Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Het onderhavige prejudiciële verzoek van het Arbeidshof te Luik betreft de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, 46 en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71(1), met het oog op de berekening van een rustpensioen met toeslag naar Belgisch recht voor mijnwerkers en de eventuele vermindering van deze toeslag met het bedrag van de in andere lidstaten ontvangen pensioenuitkeringen.
2 Het hoofdgeding gaat in wezen om het volgende: de in Italië geboren verzoeker en geïntimeerde (hierna: "verzoeker") begon zijn beroepsloopbaan in Italië, werkte vervolgens als werknemer in de Bondsrepubliek Duitsland en ten slotte gedurende 26 jaar als ondergronds mijnwerker in België.
3 Ter berekening van een mijnwerkerspensioen wordt krachtens artikel 3, § 2, van de Belgische wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn(2) uitgegaan van een volledig geachte loopbaan die op dertig jaar is gesteld.
Artikel 3, § 6, eerste alinea, van de wet bepaalt: "Het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt met een supplement verhoogd."
Volgens artikel 3, § 6, tweede alinea, is dat supplement "gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van voormelde ondernemingen zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop hij krachtens een of meer van de in § 1, eerste lid, a, bedoelde regelingen aanspraak kan maken".
Als zodanig noemt artikel 3, § 1, lid 1, eerste alinea, sub a, onder meer "een rust- en overlevingspensioen en (...) als dusdanig geldende uitkeringen toegekend (...) krachtens een regeling van een vreemd land".
4 De Rijksdienst voor pensioenen, verweerder en appellant (hierna: "RVP"), kende verzoeker bij administratieve beschikking met ingang van 1 januari 1991 een jaarlijks rustpensioen voor mijnwerkers toe ten belope van 449 417 BFR. Naar luid van deze beschikking had betrokkene bovendien recht op een jaarlijkse toeslag van 40 591 BFR met dien verstande dat "deze toeslag zal worden verminderd met het bedrag van de andere rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop [hij] nog aanspraak kan maken krachtens een Belgische of buitenlandse regeling".
5 De toeslag werd tot nul gereduceerd op grond dat verzoeker twee andere rustpensioenen als werknemer genoot, één in Italië sinds 1 november 1989 ten belope van 101 619 LIT per maand, en een ander in Duitsland sinds 1 januari 1991 ten belope van 3 208,80 DM per jaar. Verzoeker stelde beroep in tegen de vermindering van de toeslag.
6 Voor de nationale rechter betoogde verzoeker, dat artikel 3, § 6, tweede alinea, een bepaling inzake vermindering inhoudt die volgens de artikelen 12, lid 2, en 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71, en het op 1 juni 1992 in werking getreden artikel 46 ter van deze verordening bij de berekening van zijn pensioen naar Belgisch recht buiten toepassing moest blijven.
Tot de wijziging ervan bepaalde artikel 12, lid 2, van de verordening het volgende:
"De bepalingen inzake vermindering, (...) waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer lidstaten overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld."
7 Verzoeker werd in eerste aanleg in het gelijk gesteld. Daarop stelde de RVP beroep in, betogende dat de litigieuze Belgische regeling een zuivere berekeningsregel ter bepaling van de verschuldigde uitkering is, die vóór eventuele "vermindering, schorsing of intrekking" van de uitkering wordt toegepast.
8 De verwijzende rechter stelt de volgende prejudiciële vraag:
"Moet het begrip bepaling inzake vermindering in de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het een nationale wettelijke bepaling omvat die voorziet in een toeslag op het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die in totaal geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren heeft gewerkt, met dien verstande dat deze toeslag gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren zou hebben gewerkt, en het totale bedrag van de rustpensioenen waarop hij krachtens een nationale wettelijke regeling of een wettelijke regeling van een andere lidstaat aanspraak kan maken?"
9 De RVP en de Commissie hebben bij de schriftelijke behandeling opmerkingen gemaakt. Ter terechtzitting heeft de Zweedse regering ook opmerkingen gemaakt. In de standpuntbepaling zal ik hierop nader ingaan.
