Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.(1) Volgens de Commissie is die niet-nakoming hierin gelegen, dat Duitsland in de oude deelstaten niet de nodige maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het zwemwater binnen tien jaar na de kennisgeving van de richtlijn op 10 december 1975 aan de overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn bepaalde grenswaarden voldoet, en de bemonstering niet met de in de bijlage bepaalde minimumfrequentie heeft verricht.
2 De richtlijn beoogt de bescherming van de kwaliteit van het zwemwater in de Gemeenschap; zij heeft niet betrekking op water bestemd voor therapeutisch gebruik en het water van zwembaden.(2) Onder zwemwater wordt verstaan alle wateren, of delen van die wateren, te weten stromende of stilstaande zoete wateren alsmede zeewater, waarin het baden door de bevoegde instanties van elke lidstaat uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend.
3 In de bijlage bij de richtlijn is een reeks fysische, chemische en microbiologische parameters voor het zwemwater opgenomen. Artikel 3 van de richtlijn bepaalt:
"1. De lidstaten stellen voor alle badzones of voor elke badzone afzonderlijk de waarden vast voor de in de bijlage genoemde parameters.
Voor wat betreft de parameters waarvoor geen enkele waarde is aangegeven in de bijlage, kunnen de lidstaten de vaststelling van waarden ter uitvoering van de eerste alinea achterwege laten zolang de cijfers niet zijn vastgesteld.
2. De krachtens lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan die vermeld in kolom I van de bijlage.
3. (...)"
4 Artikel 4 van de richtlijn luidt:
"1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met de ingevolge artikel 3 vastgestelde grenswaarden en wel binnen een termijn van tien jaar nadat van deze richtlijn kennis is gegeven.
2. (...)
3. De lidstaten kunnen in uitzonderlijke gevallen afwijkingen toestaan op de in lid 1 genoemde termijn van tien jaar. De motieven voor een dergelijke afwijking die berusten op een plan voor het waterbeheer binnen het betrokken gebied dienen zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een termijn van zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn aan de Commissie te worden medegedeeld. De Commissie zal deze motieven grondig bestuderen en, in voorkomend geval, bij de Raad ter zake passende voorstellen indienen.
(...)"
5 Artikel 5 van de richtlijn bepaalt:
"1. Voor de toepassing van artikel 4 wordt het zwemwater geacht overeen te stemmen met de parameters die hierop betrekking hebben:
indien uit de monsters van dit water, met de in de bijlage vastgestelde frequentie op eenzelfde plaats van monsterneming genomen, blijkt dat het water beantwoordt aan de waarden van de parameters betreffende de kwaliteit van het betrokken water bij:
- 95 % van de monsters bij parameters die overeenstemmen met die welke in kolom I van de bijlage zijn opgegeven;
- 90 % van de monsters in de andere gevallen behalve voor de parameters $totale colibacteriën' en $fecale colibacteriën' waarbij het percentage van de monsters 80 mag zijn,
en indien voor de 5, 10 of 20 % van de monsters die, naargelang het geval, niet conform zijn:
- het water niet meer dan 50 % afwijkt van de waarde van de betrokken parameters, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor microbiologische parameters, pH en de opgeloste zuurstof;
- opeenvolgende watermonsters die zijn genomen met een statistisch juiste frequentie niet afwijken van de waarden van de parameters die hierop betrekking hebben.
2. De overschrijdingen van de in artikel 3 bedoelde waarden die het gevolg zijn van overstromingen, natuurrampen of uitzonderlijke weersomstandigheden, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in lid 1 bedoelde percentages."
6 Ingevolge artikel 6, lid 1, van de richtlijn moeten de lidstaten monsters nemen; de minimumfrequentie daarvoor is vastgesteld in de bijlage.
