmiddellijk en rechtstreeks gevolg, dat iedere marktdeelnemer in staat wordt gesteld, de definitieve hoeveelheid die hem individueel zal worden toegewezen, te bepalen door de verminderingscoëfficiënt toe te passen op de referentiehoeveelheid die hem reeds is toegewezen. Derhalve moet verordening nr. 3190/93 worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen waarbij in feite aan iedere marktdeelnemer precies wordt meegedeeld, welke hoeveelheid hij in 1994 zal mogen invoeren.
42 Het Gerecht wijst er ook op, dat de Commissie niet is opgekomen tegen verzoeksters' stelling, dat verordening nr. 3190/93 hen bovendien rechtstreeks raakt omdat zij de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat ter zake van de afgifte van de invoercertificaten.
43 In die omstandigheden moet de vordering tot nietigverklaring van verordening nr. 3190/93 ontvankelijk worden verklaard."
Nadere beschouwing van de motivering van het Gerecht en van de in hogere voorziening aangevoerde argumenten
20 Na te hebben gewezen op de welbekende rechtspraak van het Hof en van het Gerecht, volgens welke marktdeelnemers slechts dan kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt door de handeling waarvan zij de nietigverklaring vorderen, indien zij in hun rechtspositie worden getroffen wegens een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde (punten 38 en 39 van het arrest van het Gerecht), verwijst het Gerecht dus naar het arrest van het Hof in de zaak Weddel. Het was kennelijk van mening, dat de zaak Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie volledig analoog was met de zaak Weddel (punt 40 van het arrest van het Gerecht).
21 In de zaak Weddel ging het om de opening van een tariefcontingent van 4 617 ton. De verzoekster had invoercertificaten aangevraagd voor in totaal 320 000 ton. Zij betwistte de geldigheid van een bepaling in de betrokken verordening, volgens welke elke aanvraag voor meer dan 4 617 ton ambtshalve zou worden beschouwd als een aanvraag tot die hoeveelheid. De bedoeling was, te voorkomen dat handelaars het leeuwendeel van het geopende contingent konden inpalmen eenvoudig door overdreven hoge aanvragen in te dienen.
22 In de betrokken verordening was trouwens bepaald, dat elke aanvraag slechts zou worden voldaan tot 0,2425 % van de gevraagde hoeveelheid.(10)
23 Derhalve was het elke handelaar in feite mogelijk de definitieve hoeveelheid te bepalen die hem zou worden toebedeeld. Hij behoefde immers slechts de correctiecoëfficiënt toe te passen op hetzij de exacte hoeveelheid van zijn aanvraag, indien die lager was dan 4 617 ton, hetzij op het cijfer van 4 617 ton, indien zijn aanvraag die grens te boven ging.
24 Het Hof had hieruit afgeleid, dat "de Commissie, ook al had zij uitsluitend kennis gekregen van de aangevraagde hoeveelheden, derhalve heeft beschikt over het aan elke ingediende aanvraag te geven gevolg", en dat men aldus te maken had met "een bundel van in de vorm van een verordening gegeven individuele beschikkingen, die de rechtssituatie van elke afzonderlijke aanvrager beïnvloeden".
