Conclusie van de advocaat generaal
1 Met het onderhavige beroep verzoekt de Pretura circondariale di Bologna het Hof te beoordelen, of de bepalingen van de richtlijnen 75/362/EEG(1) en 75/363/EEG(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG(3), volgens welke specialisten in opleiding recht hebben op een "passende bezoldiging" tijdens de duur van hun opleiding, rechtstreekse werking hebben.
Toepasselijke bepalingen
De toepasselijke gemeenschapsregeling
2 Richtlijn 75/362 (hierna: "erkenningsrichtlijn") regelt de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts en bevat maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten.(4) Richtlijn 75/363/EEG (hierna: "coördinatierichtlijn") coördineert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, "(...) terwijl de lidstaten voor het overige worden vrijgelaten in het organiseren van hun onderwijs".(5)
3 De erkenningsrichtlijn onderscheidt de diploma's, certificaten en andere titels van specialist al naar gelang zij in alle lidstaten (artikel 5, lid 2,) dan wel alleen in twee of meer daarvan bestaan (artikel 7).
4 In het eerste geval volgt de erkenning automatisch, indien ingevolge artikel 4 van de erkenningsrichtlijn de houders ervan een opleiding hebben gevolgd die beantwoordt aan de minimumvoorwaarden van de coördinatierichtlijn. In het tweede geval bepaalt artikel 6, dat de erkenning - mits de houders daarvan zich kunnen beroepen op een opleiding die voldoet aan de in de coördinatierichtlijn gestelde eisen - tussen deze lidstaten onderling automatisch is.
5 De coördinatierichtlijn voorziet in een zekere harmonisatie van de opleidingseisen en de voorwaarden voor de toegang tot de verschillende medische specialismen "(...) met het oog op de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de specialist en ten einde alle beroepsbeoefenaars die onderdaan zijn van de lidstaten binnen de Gemeenschap op zekere voet van gelijkheid te plaatsen (...)".(6) Echter, deze "(...) minimumcriteria zowel voor de toegang tot de gespecialiseerde opleiding als voor de minimumduur van deze opleiding, de wijze waarop en de plaats waar deze moet plaatsvinden, alsmede voor het toezicht dat erop moet worden uitgeoefend, (...) [hebben] (...) slechts betrekking (...) op die specialisaties die alle lidstaten dan wel twee of meer lidstaten gemeen hebben".(7)
6 Deze richtlijnen zijn gewijzigd bij richtlijn 82/76(8), waarvan het duidelijk in de derde overweging van haar considerans geformuleerde doel is, een strakkere omschrijving te geven van de nieuwe deeltijdopleiding van de specialisten.(9) Deze richtlijn brengt voorts in de twee richtlijnen van 1975 diverse wijzigingen van technische aard aan, die door de ontwikkelingen in de nationale wettelijke regelingen van de lidstaten en de in de eerste jaren van toepassing opgedane ervaring noodzakelijk zijn geworden.(10)
7 Artikel 1 van de coördinatierichtlijn verplicht de lidstaten, de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de arts afhankelijk te stellen van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel van arts als bedoeld in artikel 3 van de erkenningsrichtlijn, welk diploma waarborgt dat de betrokkene gedurende de totale duur van de opleiding de in artikel 1, lid 1, sub a-d, van de coördinatierichtlijn vermelde minimumkennis heeft verworven.
8 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 9 van richtlijn 82/76 bepaalt:
"1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de opleiding voor het behalen van een diploma, certificaat of andere titel van specialist ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) in het kader van de in artikel 1 bedoelde opleidingscyclus zijn met goed gevolg zes studiejaren volbracht;
b) zij omvat theoretisch en praktisch onderwijs;
c) zij is full-time en staat onder controle van de bevoegde autoriteiten of instanties overeenkomstig het bepaalde in punt 1 van de bijlage;(11)
d) zij heeft plaats in een universitair centrum, in een universitair centrum voor ziekenverpleging of eventueel in een daartoe door de bevoegde autoriteiten of instanties erkende inrichting voor gezondheidszorg;
e) zij houdt in dat de aankomend specialist persoonlijk deelneemt aan de werkzaamheden van de betrokken diensten en daarvoor verantwoordelijkheid draagt."
