Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. De onderhavige zaak betreft de terugbetaling van een door de Commissie aan het Syndicat Intercommunal à Vocation Unique du plan d'eau de la Vallée du Lot (hierna: SIVU") en Hydro-Réalisations SARL (hierna: Hydro") betaald voorschot. Het project waarvoor het voorschot is betaald - de bouw van een mini-waterkrachtcentrale - werd gestaakt, en de Commissie vorderde terugbetaling van het voorschot, vermeerderd met interessen.
II - Feiten en procesverloop
A - Het tussen partijen gesloten contract
2. Op 6 december 1990 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met het SIVU en Hydro, hoofdelijk optredend, contract nr. HY 84/89 FR. Voorwerp van het contract was de bevordering van het project Stuwmeer op de Lot. Integratie in de stuw van een mini-waterkrachtcentrale met gering verval". Grondslag voor de verleende subsidie was verordening (EEG) nr. 3640/85 van de Raad van 20 december 1985 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied.
3. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak zijn de navolgende bepalingen van belang.
4. Ingevolge artikel 4.3 van het contract zijn het SIVU en Hydro verplicht, de Commissie regelmatig in te lichten over de stand van de werkzaamheden en de gedane uitgaven.
5. Artikel 9 regelt de voorwaarden voor een eventuele opzegging van het contract. Krachtens de eerste alinea van die bepaling kan het contract door de partijen worden opgezegd, wanneer met de voortzetting van het in bijlage I vermelde werkprogramma geen belang meer wordt gediend wegens een voorzienbare technische of economische mislukking of een buitensporig geachte overschrijding van de geraamde kosten van het project.
6. Volgens de derde alinea van die bepaling zijn het SIVU en Hydro verplicht, indien bij de verificatie van de door de Commissie betaalde bedragen blijkt dat de gesubsidieerde te veel heeft ontvangen, dit bedrag onmiddellijk aan de Commissie terug te betalen. Het bedrag wordt vermeerderd met interessen vanaf de datum van voltooiing of staking van de contractueel overeengekomen werkzaamheden.
7. Volgens de vierde alinea is de toepasselijke rentevoet die welke het Europees Fonds voor monetaire samenwerking gebruikt voor zijn transacties in ecu, en die de eerste werkdag van iedere maand wordt gepubliceerd.
8. Het contract verklaart voor alle geschillen tussen de partijen het Hof van Justitie bevoegd (artikel 13). Het contract wordt door het Franse recht beheerst (artikel 14).
9. Op 31 december 1990 betaalde de Commissie, overeenkomstig het contract, als voorschot de som van 83 928 euro, waarvoor het SIVU op 17 januari 1991 werd gecrediteerd. Op 23 mei en 13 augustus 1991 stuurde het SIVU de Commissie een eerste tussentijds verslag en een eerste financieel verslag. De Commissie ontving geen verdere verslagen voor het tweede halfjaar 1991, ofschoon zij daarom had verzocht. Daarop maande zij het SIVU op 7 oktober 1992 aan, haar binnen een termijn van een maand die verslagen toe te zenden, zoniet zou het contract worden opgezegd.
10. Volgens de overwegingen die de Commissie in haar verzoekschrift naar voren brengt, blijkt uit de door het SIVU overeenkomstig het contract ingediende verslagen, dat de werkzaamheden voor het project tot 31 mei 1991 werden voortgezet.
11. Bij brief van 6 november 1992 deelde het SIVU de Commissie mee, dat het project was aangepast om rekening te houden met bezwaren van verenigingen voor milieubescherming. De bouw van de mini-waterkrachtcentrale werd opgegeven; in plaats daarvan werd een overstroombare stuw gebouwd. Bijgevolg zag het SIVU af van de verleende subsidie en bood aan, het voorschot terug te betalen.
12. Bij brief van 18 november 1992 deelde de Commissie het SIVU mee, dat zij het contract krachtens artikel 9 ervan opzegde, en verzocht zij het SIVU om betaling van 83 928 euro, vermeerderd met interessen vanaf de ontvangst van het voorschot, dus vanaf 17 januari 1991.