B - Standpuntbepaling
10 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 met ingang van 1 juni 1992 zijn gewijzigd, wat door verzoeker - blijkens de verwijzingsbeschikking - reeds voor de nationale rechter werd vermeld en waarvan ook de Commissie in haar betoog terecht uitging.
11 Twee verschillende gemeenschapsregelingen zijn dus van toepassing; enerzijds die voor de tijd van 1 januari 1991, de eerste dag van het pensioen, tot en met 31 mei 1992; anderzijds de gewijzigde regeling die op 1 juni 1992 in werking trad. Meteen kan evenwel al worden gezegd dat het begrip "bepaling inzake vermindering" in de zin van deze regelingen inhoudelijk geen wijziging onderging.
12 In de schriftelijke procedure - alsook in het hoofdgeding - stelde de RVP zich op het standpunt, dat de litigieuze Belgische regeling een bepaling ter berekening van een uitkering is. De vaststelling van een uitkering gaat noodzakelijkerwijs aan een eventuele vermindering vooraf. Voor het overige kan de bepaling niet als een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers worden beschouwd, aangezien bij de berekening van de toeslag ook rekening wordt gehouden met andere Belgische pensioenuitkeringen.
Ter terechtzitting ten slotte betoogde de vertegenwoordiger van de RVP, dat de litigieuze toeslag overeenkwam met het verschil van het bedrag dat nodig is voor het bereiken van het niveau van de minimumuitkering naar Belgisch recht, bij de berekening waarvan overeenkomstig artikel 50 van verordening nr. 1408/71 andere verschuldigde pensioenuitkeringen in het totaalbedrag van de krachtens het hoofdstuk van de verordening betreffende pensioenen(3) verschuldigde uitkeringen worden verwerkt.
13 Ter terechtzitting stelde de Zweedse regering in wezen, dat de toepasselijke Belgische bepaling niet als een bepaling inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71, doch als een zuivere berekeningsregel is te beschouwen. Ook wanneer het Hof de bepalingen betreffende de vaststelling van het bedrag van de toeslag als een bepaling inzake vermindering zou beschouwen, moeten de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van de verordening gelet op de eruit voortvloeiende negatieve gevolgen buiten toepassing blijven.
14 Volgens de Commissie daarentegen is de toepasselijke Belgische bepaling een bepaling inzake vermindering in de zin van de verordening. Krachtens verordening nr. 1408/71, zowel in de versie vóór als na 1 juni 1992, vloeit daaruit voort, dat de krachtens de stelsels van andere lidstaten verschuldigde pensioenuitkeringen bij de berekening van de toeslag buiten beschouwing moeten blijven.
Ter rechtvaardiging van haar zienswijze wijst de Commissie op de rechtspraak van het Hof(4) en gaat zij nader in op de verschillende benadering van externe en interne anticumulatieregels. Haars inziens gaat het in casu om een externe anticumulatieregel die bij de berekening van een krachtens de regeling van een lidstaat verschuldigde uitkering buiten toepassing moet blijven.
De rechtssituatie krachtens verordening nr. 1408/71 tot en met 31 mei 1992
15 De toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71, in de tot en met 31 mei 1992 geldende versie, zijn artikel 12, lid 2, in voormelde versie, en artikel 46, lid 3, dat luidt:
"De betrokkene heeft recht op de som van de uitkeringen welke overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn berekend tot maximaal het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen.
Voor zover het in de vorige alinea bedoelde bedrag wordt overschreden, corrigeert ieder orgaan dat lid 1 toepast, zijn uitkering met een bedrag dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de betrokken uitkering en de som van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitkeringen."