7 Artikel 8 van de richtlijn bepaalt, voor zover relevant:
"Van de bepalingen van deze richtlijn mag worden afgeweken:
a) voor bepaalde parameters die in de bijlage met (0) zijn aangeduid wegens uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden;
b) indien het zwemwater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat waardoor de grenzen als vastgesteld in de bijlage worden overschreden.
(...)
Indien een lidstaat van een afwijking gebruik maakt, stelt hij de Commissie hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de motieven en de gestelde termijnen."
8 Artikel 13 van de richtlijn verlangt van de lidstaten, dat zij op gezette tijden en voor de eerste maal vier jaar na de kennisgeving van deze richtlijn aan de Commissie een samenvattend verslag uitbrengen over het zwemwater en de meest betekenisvolle kenmerken daarvan.
9 Ten slotte wordt in artikel 12 een omzettingstermijn van twee jaar verleend, ingaande vanaf de kennisgeving van de richtlijn.
I - Ontvankelijkheid
10 De Duitse regering betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de Commissie het met redenen omkleed advies heeft uitgebracht en het beroep heeft ingesteld zonder daarbij het collegialiteitsbeginsel van artikel 163, eerste alinea, EG-Verdrag en artikel 1 van zijn reglement van orde in acht te nemen.
11 In een recent arrest in een door de Commissie tegen de Bondsrepubliek Duitsland ingesteld beroep heeft het Hof dat argument van de Bondsrepubliek Duitsland reeds onderzocht.(3) In dat arrest herinnerde het Hof eraan, dat voor de Commissie het collegialiteitsbeginsel geldt, en dat dit beginsel berust op de gedachte, dat de leden van de Commissie als gelijken aan de besluitvorming deelnemen, en met name inhoudt, dat de besluiten in gemeen overleg worden genomen en dat alle leden van het college collectief politiek verantwoordelijk zijn voor alle genomen besluiten. Het Hof voegde daar evenwel aan toe, dat de formele vereisten die voor een daadwerkelijke eerbiediging van het collegialiteitsbeginsel in acht moeten worden genomen, verschillen naargelang de aard en de rechtsgevolgen van de door de instelling vastgestelde handelingen. Het overwoog dat, anders dan bij beschikkingen tot toepassing van de mededingingsregels, het met redenen omkleed advies niet definitief de rechten en de verplichtingen van een lidstaat vaststelt en deze laatste niet garandeert, dat een bepaalde gedraging verenigbaar is met het Verdrag. Ingevolge het met redenen omkleed advies is de Commissie bevoegd, maar niet verplicht een beroep bij het Hof in te stellen. Evenmin wijzigt het besluit om beroep bij het Hof in te stellen op zichzelf de in geschil zijnde rechtstoestand. Het Hof concludeerde:
"Uit een en ander volgt, dat zowel het besluit van de Commissie om een met redenen omkleed advies uit te brengen, als haar besluit om een beroep wegens niet-nakoming in te stellen door het college in gemeen overleg moet worden genomen. De gegevens waarop die besluiten zijn gebaseerd moeten dus ter beschikking staan van de leden van het college. Daarentegen behoeft het college niet zelf de tekst van de handelingen waarin die besluiten worden bekrachtigd, en de definitieve vorm vast te stellen.
In casu staat vast, dat de leden van het college over alle gegevens die hun voor hun besluitvorming dienstig leken, beschikten toen het college op 31 juli 1991 besloot het met redenen omkleed advies uit te brengen en op 13 december 1994 het voorstel goedkeurde om het onderhavig beroep in te stellen.
In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de Commissie bij het uitbrengen van het met redenen omkleed advies aan de Bondsrepubliek Duitsland en het instellen van onderhavig beroep de uit het collegialiteitsbeginsel voortvloeiende regels heeft nageleefd."(4)
12 De vraag in de onderhavige zaak is dus, of de leden van de Commissie over de gegevens beschikten die ten grondslag lagen aan het besluit om het met redenen advies uit te brengen, respectievelijk het beroep in te stellen. Op verzoek van het Hof heeft de Commissie de documenten overgelegd die beschikbaar waren op de vergadering tijdens welke tot het uitbrengen van het met redenen omkleed advies is besloten. Het is waar dat, gelijk de Duitse regering opmerkt, de gestelde inbreuk in die documenten slechts zeer summier is beschreven. Deze documenten waren echter van dezelfde aard als die welke de Commissie gewoonlijk worden overgelegd, conform de vaste praktijk bij die instelling; aangenomen moet worden, dat die praktijk door het Hof in het hierboven aangehaalde arrest is aanvaard.