25 In punt 41 van het bestreden arrest wijst het Gerecht erop, dat:
"in het onderhavige geval verordening nr. 3190/93 enkel van toepassing is op de marktdeelnemers die voor het jaar 1994 referentiehoeveelheden voor de invoer van bananen van categorie A of van categorie B hadden aangevraagd en verkregen.(11) Zij geeft voor ieder van de betrokken marktdeelnemers aan, dat de hoeveelheid bananen die hij in het kader van het tariefcontingent voor het jaar 1994 mag invoeren, kan worden bepaald door op zijn(12) referentiehoeveelheid een uniforme verminderingscoëfficiënt toe te passen. Aangezien verordening nr. 3190/93 als enige wetgevende functie heeft, die verminderingscoëfficiënt vast te stellen en bekend te maken, heeft zij tot onmiddellijk en rechtstreeks gevolg, dat iedere marktdeelnemer in staat wordt gesteld, de definitieve hoeveelheid die hem individueel zal worden toegewezen, te bepalen door de verminderingscoëfficiënt toe te passen op de referentiehoeveelheid die hem reeds is toegewezen.(13) Derhalve moet verordening nr. 3190/93 worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen waarbij in feite aan iedere marktdeelnemer precies wordt meegedeeld, welke hoeveelheid hij in 1994 zal mogen invoeren."(14)
26 Evenals de Commissie ben ik echter niet ervan overtuigd, dat de zaak Weddel en de zaak Comafrica en Dole voldoende analoog zijn. In het bijzonder ben ik niet ervan overtuigd, dat in het systeem dat hier in geding is,
- een marktdeelnemer een referentiehoeveelheid heeft "verkregen" of dat een dergelijke hoeveelheid hem "is toegewezen" vóór de vaststelling van verordening nr. 3190/93;
- het iedere marktdeelnemer mogelijk was de definitieve hoeveelheid die hij in 1994 zou mogen invoeren, te bepalen door een hem bekende hoeveelheid eenvoudig te vermenigvuldigen met de verminderingscoëfficiënt.
27 Anders dan het systeem in de sector rundvlees is het systeem in de sector bananen buitengewoon ingewikkeld en kunnen de cijfers die de handelaar de bevoegde autoriteiten voorlegt, sterk verschillen van de cijfers die ten grondslag liggen aan de uiteindelijke vermenigvuldiging. De procedure is hier als volgt.
28 Ingevolge artikel 4 van verordening nr. 1442/93 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten afzonderlijke lijsten van de marktdeelnemers van de categorieën A en B vast en stellen zij voor elke marktdeelnemer de hoeveelheden vast die deze heeft afgezet in elk van de drie voorafgaande jaren. De marktdeelnemers stellen de bevoegde autoriteiten hiertoe in kennis van het totale volume van de hoeveelheden bananen, waarbij wordt uitgesplitst
- volgens de oorsprong van de bananen (bananen van oorsprong uit derde landen en niet-traditionele ACS-hoeveelheden, bananen uit de ACS-staten, in de Gemeenschap geproduceerde bananen),
- volgens elk van de economische functies beschreven in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1442/93, betreffende de toepassingsbepalingen (dat wil zeggen aankoop van groene bananen, voorziening en in het vrije verkeer brengen ervan als eigenaar, laten rijpen ervan als eigenaar).
29 Zoals uit het arrest van het Gerecht blijkt, kan deze verrichting in de praktijk tot vergissingen bij de marktdeelnemers leiden.
30 In een tweede fase stellen de bevoegde autoriteiten voor elke bij hen geregistreerde marktdeelnemer van de categorieën A en B het gemiddelde vast van de hoeveelheden die zijn afgezet in de laatste drie jaren, eveneens met een uitsplitsing naar de aard van de functies.
31 Dit gemiddelde wordt genoemd de "referentiehoeveelheid" (in sommige taalversies; in andere taalversies heet het "kwantitatieve referentie"). Ondanks dit nuanceverschil doet deze term veronderstellen, dat het hier niet om een toegewezen hoeveelheid gaat, maar om een referentiebasis voor latere verrichtingen.
Voor het bepalen van de referentiehoeveelheid worden door de bevoegde autoriteit wegingscoëfficiënten naar de in artikel 3 beschreven "functies" (57 %, 15 % of 28 %) op de hoeveelheden toegepast, hetgeen wederom tot vergissingen kan leiden.
32 Volgens artikel 8 van verordening nr. 1442/93 "[verrichten] de bevoegde autoriteiten (...) alle passende controles om na te gaan of de door de marktdeelnemers ingediende aanvragen en bewijsstukken in orde zijn. Daartoe kunnen zij met name rekening houden met de door accountants of bedrijfsrevisoren opgestelde expertiserapporten en verslagen."
