Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Met het onderhavige beroep vordert de Commissie terugbetaling van het betaalde voorschot op de financiële steun voor een demonstratie- of proefproject op het gebied van waterkracht. De Commissie had een met verweerders gesloten contract opgezegd, nadat verweerders een fundamentele wijziging van het oorspronkelijk voorgenomen project hadden aangekondigd. Aangezien verweerders, volgens de Commissie, geen verweerschrift in de voorgeschreven vorm hebben ingediend, heeft de Commissie het Hof verzocht, uitspraak te doen bij verstek.
B - De feiten
2 Op 6 december 1990 sloot de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met het SIVU(1) du plan d'eau de la Vallée du Lot (hierna: "SIVU") en de SARL Hydro-Réalisations, gezamenlijk en hoofdelijk optredend, contract nr. HY 84-89 FR (hierna: "contract"), dat voorzag in financiële steun van de Europese Gemeenschap voor het volgende project: Stuwmeer op de Lot - Integratie in de stuw van een mini-waterkrachtcentrale met gering verval.(2)
3 De financiële steun werd krachtens verordening (EEG) nr. 3640/85(3) toegekend, om een demonstratieproject of industrieel proefproject op het gebied van waterkracht te bevorderen. Overeenkomstig punt I, lid 1, sub a, van bijlage II bij het contract betaalde de Commissie verweerders op 31 december 1990 een voorschot van 83 928 ECU. Dat bedrag werd op 17 januari 1991 overgemaakt.
4 Het eerste tussentijds technisch verslag werd bij brief van 23 mei 1991 aan de Commissie toegezonden. De Commissie keurde het goed op 4 juli 1991. Daar dit verslag echter geen gegevens over de financiering bevatte, verzocht de Commissie verweerders bij brief van 5 augustus 1991, haar een financieel verslag toe te zenden, dat de periode van het begin van de werkzaamheden (1 april 1990 tot 30 juni 1991) moest omvatten. Dat verslag werd bij brief van 13 augustus 1991 verstuurd.
5 Daar de Commissie na onderzoek van het nieuwe verslag tot de conclusie kwam, dat de in bijlage I(4) bij het contract genoemde fasen I en II uit financieel oogpunt niet in aanmerking kwamen, heeft zij geen verdere betalingen meer gedaan. Later heeft zij vergeefs gepoogd, van verweerders technische en financiële verslagen voor de periode van 1 juli 1991 tot 31 december 1991 te verkrijgen. Omdat niet werd geantwoord, maande de Commissie verweerders op 7 oktober 1992 aan, haar de verslagen toe te sturen.
6 Bij brief van 6 november 1992 meldde het SIVU een fundamentele wijziging van het oorspronkelijke project, wegens bezwaren van verenigingen voor milieubescherming. Volgens deze laatste moest de bouw in de stuw van een mini-waterkrachtcentrale met gering verval, worden vervangen door een overstroombare stuw. Bovendien zag het SIVU uitdrukkelijk af van verdere betalingen van de Commissie, en bood zij aan, de reeds ontvangen bedragen terug te betalen.
7 Bij brief van 18 november 1992 zegde de Commissie, onder verwijzing naar artikel 9, het contract op, en vorderde zij terugbetaling van het reeds betaalde voorschot van 83 928 ECU, vermeerderd met de interessen vanaf de datum van ontvangst van die betaling. Op 8 december 1992 deed de Commissie het SIVU een debetnota voor genoemd bedrag, betaalbaar op 28 februari 1993 toekomen.
8 Daar hierop geen reactie kwam, zond de Commissie het SIVU op 27 januari 1994 een eerste aanmaning betreffende de terugvordering van het betaalde voorschot. Verdere aanmaningen geschiedden bij aangetekende brieven met ontvangstbewijs aan het SIVU, gedateerd 1 juni 1994, 31 oktober 1994 en 12 oktober 1995.