13 Bijgevolg moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
II - Ten gronde
A - Schending van artikel 4, lid 1, van de richtlijn
14 De Commissie betoogt, dat blijkens de door de Bondsrepubliek Duitsland verstrekte gegevens, zoals die in de communautaire jaarverslagen zijn opgenomen, een groot aantal Duitse zwemwaters niet in overeenstemming is met de bij de richtlijn voorgeschreven dwingende waarden. In dat verband steunt zij op het jaarverslag 1995, hoewel dit van recentere datum is dan het met redenen omkleed advies, dat van 22 juni 1994 dateert. Zij merkt op, dat het Hof heeft geoordeeld, dat de Commissie in het kader van een procedure op grond van artikel 169 EG-Verdrag mag steunen op "feiten die reeds in de met redenen omklede adviezen aan de kaak waren gesteld en die zich nadien hebben gecontinueerd, hetzij om feiten die zich na die adviezen hebben voorgedaan, doch die van dezelfde aard zijn als de daarin bedoelde, en eenzelfde gedraging opleveren".(5) Blijkens het jaarverslag 1995 voldeed 11,9 % van de 446 zeewaterbadzones niet aan die waarden. Bovendien was 6,5 % van de badzones onvoldoende gecontroleerd. 10,3 % van de 1 822 zoetwaterbadzones voldeed niet aan de dwingende waarden en 42,5 % was ontoereikend gecontroleerd.
15 In haar verweerschrift merkt de Duitse regering op, dat het beroep van de Commissie uitdrukkelijk beperkt is tot de oude deelstaten, terwijl het jaarverslag 1995 waarnaar de Commissie verwijst alle deelstaten betreft. Bovendien stelt zij, dat de cijfers van 1995 achterhaald zijn en zouden moeten worden vervangen door de juiste cijfers voor 1995, die in de door de bevoegde diensten van de Commissie bijgehouden gegevensbank van de Gemeenschap te vinden zijn. De Duitse regering baseert haar verweer dan ook op de gecorrigeerde cijfers. De Commissie lijkt dat niet te betwisten.
16 De Duitse regering betoogt, dat er in de oude deelstaten 1 770 badzones in de zin van de richtlijn waren. Volgens de databank voldoen 180 (10,1 %) van die zones niet aan de richtlijn. In haar antwoord merkt de Commissie op, dat volgens de gegevensbank van de Gemeenschap 207 badzones in de oude deelstaten (en niet 180) niet in overeenstemming met de richtlijn zijn: 3 badzones meer in Baden-Württemberg en 24 in Niedersachsen. In haar repliek zet de Duitse regering uiteen, dat die 27 bijkomende zones in het jaarverslag 1995 tot de groep van de 591 onvoldoende gecontroleerde zones waren gerekend en dat zij pas in het jaarverslag 1996 in de categorie van de niet-conforme zones zijn opgenomen.