33 Verordening nr. 1442/93 zegt niet, dat de uitkomst van al deze controles van de bevoegde autoriteiten ter kennis van de marktdeelnemers moet worden gebracht voordat die autoriteiten overgaan tot het derde deel van de procedure, namelijk de mededeling aan de Commissie van de "totale omvang van de gewogen referentiehoeveelheden" en van de "totale hoeveelheid bananen die in het kader van elke functie is afgezet" voor de bij hen geregistreerde marktdeelnemers (artikel 5, lid 3).
34 Zolang de bevoegde nationale autoriteit niets naar hem laat uitlekken, weet de individuele marktdeelnemer dus niet, welke hoeveelheden die autoriteit, binnen de beide aan de Commissie meegedeelde totale hoeveelheden, ten slotte voor hem heeft genoteerd.
35 Van belang is immers, dat de Commissie mededeling krijgt van de totale hoeveelheden en niet van de hoeveelheden per marktdeelnemer. Dit is trouwens ook bevestigd door de Commissie in haar antwoord op vragen van het Gerecht [Doc. JUR(96) 01479 van 15 februari 1996]:
"Eveneens zij opgemerkt, dat de Commissie uitsluitend kennis heeft kunnen nemen van de voorlopige totale referentiehoeveelheden voor de marktdeelnemers van elke lidstaat. De per marktdeelnemer uitgesplitste hoeveelheid is haar niet meegedeeld."
36 Vervolgens komt de fase waarin de Commissie de zaak in de hand neemt (artikel 6 van verordening nr. 1442/93); zij maakt dan namelijk een vergelijking tussen het volume van het jaarlijkse tariefcontingent en de totale omvang van de referentiehoeveelheden van de marktdeelnemers, die haar door de verschillende lidstaten is voorgelegd.
37 Indien het totaal van de aanvragen het volume van het tariefcontingent overschrijdt, stelt de Commissie "de uniforme verminderingscoëfficiënt voor elke categorie marktdeelnemers vast die op de referentiehoeveelheid van elke marktdeelnemer moet worden toegepast om de aan hem toe te wijzen hoeveelheid te bepalen" (artikel 6, lid 1).
38 Ten slotte stellen de lidstaten deze hoeveelheid voor elke geregistreerde marktdeelnemer vast en stellen hem hiervan in kennis (artikel 6, lid 2).
39 De marktdeelnemer verneemt dus pas in dit stadium werkelijk, welke jaarlijkse hoeveelheid hem is toegewezen.
40 Overigens is tijdens de procedure bij het Gerecht gebleken, dat de Commissie niet zuiver rekenkundig tewerk is gegaan, maar met een kritisch oog is gaan kijken naar de totale hoeveelheden die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waren meegedeeld. Zij heeft die autoriteiten aldus verplicht bepaalde referentiehoeveelheden die zij in een eerder stadium reeds hadden gecontroleerd en eventueel verbeterd alvorens de totale hoeveelheden aan de Commissie door te geven, opnieuw te corrigeren.
41 Blijkens punt 65 van het bestreden arrest van het Gerecht heeft de Commissie namelijk toegegeven, dat "zij in de door de lidstaten aanvankelijk meegedeelde referentiehoeveelheden dubbeltellingen en overlappingen had vastgesteld bij de cijfers betreffende de marktdeelnemers die activiteiten van verschillend type verrichten, en dat zij deze cijfers dus heeft proberen te corrigeren alvorens de verminderingscoëfficiënt toe te passen [bedoeld is wel $te berekenen']".
42 Naar de Commissie volgens punt 64 van het arrest heeft verklaard, waren de referentiehoeveelheden "door of op aansporing van haar diensten" gecorrigeerd. Commissie en lidstaten hebben, met andere woorden, in onderling overleg bepaalde cijfers verbeterd.
43 In sommige gevallen "kon met de betrokken lidstaten geen overeenstemming worden bereikt en zag de Commissie zich verplicht, de cijfers" voor twee lidstaten met 170 000 ton "te verminderen". De vraag rijst, welke cijfers deze twee lidstaten ten slotte hebben aangehouden bij de "toewijzing" van de individuele hoeveelheden, maar dit probleem behoeft hier niet nader te worden onderzocht (punt 66 van het arrest van het Gerecht).