16 Het Hof wees het arrest Romano(5) ten tijde dat deze bepaling toepasselijk was. In deze zaak werd prejudicieel gevraagd, of de destijds geldende Belgische bepalingen betreffende het al dan niet in aanmerking nemen van jaren van fictieve arbeid voor de berekening van een mijnwerkerspensioen als een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, moesten worden aangemerkt. In bepaalde omstandigheden(6) werd werknemers uit de betrokken industriesector een fictief tijdvak van arbeid toegekend om hun loopbaan - berekend op basis van dertig jaar arbeid - volledig te maken. Deze fictieve jaren worden bij de berekening van het pensioen van migrerende werknemers in de regel verminderd met de in een andere lidstaat vervulde jaren van daadwerkelijke arbeid.
17 In de zaak Romano verzocht de nationale rechter het Hof om een prejudiciële beslissing over de vraag, of de toepasselijke Belgische rechtsbepalingen anticumulatiebepalingen in de zin van verordening nr. 1408/71 met de gevolgen van dien voor de pensioenberekening waren.
18 Bij arrest van 4 juni 1985 beantwoorde het Hof de vraag als volgt:
"Een nationale regel volgens welke de bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling die aan een werknemer kunnen worden toegekend, worden verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een pensioen in een andere lidstaat, is een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 (...), die ingevolge de laatste volzin van dat voorschrift buiten toepassing blijft bij de berekening van het bedrag van het pensioen volgens artikel 46, lid 1, van genoemde verordening."(7)
19 In casu rijst in deze context de vraag, of deze beoordeling van soortgelijke toepassing is op de gewijzigde Belgische bepalingen die golden voor de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 mei 1992.
20 Volgens de RVP verschilt de bij de wet van 20 juli 1990 ingevoerde berekeningswijze in beginsel van die in de zaak Romano, zodat het toentertijd gegeven antwoord niet prejudicieert op de beoordeling van de onderhavige rechtssituatie.
21 Volgens de Commissie daarentegen komt de onderhavige rechtssituatie in wezen overeen met die welke destijds naar nationaal recht gold in de zaak Romano.
22 Wij moeten ervan uitgaan, dat de Belgische regeling inzake mijnwerkerspensioenen - zowel in de ten tijde van de zaak Romano als in de thans geldende versie - in bijzondere voordelen voorziet voor de werknemers van deze industriesector. In de eerste plaats hebben zij een volledige loopbaan na dertig jaar dienst, dus na een veel kortere diensttijd dan in de regel vereist is. In de tweede plaats wordt hun pensioen na daadwerkelijke arbeid van ten minste vijfentwintig jaar wettelijk gerevaloriseerd tot het niveau van een volledige uitkering. Dat geldt in de twee hier besproken rechtssituaties. Alleen de revaloriseringsmethode verschilt. Terwijl de in acht te nemen tijdvakken naar het oude recht door de toekenning van fictieve tijdvakken aangevuld werden, wordt naar het huidige recht een toeslag toegekend waarbij als basis van het referentiepensioen een arbeidsduur van dertig jaar wordt genomen.
23 Van het verschil tussen het door de daadwerkelijk vervulde tijdvakken van arbeid verkregen pensioen en de volledige uitkering worden de andere verkregen pensioenuitkeringen afgetrokken. Dit geldt ook onder de twee regelingen, en wel volgens de methode van revalorisering van de uitkering tot een volledige uitkering door vermindering van de aanvankelijk in acht genomen fictieve tijdvakken respectievelijk vermindering van het berekende bedrag van de toeslag. Voor zover door de revalorisatie van de door het betalen van bijdragen verkregen pensioenuitkering tot een volledige uitkering een bepaalde groep werknemers - om welke reden ook - beter wordt behandeld dan de regel is, zijn de vroegere en latere rechtssituatie vergelijkbaar. De daarbij in acht te nemen andere pensioenuitkeringen zijn ook vergelijkbaar. Onder de twee regelingen moet met de uitkeringen naar nationaal recht en met de uitkeringen naar buitenlands recht rekening worden gehouden.(8)
24 Het Hof heeft de "externe" anticumulatiebepaling in de vorige (nationale) anticumulatiebepaling als "een bepaling inzake vermindering" in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 aangemerkt. Daar de nieuwe regeling naar strekking en doel vergelijkbaar is, moet zij ook aldus worden aangemerkt.