a) De argumenten betreffende de 180 badzones die voor 1995 in de gegevensbank van de Gemeenschap als niet in overeenstemming met de richtlijn zijn ingedeeld
i) De zones die onjuist zouden zijn ingedeeld
17 Volgens de Duitse regering zijn 14 van de 180 hierboven bedoelde zones ten onrechte als niet in overeenstemming met de richtlijn ingedeeld. In haar antwoord op een vraag van het Hof zegt de Commissie, dat haar gegevens gebaseerd zijn op die welke de Duitse regering heeft verstrekt, en dat deze laatste niets heeft gedaan om de cijfers van de gegevensbank van de Gemeenschap te corrigeren. De Duitse regering antwoordt daarop, dat één van de badzones (Itzehoe) weliswaar terecht als niet in overeenstemming met de richtlijn is ingedeeld, maar dat de overige 13 zones onjuist zijn ingedeeld; zij merkt op, dat zij thans bij brief van 25 augustus 1998 om correctie van de gegevensbank heeft verzocht. Bovendien voert zij argumenten aan die de twijfels van de Commissie ten aanzien van 5 van de betrokken zones moeten wegnemen.
ii) De zones waarvoor alle mogelijke maatregelen zouden zijn genomen
18 In haar verweerschrift betoogt de Duitse regering voorts, dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn in 85 van de overige zones niet is geschonden. Haars inziens kan er geen sprake van schending van die bepaling zijn, wanneer een lidstaat alle maatregelen heeft genomen die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van hem kunnen worden verlangd.
19 In 46 van die 85 zones was in 1995 slechts één overschrijding van de grenswaarden vastgesteld; van 1992 tot 1994 en in 1996 waren helemaal geen overschrijdingen vastgesteld. Bijgevolg was het niet gerechtvaardigd maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het water te nemen. De Commissie antwoordt daarop, dat talrijke inbreuken of gevallen van onvoldoende bemonstering zijn vastgesteld voor 10 van de zones waar er volgens Duitsland slechts één inbreuk zou zijn geweest. Bovendien is de Commissie het niet eens met het standpunt van de Duitse regering, dat één enkele overschrijding geen inbreuk op de richtlijn oplevert; haars inziens legt artikel 4, lid 1, de lidstaten immers een resultaatsverplichting op.
In haar dupliek erkent de Duitse regering, dat er in één geval (Stein Neustein) talrijke inbreuken zijn geweest, maar merkt op dat er in de overige 9 zones van 1992 tot 1994 en in 1996 geen inbreuken zijn vastgesteld. In 45 zones was dus alleen in 1995 een inbreuk geconstateerd. De Duitse regering stelt, dat dit geen schending van de richtlijn oplevert, daar zij alle noodzakelijke en redelijke maatregelen heeft genomen. Het standpunt van de Commissie komt er volgens haar op neer, dat de grenswaarden voor 100 % moeten worden nageleefd. Artikel 5, lid 1, voorziet echter in een zekere soepelheid, en is als een specifieke uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel te beschouwen. De facto zou Duitsland zich niet op artikel 5, lid 1, kunnen beroepen, daar het badseizoen slechts 15 tot 17 weken per jaar telt. Indien om de 14 dagen monsters worden genomen, betekent dat maximaal 9 monsters per seizoen. Eén enkele afwijking overschrijdt de vastgestelde limiet dus reeds met meer dan 10 %.
20 Volgens de Duitse regering kunnen voor 7 van de 85 badzones onmogelijk nog zwaardere saneringsmaatregelen worden genomen. Bij 5 van die zones bevindt de bron van het water zich buiten het Duitse grondgebied, zodat het water ondanks alle door Duitsland genomen maatregelen niet aan de grenswaarden voldoet. In een zesde zone wordt het water verontreinigd door watervogels, en er mogen geen maatregelen worden genomen die het leefgebied van deze laatste vernietigen. Wat ten slotte de zevende zone (Hausen, Donau beim Campingplatz) betreft, schreef de Duitse regering de inbreuk aanvankelijk vooral aan geografische factoren toe, zodat het daar volgens haar om een bij artikel 8, sub a, toegestane afwijking ging. In haar standpunt over het antwoord van de Commissie op een vraag van het Hof heeft zij dat argument echter laten varen.