9 Artikel 13 van richtlijn 82/76 heeft aan de coördinatierichtlijn een bijlage toegevoegd, waarvan punt 1 luidt:
"Kenmerken van de full-time- en van de part-time-specialistenopleiding
1. Full-time-specialistenopleiding
Deze opleiding vindt plaats in het kader van door de bevoegde autoriteiten erkende specifieke opleidingsplaatsen.
Zij houdt deelneming in aan alle medische activiteiten van de afdeling waar de opleiding wordt genoten, inclusief de wachtdiensten, zodat de specialist in opleiding aan deze praktische en theoretische opleiding al zijn beroepsactiviteit wijdt gedurende de gehele werkweek en gedurende het gehele jaar op de wijze vastgesteld door de bevoegde autoriteiten. Bijgevolg wordt deze opleiding op passende wijze bezoldigd.
De opleiding kan worden onderbroken om redenen zoals militaire dienst, wetenschappelijke opdrachten, zwangerschap en ziekte. Deze onderbrekingen mogen de totale duur van de opleiding niet verkorten."
10 Volgens artikel 2, lid 3, van de coördinatierichtlijn wijzen de lidstaten de autoriteiten of instanties aan die bevoegd zijn tot het afgeven van de in lid 1 bedoelde diploma's, certificaten en andere titels.
11 De artikelen 4 en 5 van deze richtlijn stellen de minimumduur van de specialistenopleidingen vast voor het behalen van diploma's, certificaten en andere titels als bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de erkenningsrichtlijn, die alle lidstaten dan wel twee of meer lidstaten gemeen hebben.
12 Ten slotte treffen volgens artikel 16 van richtlijn 82/76 de lidstaten de nodige maatregelen om uiterlijk op 31 december 1982 aan de richtlijn te voldoen.
De nationale regeling
13 De erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn zijn door de Italiaanse Republiek bij wet nr. 217 van 22 mei 1978 omgezet.
14 Daarentegen heeft de Italiaanse Republiek richtlijn 82/76 pas na 's Hofs arrest van 7 juli 1987 (Commissie/Italië(12)) bij wetsbesluit nr. 257 van 8 augustus 1991(13) volledig omgezet.
15 De toepasselijke bepalingen van wetsbesluit nr. 257 luiden als volgt:
"Artikel 4 - Rechten en plichten van specialisten in opleiding
1. De full-time-specialistenopleiding houdt deelneming in aan alle medische activiteiten van de afdeling waar de opleiding wordt genoten, inclusief de wachtdiensten en de operaties voor de opleidingen tot chirurg, alsmede het geleidelijk overnemen van de taken van assistent, zodat de specialist in opleiding aan deze praktische en theoretische opleiding al zijn beroepsactiviteit wijdt gedurende het gehele jaar.
2. De specialisten in opleiding zijn werkzaam als assistent in het kader van de met het specialisme verbonden praktische stage.
3. De toelating tot de opleiding en het bijwonen van de colleges voor de opleiding tot specialist van de ingeschrevene betekenen nog niet, dat sprake is van een of andere dienstbetrekking.
4. De specialistenopleiding vereist ten minste dezelfde inzet als voor het voltijds werkzame medisch personeel van de Nationale gezondheidsdienst is voorzien."
"Artikel 6 - Studiebeurzen
1. Degenen die (...) tot de specialistenopleidingen zijn toegelaten, ontvangen in het kader van een voltijdse aanstelling ten behoeve van hun opleiding voor de gehele duur van de cursus, met uitsluiting van de perioden waarin het specialisme wordt onderbroken, een studiebeurs die voor 1991 is vastgesteld op 21 500 000 LIT. Met ingang van 1 januari 1992 wordt dit bedrag jaarlijks op basis van het vastgestelde inflatiepercentage geïndexeerd en wordt het om de drie jaar herzien bij decreet van de minister van Volksgezondheid (...) met inachtneming van de verbetering van de minimumloontabel die geldt voor de arbeidsovereenkomsten van het medisch personeel dat bij de Nationale gezondheidsdienst in loondienst is."
16 Ten slotte bepaalt artikel 8, lid 2, van wetsbesluit nr. 257: "De bepalingen van dit wetsbesluit zijn van toepassing met ingang van het academisch jaar 1991/1992."
Feiten en procesverloop
17 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend naar aanleiding van een geding tussen A. Carbonari en 121 andere verzoekers (hierna: "verzoekers in het hoofdgeding") enerzijds en Università degli Studi di Bologna, Ministero della Sanità, Ministero dell'Università e della Ricerca Scientifica en Ministero del Tesoro anderzijds.