13. Hydro werd op 13 februari 1992 in staat van faillissement verklaard.
B - Het bij verstek gewezen arrest
14. Ondanks verdere aanmaningen op 8 december 1992, 27 februari 1994, 1 juni 1994, 31 oktober 1994 en 12 oktober 1995 verrichtte het SIVU aanvankelijk geen betaling. Bijgevolg stelde de Commissie op 2 mei 1997 bij het Hof van Justitie beroep in tegen het SIVU en Hydro. Zij vorderde veroordeling van het SIVU tot betaling van 83 928 euro, vermeerderd met de contractuele interessen vanaf 17 januari 1991, de datum van betaling van het voorschot, en de wettelijke verwijlinteressen vanaf 28 februari 1993, de datum die in het eerste verzoek tot terugbetaling als termijn was gesteld.
15. Geen der verwerende partijen heeft binnen de termijn op het verzoekschrift geantwoord. Bijgevolg heeft de Commissie overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gevorderd dat het Hof haar conclusies toewijst.
16. Op 13 juni 1999 wees het Hof bij verstek een arrest met het volgende dictum:
1. Veroordeelt het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, en Hydro-Réalisations SARL hoofdelijk tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de som van 83 928 euro, vermeerderd met de contractuele interessen vanaf 31 mei 1991 tot de volledige voldoening van de schuld.
2. Verwerpt het beroep voor het overige.
3. Verwijst het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, en Hydro-Réalisations SARL hoofdelijk in de kosten."
C - De terugbetaling
17. Zonder op het beroep van de Commissie in te gaan, deelde het SIVU de Commissie op 11 juni 1997 mee dat de overstroombare stuw in 1994 was afgewerkt. Nadat de milieugroepen hun verzet hadden opgegeven, heeft het SIVU een studie over de haalbaarheid van de oorspronkelijk geplande minicentrale besteld. Pas toen de resultaten van de studie beschikbaar waren, kon op 11 juni 1997 worden besloten de minicentrale uiteindelijk niet te bouwen. Dat is de reden waarom het voorschot tot dan toe niet was terugbetaald. Het SIVU kondigde aan dat het onmiddellijk 83 928 euro zou betalen, en gaf de wens te kennen dat de te late terugbetaling voor hem niet met een straf gepaard zou gaan (sans pénalisation").
18. Op 8 oktober 1998 schreef het SIVU een bedrag van 587 496,00 FRF over op de rekening van de Commissie, zonder te vermelden hoe de som was samengesteld, en in hoeverre zij op de hoofdschuld (de terugbetaling van het voorschot) of de accessoire schuld (de interessen) betrekking had. Volgens de verklaringen van de Commissie heeft de bank voor dat bedrag twee creditopgaven verstrekt: op 23 oktober 1998 een voor 554 889,97 FRF (omgerekend 83 928 euro) en op 30 oktober 1998 een voor 32 606,03 FRF (omgerekend 4 973,81 euro).
19. Bij brief van 9 juni 1999, de dag vóór het wijzen van het verstekarrest, bracht de raadsman van het SIVU de Commissie en het Hof van Justitie op de hoogte van de betaling van 8 oktober 1998.
20. Bij akte van 9 juli 1999, ingekomen bij het Hof op 12 juli daaraanvolgend, heeft het SIVU verzet gedaan tegen het hem op 15 juni 1999 betekende verstekarrest.
III - Conclusies van partijen
A - Argumenten van het SIVU
21. Met betrekking tot de hoofdschuld stelt het SIVU, dat zij door de overschrijving van 8 oktober 1998 is voldaan.
22. Met betrekking tot de contractuele interessen voert het SIVU aan, dat de werkzaamheden voor het project pas op 11 juni 1997 zijn gestaakt. Pas op die datum beschikte het SIVU over de resultaten van de studie betreffende de haalbaarheid van de centrale, die het had besteld nadat de milieugroepen hun verzet hadden opgegeven. Bij brief van 11 juni 1997 heeft het de Commissie daarover ingelicht. Volgens het SIVU zijn de contractuele interessen dus pas ingegaan op 11 juni 1997 en lopen zij maar tot de voldoening van de hoofdschuld op 8 oktober 1998.
23. Subsidiair is het SIVU van mening, dat de contractuele interessen zijn ingegaan op 31 mei 1991, de datum van voltooiing van de werkzaamheden in de zin van artikel 9 van het contract.
24. Wettelijke interessen zijn volgens het SIVU niet verschuldigd, op grond van de regeling van artikel 1153 van de Code civil. Die bepaling verbiedt de cumulatie van contractuele en wettelijke interessen.