44 Het is in ieder geval duidelijk, dat geen enkele marktdeelnemer de zekerheid had, dat de gegevens die hij aan de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat had verstrekt, uiteindelijk ook zouden worden aangehouden bij de toewijzing van zijn jaarlijkse hoeveelheid.
45 Ten slotte zij opgemerkt, dat verordening nr. 3190/93 zelf geen enkele nadere aanduiding bevat over de verminderingen met de door de Commissie geraamde dubbeltellingen (voorlaatste overweging).
46 De individuele marktdeelnemer kon dus zelf
- noch op basis van de door hem aan de bevoegde nationale autoriteit meegedeelde cijfers
- noch op grond van de bepalingen van de bestreden verordening
de individuele referentiehoeveelheid bepalen waarop de verminderingscoëfficiënt zou worden toegepast, en dus evenmin precies "de hoeveelheid die hij in 1994 zou mogen invoeren".
47 Het Gerecht is mijns inziens dan ook ten onrechte tot de omgekeerde conclusie gekomen (punt 41 in fine), waaruit het heeft afgeleid, dat verordening nr. 3190/93 de marktdeelnemers individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde.
48 Bovendien, zoals de Commissie terecht opmerkt, betreft de betrokken verordening "slechts het eventuele toekomstige recht op certificaten waarvoor de aanvragen in de eerste week van de laatste maand van het voorafgaande kwartaal moeten zijn ingediend, overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1442/93".
49 De invoercertificaten worden, met andere woorden, slechts op kwartaalbasis afgegeven. Te dien einde wordt allereerst overgegaan tot de vaststelling van "indicatieve hoeveelheden (...) in het licht van de gegevens en prognoses betreffende de communautaire markt en op basis van de geraamde balans van de productie en het verbruik in de Gemeenschap en van de invoer en uitvoer".
50 Vervolgens "dienen de marktdeelnemers voor een bepaald kwartaal hun invoercertificaataanvragen (...) in bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat, waarbij zij zich beperken tot de voor het betrokken kwartaal toegestane hoeveelheid van de totale jaarlijkse hoeveelheid die aan hen is toegewezen (...)
51 Indien de hoeveelheden waarvoor door een of meer categorieën marktdeelnemers invoercertificaataanvragen zijn ingediend, de vastgestelde indicatieve hoeveelheid aanzienlijk overtreffen, wordt een op de aanvragen toe te passen uniform verminderingspercentage(15) vastgesteld" (artikel 9, leden 2 en 3, van verordening nr. 1442/93).
52 Ten slotte geven de bevoegde autoriteiten, voor elke categorie afzonderlijk, het invoercertificaat voor elke marktdeelnemer af op basis van de jaarlijkse hoeveelheid die overeenkomstig artikel 6 is toegewezen (artikel 9, lid 5, van verordening nr. 1442/93).
53 De situatie is dus volkomen verschillend van die in de zaak Weddel, waar de rol van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zich beperkte tot de onmiddellijke afgifte van de invoercertificaten, waarbij aan de hand van de verordening van de Commissie alleen een eenvoudige vermenigvuldiging werd uitgevoerd, die elke marktdeelnemer ook heel wel in staat was zelf te verrichten.
54 Zelfs kan men zich afvragen, of de marktdeelnemers in de onderhavige zaak rechtstreeks door de betrokken verordening werden geraakt, gezien alle fasen die nog na de publicatie ervan volgden. Men dient hierbij in het oog te houden, dat de formele indiening van de invoercertificaataanvragen pas plaatsvond na de kennisgeving van de jaarlijkse hoeveelheden en dat de voor een bepaald kwartaal afgegeven certificaten niet altijd waren na te trekken door de toegewezen jaarlijkse hoeveelheid eenvoudig te delen door vier.