25 Deze zienswijze geldt te meer, daar de bij de vaststelling van het pensioen in acht te nemen tijdvakken in beginsel in andere bepalingen(9) zijn geregeld. Wanneer de inaanmerkingneming respectievelijk vermindering van fictieve tijdvakken als een bepaling inzake vermindering in de zin van de regeling moet worden beschouwd, dan geldt zulks a fortiori voor de toekenning van extra betalingen respectievelijk hun vermindering. Zo is in de relevante bepalingen ook sprake van "samenloop van een uitkering met een andere uitkering"(10) respectievelijk van "vaststelling van uitkeringen".(11)
26 Wanneer de vermindering van de toeslag met de door buitenlandse stelsels te betalen uitkeringen dus als een bepaling inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71 is te beschouwen, moet deze bepaling naar de letter van artikel 12, lid 2, tweede zin, bij de pensioenberekening krachtens artikel 46 van de verordening buiten toepassing blijven. Deze oplossing geldt in elk geval op basis van verordening nr. 1408/71 in de tot en met eind mei 1992 geldende versie.
De rechtssituatie krachtens verordening nr. 1408/71 sinds 1 juli 1992
27 De relevante verordeningsbepalingen zijn gewijzigd bij consolidatie van de verordening met inachtneming en systematisering van de tot dan gewezen rechtspraak van het Hof.(12) De relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 in de sinds 1 juli 1992 geldende versie, luiden als volgt:
Artikel 12, lid 2: "Tenzij in deze verordening anders bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, (...) waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven."(13)
28 Artikel 12, lid 2, tweede zin, dat het in de eerste zin gestelde algemene beginsel beperkte en vermindering uitsloot, indien de rechthebbende gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer lidstaten worden vastgesteld, is dus weggelaten. In de plaats daarvan komt de formule "tenzij in deze verordening anders bepaald". In deze andere bepalingen, zoals bijvoorbeeld in de artikelen 46 bis tot en met 46 quater van de verordening is evenwel de uit artikel 12 weggelaten passage inhoudelijk overgenomen en uitgewerkt. De bijzondere bepalingen betreffende samenloop van uitkeringen in hoofdstuk 3 van de verordening zijn dus van toepassing.
29 Artikel 46 is volledig gewijzigd. De communautaire anticumulatiebepaling van artikel 46, lid 3, in de eerdere versie is weggelaten. Artikel 46, lid 3, luidt thans als volgt:
"De betrokkene heeft van het bevoegde orgaan van elke lidstaat recht op het overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende hoogste bedrag, onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving krachtens welke deze uitkering verschuldigd is, voorziet.
Wanneer zulks het geval is, heeft de uit te voeren vergelijking betrekking op de na de toepassing van bedoelde bepalingen vastgestelde bedragen."
30 Een nieuw artikel 46 ter betreffende "bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten" is aan de verordening toegevoegd. Het luidt:
"1. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn niet van toepassing op uitkeringen berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2.
2. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a-i, berekende uitkering van toepassing, indien het een uitkering betreft:
a) als bedoeld in bijlage IV, deel D, waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen,
of
b) waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een fictief tijdvak (...)"
31 Thans rijst de vraag of de nationale bepaling inzake vermindering wegens de gewijzigde rechtssituatie naar gemeenschapsrecht anders moet worden beoordeeld.
32 Voor zover de pensioenuitkeringen door buitenlandse stelsels bij de vaststelling van de pensioenuitkering naar nationaal recht in mindering worden gebracht, gaat het om een externe anticumulatiebepaling. Door de wijziging van verordening nr. 1408/71 heeft de nationale bepaling in geen geval haar karakter van bepaling inzake vermindering verloren. Haar aard van externe anticumulatiebepaling wijzigt evenmin, doordat zij is opgenomen in een interne anticumulatiebepaling die volgens artikel 46, lid 3, zowel bij de berekening van een autonome uitkering in de zin van artikel 46, lid 1, sub a-i, van verordening nr. 1408/71 als van een op het gemeenschapsrecht gebaseerde pro-rata-uitkering in de zin van artikel 46, lid 2, van de verordening kan worden toegepast.