9 Daar ook hierop geen reactie van verweerders kwam, zag de Commissie zich genoodzaakt beroep in te stellen.
10 In haar op 2 mei 1997 ter griffie ingekomen verzoekschrift concludeerde de Commissie dat het den Hove behage:
1) het SIVU en de SARL Hydro-Réalisations te veroordelen om haar te betalen, de som van 83 928 ecu, vermeerderd met de interessen volgens de op de eerste werkdag van elke maand door het EFMS gepubliceerde rentevoet voor transacties in ECU, vanaf 17 januari 1991, en met de wettelijke verwijlinteressen, vanaf 28 februari 1993;
2) het SIVU en de SARL Hydro-Réalisations in de kosten te verwijzen.
11 Blijkens de ontvangstbevestiging werd dit verzoekschrift op 10 mei 1997 regelmatig aan het SIVU betekend. Van een dergelijke betekening aan Hydro-Réalisations was aanvankelijk geen sprake.
12 Daar verweerders binnen de in artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gestelde termijn geen verweerschrift hadden ingediend, vorderde de Commissie bij brief van 8 juli 1997, overeenkomstig artikel 94, lid 1, van genoemd Reglement voor de procesvoering, dat het Hof haar conclusies toewijst. Eerst daarna raakte bekend, dat het oorspronkelijke verzoekschrift niet regelmatig aan Hydro-Réalisations was betekend, en dat die vennootschap zich reeds sedert geruime tijd in staat van faillissement bevond. Nadat de curator van die verweerster kon worden opgespoord, werd het verzoekschrift op 30 april 1998 regelmatig betekend.
13 De curator zond het Hof op 14 mei 1998 een brief met de volgende inhoud:
"1. De SARL Hydro-Réalisations is bij vonnis van het Tribunal de commerce de Rodez van 13 februari 1992 in staat van faillissement verklaard.
2. Er bestaat geen hoop dat de concurrente schuldvorderingen zullen kunnen worden voldaan."
De brief bevat geen verdere inlichtingen.
14 In haar brief aan het Hof van 25 juni 1998 vertolkte de Commissie de zienswijze, dat de brief van de curator geen verweerschrift in de zin van artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is. Die brief zou niet de hierin opgesomde elementen - inzonderheid de aangevoerde gronden, zowel feitelijk als rechtens, en de conclusies - bevatten.
15 Derhalve verzoekt de Commissie het Hof bij brief van 25 juni 1998, haar oorspronkelijke vordering toe te wijzen, en verweerders bij verstek te veroordelen tot betaling van 83 928 ECU, vermeerderd met de interessen.
C - Het tussen de Gemeenschap en verweerders gesloten contract
16 Hierna worden de voor het onderzoek van het beroep relevante passages van het contract weergegeven.
17 Volgens artikel 1, punt 1, is het voorwerp van het contract de bevordering van het project getiteld "Stuwmeer op de Lot. Integratie in de stuw van een mini-waterkrachtcentrale met gering verval", waarvoor de financiële steun van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 3, maximaal 279 761 ECU bedraagt.
18 Luidens punt I, lid 1, sub a, van de als bijlage II bij het contract gevoegde financieringsbepalingen, betaalt de Gemeenschap een voorschot van 83 928 ECU. In dat punt heet het verder, dat indien het contract om de in artikel 4.3.1 daarvan genoemde redenen wordt verbroken, de contractant(5) onverwijld het betaalde voorschot, vermeerderd met de interessen, moet terugbetalen.
19 Artikel 4.3 van het contract bevat voor verweerders de verplichting, in de verschillende stadia van het te verwezenlijken project, bij de Commissie tussentijdse, technische en financiële verslagen in te dienen.
20 Volgens artikel 4.3.1 zijn verweerders verplicht, wanneer niet op het afgesproken tijdstip met de werkzaamheden kan worden begonnen, de redenen daarvoor onverwijld aan de Commissie mee te delen, en een nieuwe datum voor de aanvang van de werkzaamheden op te geven. De Commissie kan dan, na onderzoek van de informatie en voorstellen, binnen 30 dagen hetzij de wijzigingen goedkeuren, hetzij de toestemming weigeren, met het gevolg, dat het contract automatisch(6) wordt opgezegd. In dit laatste geval zou het reeds betaalde voorschot, vermeerderd met de interessen, aan de Commissie moeten worden terugbetaald.