21 In haar repliek en in haar antwoord op die vraag bestrijdt de Commissie het argument van de Duitse regering dat de overige zes zones gevallen van absolute materiële onmogelijkheid zijn. Zij merkt op, dat in het seizoen 1997 vier van die zones in overeenstemming met de richtlijn zijn bevonden, wat betekent, dat er geen sprake kan zijn van absolute materiële onmogelijkheid. Wat de twee andere zones betreft, wijst de Commissie het argument van de Duitse regering van de hand dat nationale maatregelen zinloos zijn, omdat er zich stroomopwaarts op de Rijn, in Zwitserland, waterzuiveringsinstallaties bevinden; die Zwitserse installaties zijn van prima kwaliteit en gelet op de hoeveelheden water die stroomafwaarts vloeien zou elke vervuiling van Zwitserse oorsprong vervluchtigen. De Commissie voegt daaraan toe, dat het Duitsland vrijstond het zwemmen te verbieden en de betrokken zones van de lijst van badzones te verwijderen. De Duitse regering antwoordt daarop, dat het feit dat drie badzones in 1997 aan de normen van de richtlijn voldeden, niets te maken heeft met bijkomende maatregelen van de Duitse autoriteiten - in die zones zijn de waterzuiveringsinstallaties in 1991 en in 1994 in gebruik genomen. In een vierde zone zijn de waterzuiveringsinstallaties weliswaar in 1996 gemoderniseerd, doch de Duitse regering deelt de mening van de autoriteiten van de deelstaten, dat de naleving van de grenswaarden in 1997 het gevolg was van schommelingen in de aanwezigheid van de watervogels. In 1998 zijn de grenswaarden immers wederom overschreden. Wat de twee resterende zones betreft, zijn aan de waterzuiveringsinstallaties verbeteringen aangebracht; deze beantwoorden thans aan de huidige stand van de techniek. Meer kan niet worden gedaan. In de zes zones zijn de overschrijdingen echter niet zo groot, dat een totaal zwemverbod gerechtvaardigd is.
22 Duitsland merkt op, dat in 32 van de 85 zones de grenswaarden thans niet meer worden overschreden en dat er dus geen sprake meer is van schending van artikel 4, lid 1. De Commissie antwoordt daarop, dat het feit dat de inbreuken in 6 van de 32 zones irrelevant zijn geworden doordat die zones in 1996 of 1997 de status van badzone hebben verloren, en dat de situatie in de 26 andere zones verbeterd is, niets afdoet aan de inbreuk. De datum die voor de vaststelling van een schending van het Verdrag in aanmerking wordt genomen, is in beginsel de datum die in het met redenen omkleed advies van de Commissie is vermeld. Wanneer de inbreuk voortduurt, kan het beroep worden uitgebreid tot feiten die zich na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies hebben voorgedaan. Om die reden wordt in het beroep uitgegaan van het seizoen 1995, wat Duitsland niet betwist. De seizoenen daarna vallen echter buiten het kader van het verzoekschrift, en er is dan ook geen rekening mee gehouden.
iii) De zones waar de grenswaarden niet zijn nageleefd
23 Na tot de conclusie te zijn gekomen dat in de hierboven bedoelde 85 zones geen inbreuk op artikel 4, lid 1, is gemaakt, stelt de Duitse regering, dat de overige 81 zones (4,5 %) waar in 1995 de grenswaarden zijn overtreden, onvoldoende belangrijk zijn om een veroordeling van de Bondsrepubliek Duitsland wegens niet-nakoming van de krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen te kunnen rechtvaardigen. In dupliek heeft de Duitse regering dat cijfer op 82 gebracht, door Stein Neustein aan de lijst toe te voegen.