55 De Commissie voert in haar memorie van antwoord nog andere argumenten aan ten bewijze dat "de zaak Weddel zonder enig nut was in de onderhavige zaak". Comafrica en Dole trachten die argumenten te weerleggen in hun memorie van repliek.
56 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat in de zaak Weddel de marktdeelnemer die een certificaat had gevraagd, op straffe van verschillende sancties verplicht was tot invoer over te gaan zodra het certificaat hem was afgegeven. In het bijzonder riskeerde hij verbeurte van de gestelde zekerheid, waarvoor hij reeds kosten had gemaakt. De bestreden verordening in de zaak Weddel raakte de rechten en verplichtingen van die marktdeelnemers dus met terugwerkende kracht.
57 Ik deel de mening van de Commissie, dat de zaak in casu heel anders ligt, daar het in verordening nr. 3190/93 gaat om het eventuele toekomstige recht op certificaten waarvoor de aanvragen nog moeten worden ingediend.
58 De Commissie wijst er tevens op, dat de certificaten waarvoor de marktdeelnemers in aanmerking komen, overdraagbaar zijn. Het invoercertificaat is dus slechts een verhandelbaar stuk. Uit onbetwiste verklaringen in de zaak Weddel blijkt echter, dat de certificaten waarom het in die zaak ging, eveneens overdraagbaar waren, hetgeen het Hof niet heeft belet het beroep ontvankelijk te verklaren.
59 Ook zij nog opgemerkt, dat, anders dan in casu, het beroep van Weddel slechts zeer indirect betrekking had op de vaststelling van de correctiecoëfficiënt. Weddel kwam daar immers vooral op tegen het besluit van de Commissie de aanvragen te begrenzen tot de beschikbare hoeveelheid. Dit had noodzakelijkerwijs tot gevolg, dat individuele aanvragen voor meer dan die hoeveelheid, zoals de aanvraag van Weddel, werden gekort, terwijl dat besluit de marktdeelnemers wier aanvragen de gestelde maximumhoeveelheid niet overschreden, hoogstens alleen maar indirect raakte. Weddel was zodoende geïndividualiseerd ten opzichte van de andere certificaataanvragers.
60 Evenwel moet worden vastgesteld, dat het Hof in het arrest Weddel zijn redenering niet op dit element heeft gebaseerd (het vermeldde het enkel onder de standpunten van de verzoekende vennootschap), maar dat het uitsluitend is afgegaan op de correctiecoëfficiënt die voor alle aanvragen tezamen gold.
61 Wat er van dit laatste ook zij, op grond van alle vorenvermelde argumenten concludeer ik, dat het Gerecht in zijn lezing van de verordeningen nrs. 3190/93 en 1442/93 heeft gedwaald, waar het meende de situatie Comafrica en Dole volledig gelijk te kunnen stellen met de situatie Weddel, en daaruit af te leiden dat Comafrica en Dole als individueel geraakte personen ontvankelijk waren.
62 Toch doet zich nog de vraag voor, of de conclusie van het Gerecht, dus de ontvankelijkheid van het beroep, zou kunnen steunen op een andere grond dan het door het Gerecht gebezigde verkeerde motief. Deze wijziging van motivering, waarbij het dictum van een uitspraak in stand zou blijven met een rectificatie van de begeleidende motivering, is een alleszins gangbaar verschijnsel in de cassatiesfeer.
63 Wij moeten dus nog nagaan, of het met Comafrica en Dole zo gesteld is, dat zij bij een juiste analyse van hun situatie kunnen beweren individueel door de bestreden verordening te zijn geraakt. Hiertoe dienen wij de andere voor het Hof aangevoerde argumenten te toetsen aan de rechtspraak van het Hof over artikel 173, vierde alinea.
64 Comafrica en Dole leggen er sterk de nadruk op, dat verordening nr. 3190/93 slechts voor een gesloten groep handelaars geldt. Mijns inziens dient men hun hierin gelijk te geven, daar de verordening inderdaad betrekking heeft op aanvragen die tevoren, op een bepaald tijdstip en volgens speciale procedures, zijn gedaan en waaraan geen enkele nieuwe aanvraag kon worden toegevoegd.
