Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige procedure betreft het verzuim van het Koninkrijk België om overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(1) (hierna: "richtlijn"), bepaalde technische voorschriften mee te delen.
2 Artikel 8, lid 1, van de richtlijn bepaalt, voor zover relevant:
"De lidstaten delen de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met een eenvoudige vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan; zij doen de Commissie tevens in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp blijken. In voorkomend geval doen de lidstaten tegelijkertijd mededeling van de tekst van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de draagwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te beoordelen."
3 Artikel 1, punt 5, definieert het begrip "technisch voorschrift" als volgt:
"technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld".
4 Volgens artikel 1, punt 1, moet onder "technische specificatie" worden verstaan:
"specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren (...)"
5 Op 9 november 1993 stelde de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een besluit met betrekking tot de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor de verhuring van gemeubelde woningen(2), vast. De Commissie is van mening, dat de navolgende bepalingen technische voorschriften bevatten, die de verplichting meebrengen om haar het besluit mee te delen:
Artikel 12
"De elektrische toestellen moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en koninklijke besluiten ter zake. Zij moeten het kenmerk $CEBEC' dragen";
Artikel 13, paragrafen 3 en 4
"Aardgasinstallaties moeten voldoen aan de norm NBN D51-003: $Installaties voor brandbaar gas, lichter dan lucht, verdeeld door leidingen'. Aardgastoestellen moeten voldoen aan de Belgische normen terzake en het merk $BENOR' dragen; bij gebrek aan normen moeten zij goedgekeurd zijn door de Koninklijke Vereniging der Belgische Gasvaklieden (KVBG)";
Artikel 23, 2_
"[Onverminderd de toepassing van de wettelijke en reglementaire schikkingen wat de brandvoorkoming betreft, moet de verhuurder de nodige maatregelen nemen om:]
ieder begin van brand snel en doeltreffend te kunnen bestrijden door het plaatsen van de nodige uitrusting ter bescherming tegen brand. Zij wordt bepaald in overleg met de Brandweerdienst, moet aan de normen ter zake voldoen en het merk $BENOR' dragen."
6 Het Koninkrijk België betwist de kwalificatie van de omstreden nationale bepalingen als "technische voorschriften" niet, en geeft uitdrukkelijk toe, dat zij hadden moeten worden meegedeeld.
7 Partijen zijn het erover eens, dat de nationale voorschriften in de onderhavige zaak bepaalde reeds bestaande nationale technische normen verbindend maken; er is bijvoorbeeld niet gesuggereerd, dat de Belgische normen reeds verbindend waren krachtens een andere, reeds bestaande wetsbepaling.(3) Het is juist, dat het omstreden besluit enkel het gebruik van elektrische en gasinstallaties en uitrusting ter bescherming tegen brand in een bepaald gebied (het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en in bijzondere omstandigheden (de verhuring van gemeubelde woningen) betreft; de omstreden bepalingen schrijven niet voor, dat alle in dat gebied gebruikte of in de handel gebrachte producten aan die technische normen moeten voldoen. Niets in de stukken wijst er echter op, dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet een "groot deel" van het Koninkrijk België, in de zin van artikel 1, punt 5, van de richtlijn is, veeleer dan een plaatselijke overheid, of dat het verbod op het gebruik in verhuurde gemeubelde woningen, van andere dan de omschreven uitrusting, geen beperking is die "het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, [kan] belemmeren", in de zin van het arrest van het Hof in de zaak Bic Benelux.(4)
Conclusie
8 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk België, door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 november 1993 met betrekking tot de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor de verhuring van gemeubelde woningen, niet in het stadium van ontwerp aan de Commissie mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 109, blz. 8, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz. 75). De richtlijn is nadien gewijzigd bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 (PB L 100, blz. 30). De termijn voor omzetting van deze laatste wijzigingen verstreek op 1 juli 1995; zij zijn dus niet relevant voor de onderhavige zaak.
(2) - Belgisch Staatsblad van 31 december 1993, blz. 29194.
(3) - Zie arrest van 16 september 1997, Commissie/Italië (C-279/94, Jurispr. blz. I-4743, punt 36).
(4) - Arrest van 20 maart 1997 (C-13/96, Jurispr. blz. I-1753, punt 19).
Full & Egal Universal Law Academy