25. Het SIVU concludeert dat het den Hove behage:
1. het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en dus
- het verstekarrest van 10 juni 1999 in te trekken,
- het beroep van de Commissie, gedateerd 2 mei 1997, te verwerpen,
- vast te stellen dat de som van 587 496 FRF op 8 oktober 1998 is terugbetaald;
2. met betrekking tot de interessen
- vast te stellen dat de interessen slechts tussen 11 juni 1997 en 8 oktober 1998 hebben gelopen,
- subsidiair: vast te stellen dat de interessen slechts in de periode van 31 mei 1991 tot 8 oktober 1998 hebben gelopen;
3. de Commissie in de kosten te verwijzen.
26. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1. het verzet te verwerpen;
2. het SIVU in de kosten te verwijzen.
27. Zij voert als motivering aan, dat het SIVU de Commissie en het Hof van Justitie te laat van de betalingen op de hoogte heeft gebracht, namelijk pas op de vooravond van het wijzen van het verstekarrest.
28. Overigens hebben de betalingen van het SIVU naar de mening van de Commissie geen invloed op de inhoud van het verstekarrest, maar betreffen zij slechts de tenuitvoerlegging ervan. Het door het SIVU overgeschreven bedrag volstaat niet om de hoofdschuld en de interessen te voldoen. Na betaling van de hoofdschuld (83 928 euro) had de Commissie dus op 23 oktober 1998 nog recht op een bedrag van 40 347,64 euro, dat overeenkomt met de contractuele interessen voor de periode van 1 juni 1991 tot 22 oktober 1998. De door het SIVU op 30 oktober 1998 overgeschreven 4 973,81 euro voldeed weer enkel een deel van de schuld.
29. Met betrekking tot de contractuele interessen is de Commissie van mening, dat zij op 31 mei 1991 zijn ingegaan. Het SIVU verwijst naar de datum waarop de werkzaamheden definitief zijn opgegeven: volgens het SIVU op 11 juni 1997. Naar de mening van de Commissie geldt overeenkomstig het contract echter alleen het volgens objectieve criteria te bepalen tijdstip van voltooiing of staking van de werkzaamheden. Volgens de Commissie is dat 31 mei 1991.
30. De opvatting van het SIVU, dat de interessen eerst op 11 juni 1997 zijn ingegaan, is volgens de Commissie onverenigbaar met de bewoordingen van artikel 9 van het contract. Dit maakt onderscheid tussen de datum van opzegging van het contract, te weten het tijdstip waarop een van de contractanten vaststelt dat met de verdere uitvoering van het contract geen belang meer wordt gediend, en de datum van staking van de werkzaamheden. De mening, dat de opzegging van het contract of de definitieve opgave van het project, met de staking van de werkzaamheden samenvalt, acht de Commissie onverenigbaar met het doel van die bepaling.
31. Bij brief van 19 juli 1999 vorderde de Commissie van het SIVU een saldo van 48 748,56 euro (136 845,78 euro min de verrichte betalingen voor een totaalbedrag van 88 901,81 euro = 47 943,97 euro, vermeerderd met contractuele interessen voor de periode van 30 oktober 1998 tot 1 juli 1999).
32. Met betrekking tot de oorspronkelijk gevorderde wettelijke interessen verwijst de Commissie enkel naar de overwegingen in punt 30 van het verstekarrest.
33. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie haar opmerkingen aangevuld en verklaard dat de door het SIVU verrichte betalingen eerst op de interessen en vervolgens op de hoofdschuld zijn afgeboekt. Na de betaling van het SIVU had de Commissie op 23 oktober 1998 nog een hoofdvordering ten bedrage van 40 347,64 euro, die op 30 oktober 1998, na de tweede creditering, tot 35 373,83 euro is verminderd. Daar de hoofdschuld niet volledig is voldaan, zijn na die datum verder interessen verschuldigd.
34. Volgens de verklaringen van de Commissie is de referentierentevoet voor de berekening van de interessen, de rentevoet die zij op de eerste werkdag van elke maand in het Publicatieblad bekendmaakt. Tot 1993 was dat de rentevoet die door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking werd gebruikt voor zijn transacties in ecu, en vervolgens, tot mei 1998, de rentevoet die door het Europees Monetair Instituut en vervolgens door de Europese Centrale Bank werd gebruikt voor hun transacties in ecu. Sedert de invoering van de euro op 1 januari 1999 is het de rentevoet die door de Europese Centrale Bank wordt gebruikt, eerst bij haar repo-overeenkomsten en sedert april 2000 bij haar voornaamste herfinancieringstransacties.