65 De gesloten groep is tevens beperkt, aangezien de betrokken handelaars worden gekenmerkt door het feit dat alleen zij voldoen aan een aantal formele en materiële voorwaarden: zij moeten in de drie jaar vóór de vaststelling van de verordening bepaalde categorieën bananen hebben ingevoerd en de desbetreffende cijfers binnen zekere termijnen en volgens voorgeschreven procedures aan de bevoegde autoriteit van hun lidstaat hebben doorgegeven. Deze elementen vloeien voort uit de bovenbeschreven verordeningsbepalingen.
66 Dat de handeling gericht is tot een gesloten en beperkte groep adressaten, volstaat volgens Comafrica en Dole om het normatief karakter eraan te ontnemen en ze om te zetten in een bundel aanvechtbare individuele beschikkingen. Voor deze stelling halen Comafrica en Dole verschillende arresten van het Hof aan.(16)
67 De zaak Arposol/Raad dient hier al dadelijk opzij te worden gelegd, daar het Hof zich in dat arrest beperkt tot het oordeel, dat de verzoekende vennootschap niet rechtstreeks was geraakt, en zich niet inliet met de vraag of zij dat ook individueel was.
68 De andere genoemde zaken betroffen eveneens omstandigheden die verschilden van die in casu. Zo werd in de zaak CAM/Commissie het beroep ontvankelijk verklaard niet enkel omdat de bestreden handeling van toepassing was op een gesloten groep adressaten, maar vooral omdat de betrokkenen bepaalde zakelijke beslissingen hadden genomen, of konden worden geacht te hebben genomen, op grond van een regeling die daarna onverwacht was gewijzigd.
69 In de zaak Société pour l'exportation des sucres/Commissie ging het, anders dan in de onderhavige zaak, om een verordening houdende wijziging met terugwerkende kracht van de rechten en verplichtingen van certificaathouders die daarmee dus ook reeds verbintenissen waren aangegaan.
70 De zaken Agricola commerciale olio e.a./Commissie en Savma/Commissie hadden betrekking op een poging van de Commissie om bij wege van verordening de vernietiging te bewerkstelligen van de verkoop door een nationaal interventiebureau van hoeveelheden olijfolie aan reeds aangewezen inschrijvers die hun rechten en verplichtingen derhalve met terugwerkende kracht gewijzigd zagen. Iets dergelijks doet zich in de onderhavige zaak niet voor.
71 Bovendien is duidelijk, dat in die zaken de toestand van de verzoeksters, in hun hoedanigheid van aangewezen inschrijvers, veel nauwer verband hield met de bestreden handeling dan het geval is met verzoeksters in eerste aanleg in de onderhavige zaak. Zoals reeds gezegd, beperkt hún verband met de bestreden handeling zich tot het doorgeven van de cijfers van hun vroegere importen aan de bevoegde nationale autoriteit, met de bedoeling in een later stadium invoercertificaten voor een kwartaal aan te vragen.
72 De genoemde rechtspraak betrof derhalve gevallen die geenszins gelijk zijn aan dat in casu. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van Comafrica en Dole doet mijns inziens echter wel de rechtspraak van het Hof ter zake, volgens welke het feit dat een handeling een gesloten en beperkte groep adressaten treft, niet voldoende is om hen individueel geraakt te achten in de zin van artikel 173, vierde alinea.