21 Volgens artikel 8 kan de Commissie het contract opzeggen, wanneer de contractanten (in de onderhavige zaak verweerders) de krachtens het contract, inzonderheid artikel 4.3, op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen. De opzegging gaat in, na een aanmaning waarin een termijn van een maand wordt gesteld. De reeds als financiële steun betaalde bedragen, vermeerderd met de interessen vanaf de ontvangst ervan, moeten dan onverwijld aan de Commissie worden terugbetaald. De verschuldigde interessen worden bepaald volgens de op de eerste werkdag van elke maand door het EFMS(7) gepubliceerde rentevoet voor transacties in ecu.
22 Volgens artikel 9 van het contract kan dit door elk van de contractanten worden opgezegd, wanneer, met name om technische, economische of financiële redenen, met de voortzetting van de werkzaamheden geen belang meer wordt gediend. De contractanten (verweerders) moeten dan de te veel ontvangen bedragen, vermeerderd met de interessen vanaf de datum waarop de werkzaamheden zijn voltooid of gestaakt, aan de Commissie terugbetalen. De toepasselijke rentevoet is dezelfde als in artikel 8 van het contract.
23 Krachtens artikel 13 is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd voor geschillen betreffende de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van het contract.
24 Overeenkomstig artikel 14 is op het contract het Franse recht van toepassing.
D - Procedurevoorschriften
25 Artikel 38 van 's Hofs Statuut-EG luidt als volgt:
"Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijk conclusies in te dienen, wordt het arrest tegen haar bij verstek gewezen. (...)"
26 Artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt in lid 1:
"Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat tijdig en in de voorgeschreven vormen op het verzoekschrift te antwoorden, kan de verzoeker vorderen dat het Hof zijn conclusies toewijst. (...)"
In lid 2 bepaalt het:
"Alvorens bij verstek arrest te wijzen, onderzoekt het Hof, de advocaat-generaal gehoord, de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, alsmede of de vormvoorschriften behoorlijk in acht zijn genomen en of de conclusies van verzoeker gegrond voorkomen. (...)"
27 Wat de inhoud van het verweerschrift betreft, schrijft artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering voor:
"Binnen een maand na de betekening van het verzoekschrift dient de verwerende partij een verweerschrift in. Dit stuk bevat:
a) de naam en de woonplaats van de verwerende partij;
b) de aangevoerde gronden, zowel feitelijk als rechtens;
c) de conclusies van de verwerende partij;
d) de bewijsaanbiedingen.
(...)"
28 Op verdere details van de memorie van de Commissie en de toepasselijke bepalingen zal, voor zoveel als nodig, in het kader van de standpuntbepaling worden teruggekomen.
E - Standpuntbepaling
29 In het kader van de verstekprocedure onderzoekt het Hof zowel de ontvankelijkheid van het beroep (algemene en bijzondere voorwaarden) als de gegrondheid ervan (de conclusies van de verzoeker "komen gegrond voor").
Ontvankelijkheid
30 De ontvankelijkheid van het oorspronkelijk ingestelde beroep lijdt geen twijfel, sinds het verzoekschrift op 30 april 1998 ook aan tweede verweerster regelmatig is betekend.
31 Het is hier enkel de vraag, of de bijzondere voorwaarden voor een uitspraak bij verstek zijn vervuld, dus of geen verweerschrift is ingediend, dan wel een verweerschrift dat niet aan de voorgeschreven vormen voldoet.
32 Volgens artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet het verweerschrift met name de aangevoerde gronden, zowel feitelijk als rechtens, alsook de conclusies van de verwerende partij bevatten.
33 Het staat buiten kijf, dat het SIVU helemaal niet op het regelmatig betekende verzoekschrift heeft gereageerd, zodat er in de onderhavige zaak geen verweerschrift is. De curator van Hydro-Réalisations heeft meegedeeld, dat de vennootschap zich sinds 1992 in staat van faillissement bevindt, en dat geen hoop bestaat dat de concurrente schuldvorderingen zullen kunnen worden voldaan.