18 Verzoekers in het hoofdgeding hebben allen het diploma van arts. Zij zijn sedert het academisch jaar 1990/1991 ingeschreven bij specialistenopleidingen van de medische faculteit van de universiteit van Bologna voor verschillende studierichtingen, waaronder cardiologie, verloskunde, neurologie, psychiatrie, kindergeneeskunde, urologie, oogheelkunde, bedrijfsgeneeskunde en nog andere studierichtingen.
19 Bij op 30 juli 1992 bij de Pretura circondariale di Bologna, sezione controversie del lavoro, neergelegd verzoekschrift stellen verzoekers in het hoofdgeding, dat zij sedert het academisch jaar 1990/1991 gedurende de gehele werkweek en gedurende het gehele jaar onder leiding en toezicht van de bevoegde autoriteit een full-time-specialistenopleiding volgen zonder een bezoldiging te ontvangen. Zij betogen, dat zij, gelet op de bewoordingen van richtlijn 82/76, vanaf 1990 tijdens de duur van hun specialistenopleiding recht hebben op een "passende bezoldiging".
20 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging van de communautaire regelgeving, heeft de Pretura circondariale di Bologna bij beschikking van 2 december 1996 het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet de bepaling van richtlijn 82/76/EEG waarin wordt voorgeschreven, dat de opleiding van specialisten $op passende wijze wordt bezoldigd', waar de Italiaanse Republiek binnen de gestelde termijn geen specifieke bepalingen heeft vastgesteld, aldus worden uitgelegd dat zij rechtstreekse werking heeft ten gunste van de specialisten in opleiding, zodat zij zich tegenover de overheidsinstanties van de Italiaanse Republiek op deze bepaling kunnen beroepen, en verleent deze bepaling de specialisten in opleiding een recht op een passende vergoeding voor alle opleidingsactiviteiten die zij verrichten in de door de staat met die opleiding belaste diensten, en brengt zulks voor de overheid, de Università degli studi di Bologna inbegrepen, de verplichting mee om deze vergoeding te betalen?"
De prejudiciële vraag
21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de bepalingen inzake het recht op bezoldiging van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn om rechtstreeks rechten te verlenen aan de justitiabelen die zich daarop beroepen. Met andere woorden, het Hof wordt gevraagd te beslissen, of richtlijn 82/76 de criteria vaststelt aan de hand waarvan de nationale rechter de inhoud van het recht op bezoldiging kan bepalen, die de lidstaten in nationaal recht moeten omzetten.
22 Volgens vaste rechtspraak(14) kunnen de justitiabelen zich enkel in rechte op een richtlijn beroepen tegenover een lidstaat wanneer die staat niet de nodige uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen dan wel met een richtlijn strijdige maatregelen heeft vastgesteld.
23 Blijkens de motivering van de verwijzingsbeschikking zijn verzoekers in het hoofdgeding, artsen in het bezit van een diploma of een certificaat dat hen machtigt dit beroep uit te oefenen, in 1990 begonnen met een specialistenopleiding op verschillende gebieden, maar hebben zij tijdens deze opleiding niet de bij wetsbesluit nr. 257 ingestelde studiebeurs ontvangen, hoewel zij die opleiding voltijds onder controle van de bevoegde autoriteiten en organen hebben voltooid.
24 Vaststaat dat de Italiaanse Republiek ten tijde van de feiten in 1990 de bepalingen van richtlijn 82/76, op grond waarvan de specialisten in opleiding een bezoldiging kunnen verkrijgen, niet in nationaal recht had omgezet.(15)
25 Ook staat vast en wordt niet weersproken(16), dat de Italiaanse Republiek sedert 1991 deze bepalingen in haar nationaal recht heeft omgezet. De vertegenwoordiger van de Italiaanse regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat sedert dat tijdstip de door alle Italiaanse artsen gevolgde specialistenopleiding in overeenstemming is met de voorschriften van de erkenningsrichtlijn, de coördinatierichtlijn en richtlijn 82/76.
26 Daaruit volgt zonder meer, dat sedert 1991 de rechtspositie van deze artsen, wat betreft hun recht op een passende bezoldiging, door de nationale omzettingsbepaling wordt geregeld. De passende bezoldiging waarop de specialist in opleiding recht heeft, komt dus overeen met de bij wetsbesluit nr. 257 ingestelde studiebeurs, te weten een bedrag van 21 500 000 LIT voor 1991.