73 Het Hof heeft immers bij herhaling geoordeeld, dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, geenszins betekent dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te zijn geraakt, zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven.(17)
74 Juist in deze omstandigheid bevinden wij ons bij verordening nr. 3190/93 die, zoals de Franse regering opmerkt, stellig alle kenmerken van een normatieve handeling vertoont. De verordening betreft immers een aangelegenheid van algemene aard, namelijk de tenuitvoerlegging voor een bepaald tijdvak van een der elementen van de contingentenregeling die van toepassing is op de in verordening nr. 1442/93 omschreven marktdeelnemers. De Commissie is volgens laatstgenoemde verordening verplicht de nodige maatregelen te nemen om de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening te verzekeren door de hoeveelheden die zouden kunnen worden aangevraagd op grond van vorige importen, globaal aan te passen aan de beschikbare hoeveelheden volgens de basisverordening. Het arrest van het Hof van 17 oktober 1995(18) betreffende de correctiecoëfficiënt voor het tweede halfjaar 1993, dus juist vóór die welke bij de bestreden verordening is vastgesteld, toont duidelijk aan, dat de vaststelling van die coëfficiënt bij uitstek deel uitmaakt van een meer algemene verplichting van de Commissie, namelijk om uitvoering te geven aan de basisverordening.
75 Een dergelijke verordening is noodzakelijkerwijs van toepassing op een gesloten en beperkte groep adressaten, aangezien het slechts kan gaan om marktdeelnemers die gerechtigd zijn een belang kenbaar te maken bij de invoer van de toewijsbare hoeveelheden. Zowel die marktdeelnemers als het tijdvak worden bepaald aan de hand van objectieve gegevens, die met name voortvloeien uit de basisverordening.
76 De bestreden verordening kon immers, gezien haar inhoud, eigenlijk alleen maar gelden voor de in verordening nr. 1442/93 omschreven marktdeelnemers van de categorieën A en B, die bananen uit het contingent voor 1994 wensten in te voeren en daartoe de krachtens die verordening nodige inleidende stappen hadden ondernomen.
77 De vaststelling dat de bestreden handeling een normatief karakter heeft, is echter niet voldoende om de ontvankelijkheid van het beroep volledig uit te sluiten. Het Hof heeft immers aanvaard, dat een handeling haar normatief karakter niet behoeft te verliezen indien zij een bepaalde marktdeelnemer, die zich in een situatie bevindt die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, rechtstreeks en individueel raakt.(19) Ook is het volgens de rechtspraak(20) mogelijk, dat bepalingen van een normatieve handeling neerkomen op een beschikking die een of meer marktdeelnemers rechtstreeks en individueel raakt.
78 In al deze gevallen is het voor de ontvankelijkheid van het beroep nodig, dat de betrokken marktdeelnemers in hun rechtspositie worden getroffen wegens een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde.
79 Ik meen hierboven te hebben aangetoond, dat dit in casu niet het geval is. De genomen maatregel geldt op gelijke wijze voor de gehele groep van marktdeelnemers die onder verordening nr. 3190/93 vallen. De verminderingscoëfficiënt geldt voor ieder gelijkelijk. De verschillende marktdeelnemers worden in genen dele ten opzichte van de anderen geïndividualiseerd. Zij zijn dit slechts ten opzichte van degenen die niet om toewijzing van referentiehoeveelheden hebben gevraagd.
80 Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, hebben verzoeksters in eerste aanleg overigens ook niet geprobeerd een bijzondere feitelijke situatie aan te tonen, die hen speciaal zou karakteriseren ten opzichte van alle andere marktdeelnemers die onder verordening nr. 3190/93 vallen.
81 Verzoeksters in eerste aanleg voeren ten slotte aan, dat hun tegen de betrokken handeling geen enkele andere beroepsmogelijkheid openstond.
82 Opgemerkt zij evenwel, dat niet verordening nr. 3190/89 de handeling is waardoor elke individuele marktdeelnemer mededeling krijgt van zijn definitieve "referentiehoeveelheid" (die hoe dan ook niet de toekenning van invoercertificaten insluit). Ik herinner eraan, dat volgens artikel 6 van verordening nr. 1442/93 die handeling slechts kan uitgaan van de bevoegde nationale autoriteit. Alleen tegen die handeling kan beroep worden ingesteld door een marktdeelnemer die zijn rechten om een of andere reden geschaad acht bij de toewijzing van zijn referentiehoeveelheid. Uiteraard zouden verzoeksters bij een dergelijk beroep elk rechtsmiddel kunnen aanvoeren en zou de nationale rechter in geval van twijfel over de geldigheid van de verordening, het Hof daarover via een prejudiciële verwijzing kunnen ondervragen.