IV - Standpuntbepaling
A - Ontvankelijkheid van het verzet
35. Blijkens de stukken is het verstekarrest op 15 juni 1999 aan het SIVU betekend. Het op 12 juli 1999 bij het Hof ingekomen verzet is dus tijdig gedaan. Daar ook aan de andere vormvereisten is voldaan, is het verzet ontvankelijk.
B - Gegrondheid van het verzet
1) Terugbetaling van het voorschot
36. Het SIVU en Hydro hebben de uitvoering van het project opgegeven. De Commissie kwam dus terecht tot de slotsom, dat met de voortzetting van het werkprogramma geen belang meer werd gediend, en heeft dus op goede gronden het contract opgezegd. Ingevolge artikel 9, derde alinea, hiervan heeft de Commissie dus in beginsel recht op terugbetaling van het verleende voorschot ten bedrage van 83 928 euro, vermeerderd met interessen. Voor nadere bijzonderheden wordt verwezen naar de overwegingen van de conclusie van 28 januari 1999 in deze zaak.
37. In het kader van het onderzoek van het verzet van het SIVU tegen het verstekarrest moet echter worden nagegaan in hoeverre de terugbetalingsvordering van de Commissie door de betaling op 8 oktober 1998 is tenietgegaan.
38. Het SIVU heeft aan de Commissie 587 496,00 FRF betaald. Volgens de gegevens van de Commissie is zij voor die som in twee stappen gecrediteerd, op 23 oktober 1998 voor 83 928 euro en op 30 oktober 1998 voor 4 973,81 euro. Het SIVU is van mening, dat de vordering van de Commissie door die betaling is tenietgegaan. De Commissie betwist dit, daar het overgeschreven bedrag niet volstaat om de hoofdschuld en de interessen te voldoen.
39. De door het verstekarrest bevestigde terugbetalingsvordering gaat teniet wanneer het SIVU de uit het voorschot en de interessen bestaande schuld volledig heeft betaald. Het voorschot bedroeg 83 928 euro. Om te kunnen beoordelen of de vordering van de Commissie door de betaling van 8 oktober 1998 is tenietgegaan, moet dus worden vastgesteld hoe hoog de rentevordering van de Commissie was toen zij de betaling ontving.
2) Berekening van de interessen.
a) Datum waarop de interessen beginnen te lopen.
40. Ingevolge artikel 9, derde alinea, van het contract moet het verschuldigde bedrag worden vermeerderd met interessen vanaf de voltooiing of staking van de werkzaamheden (date de fin ou d'arrêt des travaux"). SIVU is van mening dat de werkzaamheden zijn gestaakt op 11 juni 1997, toen de resultaten van de studie op tafel lagen. De Commissie had in haar verzoekschrift oorspronkelijk 17 januari 1991, de datum waarop het voorschot werd betaald, als relevant beschouwd. In haar opmerkingen betreffende het verzet volgt zij echter het verstekarrest en neemt zij als datum de staking van de werkzaamheden op 31 mei 1991.
41. Bij de uitlegging van overeenkomsten moet volgens artikel 1156 van de Code civil worden nagegaan wat de bedoeling van de contracterende partijen was. Het is echter niet aannemelijk dat de partijen de bedoeling hadden, de voor de berekening van de interessen wezenlijke vraag van de vaststelling van de datum van staking van de werkzaamheden, te regelen aan de hand van criteria die niet aan beide contracterende partijen bekend zijn of tenminste bekend kunnen zijn. Voor de vaststelling van de datum van voltooiing of staking van de werkzaamheden kan dus niet het standpunt van één contractant beslissend zijn. De datum moet integendeel worden vastgesteld aan de hand van objectieve criteria en omstandigheden die aan beide contracterende partijen bekend waren of tenminste bekend konden zijn.