27 Derhalve moet volgens mij de vraag, of de litigieuze communautaire bepalingen rechtstreekse werking hebben, worden beperkt tot de periode vóór 1991, meer bepaald tot 1990.
28 Het Hof heeft onveranderlijk beslist, dat wanneer de bepalingen van een richtlijn "(...) inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, (...) de particulieren zich [enkel daarop kunnen] (...) beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Hetzelfde geldt wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden."(17)
29 Ik moet dus nagaan, of de bepalingen van richtlijn 82/76 waarin het recht op een "passende bezoldiging" van de specialisten in opleiding wordt omschreven, aan deze voorwaarden voldoen.
30 Volgens vaste rechtspraak(18) moet dit onderzoek zich toespitsen op drie aspecten, te weten de bepaling van de personen die voor het daarin geregelde recht in aanmerking komen, de inhoud van dit recht en, ten slotte, de identiteit van het orgaan dat dit recht verschuldigd is.
31 Wat betreft degenen die in aanmerking komen voor deze rechten, heeft het Hof in het arrest van 6 december 1994 (Commissie/Spanje(19)) reeds beslist, dat enkel de specialismen die voorkomen op de lijsten van de artikelen 5 of 7 van de erkenningsrichtlijn, gewijzigd bij richtlijn 82/76, onder artikel 2 van de coördinatierichtlijn, gewijzigd bij richtlijn 82/76, vallen. Daaruit leidde het Hof af, dat de in artikel 2, lid 1, sub c, van de coördinatierichtlijn voorziene verplichting om tijdens de duur van de specialistenopleiding een bezoldiging te betalen(20), "(...) slechts geldt voor specialismen die in alle lidstaten of in twee of meer lidstaten bestaan en in de artikelen 5 of 7 van de erkenningsrichtlijn zijn genoemd".(21)
32 Derhalve moet de verwijzende rechter worden gewezen op de noodzaak vast te stellen, of verzoekers in het hoofdgeding een opleiding volgen die op voormelde lijsten voorkomt.
33 Bovendien is het bij artikel 2 van de bij richtlijn 82/76 gewijzigde coördinatierichtlijn vastgestelde recht op bezoldiging afhankelijk van de voorwaarde, dat een opleiding wordt gevolgd die voldoet aan eisen die in punt 1 van de bijlage bij artikel 13 van richtlijn 82/76 zeer nauwkeurig en zeer duidelijk zijn geformuleerd.
34 Zonder in een herhaling te vervallen van de voorwaarden waaraan deze opleiding sedert 1982 moet voldoen, zij erop gewezen, dat zij zeer grote overeenkomst vertonen met die welke bij artikel 2, lid 1, van de oorspronkelijke coördinatierichtlijn in 1975 zijn ingevoerd - onder meer, de vereisten van een theoretische en praktische opleiding in een universitair centrum voor ziekenverpleging (sub b en d), die inhoudt dat de specialist persoonlijk full-time deelneemt aan de werkzaamheden van de betrokken diensten en daarvoor verantwoordelijkheid draagt (sub c(22) en e), onder controle van de bevoegde autoriteiten of instanties (sub c(23)). De bij richtlijn 82/76 aangebrachte wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op de verplichting, specifieke opleidingsplaatsen te creëren en deze opleiding te bezoldigen.
35 Deze bezoldiging is bedoeld als compensatie voor een specifieke opleiding en is dus uit dien hoofde onlosmakelijk daarmee verbonden. Deze uitlegging vloeit voort uit zowel de letter als het doel van deze bepalingen.
36 Zo bepaalt punt 1, tweede alinea in fine, van de bijlage bij richtlijn 82/76 uitdrukkelijk: "[De full-time-specialistenopleiding] houdt deelneming in aan (...) Bijgevolg wordt deze opleiding op passende wijze bezoldigd."(24)
37 Zoals wij hebben gezien, bestaat het doel van al deze bepalingen erin, de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten te vergemakkelijken en alle beroepsbeoefenaars die onderdaan zijn van de lidstaten binnen de Gemeenschap, op zekere voet van gelijkheid te plaatsen.(25) Derhalve kan de verplichting tot bezoldiging van de specialistenopleiding, als noodzakelijke compensatie voor de volledige inzet van huisartsen tijdens deze opleiding, een opleiding van hoog niveau in de gehele Gemeenschap verzekeren, zorgt zij voor een zekere gelijkheid tussen deze beroepsbeoefenaars, rechtvaardigt zij het bij de richtlijnen van 1975 ingevoerde beginsel van onderlinge erkenning van de diploma's van specialist en vergemakkelijkt zij daardoor het vrije verkeer van deze dienstverrichters.