83 Naar mijn mening volgt uit al het voorgaande, dat verzoeksters in eerste aanleg niet voldoen aan de voorwaarde voor individueel geraakt zijn door de bestreden handeling, in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
Conclusie
84 Mitsdien geef ik in overweging, de hogere voorziening van de Franse Republiek gegrond te verklaren en het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 1996 in zaak T-70/94 te vernietigen, voor zover daarbij ontvankelijk werd verklaard het door Comafrica SpA en Dole Fresh Fruit Europe Ltd & Co. ingestelde beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 3190/93 van de Commissie van 19 november 1993 tot vaststelling van de uniforme verminderingscoëfficiënt voor het bepalen van de hoeveelheid bananen die in het kader van het tariefcontingent voor 1994 aan elke marktdeelnemer van de categorieën A en B wordt toegewezen.
85 Voorts geef ik in overweging, krachtens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG de zaak zelf af te doen door het beroep van de vennootschappen Comafrica SpA en Dole Fresh Fruit Europe Ltd & Co. niet-ontvankelijk te verklaren.
86 Ten aanzien van de kosten geef ik in overweging, op de voet van artikel 122, laatste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof elke partij in haar eigen kosten te verwijzen.
(1) - Jurispr. blz. II-1741.
(2) - PB L 285, blz. 28.
(3) - Arrest van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad (C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615).
(4) - PB L 47, blz. 1.
(5) - PB L 349, blz. 105.
(6) - PB L 142, blz. 6.
(7) - Arrest van 17 juni 1980, Calpak en Emiliana Lavorazione Frutta/Commissie (789/79 en 790/79, Jurispr. blz. 1949, punt 7), en beschikking Gerecht van 28 oktober 1993, FRSEA en FNSEA/Raad (T-476/93, Jurispr. blz. II-1187, punt 19).
(8) - Beschikking van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad (C-131/92, Jurispr. blz. I-2573).
(9) - Arrest van 6 november 1990, Weddel/Commissie (C-354/87, Jurispr. blz. I-3847, punten 19-23).
(10) - Verordening (EEG) nr. 2806/87 van de Commissie van 18 september 1987 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit (PB L 268, blz. 59).
(11) - Cursivering van mij.
(12) - Cursivering van mij.
(13) - Cursivering van mij.
(14) - Cursivering van mij.
(15) - Cursivering van mij.
(16) - Arresten van 18 november 1975, CAM/Commissie (100/74, Jurispr. blz. 1393); 31 maart 1977, Société pour l'exportation des sucres/Commissie (88/76, Jurispr. blz. 709); 27 november 1984, Agricola commerciale olio e.a./Commissie (232/81, Jurispr. blz. 3881), en Savma/Commissie (264/81, Jurispr. blz. 3915), en 14 januari 1988, Arposol/Raad (55/86, Jurispr. blz. 13).
(17) - Zie bijvoorbeeld arrest van 15 juni 1993, Abertal e.a./Raad (C-264/91, Jurispr. blz. I-3265).
(18) - Nederland/Commissie (C-478/93, Jurispr. blz. I-3081).
(19) - Ik wijs hier met name op het arrest van 18 mei 1994, Codorníu/Raad (C-309/89, Jurispr. blz. I-1853), waar de verzoekster individueel was geraakt omdat de bestreden normatieve handeling inbreuk maakte op haar specifieke rechten, en op het arrest van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad (C-358/89, Jurispr. blz. I-2501), waar de verzoekster, in een antidumpingprocedure, individueel was geraakt wegens haar feitelijke situatie als belangrijkste importeur van het product, eindverbruiker ervan en belangrijkste concurrent van de producent in de Gemeenschap voor het verwerkte product.
(20) - Zie in het bijzonder arrest van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing Company e.a./Raad (240/84, Jurispr. blz. 1809).
Full & Egal Universal Law Academy