42. Een dergelijke, objectieve omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden, is in de eerste plaats de brief van het SIVU van 6 november 1992 (zie boven, punt 11). Daarin had het SIVU de Commissie meegedeeld, dat de centrale waarvan de bouw het voorwerp van het contract was, niet zou worden gebouwd en had het aangeboden het voorschot terug te betalen. Vanaf die datum moest de Commissie niet meer op voortzetting van de werkzaamheden rekenen. Met name blijkt niet uit de aan het Hof voorgelegde stukken, dat het SIVU de Commissie tussen die datum en zijn brief van 11 juni 1997 (zie boven, punt 17) heeft meegedeeld dat de werkzaamheden voor het project toch zouden worden voortgezet. In zoverre zou het in strijd zijn met artikel 1134, derde alinea, van de Code civil, bepalende dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, indien het SIVU zich op zijn brief van 11 juni 1997 zou mogen beroepen. De Commissie heeft op 8 december 1992, 27 februari 1994, 1 juni 1994, 31 oktober 1994 en 12 oktober 1995 - onder verwijzing naar de brief van 6 november 1992 en haar opzegging van het contract op 18 november 1992 - het SIVU aangemaand het voorschot terug te betalen. Zij is dus duidelijk ervan uitgegaan, dat de contractueel overeengekomen werkzaamheden overeenkomstig de mededeling van 6 november 1992 definitief waren gestaakt. Dat heeft het SIVU nooit tegengesproken. Het zou in strijd zijn met het beginsel van de goede trouw, thans van de brief van 11 juni 1997 uit te gaan.
43. De Commissie heeft in haar verzoekschrift echter zelf nog een vroegere datum genoemd, namelijk 31 mei 1991. Tot die datum zouden - volgens de overeenkomstig het contract door het SIVU ingediende verslagen - werkzaamheden voor het project zijn verricht. Dat standpunt werd in de opmerkingen betreffende het verzet bevestigd. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan, dat het voor beide partijen duidelijk was dat de werkzaamheden op 31 mei 1991 zijn gestaakt. Op die datum begonnen de contractuele interessen dus te lopen.
b) Toepasselijke rentevoet
44. Voor de hoogte van de interessen verwijst het contract naar de rentevoet die het Europees Fonds voor monetaire samenwerking gebruikt voor zijn transacties in ecu, en die de eerste werkdag van iedere maand wordt gepubliceerd. Dat Fonds bestaat echter niet meer, en de contractueel overeengekomen rentevoet wordt niet meer gepubliceerd. Bijgevolg rijst de vraag, welke rentevoet op de terugbetaling moet worden toegepast.
45. Naar de mening van de Commissie is de referentierentevoet de rentevoet die zij de eerste werkdag van iedere maand in het Publicatieblad bekendmaakt. Tot 1993 was dat de rentevoet die door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking werd gebruikt voor zijn transacties in ecu. Vervolgens, tot mei 1998, was het de rentevoet die door het Europees Monetair Instituut en daarna door de Europese Centrale Bank werd gebruikt voor hun transacties in ecu. Sedert de invoering van de euro op 1 januari 1999 is het de rentevoet die door de Europese Centrale Bank wordt gebruikt, eerst bij haar repo-overeenkomsten en thans bij haar voornaamste herfinancieringstransacties. Voor de vervanging van de respectieve referentierentevoeten bestaat echter geen bijzondere rechtsgrondslag.
46. De overeengekomen rentevoet bestaat niet meer, en het contract zelf bepaalt niet welke rentevoet in de plaats daarvan moet worden toegepast. Zoals gezegd, moet krachtens artikel 1156 van de Code civil bij de uitlegging van een overeenkomst worden gezien naar welke gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen bij het sluiten van de overeenkomst. Uit de regeling van artikel 9, lid 4, van het contract zou ten minste de wil van de partijen kunnen worden afgeleid om een rentevoet overeen te komen die gold voor transacties in ecu. Bovendien kan daaruit worden afgeleid, dat het niet om een door een particuliere financiële instelling, maar om een in het kader van de monetaire samenwerking van de lidstaten vastgestelde rentevoet zou moeten gaan. Ten slotte kan uit het contract worden opgemaakt dat het een gepubliceerde rentevoet zou moeten zijn.
47. De door de Commissie aangegeven oplossing voldoet aan deze voorwaarden. De verschillende rentevoeten werden en worden gebruikt bij transacties in ecu of - sedert de vervanging hiervan door de euro - in euro. Zij werden en worden in alle gevallen vastgesteld door het in de Gemeenschap bevoegde orgaan op monetair gebied. De verschillende rentevoeten werden en worden de eerste werkdag van iedere maand in het Publicatieblad bekendgemaakt.