38 Hieruit volgt dus, dat deze bepalingen voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn om de nationale rechter in staat te stellen uit te maken, of een specialist in opleiding al dan niet moet worden geacht onder de richtlijn te vallen. De rechter dient enkel na te gaan, of de belanghebbende al dan niet een opleiding volgt in een van de in de artikelen 5 of 7 van de bij richtlijn 82/76 gewijzigde erkenningsrichtlijn vermelde specialismen, en of de gevolgde opleiding beantwoordt aan de duidelijke en nauwkeurige bepalingen van artikel 2, lid 1, van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76.
39 Met betrekking tot de inhoud van dit recht schrijft de richtlijn enkel de betaling van een "passende" bezoldiging voor. Zij bevat evenwel geen enkele aanwijzing omtrent de methodes tot vaststelling van dit recht.
40 De Commissie en verzoekers in het hoofdgeding zijn het daarmee eens. Zij betogen echter, dat de inhoud van dit recht aan de hand van het nationale arbeidsrecht te bepalen is.
41 Deze redenering overtuigt mij niet. Volgens mij doet dit gebrek aan nauwkeurigheid namelijk af aan de inhoud van het aan de lidstaten voorgeschreven resultaat en ontneemt het de justitiabele derhalve elke mogelijkheid, zich ter verkrijging van dit recht op bezoldiging op de bepalingen van de richtlijn te beroepen, wanneer een nationale omzettingsregeling volledig ontbreekt of in strijd is met de richtlijn. De onnauwkeurigheid van dit begrip laat dus niet toe, aan artikel 2, lid 1, van de coördinatierichtlijn rechtstreekse werking toe te kennen.
42 De Commissie stelt zich bovendien op het standpunt, dat blijkens de formulering van punt 1 van de bijlage de tussen de arts in opleiding en zijn opleidingscentrum bestaande rechtsbetrekkingen moeten worden aangemerkt als een arbeidsverhouding die door wederzijdse rechten en plichten gekenmerkt is.
43 Dat is niet mijn opvatting. Volgens mij houdt de verwijzing naar het begrip "arbeid" in artikel 2 van de coördinatierichtlijn niet per se de verplichting voor de lidstaten in, deze opleiding afhankelijk te stellen van de voorwaarde, dat er een arbeidsovereenkomst tussen de arts in opleiding en zijn opleidingscentrum bestaat. Deze mogelijkheid staat de lidstaten weliswaar open maar zij is geenszins voorgeschreven. De verwijzing naar arbeid dient mijns inziens alleen voor de bepaling van het tijdsbestek gedurende hetwelk de opleiding moet worden gevolgd en bezoldigd. Zij betekent dus, dat de verplichting tot bezoldiging voor de gehele duur van de full-time-opleiding geldt. Enkel op dit punt - de duur van dit recht op bezoldiging - beschikken de lidstaten over geen enkele beoordelingsmarge.
44 Voor het overige biedt richtlijn 82/76 geen enkel aanknopingspunt. Zij stelt geen verplicht minimumbedrag voor deze bezoldiging vast noch geeft zij referentiepunten aan. Met name verwijst zij niet naar de analoge toepassing van in de betrokken lidstaat geldende criteria voor de vaststelling van de bezoldiging van het personeel dat een soortgelijke werkzaamheid uitoefent in de betrokken tak van medische activiteit. Daarmee beschikken de lidstaten over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de methodes tot vaststelling van dit recht.
45 Het is voor de nationale rechter derhalve moeilijk, enkel op basis van richtlijn 82/76 de inhoud van het recht op bezoldiging van specialisten in opleiding te bepalen.
46 De rechtstreekse werking van de bepalingen van richtlijn 82/76 inzake het recht op een passende bezoldiging wordt nog onwaarschijnlijker doordat niet wordt bepaald wie deze bezoldiging verschuldigd is.