33 De in het geding zijnde nationale bepaling moet dus als een bepaling inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71 worden beschouwd. Derhalve moeten bij de toepassing ervan de regels van de verordening worden nageleefd.
34 Artikel 12, lid 2, stelt het beginsel dat de nationale anticumulatiebepalingen, ook de externe, van toepassing zijn "tenzij in deze verordening anders bepaald". Dergelijke andere bepalingen volgen evenwel uit de bijzondere bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening over pensioenen. De in dit kader geldende algemene bepalingen "betreffende de voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking geldende voor invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingspensioenen op grond van de wetgevingen van de lidstaten" staan in artikel 46 bis van de verordening.
35 Artikel 46 bis, lid 3, sub a, luidt:
"Er wordt alleen rekening gehouden met uitkeringen welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of met andere inkomsten welke in een andere lidstaat zijn verworven, indien de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat voorziet in de inaanmerkingneming van in het buitenland verkregen uitkeringen of verworven inkomsten."
36 De bij voorrang boven deze bepaling toepasselijke regeling bij samenloop van gelijksoortige uitkeringen krachtens de wetgeving van twee of meerdere lidstaten staat in artikel 46 ter. In casu zijn de pensioenuitkeringen van België, Italië en Duitsland onbetwist "uitkeringen van dezelfde aard" die artikel 46 bis, lid 1, bepaalt als "invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, berekend of toegekend op basis van door eenzelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen". Artikel 46 ter, lid 1, sluit volledig de toepassing van de nationale bepalingen inzake vermindering op de overeenkomstig artikel 46, lid 2, berekende pro-rata-uitkeringen uit.
37 Volgens de Commissie is deze bepaling toepasselijk op de onderhavige zaak waarop zij haar stelling baseert dat de nationale bepalingen inzake vermindering niet toepasselijk zijn.
38 In de onderhavige context betreft het evenwel de berekening van een autonome uitkering volgens artikel 46, lid 1, sub a-i, want de door het nationale orgaan in aanmerking genomen 26 jaar arbeid zijn alleen onder de Belgische wet vervuld. Daarvan uitgaande zou artikel 46 ter, lid 2, krachtens hetwelk de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking slechts onder welbepaalde voorwaarden gelden, toepassing vinden. Deze voorwaarden zijn in de eerste plaats, dat het bedrag van de uitkering losstaat van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering en wonen en in de tweede plaats, dat zij in bijlage IV, deel D, van de verordening worden genoemd. In casu is aan deze twee voorwaarden niet voldaan, zodat de litigieuze bepaling inzake vermindering buiten toepassing moet blijven.
39 Dit levert hetzelfde resultaat op als dat van de Commissie, zodat niet hoeft te worden uitgemaakt, of het hoofdgeding artikel 46 ter, lid 1, dan wel artikel 46 ter, lid 2, betreft.
40 Dat resultaat lijkt ook billijk. Weliswaar is het theoretisch denkbaar dat de pensioenberekening voor een migrerend werknemer naar Belgisch recht iets gunstiger uitvalt dan voor een werknemer wiens beroepsloopbaan enkel door het Belgisch recht is beheerst. Dit is evenwel geen bevoordeling, want de gemeenschapsbepalingen inzake de toepasselijkheid van nationale bepalingen inzake vermindering strekken evengoed ten voordele van Belgische migrerende werknemers. Bovendien is de berekening van de uitkering naar Belgisch recht een etappe in de berekening van het pensioen van een migrerende werknemer naar gemeenschapsrecht. Hoe het eindresultaat na de toepassing van alle berekeningsetappes overeenkomstig het complexe systeem van hoofdstuk 3 van de verordening uitvalt, is hier niet aan de orde.