34 Het Hof moest laatstelijk in de zaak Commissie/Iraco(8) kennisnemen van de vraag, of een neergelegd document de voor een verweerschrift vereiste kenmerken vertoonde. In genoemde zaak droeg de brief van de verweerster het opschrift "Verweerschrift en tegenvordering", hetgeen wees op een zeker voornemen om zich te verdedigen. Met name kon uit het in die zaak gegeven antwoord worden opgemaakt, dat de verweerster zich uitdrukkelijk verzette tegen de terugbetaling van ontvangen bedragen aan de Commissie. Het Hof ging er dus van uit, dat het neergelegde verweerschrift aan de voorgeschreven vormen voldeed.
35 Anders dan in voornoemde zaak, bevat de brief van de curator van tweede verweerster echter helemaal geen overwegingen feitelijk en rechtens. Van een inhoud als die van het document in de zaak Commissie/Iraco, is in de brief van de curator geen sprake. Er wordt helemaal geen standpunt ten opzichte van het betoog van de Commissie ingenomen, en er is met name geen voornemen merkbaar om zich te verdedigen. Zou men uit de zin, dat geen hoop op betaling bestaat, afleiden dat verweerster zich tegen een aanspraak van de Commissie verzet, dan zou men enerzijds in strijd komen met de tekst van artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, en anderzijds aan die enkele woorden een belang toeschrijven dat zij zeker niet hebben. Het is niet duidelijk, of, en in hoeverre, verweerster zich tegen de vordering van de Commissie verzet.
36 De brief van de curator zou zelfs veeleer aldus kunnen worden uitgelegd, dat de terugvordering als zodanig niet wordt betwist. Dan zouden de verklaringen dus minder het bestaan van het recht op terugbetaling betreffen, dan een latere onmogelijkheid om het verschuldigde bedrag te innen.
37 Uit een en ander volgt, dat geen verweerschrift in de voorgeschreven vorm is ingediend, en dat dus is voldaan aan de voorwaarde voor een uitspraak bij verstek.
Gegrondheid
38 In dit kader moet volgens artikel 94, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden onderzocht, of de conclusies van de Commissie gegrond voorkomen.
39 De Commissie verlangt van verweerders enerzijds terugbetaling van het betaalde voorschot. Anderzijds vordert zij contractuele interessen vanaf de ontvangst van het voorschot, alsmede wettelijke interessen sedert de betekening van de debetnota (28 februari 1993).
40 Een recht op terugbetaling van het voorschot zou kunnen voortvloeien uit artikel 9 van het contract, waarop de Commissie zich bij de opzegging heeft gebaseerd.
41 Volgens artikel 9 kan het contract worden opgezegd, wanneer, met name om technische, economische of financiële redenen, met de voortzetting van de overeengekomen werkzaamheden geen belang meer wordt gediend.
42 De Commissie rechtvaardigt de toepassing van artikel 9 door het feit, dat zij verweerders bij brief van 7 oktober 1992 had aangemaand, haar de contractueel voorgeschreven technische en financiële verslagen toe te zenden. Op die wijze zou zij - de Commissie - reeds op een mogelijke terugtreding in geval van niet-uitvoering hebben gewezen. Nadat het SIVU dan in zijn brief van 6 november 1992 van zijn kant erop had gewezen, dat het oorspronkelijk overeengekomen project wegens bezwaren van verenigingen voor milieubescherming had moeten worden gewijzigd, en de terugbetaling van het voorschot in het vooruitzicht had gesteld, zou de Commissie overeenkomstig artikel 9 het contract hebben opgezegd. Volgens haar wordt met de uitvoering van het project geen belang meer gediend. Daarbij zou niet doorslaggevend zijn, of reeds met werkzaamheden voor het project is begonnen.
43 Ongetwijfeld wordt met de verdere uitvoering van het project geen belang meer gediend, wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de bezwaren van verenigingen voor milieubescherming ertoe leiden, dat de uitvoering van het voorgenomen project als zodanig onmogelijk wordt.
44 Het is echter de vraag, of het recht tot opzegging krachtens artikel 9 niet vooronderstelt, dat reeds werkzaamheden zijn verricht. De tekst van die bepaling lijkt daarop te wijzen, aangezien er sprake is van de voortzetting van het werkprogramma. Wanneer echter, zoals in de onderhavige zaak, nog helemaal geen (bouwkundige) werkzaamheden zijn verricht, zou men zich kunnen afvragen, of het contract krachtens artikel 9 kan worden opgezegd.
45 Het optreden van de Commissie op grond van artikel 9 lijkt toch mogelijk. Vóór het begin van de werkzaamheden hadden verweerders eerst slechts een eerste tussentijds technisch verslag aan de Commissie gestuurd. Toen vervolgens duidelijk werd, dat de oorspronkelijk voorgenomen uitvoering van het project wegens de bezwaren van verenigingen voor milieubescherming niet mogelijk zou zijn, stelde het SIVU de Commissie van die situatie in kennis. Het zag bovendien af van verdere betalingen van de Commissie, en bood aan, de reeds ontvangen bedragen terug te betalen. De Commissie gaat er dus terecht van uit, dat met de verdere uitvoering van het project geen belang meer wordt gediend.
46 Wanneer opzegging volgens artikel 9 van het contract zelfs mogelijk is, ofschoon reeds werkzaamheden zijn verricht, hetgeen in de praktijk voor de partij aan wie de opzegging wordt betekend, grotere nadelen meebrengt, dan moet, zo voor het overige aan dezelfde voorwaarden is voldaan, opzegging a fortiori mogelijk zijn, wanneer de concrete bouwwerkzaamheden voor het project nog niet zijn begonnen. Het zou ook onzinnig zijn, om een contract te kunnen opzeggen, eerst het begin van de werkzaamheden af te wachten en zelfs te eisen, wanneer reeds op voorhand vaststaat dat het project in zijn oorspronkelijke vorm niet kan worden verwezenlijkt.
47 Overigens kan die vraag in de onderhavige zaak onbeantwoord blijven, daar de Commissie, in plaats van de opzegging, ook de terugtreding krachtens artikel 8 van het contract had kunnen aankondigen. Zij had daartoe het recht, aangezien verweerders de krachtens het met de Commissie gesloten contract op hen rustende verplichtingen niet waren nagekomen. Verweerders hadden immers, ondanks de aanmaning en het stellen van een termijn door de Commissie, deze laatste de in artikel 4.3 van het contract genoemde verslagen niet toegestuurd.
48 In de onderhavige zaak zouden de rechtsgevolgen bij toepassing van artikel 8 en bij toepassing van artikel 9 dezelfde zijn. Zowel het betaalde voorschot als de contractueel verschuldigde interessen hadden moeten worden terugbetaald. Weliswaar ontstaat het recht op interessen volgens artikel 9 van het contract in beginsel eerst bij voltooiing of staking van de werkzaamheden. In de onderhavige zaak zijn echter nog geen (bouwkundige) werkzaamheden verricht; er werd enkel een eerste tussentijds technisch verslag opgesteld. Daarin is evenwel slechts een voorbereidende maatregel te zien, dus nog geen activiteit die met bouwverrichtingen zou kunnen worden gelijkgesteld. Wanneer - zoals in de onderhavige zaak - helemaal geen bouwwerkzaamheden worden verricht, kan het niet-aanvatten van de werkzaamheden beslist met staking van de werkzaamheden in de zin van artikel 9 van het contract worden gelijkgesteld. Het relevante tijdstip voor het ontstaan van het recht op interessen, is krachtens artikel 9 van het contract, dat van ontvangst van de gelden (dat wil zeggen 17 januari 1991), en in het onderhavige geval dus hetzelfde als bij een door artikel 8 mogelijk gemaakte terugtreding.
49 Uit het voorgaande - en uit het betoog van de Commissie, dat op dit punt volstaat om de gegrondheid van het verzoek om een arrest bij verstek te onderzoeken - volgt dus, dat de conclusies van de Commissie gegrond voorkomen.
50 Wat nu de omvang van het door de Commissie aangevoerde recht op interessen betreft, moet worden opgemerkt, dat dit slechts bestaat voor zover de contractuele interessen sedert ontvangst van het voorschot verschuldigd zijn. De verder geldend gemaakte aanspraak (wettelijke verwijlinteressen) is niet gegrond.
51 Zowel in het kader van artikel 8 als in dat van artikel 9 was contractueel overeengekomen, dat in geval van opzegging interessen volgens de op de eerste werkdag van elke maand door het EFMS gepubliceerde rentevoet voor transacties in ecu verschuldigd zouden zijn.
52 Naar Frans recht, dat krachtens artikel 14 van het contract van toepassing is, kunnen interessen echter enkel krachtens een contract of krachtens de wet verschuldigd zijn (artikel 1153 Code civil). Zij zijn bedoeld om de schade te vergoeden die is ontstaan door het feit, dat de schuldeiser gedurende een zekere periode niet over een bepaald bedrag kon beschikken. Die schade wordt echter afdoende vergoed door de contractuele interessen. Het zou derhalve onbillijk zijn, de schuldeiser - in de onderhavige zaak de Commissie - daarnaast nog een verdere aanspraak te verlenen. Wat bijkomende schade als gevolg van de vertraging betreft, staat het de schuldeiser vrij, zich erop te beroepen en overeenkomstig de wettelijke bepalingen vergoeding te verlangen.
53 In de onderhavige zaak heeft de Commissie echter geen verdere aanspraak op schadevergoeding doen gelden, zodat zij uiteindelijk (enkel) recht heeft op de contractueel verschuldigde interessen.
54 Concluderend moet dus worden vastgesteld, dat de vordering van de Commissie tot terugbetaling van het voorschot, vermeerderd met de interessen, slechts gegrond lijkt voor zover zij het bedrag van het voorschot zelf en de contractuele interessen betreft.
55 Uit een en ander volgt, dat het beroep van de Commissie ook slechts ten belope van dat bedrag gegrond moet worden verklaard, en voor het overige moet worden verworpen.
F - Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, waarbij verweerders in de onderhavige zaak overeenkomstig de tweede alinea hoofdelijk aansprakelijk zijn. Volgens artikel 69, lid 3, kan het Hof de kosten verdelen, indien de partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. In de onderhavige zaak heeft de Commissie eerst geconcludeerd tot verwijzing van verweerders in de kosten. Zij wordt enkel wat de te veel gevorderde interessen betreft, in het ongelijk gesteld. In verhouding tot het in totaal gevorderde bedrag, zijn de niet-toegekende interessen echter te verwaarlozen, zodat het om billijkheidsredenen gerechtvaardigd lijkt, de in het ongelijk gestelde partijen in alle kosten te verwijzen.
G - Mogelijkheid om verzet te doen
57 Overeenkomstig artikel 94, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan tegen het bij verstek gewezen arrest, binnen een maand na de betekening ervan, verzet worden gedaan.
H - Conclusie
58 Ik geef het Hof in overweging, krachtens artikel 94, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, bij verstek te beslissen als volgt:
"1) Het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot en de SARL Hydro-Réalisations, in staat van faillissement, worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de Commissie van de som van 83 928 ECU, vermeerderd met de interessen volgens de op de eerste werkdag van elke maand door het EFMS gepubliceerde rentevoet voor transacties in ecu, vanaf 17 januari 1991.
2) Wat de daarenboven gevorderde wettelijke verwijlinteressen betreft, wordt het beroep verworpen.
3) Verweerders worden verwezen in de kosten."
(1) - Syndicat intercommunal à vocation unique de droit français.
(2) - In de oorspronkelijke versie: "Plan d'eau sur le Lot. Intégration d'une microcentrale hydroélectrique basse chute dans le seuil."
(3) - Verordening van de Raad van 20 december 1985 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied (PB L 350, blz. 29)
(4) - Bijlage I bevat het tussen de contractanten overeengekomen werkprogramma.
(5) - Bedoeld zijn hier beide verweerders.
(6) - In het Franse origineel heet het: "(...) le contrat est résilié d'office (...)".
(7) - Europees Fonds voor monetaire samenwerking.
(8) - Arrest van 3 december 1998 (C-337/96, Jurispr. blz. I-7943).
Full & Egal Universal Law Academy