47 De bij richtlijn 82/76 gewijzigde coördinatierichtlijn zwijgt hierover.
48 Bovendien preciseert artikel 2, lid 1, sub d, van de coördinatierichtlijn, dat de opleiding ook kan plaatshebben in een daartoe door de bevoegde autoriteiten erkende inrichting voor gezondheidszorg.
49 Het is dus geenszins uitgesloten, dat deze opleiding of een deel daarvan in particuliere of openbare inrichtingen kan worden gevolgd. Nu richtlijn 82/76 geen verbod of verplichting voorschrijft, is het volgens mij zeer wel mogelijk te voorzien in een gemengd vergoedingsstelsel voor deze opleiding - bijvoorbeeld, te bepalen dat een deel van de bezoldiging door de staat moet worden betaald, een deel door de door de bevoegde autoriteiten erkende particuliere of openbare inrichting waar de opleiding plaatsheeft, en een ander deel door de patiënten.
50 Dit brengt mij derhalve tot de conclusie, dat de lidstaten over een zeer ruime beoordelingsmarge beschikken om te bepalen wie deze bezoldiging verschuldigd is.
51 Uit het voorgaande volgt, dat de bepalingen van richtlijn 82/76 niet voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn met betrekking tot zowel de inhoud van het recht op bezoldiging als de vaststelling van wie dit recht verschuldigd is. Derhalve kunnen zij aan de artsen die de in de coördinatierichtlijn bedoelde opleiding volgen, niet rechtstreeks het recht op een bepaalde bezoldiging toekennen, nu niet tijdig omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld.
52 Volledigheidshalve lijkt het mij echter nuttig erop te wijzen, dat een lidstaat de bij artikel 5 EG-Verdrag opgelegde verplichting tot omzetting van de bepalingen van een richtlijn in zijn nationaal recht niet in dier voege moet nakomen, dat degenen die aan de voorwaarden daarvoor voldoen, geen enkele bezoldiging krijgen.
53 Een nationale wettelijke regeling of een administratieve praktijk die dit recht niet toekent aan degenen die aan de in voormelde richtlijnen gestelde voorwaarden voldoen, strookt bijgevolg niet met hetgeen voor een doeltreffende omzetting van de richtlijn in nationaal recht vereist is.(26)
54 Verzoekers in het hoofdgeding merken op, dat zij vanaf 1990(27) een opleiding volgden die beantwoordde aan de vereisten van richtlijn 82/76. Daar hun in 1990 generlei bezoldiging is toegekend en schijnbaar ook niet in de daaropvolgende jaren, is derhalve de wijze waarop de omzettingswet is toegepast, in strijd met de bepalingen van de richtlijn. Daartoe leggen zij het decreto del Presidente della Repubblica nr. 162 van 10 maart 1982(28) over, getiteld "Reorganisatie van de opleidingen voor gespecialiseerd onderwijs, specialistenopleidingen en bijscholingscursussen", dat wil zeggen de nationale regeling die gold vóór de inwerkingtreding van wetsbesluit nr. 257. Artikel 3 van dit presidentieel decreet bepaalt, dat in afwachting van de invoering van een eenvormige nationale regeling(29) de bijzonderheden van de opleiding van de Italiaanse specialisten door elke Italiaanse universiteit overeenkomstig haar statuten worden geregeld.(30) De processtukken van het hoofdgeding, de bevindingen van de verwijzende rechter, de statuten van de Università di Bologna en de door hen bezochte faculteiten, alsmede voormeld presidentieel decreet bewijzen volgens hen, dat de opleiding die zij sedert 1990 hebben gevolgd, voldoet aan de full-time-opleiding die in 1975 bij de coördinatierichtlijn is ingevoerd en in 1982 bij richtlijn 82/76 is gewijzigd.
55 De verwijzende rechter moet in elk geval nagaan, of deze weergave van de juridische en feitelijke situatie waarvoor verzoekers in het hoofdgeding zich geplaatst zien, wel overeenstemt met de werkelijkheid.
56 Als dat het geval is, moet de nationale rechterlijke instantie die haar nationaal recht moet uitleggen en toepassen, erop worden gewezen, dat zij dit met inachtneming van de in de artikelen 5 en 189, derde alinea, EG-Verdrag neergelegde verplichtingen moet doen.(31)
57 Al bevat artikel 2, lid 1, sub c, van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, in casu geen onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting waarop een particulier zich rechtstreeks kan beroepen, wanneer niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld, het beoogde minimumresultaat is duidelijk bepaald. De verplichtingen in verband met de full-time-opleiding van specialisten als bedoeld in de coördinatierichtlijn moeten op passende wijze worden vergoed.