41 Vaststaat dat de gemeenschapswetgever bij de herwerking van verordening nr. 1408/71 onder andere bij verordening (EEG) nr. 1248/92(14) de toepassing van de nationale anticumulatieregels bij de pensioenberekening krachtens de gemeenschapsregels duidelijk heeft willen afbakenen en dat hij in dit kader het in casu toepasselijke artikel 46 ter heeft vastgesteld. Aldus blijft hij uitdrukkelijk in de lijn van de rechtspraak van het Hof.
42 De redenen van de wijziging van verordening nr. 1408/71 staan in de overwegingen van de considerans van verordening nr. 1248/92. Zo heet het in de vijftiende overweging van de considerans dat "de Raad volgens de constante rechtspraak van het Hof van Justitie niet bevoegd is voorschriften uit te vaardigen waarbij de samenloop van twee of meer in verschillende lidstaten verworven pensioenen wordt beperkt door een vermindering van het bedrag van een uitsluitend op grond van de nationale wetgeving verworven pensioen; dat deze bevoegdheid volgens het Hof van Justitie tot de nationale wetgever behoort, met dien verstande dat het de taak van de communautaire wetgever is, de grenzen vast te stellen waarbinnen de nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking mogen worden toegepast; (...)".(15)
De zestiende en de zeventiende overweging vervolgen: "dat het, ter bescherming van de migrerende werknemers en hun nabestaanden tegen een te strikte toepassing van de nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, noodzakelijk is een bepaling in de verordening (...) op te nemen, op grond waarvan de toepassing van deze bepalingen aan strenge voorwaarden wordt onderworpen;
(...) om dezelfde redenen [dient] een bepaling (...) te worden ingevoegd, op grond waarvan de toepassing van deze bepalingen in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard alleen is toegestaan op bepaalde soorten uitkeringen en in specifieke gevallen".(16)
In de achttiende overweging van de considerans heet het ten slotte: "dat in bijlage IV, deel D, de soorten prestaties dienen te worden vermeld waarop bedoelde bepalingen kunnen worden toegepast in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard".
43 De in dit kader door de gemeenschapswetgever vastgestelde bepalingen zijn dwingend.
44 Ten slotte dient te worden ingegaan op het betoog van de RVP ter terechtzitting, dat artikel 50 van de verordening van toepassing is.
45 Artikel 50 regelt de "toekenning van een aanvulling wanneer het bedrag van de uitkeringen, verschuldigd krachtens de wetgevingen van de verschillende lidstaten, lager is dan het minimum dat is vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de rechthebbende woont".
Deze bepaling luidt: "Degene die een uitkering geniet waarop dit hoofdstuk is toegepast, kan in de staat op het grondgebied waarvan hij woont en krachtens de wetgeving waarvan hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door de wetgeving is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of van wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig de voorgaande artikelen voor de vaststelling van zijn uitkering in aanmerking zijn genomen. Het bevoegde orgaan van deze staat betaalt hem in voorkomend geval, gedurende de gehele tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit, dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering."
46 De RVP beroept zich op het arrest Browning(17) tot staving dat de toeslag voor mijnwerkers naar nationaal recht een aanvulling is in de zin van artikel 50, zodat de toeslag noodzakelijkerwijs moet worden berekend met inachtneming van de krachtens de stelsels van andere lidstaten verschuldigde uitkeringen.
47 Om verschillende redenen kan de redenering van de RVP niet worden gevolgd. In de eerste plaats gaat het niet om een "minimumuitkering" in de zin van de bepaling die het Hof in het arrest Browning definieerde als "een bijzondere waarborg (...), teneinde degenen die uitkeringen van sociale zekerheid genieten, een minimuminkomen te verzekeren boven het niveau der uitkeringen waarop zij alleen op grond van de tijdvakken waarop zij bij een zekerheidsstelsel aangesloten waren en hun bijdragen aanspraak zouden kunnen maken". Door de litigieuze toeslag krachtens de Belgische wettelijke regeling komt een bepaalde groep personen daartegen onder streng bepaalde voorwaarden in een gunstigere situatie doordat het pensioen wordt opgetrokken tot het niveau van een volledige uitkering. Deze uitkering hangt juist niet af van de daadwerkelijke duur van aansluiting.