48. Bovendien moet rekening worden gehouden met artikel 1160 van de Code civil, bepalende dat overeenkomsten in voorkomend geval moeten worden aangevuld met de terzake gebruikelijke bedingen, ook al hebben deze in de overeenkomst geen bijzondere uitdrukking gevonden. De Commissie heeft rentevoeten genoemd die gewoonlijk in de door haar gesloten contracten worden overeengekomen. Ook dit pleit voor de toepassing van de rentevoeten waarop de Commissie zich sedert het wegvallen van de contractueel overeengekomen referentierentevoet baseert.
49. Het SIVU heeft de werkwijze van de Commissie niet betwist. Bij de door de Commissie genoemde organen gaat het steeds om een van de Commissie onderscheiden instelling, en de Commissie heeft geen invloed op de hoogte van de vastgestelde rentevoet. De vervanging van de referentierentevoeten heeft voor het SIVU ook geen nadeel meegebracht. Op de werkwijze van de Commissie lijkt dus uit juridisch oogpunt niets aan te merken. De toe te passen rentevoet is dus tot 1993 de rentevoet die door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking werd gebruikt voor zijn transacties in ecu, vervolgens, tot mei 1998, de rentevoet die door het Europees Monetair Instituut en daarna door de Europese Centrale Bank werd gebruikt voor hun transacties in ecu, en sedert de invoering van de euro op 1 januari 1999 de rentevoet die door de Europese Centrale Bank wordt gebruikt, eerst bij haar repo-overeenkomsten en thans bij haar voornaamste herfinancieringstransacties.
50. Op grond van deze referentierentevoeten heeft de Commissie de renteschuld tot aan de betaling door het SIVU becijferd op 40 347,64 euro. Deze berekening is ook door het SIVU niet betwist. Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat vóór de betaling op 23 oktober 1998 een renteschuld van 40 347,64 euro bestond.
51. Anders dan het SIVU stelt, is de voor de toerekening van de betaling relevante datum die van de creditering ten gunste van de Commissie, dus 23 oktober 1998 en niet 8 oktober 1998. Het SIVU heeft betoogd dat het de terugbetaling heeft overgeschreven, en heeft als bewijs een op 8 oktober 1998 gegeven administratieve betalingsopdracht overgelegd. Overeenkomstig artikel 1238 van de Code civil, zoals het door de Franse rechterlijke instanties is uitgelegd, geldt een betaling door overschrijving slechts als voldaan, wanneer de creditering is geschied. Volgens het onweersproken betoog van de Commissie, ontving zij voor de overschrijving van 587 496,00 FRF twee crediteringen, een voor een deelbedrag van 83 928 euro op 23 oktober 1998, en een voor een deelbedrag van 4 973,81 euro op 30 oktober 1998. Deze data moeten dus worden beschouwd als tijdstip van de betaling van het SIVU en bijgevolg als uitgangspunt voor de berekening van de opgelopen interessen.
3) Wettelijke interessen
52. Met betrekking tot de wettelijke interessen is in het verstekarrest geoordeeld dat artikel 1153 van de Code civil niet toestaat, wettelijke en contractuele interessen te cumuleren. De Commissie heeft dat niet betwist. Ik zie ook niet hoe ik tot een andere conclusie zou kunnen komen. Voorzover de Commissie dus naast de contractuele interessen ook wettelijke interessen vordert, moet het verstekarrest worden gehandhaafd.
4) Bedrag van de schulden bij de betaling
53. Als voorlopig resultaat kan dus worden vastgesteld, dat op 23 oktober 1998 83 928 euro uit hoofde van het voorschot en 40 347, 64 euro uit hoofde van de interessen verschuldigd was. In totaal bedroeg de schuld dus 124 275,64 euro.
5) Rechtsgevolgen van de betaling
54. Van de schuld van 124 275,64 euro heeft het SIVU in totaal 88 901,81 euro betaald. Dit bedrag volstaat dus niet om de totale schuld te voldoen. De vaststelling in hoever de vordering van de Commissie door de betaling van het SIVU is tenietgegaan, hangt af van de vraag welke schuld het SIVU heeft terugbetaald.