b) Beoordeling van de argumenten
24 Mijns inziens in het duidelijk, dat het Hof de door de Commissie gestelde niet-nakoming moet vaststellen. In de eerste plaats staat het vast, dat de Bondsrepubliek Duitsland in 84 zones (de 81 aanvankelijk door Duitsland vermelde zones plus Stein Neustein, Itzehoe, en Hausen, Donau beim Campingplatz) de in de richtlijn gestelde grenswaarden niet heeft nageleefd. Bij die 84 zones moeten de 32 badzones worden geteld waar in 1995 en in de jaren daarvóór inbreuken zijn vastgesteld, doch die nadien de status van badzone hebben verloren of waar de situatie later is verbeterd. Ofschoon het voorwerp van het onderhavige beroep door de precontentieuze procedure wordt bepaald, mag de Commissie, zoals ik reeds heb gezegd(6), wanneer de inbreuk voortduurt, het beroep uitbreiden tot feiten die zich na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies hebben voorgedaan. Zo was het met redenen omkleed advies van de Commissie van 22 juni 1994 betreffende de kwaliteit van het zwemwater in de oude deelstaten weliswaar gebaseerd op de verslagen voor 1993 en de jaren daarvóór, doch is in het door de Commissie ingestelde beroep rekening gehouden met de meest recente gegevens die op dat ogenblik over de betrokken badzones beschikbaar waren, namelijk die van het jaarverslag 1995. Het feit dat nadien een aantal inbreuken hebben opgehouden, omdat de betrokken zones hun status van badzone hebben verloren of omdat de situatie verbeterd is, doet niet af aan de inbreuk.
25 Bijgevolg zijn de grenswaarden in 116 badzones in de oude deelstaten overschreden. Op zichzelf volstaat dat reeds om te kunnen vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, zonder dat de andere - betwiste - zones moeten worden onderzocht. Zoals de Commissie opmerkt, kan een lidstaat zich in het kader van een krachtens artikel 169 van het Verdrag ingesteld beroep niet verweren door aan te voeren dat de door hem begane inbreuken klein of onbeduidend zijn. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, heeft een beroep wegens niet-nakoming "een objectief karakter en staat de instelling ervan volledig ter beoordeling van de Commissie".(7) Mijns inziens had de Commissie in ieder geval voldoende redenen om met betrekking tot vorenbedoelde inbreuken een beroep bij het Hof in te stellen.
26 Bovendien is het, gelijk de Commissie stelt, duidelijk, dat de richtlijn ook is geschonden, wanneer de grenswaarden in 45 zones slechts in één seizoen zijn overschreden. Anders dan de Duitse regering stelt, verlangt de richtlijn van de lidstaten niet alleen, dat alle mogelijke maatregelen worden genomen, maar ook dat resultaten worden bereikt. In de zaak Commissie/Verenigd Koninkrijk(8) oordeelde het Hof:
"Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt namelijk, dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met de ingevolge artikel 3 vastgestelde grenswaarden en wel binnen een termijn van tien jaar nadat van deze richtlijn kennis is gegeven. Deze termijn is langer dan die voor de omzetting van de richtlijn, te weten twee jaar na de kennisgeving (artikel 12, lid 1), teneinde de lidstaten in staat te stellen aan het bovengenoemde vereiste te voldoen.
De enige afwijkingen op de verplichting van de lidstaten om het zwemwater in overeenstemming met de eisen van de richtlijn te brengen, zijn die voorzien in artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 2, en artikel 8, waarop hierboven is ingegaan. De richtlijn verlangt derhalve van de lidstaten ervoor te zorgen dat bepaalde resultaten worden bereikt, en afgezien van die afwijkingen kunnen zij zich niet op bijzondere omstandigheden beroepen om een verzuim van deze verplichting te rechtvaardigen.
Bijgevolg kan het argument van het Verenigd Koninkrijk, alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen te hebben genomen, niet naast de uitdrukkelijk voorziene afwijkingen worden aanvaard als rechtvaardiging voor het verzuim van de verplichting om de betrokken wateren ten minste in overeenstemming te brengen met de bijlage bij de richtlijn."
27 Met betrekking tot die zones beroept de Bondsrepubliek Duitsland zich niet op de in de richtlijn toegestane afwijkingen. Daaruit volgt, dat de niet-naleving van de grenswaarden in die 45 zones tijdens het badseizoen 1995 bovenop de hierboven vermelde duurzamere overtredingen komt.