48 Evenmin doet de verwijzing door de vertegenwoordiger van de RVP naar de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn iets af aan mijn zienswijze. Weliswaar is het volgens de advocaat-generaal "niet per se nodig dat de minimumuitkering in de wettelijke regeling op een bepaalde som geld is gesteld. Het kan ook een bedrag zijn dat volgens een bepaalde formule dient te worden berekend", doch in de context van die zaak zegt de advocaat-generaal verder dat "aan de uitkering (...) geen andere voorwaarden dan de (...) aangegeven condities [mogen] worden gesteld", waarbij hij deze condities beschrijft als "de vervulling van een verzekeringstijdvak".(18)
49 De voor mijnwerkers geldende Belgische pensioenregeling is dus niet als de toekenning van een "minimumuitkering" te beschouwen.
50 Eveneens om een andere reden vindt artikel 50 van verordening nr. 1408/71 geen toepassing. Artikel 50 veronderstelt noodzakelijkerwijs, dat de pensioenuitkeringen in de zin van artikel 46, lid 2, van de verordening krachtens de gemeenschapsregels worden vastgesteld.(19) Zoals reeds gezegd met betrekking tot artikel 46 ter, betreft de onderhavige zaak evenwel de berekening van een autonome uitkering alleen op basis van onder het Belgisch stelsel vervulde tijdvakken van arbeid.
C - Conclusie
51 Mitsdien moet de prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord, en wel als volgt:
"Het begrip bepaling inzake vermindering in de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat het een nationale wettelijke bepaling omvat die voorziet in een toeslag op het bedrag van het rustpensioen van een werknemer die in totaal geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren heeft gewerkt, met dien verstande dat deze toeslag gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren zou hebben gewerkt, en het totale bedrag van de rustpensioenen waarop hij krachtens een nationale wettelijke regeling of een wettelijke regeling van een andere lidstaat aanspraak kan maken."
(1) - Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), in de bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7).
(2) - Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990.
(3) - Zie hoofdstuk 3: "Ouderdom en overlijden (pensioenen)".
(4) - Arresten van 4 juni 1985, Romano (58/84, Jurispr. blz. 1679); 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande (C-90/91 en C-91/91, Jurispr. blz. I-3851), en 21 oktober 1975, Petroni (24/75, Jurispr. blz. 1149).
(5) - Aangehaald in voetnoot 4.
(6) - Voor meer details, zie arrest Romano (aangehaald in voetnoot 4).
(7) - Zaak Romano (aangehaald in voetnoot 4).
(8) - Zie artikel 3, § 1, sub a, van de wet van 20 juli 1990, en artikel 10, § 2, punt 1, van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 in de sinds 1 januari 1981 geldende versie.
(9) - Zie artikel 45 van verordening nr. 1408/71.
(10) - Zie artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71.
(11) - Zie de titel van artikel 46 van verordening nr. 1408/71.
(12) - Zie bijvoorbeeld arrest Petroni (aangehaald in voetnoot 4).
(13) - Cursivering van mij.
(14) - Verordening van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1408/71, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 136, blz. 7).
(15) - Cursivering van mij.
(16) - Cursivering van mij.
(17) - Arrest van 17 december 1981 (22/81, Jurispr. blz. 3357).
(18) - Conclusie in de zaak Browning (aangehaald in voetnoot 17, Jurispr. blz. 3372, 3378).
(19) - Zie de tekst van artikel 50: "een tijdvak van verzekering of van wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken" (cursivering van mij). Zie ook de artikelen 46, lid 2, en 45 van de verordening.
Full & Egal Universal Law Academy