Conclusie van de advocaat generaal
1 Met het onderhavige beroep krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/74/EEG van de Raad van 22 september 1992 tot uitbreiding van het toepassingsgebied van richtlijn 81/851/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen en tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor homeopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik(1) (hierna: "richtlijn"), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 10, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
"De lidstaten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1993 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis."
3 Daar de Commissie van het Koninkrijk België geen mededeling over de omzetting van de richtlijn in nationaal recht ontving en over geen ander gegeven beschikte waaruit zij kon opmaken dat het Koninkrijk België de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen was nagekomen, maande zij die lidstaat bij brief nr. SG(94)D/1879 aan om binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen te maken.
4 In zijn antwoord van 12 juni 1995(2) wees het Koninkrijk België erop, dat de nodige maatregelen om aan de richtlijn te voldoen, waren neergelegd in een ontwerp van koninklijk besluit, dat zich, ten tijde van het antwoord, nog op het Ministerie van Volksgezondheid bevond.
5 Toen de Commissie vaststelde, dat het Koninkrijk België niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen had genomen om aan de richtlijn te voldoen, deed zij die staat op 22 mei 1996(3) een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij concludeerde, dat het Koninkrijk België de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. De Commissie verzocht die staat, de nodige maatregelen te nemen om het met redenen omkleed advies binnen twee maanden op te volgen.
6 Daar de Commissie niet vernam, dat de omzetting van de richtlijn in Belgisch recht was beëindigd, heeft zij bij op 30 april 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld, dat enerzijds strekt tot vaststelling dat het Koninkrijk België niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, en anderzijds tot verwijzing van die staat in de kosten.
7 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zijn richtlijnen krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag voor de lidstaten verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat. Dat omvat ook de verplichting om de in de richtlijnen gestelde termijnen in acht te nemen.(4) Krachtens de litigieuze bepalingen van de richtlijn waren de lidstaten verplicht, uiterlijk op 31 december 1993 de nodige maatregelen te treffen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen. Ofschoon die termijn is verstreken, heeft het Koninkrijk België de nodige maatregelen tot omzetting van de richtlijn niet vastgesteld, en heeft het daarover geen concrete informatie verstrekt, zodat het de krachtens artikel 189 EG-Verdrag en artikel 10 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bovendien kan volgens vaste rechtspraak van het Hof, een lidstaat zich niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door het EG-Verdrag en de gemeenschapsrichtlijnen voorgeschreven verplichtingen en termijnen.(5)
8 Er zij op gewezen, dat het Koninkrijk België de hem door de Commissie verweten niet-nakoming niet betwist. Het voert enkel aan, dat het ontwerp van koninklijk besluit tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht voor advies aan de Raad van State is voorgelegd.
9 Gelet op het voorgaande, moet de door de Commissie gestelde niet-nakoming gegrond worden geacht.
Conclusie
10 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/74/EEG van de Raad van 22 september 1992 tot uitbreiding van het toepassingsgebied van richtlijn 81/851/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen en tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor homeopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 297, blz. 12.
(2) - Brief nr. RVD/nfd 11/91/550/50.553.
(3) - SG(96)D/4751.
(4) - Arrest van 22 september 1976, Commissie/Italië (10/76, Jurispr. blz. 1359).
(5) - Zie arresten van 18 mei 1994, Commissie/Italië (C-303/93, Jurispr. blz. I-1901); 28 september 1994, Commissie/België (C-65/94, Jurispr. blz. I-4627); 20 maart 1997, Commissie/België (C-294/96, Jurispr. blz. I-1781), en 20 februari 1997, Commissie/België (C-135/96, Jurispr. blz. I-1061).
Full & Egal Universal Law Academy