58 Derhalve moet de verwijzende rechter zijn nationale wetgeving, ongeacht of het gaat om de nationale omzettingswet of om andere nationale bepalingen van eerdere of latere datum dan de richtlijn, voor zover hem door zijn nationale recht een beoordelingsmarge wordt verleend, conform de vereisten van richtlijn 82/76 uitleggen en toepassen.(32)
Conclusie
59 Derhalve geef ik het Hof in overweging de vraag van de Pretura circondariale di Bologna, sezione controversie del lavoro, te beantwoorden als volgt:
"Artikel 2, lid 1, van richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG, moet aldus worden uitgelegd, dat het aan artsen die de daarin geregelde opleiding volgen, niet rechtstreeks het recht op een passende bezoldiging toekent, wanneer niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld. De nationale rechter moet evenwel, wanneer hij nationale bepalingen van zowel eerdere als latere datum dan een richtlijn toepast, deze zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn."
(1) - Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 167, blz. 1).
(2) - Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB L 167, blz. 14).
(3) - Richtlijn van de Raad van 26 januari 1982 (PB L 43, blz. 21).
(4) - Tweede overweging van de considerans van de erkenningsrichtlijn.
(5) - Eerste overweging van de considerans van de coördinatierichtlijn.
(6) - Tweede overweging van de considerans van de coördinatierichtlijn.
(7) - Ibidem.
(8) - Sedert de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten zijn deze richtlijnen ingetrokken en vervangen door richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1).
(9) - Zie de artikelen 9, 10, 12, 13 en 14 van richtlijn 82/76.
(10) - Ibidem, artikelen 1-8 en 15, die onder meer de artikelen 5 en 7 (reeds aangehaald) van de erkenningsrichtlijn wijzigen.
(11) - Enkel dit punt is gewijzigd bij richtlijn 82/76.
(12) - 49/86, Jurispr. blz. 2995. De artikelen 9, 10 en 12-15 van richtlijn 82/76 waren niet tijdig in Italiaans nationaal recht omgezet.
(13) - GURI nr. 191 van 16 augustus 1991; hierna: "wetsbesluit nr. 257".
(14) - Zie, onder meer, arresten van 5 april 1979, Ratti (148/78, Jurispr. blz. 1629); 6 mei 1980, Commissie/België (102/79, Jurispr. blz. 1473), en 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357, punt 11).
(15) - Zie punt 14 van deze conclusie.
(16) - Zie bovendien het antwoord van de Commissie van 14 februari 1995 op schriftelijke vraag E-2821/94 van G. Burtone (PB C 139, blz. 35).
(17) - Arrest van 19 januari 1982, Becker (8/81, Jurispr. blz. 53, punt 25, cursivering van mij).
(18) - Zie, onder meer, arrest Francovich e.a., reeds aangehaald, punt 12.
(19) - C-277/93, Jurispr. blz. I-5515.
(20) - Ibidem, punten 16-19.
(21) - Ibidem, punt 20.
(22) - Vóór de wijziging van richtlijn 82/76.
(23) - Ibidem.
(24) - Cursivering van mij.
(25) - Zie, onder meer, de tweede overweging van de considerans van de coördinatierichtlijn respectievelijk de erkenningsrichtlijn.
(26) - Zie, naar analogie, arrest van 10 april 1983, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 24).
(27) - Dus op een tijdstip dat de Italiaanse Republiek de artsen in opleiding geen enkele bezoldiging toekende.
(28) - GURI nr. 105 van 17 april 1982, gewone bijlage.
(29) - Ter terechtzitting verklaarde de vertegenwoordiger van de Italiaanse regering, dat de vertraging bij de vaststelling van de betrokken omzettingsbepalingen toe te schrijven was aan praktische problemen die de Italiaanse regering bij de invoering van een numerus-clausussysteem had ondervonden.
(30) - Artikelen 4, 5, 7, 11 en 12.
(31) - Zie, onder meer, arrest van 14 juli 1994, Faccini Dori (C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 26).
(32) - Ibidem.
Full & Egal Universal Law Academy