55. Op de betalingsopdracht die het SIVU samen met de akte van verzet heeft overgelegd, wordt enkel in het algemeen van terugbetaling van de EEG-subsidie (remboursement subvention CEE") gesproken. Een staat waaruit blijkt hoe het bedrag precies is samengesteld, heeft het SIVU niet overgelegd.
56. In de brief van het SIVU van 11 juni 1997, waarin de terugbetaling werd aangekondigd, wordt de betaling van de som van 83 928 euro in het vooruitzicht gesteld. Dit wijst erop, dat het SIVU in oktober 1998 de hoofdschuld wilde betalen. Bovendien gaf het SIVU in die brief de wens te kennen, dat de terugbetaling voor hem niet met een straf gepaard zou gaan (sans pénalisation"). Ook dat kan erop wijzen, dat het SIVU primair de hoofdschuld wilde betalen, want straffen", zoals interessen, moesten juist vermeden worden.
57. Deze beoordeling van de betaling van het SIVU moet echter voldoen aan de vereisten van artikel 1254 van de Code civil. Naar luid daarvan moet een betaling in beginsel eerst op de renteschuld en pas in de tweede plaats op het verschuldigde kapitaal worden toegerekend, tenzij de schuldeiser toestemt in de toerekening op het verschuldigde kapitaal. Derhalve blijft te onderzoeken, of de Commissie heeft toegestemd in de toerekening van de betaling van het SIVU op het kapitaal.
58. Een uitdrukkelijke toestemming van de Commissie zou te vinden kunnen zijn in haar memorie van 24 november 1999. Daarin heeft de Commissie verklaard dat zij op 23 oktober 1998, rekening houdend met de terugbetaling van de hoofdschuld (83 928 euro) door het SIVU, op deze laatste nog een vordering had van 40 347,64 euro, wat overeenkwam met het bedrag van de tussen 1 juni 1991 en 22 oktober 1998 opgelopen contractuele interessen. De op 30 oktober 1998 overgeschreven som van 4 973,81 euro zou slechts een deel van de contractuele renteschuld bij de Commissie hebben gedekt.
59. Deze voorstelling is echter in strijd met de verklaringen in de vroegere memorie van 13 oktober 1999 en met de brief van 19 juli 1999, waarnaar in punt 15 van die memorie wordt verwezen. In deze brief becijferde de Commissie het saldo op 47 943,97 euro - inmiddels gecorrigeerd tot 40 347,64 euro -, waarvoor evenwel nog verdere interessen voor de periode van 30 oktober 1998 tot 1 juli 1999 werden verlangd. Volgens de regeling van artikel 1154 van de Code civil kunnen interessen echter in beginsel slechts op het kapitaal en niet op interessen worden berekend, voorzover geen rechterlijke beslissing of bijzondere overeenkomst het tegendeel bepaalt. Daar deze uitzonderingen hier niet voorhanden zijn, moet de Commissie dus, wanneer zij verdere interessen verlangt, de betalingen van het SIVU eerst op de vervallen interessen en dan pas op het kapitaal hebben aangerekend.
60. In haar antwoord van 18 juli 2000 op de vraag die het Hof over die tegenspraak heeft gesteld, heeft de Commissie haar oorspronkelijke standpunt bevestigd, dat de betaling eerst op de renteschuld en daarna pas op de hoofdschuld is afgeboekt. Zij verklaart de tegenspraak door een vergissing van haar boekhoudkundige diensten.
61. De uiteenzetting van de Commissie wijst erop, dat de betaling van het SIVU in feite op de hoofdschuld en slechts voor het restant op de renteschuld is afgeboekt. Dat lijkt echter meer op interne problemen van de Commissie, dan op een wilsverklaring te berusten. Bovendien moet worden opgemerkt, dat de enige uitdrukkelijke wilsverklaring waarop men zich hier zou kunnen baseren, pas voorkwam in de memorie van 24 november 1999, dus meer dan een jaar na de boeking. Zij kan dus niet de grondslag voor de verrichte boeking zijn. Wegens de tegenstrijdige verklaringen kan ook niet worden gesproken van een ondubbelzinnige wil van de Commissie om afboeking op de hoofdschuld toe te staan. Bijgevolg moet de wettelijke regel van artikel 1254 van de Code civil worden toegepast, volgens welke gedeeltelijke betalingen in beginsel eerst op de renteschuld moeten worden afgeboekt.