28 Het argument van de Duitse regering, dat wegens de korte duur van de badseizoenen de richtlijn in feite voor 100 % zou moeten worden nageleefd, omdat één inbreuk reeds de in artikel 5 gestelde limieten zou overschrijden, kan mij niet overtuigen. Om te beginnen bepaalt artikel 5, lid 2, dat de overschrijdingen die het gevolg zijn van overstromingen, natuurrampen of uitzonderlijke weersomstandigheden niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het percentage monsters die aan de grenswaarden voldoen. Voorts wordt in artikel 6, lid 1, juncto de bijlage slechts een minimumfrequentie voor de monsterneming opgelegd; niets belet Duitsland dus, meer monsters te nemen en zodoende het relatieve gewicht van de monsters die niet aan de gestelde eisen voldoen, te verkleinen. Ten slotte mag men aannemen, dat Duitsland - en de andere lidstaten -, toen zij de in de richtlijn gestelde grenswaarden vaststelden, rekening hebben gehouden met de relatief korte duur van de badseizoenen in Noord-Europa.
29 Aangezien Duitsland in 161 badzones de normen van de richtlijn niet is nagekomen, denk ik niet dat het nodig is dieper in te gaan op de 27 zones die volgens de Commissie in de gegevensbank van de Gemeenschap als niet in overeenstemming met de richtlijn zijn ingedeeld, doch die volgens de Duitse regering in het verslag van de Commissie betreffende het seizoen 1995 onvoldoende zijn gecontroleerd. Om dezelfde redenen dien ik geen standpunt in te nemen over de 6 zones waar er volgens de Duitse regering sprake is van een absolute materiële onmogelijkheid. Evenmin behoef ik ingaan op de 13 zones die volgens de Duitse regering in de gegevensbank onjuist zijn ingedeeld. Wat dit laatste punt betreft, wil ik echter wel opmerken, dat het niet voor de hand ligt de inbreuk betreffende die zones als vaststaand te beschouwen, daar de argumenten van de Commissie berusten op de gegevens die de Duitse regering heeft verstrekt en waarvan deze thans zegt, dat zij onjuist zijn, wat de Commissie niet betwist.
B - Schending van artikel 6, lid 1, van de richtlijn - niet-naleving van de voorschriften inzake monsterneming
30 De Duitse regering erkent in haar verweerschrift, dat zelfs na correctie van een aantal cijfers in het jaarverslag 1995, er nog steeds 591 badzones overblijven waar onvoldoende monsters zijn genomen. Zij geeft dus toe, dat zij de krachtens artikel 6, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Conclusie
31 Derhalve geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland,
i) door in de oude deelstaten niet de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het zwemwater binnen tien jaar na de kennisgeving van de richtlijn op 10 december 1975 aan de overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn bepaalde grenswaarden voldoet, en
ii) door de voorgeschreven bemonstering niet met de in de bijlage bij de richtlijn bepaalde minimumfrequentie te verrichten,
de krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1976, L 31, blz. 1.
(2) - Artikel 1, lid 1.
(3) - Arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland (C-191/95, Jurispr. blz. I-9449).
(4) - Punten 48-50 van het arrest.
(5) - Arrest van 22 maart 1983, Commissie/Frankrijk (42/82, Jurispr. blz. 1013, punt 20).
(6) - Punt 14 hierboven.
(7) - Zie bijvoorbeeld arrest van 21 maart 1991, Commissie/Italië (C-209/89, Jurispr. blz. I-1575, punt 6).
(8) - Arrest van 14 juli 1993 (C-56/90, Jurispr. blz. I-4109, punten 42-44). Zie ook arrest van 12 februari 1998, Commissie/Spanje (C-92/96, Jurispr. blz. I-505, punten 28 en 29).
Full & Egal Universal Law Academy