62. Men zou eventueel een impliciete toestemming kunnen zien in de boeking door de boekhouder. Daarvoor pleit vooral het feit dat de bedragen identiek zijn. De door de bank op 23 oktober 1998 gecrediteerde en door de boekhouder geboekte som van 83 928 euro is precies gelijk aan het bedrag van het terug te betalen voorschot.
63. Tegen een dergelijke uitlegging van de gedraging van de Commissie pleit echter, dat de boeking volgens de Commissie het gevolg was van het feit, dat op dat ogenblik enkel een verzoek tot betaling van 83 928 [euro] + interessen" bestond en de renteschuld nog niet was becijferd. Als men er rekening mee houdt, dat de sinds 1992 door de Commissie opgestelde betalingsverzoeken steeds de vermelding + interessen" droegen en dat volgens artikel 1254 van de Code civil en het voor de boekhouders van de Commissie verbindende artikel 96 van verordening nr. 3418/93 de betaling eerst op de interessen en vervolgens op het kapitaal moet worden aangerekend, kan in de boeking moeilijk een impliciete toestemming tot aanrekening op de hoofdschuld worden gezien.
64. Op grond van deze overwegingen moet ervan worden uitgegaan, dat de Commissie noch uitdrukkelijk noch impliciet erin heeft toegestemd, een betaling van het SIVU op de hoofdschuld aan te rekenen. De verrichte betaling van 587 496,00 FRF moest dus eerst op de interessen en vervolgens op de hoofdschuld worden afgeboekt. Slechts voorzover het overgeschreven bedrag de verschuldigde interessen overschreed, is de vordering tot terugbetaling tenietgegaan.
65. Van de op 23 oktober 1998 verschuldigde 124 275,64 euro zijn dus door de betaling van 83 928 euro eerst de interessen voldaan. Er blijft dus een hoofdschuld van 40 347, 64 euro, die overeenkomstig artikel 9 van het contract verder interessen opbrengt.
66. Op 30 oktober 1998 vond een nieuwe creditering plaats, voor een bedrag van 4 973,81 euro. Overeenkomstig de bovenstaande overwegingen moest ook deze betaling eerst op de rente- en vervolgens op de hoofdschuld worden afgeboekt. Gaat men uit van de door de Commissie aangegeven rentevoet, die het SIVU niet heeft betwist, dan moest de schuld in oktober 1998 4 % rente dragen. Op 30 oktober 1998 bestond bijgevolg een renteschuld van 31,38 euro. De betaling heeft dus tot gevolg, dat de hoofdschuld tot 35 405,21 euro werd verminderd. Na de twee betalingen bedroeg het saldo van de schuld dus 35 405,21 euro.
6) Samenvatting
67. Samenvattend moet derhalve worden vastgesteld, dat na de betaling van 587 496,00 FRF een saldo van 35 405,21 euro verschuldigd bleef. In zoverre is de vordering van de Commissie niet tenietgegaan. Overeenkomstig artikel 9 van het contract brengt het verschuldigde bedrag interessen op, tot de schuld volledig is betaald.
68. Volgens het contract zijn het SIVU en Hydro hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van hun contractuele verplichtingen. Bijgevolg moeten zij ook hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het saldo van de schuld.
V - Kosten
69. Volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien de partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Het verzet van het SIVU moet worden verworpen voorzover er nog steeds een verschuldigd saldo bestaat. Ook de Commissie is niet geslaagd in haar vordering, het verzet volledig te verwerpen. Beide partijen worden dus slechts gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Gelet op het feit dat verzoeker het Hof pas vlak voor het wijzen van het verstekarrest van de negen maanden eerder verrichte betaling op de hoogte heeft gebracht, en de Commissie het Hof helemaal niet van de ontvangst van de betaling op de hoogte heeft gebracht, moet ervan worden uitgegaan dat de onderhavige procedure aan beide partijen is toe te rekenen. Derhalve is het aangewezen dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
VI - Conclusie
70. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, en Hydro-Réalisations SARL hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de som van 35 405,21 euro, vermeerderd met de contractuele interessen tot de volledige voldoening van de schuld;
2. het verzet te verwerpen voor het overige;
3. partijen elk in hun eigen kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy