Conclusie van de advocaat generaal
1 Het onderhavige beroep tot nietigverklaring, ingesteld door het Koninkrijk Zweden, is gericht tegen verordening (EG) nr. 390/97 van de Raad van 20 december 1996 inzake de vaststelling van de voor 1997 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften.(1)
2 Het Koninkrijk Zweden betwist het aandeel in de vangsthoeveelheden voor kabeljauw dat hem bij de bestreden verordening voor 1997 is toegekend.
I - Communautaire regelgeving
Het Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen in de Oostzee en de Belten(2)
3 De visserij in de Oostzee wordt beheerd door de krachtens artikel V van het verdrag ingestelde Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee (International Baltic Sea Fishery Commission; hierna: "IBSFC").
4 De IBSFC stelt jaarlijks voor iedere verdragsluitende partij de totaal toegestane vangsthoeveelheden ("TAC's") voor ieder visbestand en iedere zone vast; daartoe doet zij aanbevelingen die verbindend worden ten aanzien van de verdragsluitende staten indien deze binnen een bepaalde termijn geen bezwaar indienen.(3)
5 De TAC's voor kabeljauw voor 1997 zijn vastgesteld op de 22e zitting van de IBSFC, die van 16 tot en met 20 september 1996 te Warschau heeft plaatsgevonden. Uit aanbeveling nr. 4(4) die op die zitting werd vastgesteld, blijkt dat de TAC's voor kabeljauw in de communautaire viswateren 109 600 ton bedragen.
Verordening (EEG) nr. 3760/92
6 Deze verordening van de Raad stelt een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur vast.(5)
7 Artikel 8, lid 4, van de basisverordening bepaalt het volgende:
"De Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie:
i) stelt zo nodig voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken per geval de totaal toegestane vangst en/of de totaal toegestane visserij-inspanning vast (...)"
8 Ingevolge artikel 8, lid 4, sub ii, verdeelt de Raad "de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de lidstaten dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand".
9 Ingevolge artikel 3, sub g, van de basisverordening wordt onder "communautaire vangstmogelijkheid" verstaan "de voor de Gemeenschap beschikbare vangstmogelijkheid in de communautaire viswateren, plus het totaal van de communautaire vangstmogelijkheden buiten de communautaire viswateren, minus het totaal van de aan derde landen toegekende beschikbare vangsten".
Artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte Zweden(6)
10 Artikel 121, lid 1, bepaalt per vissoort en per zone het aan Zweden toe te kennen aandeel in de communautaire vangstmogelijkheden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd.
11 Blijkens de tabel in artikel 121, lid 1, is het aan het Koninkrijk Zweden toekomende aandeel in kabeljauw in zone III b, c en d vastgesteld op 35,037 %.(7) Volgens voetnoot 7 bij deze tabel "[geldt] dit percentage (...) voor de eerste 50 000 ton van de communautaire vangstmogelijkheden" en "bedraagt het Zweedse aandeel [voor de communautaire vangstmogelijkheden die 50 000 ton overschrijden] 40,000 %". Dezelfde voetnoot bepaalt: "Deze toegewezen hoeveelheden houden geen rekening met de voortdurende overdracht van quota tussen Zweden en de huidige lidstaten van de Unie, die voortvloeien uit de EER-overeenkomst van 1992."
12 Ingevolge artikel 121, lid 2, worden "de aan Zweden toe te wijzen aandelen (...) vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van verordening (EEG) nr. 3760/92".
13 Op de grondslag van deze bepaling is de verdeling der aandelen voor 1995 en voor 1996 respectievelijk vastgesteld bij de verordeningen (EG) nrs. 3362/94(8) en 3074/95.(9)
14 Voor 1997 is die verdeling in de bestreden verordening neergelegd.
Verordening nr. 390/97
15 Artikel 2 van de bestreden verordening bepaalt, dat de TAC's "voor de bestanden of groepen bestanden waarop de communautaire visserijregeling van toepassing is en het daarvan voor de Gemeenschap beschikbare aandeel (...) voor 1997 [worden] vastgesteld zoals bepaald in bijlage I".
16 In bijlage I is de TAC voor kabeljauw in zone III b, c en d vastgesteld op 112 452 ton. De aan het Koninkrijk Zweden toegekende hoeveelheid bedraagt volgens deze bijlage 38 860 ton.(10)
"Compensatiekabeljauw"
17 Tijdens de onderhandelingen over de toetreding waren bij de vaststelling van het Zweedse aandeel in de communautaire vangstmogelijkheden voor kabeljauw tegenstrijdige belangen naar voren gebracht.
18 Sommige lidstaten waren van oordeel, dat dat aandeel niet strookte met de traditionele visserijstructuren en daardoor hun belangen op visserijgebied in de Oostzee aantastte.
19 Tijdens zijn zitting van 25 februari tot en met 1 maart 1994 besloot de Raad derhalve, in zijn proces-verbaal de volgende verklaring op te nemen(11):
"Oostzeekabeljauw
De Raad en de Commissie zullen aanvullende visserijrechten voor kabeljauw verwerven ten belope van elke toewijzing aan Zweden boven 35,037 %. De aanvullende quota zullen tussen Duitsland en Denemarken worden verdeeld."(12)
20 Overeenkomstig deze verklaring kocht de Gemeenschap voor de jaren 1995, 1996 en 1997 "compensatiekabeljauw" van de drie Baltische staten.
21 In 1995 was de kabeljauw die in de wateren van de Baltische staten mocht worden gevangen, onder Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland verdeeld. In 1996 kon de door de Gemeenschap verworven nieuwe hoeveelheid in de communautaire wateren worden gevangen. Zij werd eveneens onder die twee lidstaten verdeeld.
22 Voor het jaar 1997 verkreeg de Gemeenschap 2 852 ton "compensatiekabeljauw", te weten 900 ton van Estland, 127 ton van Letland en 1 825 ton van Litouwen. Deze hoeveelheid werd verdeeld onder het Koninkrijk Denemarken (69 % = 1 968 ton) en de Bondsrepubliek Duitsland (31 % = 884 ton). Vervolgens werden deze hoeveelheden toegevoegd aan de voor de Gemeenschap beschikbare TAC's zoals die volgens de interne verdeelsleutel waren toegekend aan het Koninkrijk Denemarken (totaal 49 494 ton) en aan de Bondsrepubliek Duitsland (totaal 21 638 ton).
23 De som van de TAC's, die volgens bijlage I bij verordening nr. 390/97 112 452 ton bedraagt, omvat derhalve de door de IBSFC vastgestelde hoeveelheid van 109 600 ton en de 2 852 ton "compensatiekabeljauw".
II - Het beroep tot nietigverklaring
24 Tot staving van zijn beroep betoogt het Koninkrijk Zweden, dat de in de bestreden verordening voor 1997 neergelegde verdeling van kabeljauw in zone III b, c en d, niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte, daar hem geen aandeel in de "compensatiekabeljauw" is toegekend.
25 Verzoeker betoogt in feite, dat "compensatiekabeljauw" geen "extern bestand" in de zin van de Toetredingsakte vormt, maar een onder artikel 121, lid 1, vallende communautaire vangstmogelijkheid, waarvan een deel, berekend overeenkomstig de in die bepaling vastgestelde verdeelsleutel, hem derhalve moet toekomen.
26 De Raad en de Commissie concluderen beide tot verwerping van het beroep met het betoog, dat "compensatiekabeljauw" een extern bestand van de Gemeenschap vormt, waarvoor de verdeelsleutel van artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte derhalve niet geldt. Zij betogen dat "compensatiekabeljauw" zijn bestaan dankt aan de noodzaak, aan het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland aanvullende quota toe te kennen ter compensatie van de door deze lidstaten gestelde aantasting van hun belangen ten gevolge van het door de toepassing van deze verdeelsleutel aan Zweden toegekende aandeel.(13)
27 De regelmatigheid van de bestreden verordening hangt derhalve af van de vraag, of de verdeelsleutel van artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte al dan niet op "compensatiekabeljauw" moet worden toegepast.
28 Ter beantwoording van deze vraag moet genoemde bepaling, waarvan verordening nr. 390/97 niet mag afwijken, worden uitgelegd. Ter rechtvaardiging van de bestreden verordening hebben de Raad en de Commissie een aantal argumenten aangevoerd waarvan sommige wellicht zinvol zijn om de betekenis van artikel 121, lid 1, te verduidelijken, maar die niet in de plaats van die uitlegging kunnen komen ten betoge dat het door het Koninkrijk Zweden ingestelde beroep moet worden verworpen.
29 De verwijzing naar de traditionele visserijstructuren in de Oostzee, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de bij de Toetredingsakte toegekende hoeveelheden opnieuw in evenwicht moeten worden gebracht op grond dat de voor Zweden vastgestelde verdeelsleutel de gewoonlijke vangsten in die sector overschrijdt, zou derhalve, gesteld dat die structuren onbetwist vaststaan, ontoereikend zijn om vast te stellen dat de litigieuze verordening regelmatig is.
30 De verklaring van 1994, ook al is deze door Zweden uitdrukkelijk goedgekeurd, kan evenmin afwijken van artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte indien komt vast te staan dat de aan Zweden toegekende verdeelsleutel zonder onderscheid van toepassing is op elke door de Gemeenschap in de betrokken zone verkregen hoeveelheid kabeljauw.
31 In de eerste plaats vormt een dergelijke verklaring, naar de Raad zelf te kennen geeft, een politieke verbintenis(14), hetgeen niet volstaat opdat zij de rechtsgevolgen kan hebben die verbonden zijn aan overeenkomstig de regels van het EG-Verdrag vastgestelde verbindende communautaire handelingen. Bovendien is het echter zo dat, indien aan die verklaring enigerlei interpretatieve waarde moest worden toegekend, hetgeen het Hof voor dergelijke handelingen al wel gedaan heeft, deze in casu niet van nut zou kunnen zijn voor de oplossing van het geschil.(15)
32 De verklaring van 1994, die het beginsel van de verkrijging van aanvullende vangstrechten voor kabeljauw vastlegt en deze rechten aan het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland toekent, is immers uitgemond in de vaststelling van de litigieuze bepalingen van verordening nr. 390/97. De inhoud ervan is derhalve voor de uitlegging van die verordening van groter belang dan voor de beoordeling van de verenigbaarheid ervan met de Toetredingsakte.
33 Aan de betekenis van de relevante bepalingen van de bestreden verordening kan niet worden getwijfeld. In bijlage I daarvan immers omvat de TAC voor kabeljauw van de Europese Gemeenschap in zone III b, c en d mede "compensatiekabeljauw", terwijl die voor Zweden enkel is gebaseerd op de door de IBSFC toegekende TAC.
34 De Raad zet uiteen, dat het aandeel waarop het Koninkrijk Zweden aanspraak maakt, betrekking heeft op vangstrechten die de Gemeenschap heeft verkregen met een welbepaald doel, te weten de verkleining van de aandelen in de TAC's van het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland ten gevolge van de Toetredingsakte, te compenseren.
35 Dienaangaande moet worden opgemerkt, niet alleen dat de verklaring van 1994 geen uitzondering kan aanbrengen op het in artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte neergelegde beginsel, maar ook dat de aan de vaststelling ervan ten grondslag liggende redenen niet een bepaalde uitlegging gebieden.
36 De noodzaak van compensatie, die aan de oorsprong ligt van het besluit aanvullende vangstrechten te verwerven, kan ook bestaan in het geval waarin artikel 121, lid 1, een verdeelsleutel zou vaststellen die voor alle communautaire vangstmogelijkheden geldt. In dat geval zouden de krachtens de verklaring van 1994 verkregen vangstrechten een compensatie in absolute waarde vormen en niet een herstel van het evenwicht van de respectieve aandelen van iedere lidstaat.
37 Het streven naar compensatie vormt derhalve geen onweerlegbaar bewijs, dat de Toetredingsakte op de door de Raad en de Commissie voorgestane wijze moet worden uitgelegd.
38 Voor de beoordeling van de geldigheid van de bestreden verordening moet derhalve artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte zelf worden onderzocht.
39 De Zweedse regering betoogt, dat het in artikel 121, lid 1, gebruikte begrip "communautaire vangstmogelijkheden" in artikel 3, sub g, van de basisverordening is omschreven als "de voor de Gemeenschap beschikbare vangstmogelijkheid in de communautaire viswateren, plus het totaal van de communautaire vangstmogelijkheden buiten de communautaire viswateren, minus het totaal van de aan derde landen toegekende beschikbare vangsten". Hieruit zou volgen, dat bij de berekening van het aan het Koninkrijk Zweden toekomende aandeel aan kabeljauw de verdeelsleutel ook had moeten worden toegepast op "compensatiekabeljauw", daar het begrip "communautaire vangstmogelijkheden" ook de door de Gemeenschap verkregen vangstrechten omvat.(16)
40 Verzoeker voegt hieraan toe, dat de artikelen 116 tot en met 122 van de Toetredingsakte, opgenomen in afdeling II, "Toegang tot de wateren en de visbestanden", enkel toepasselijk zijn op de interne bestanden.
41 De Raad antwoordt hierop, dat niets de conclusie wettigt dat afdeling II tot doel heeft, de visserij te regelen in andere wateren dan die welke aan de Gemeenschap toebehoren. Hij voegt hieraan toe, dat de indeling en de bewoordingen van de in artikel 121, lid 1, opgenomen tabel duidelijk aantonen, dat deze bepaling alleen betrekking heeft op het aan Zweden in de betrokken referentiezones voor de vaststelling van de TAC's toegekende aandeel. Hij wijst erop, dat de uitdrukking "TAC's" in het algemeen enkel wordt gebruikt voor de verdeling van de interne bestanden.
42 De Raad geeft voorts te kennen, dat de verwijzing naar de "Wateren van de Gemeenschap" in voetnoot 2 bij de tabel erop wijst, dat de verdeelsleutel niet van toepassing is op de interne bestanden van de Gemeenschap, dat wil zeggen de voor de Gemeenschap beschikbare vangstmogelijkheden voortvloeiend uit haar eigen vangstrechten in de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten.
43 De Commissie merkt op, dat het begrip "communautaire vangstmogelijkheden", dat mede de vangstmogelijkheden in de wateren van een derde land en in de internationale wateren omvat, geen toepassing kan vinden op artikel 121, lid 1, aangezien dit zich niet uitstrekt tot de vangstmogelijkheden die voortvloeien uit overeenkomsten met derde landen. Dienaangaande verwijst de Raad naar de structuur en de inhoud van titel V, hoofdstuk 3, van de Toetredingsakte.
44 De bewoordingen van artikel 121, lid 1, en de plaats van deze bepaling in de Toetredingsakte zijn weliswaar, gelijk uit van diverse kanten aangevoerde argumenten blijkt, niet geheel ondubbelzinnig, maar vormen niettemin nuttige uitleggingselementen.
45 Om te beginnen wil ik nauwkeurig aangeven, welke consequenties kunnen worden getrokken uit de plaats van artikel 121 in hoofdstuk 3, "Visserij", van titel V, inzake "Overgangsmaatregelen betreffende Zweden".(17)
46 Met het Koninkrijk Zweden ben ik van oordeel, dat de plaats van artikel 121 in afdeling II, "Toegang tot de wateren en de visbestanden", dat wil zeggen buiten afdeling III, "Externe visbestanden", niet de conclusie wettigt dat de verdeelsleutel enkel voor de interne bestanden van de Gemeenschap geldt en geen betrekking heeft op de vangstmogelijkheden voortvloeiend uit door de Gemeenschap met derde landen voortvloeiende overeenkomsten, zoals de Raad en de Commissie beweren.
47 Afdeling III, "Externe visbestanden", omvat twee bepalingen, de artikelen 124 en 125, waarvan het eerste enkel betrekking heeft op het rechtsstelsel dat vanaf de toetreding van het Koninkrijk Zweden van toepassing is op de door dit land met derde landen gesloten visserijovereenkomsten, en het tweede op de regels betreffende de toekenning door de Europese Unie van een financiële bijdrage "tot het uitzetten van jonge zalmen door de bevoegde Zweedse autoriteiten".
48 Het toepassingsgebied van afdeling III kan derhalve niet worden geacht zich mede uit te strekken tot door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomsten, zodat in dit stadium van de redenering nog kan worden aangenomen, dat afdeling II op deze categorie overeenkomsten van toepassing is.
49 Het argument van de Commissie, dat afdeling II enkel op de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Europese Unie van toepassing is, daar het toepassingsgebied ervan in de artikelen 117 en 118 aldus wordt afgebakend, dat het enkel de toegang van Zweedse schepen tot alleen die wateren betreft, lijkt op zich evenmin beslissend.
50 De verwijzing in die twee artikelen naar de "wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de huidige Unie vallen" volstaat niet om vangsten uit hoofde van tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten van het toepassingsgebied van artikel 121 uit te sluiten.
51 In de eerste plaats wordt deze categorie vangsten niet door afdeling III beheerst. In de tweede plaats wettigt niets in de bewoordingen van de artikelen 117 en 118 de conclusie, dat artikel 121 niet toepasselijk is op vangsten door Zweedse schepen in de communautaire wateren, krachtens overeenkomsten die overdrachten van vangstquota door derde landen aan de Gemeenschap toestaan.
52 Deze uitlegging wordt gesteund door het argument, dat de in verordening nr. 3760/92 gegeven definitie van het begrip "communautaire vangstmogelijkheden" niet alleen de voor de Gemeenschap in de communautaire visserijzone beschikbare vangstmogelijkheden, maar ook die buiten de communautaire zone omvat.
53 Waar artikel 3 van deze verordening preciseert, dat de erin vervatte definitie wordt gegeven "voor de toepassing van deze verordening", lijkt het uitgesloten dat zij ook voor de uitlegging van de Toetredingsakte geldt. Evenwel lijkt een dergelijke beperking overdreven, nu talrijke artikelen van afdeling II naar de basisverordening en de daarbij ingevoerde regeling verwijzen.
54 Dit geldt te meer, daar de voorwaarden met betrekking tot een bepaald aspect van de toetreding van een nieuwe lidstaat, naar hun aard bestemd zijn deel te gaan uitmaken van het geldende recht in de betrokken sector, die op het gebied van landbouw en visserij geherstructureerd wordt rond de basisverordeningen betreffende iedere communautaire politiek.
55 Ik voeg hieraan toe, dat artikel 121, lid 2, van de Toetredingsakte uitdrukkelijk naar artikel 8, lid 4, van de basisverordening verwijst voor de bepaling van de wijze van vaststelling van de aan het Koninkrijk Zweden toe te kennen aandelen. Volgens artikel 8, lid 4, sub ii, kan de Raad onder meer "de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de lidstaten [verdelen] dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand"(18), waaronder noodzakelijkerwijs, volgens de definitie van artikel 3, sub g, de vangstmogelijkheden van de Gemeenschap buiten de communautaire viswateren vallen.
56 Bovenstaande elementen geven evenwel het bij artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte ingevoerde algemene rechtsstelsel weer en niet de toepassing hiervan op het thans in geding zijnde geval. Dit blijkt bij aandachtige lezing van de betrokken tabel.
57 De kabeljauw waarmee het Koninkrijk Zweden compensatiekabeljauw in verband brengt, is die welke in zone III b, c en d wordt gevangen. In de tabel van artikel 121 wordt evenwel vermeld, dat die zone zich enkel uitstrekt tot de "wateren van de Gemeenschap".(19) Bijgevolg kan de aan het Koninkrijk Zweden toegekende verdeelsleutel slechts toepassing vinden op de communautaire vangstmogelijkheden binnen de communautaire visserijzone(20), en niet op de communautaire vangstmogelijkheden buiten die zone.
58 Zo artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte derhalve niet uitsluit, dat de erin vastgestelde verdeelsleutels worden toegepast op de visserijzones buiten de wateren van de Gemeenschap, is hieraan het voorbehoud verbonden dat het toepassingsgebied ervan niet door een andersluidende bepaling wordt beperkt. In casu is dit het geval, aangezien op de oorspronkelijke zone die als berekeningsgrondslag voor de vangsten dient, een territoriale beperking wordt aangebracht.
59 Nu vaststaat, dat de verdeelsleutel uitsluitend toepasselijk is op kabeljauw die wordt gevangen in aan de Gemeenschap toebehorende wateren in die zone, rest nog de vraag of de Raad artikel 121 van de Toetredingsakte niet heeft miskend door het Koninkrijk Zweden in de bestreden verordening geen "compensatiekabeljauw" toe te delen.
60 Met andere woorden, indien het Koninkrijk Zweden aantoont dat de "compensatiekabeljauw" of een deel daarvan afkomstig is van de communautaire wateren, heeft het een aandeel in die vangstrechten tot de door de verdeelsleutel bepaalde hoeveelheid.
61 Blijkens de verslagen betreffende de conclusies van het overleg op visserijgebied tussen de drie Baltische staten en de Europese Gemeenschap in 1996(21), zijn de 2 852 ton "compensatiekabeljauw" voor 1997 het resultaat van een overdracht, te weten van het recht van de lidstaten om die vis in de wateren van de Gemeenschap te vangen.
62 De toepassing van de verdeelsleutel van artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte kan evenwel moeilijk worden, wanneer het slechts gaat om een mogelijkheid, zodat, afhankelijk van hetgeen de lidstaten beslissen, zowel in de wateren van de Baltische staten als in de communautaire wateren kan worden gevist.
63 Dit vormt reden om te denken, dat het aan het Koninkrijk Zweden toegekende aandeel voor kabeljauw in zone III b, c en d, niet is vastgesteld om te worden toegepast op vangstquota die de Gemeenschap bij derde landen heeft verkregen naast de door de IBSFC toegekende TAC's.
64 De bedoeling van de staten die de Toetredingsakte hebben ondertekend, wordt bevestigd door de omstandigheid, dat het onjuist zou zijn om een onderscheid te maken tussen de vangsten in de wateren van de Gemeenschap en die daarbuiten en de verdeelsleutel van artikel 121, lid 1, enkel op eerstbedoelde vangsten toe te passen.
65 Het valt niet in te zien, welke reden in het geval van een overdracht van door de Gemeenschap verkregen bestanden zou kunnen rechtvaardigen dat de toekenning van het aan Zweden toekomende aandeel afhangt van de plaats van de vangsten in de communautaire wateren. Daar komt nog bij, dat het toezicht op die lokalisatie teneinde de gedifferentieerde regeling te kunnen toepassen, moeilijk uitvoerbaar zou zijn.
66 De vermelding "wateren van de Gemeenschap" kan derhalve slechts gedacht zijn om de in de Toetredingsakte vermelde referentiezone te doen overeenstemmen met die van de aanbevelingen van de IBSFC(22), die rechtsgevolgen in de Gemeenschap hebben, teneinde op de door deze laatste vastgestelde TAC's de aan Zweden toegekende verdeelsleutel toe te kennen.
67 Deze benadering wordt bevestigd in de kop van de tweede kolom van de tabel van artikel 121: "ICES- of IBSFC-gebied. Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's".(23) De tweede kolom bepaalt de referentiezones op basis waarvan per vissoort het aan Zweden toekomende aandeel in de vangsten wordt vastgesteld.
68 Het feit dat de Raad in bijlage I bij de bestreden verordening "compensatiekabeljauw" heeft opgenomen in de TAC's van de Gemeenschap, terwijl in dezelfde bijlage het aandeel van Zweden was berekend op basis van een TAC dat dit bestand niet omvatte, brengt geen wijziging in de betekenis van de Toetredingsakte, die primair gemeenschapsrecht vormt.
69 Hieruit volgt dat, gelijk de Raad en de Commissie opmerken, de verdeelsleutel van artikel 121, lid 1, enkel moet worden toegepast op de TAC's die de IBSFC rechtstreeks voor de communautaire wateren voor de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld door middel van een aanbeveling die dwingend is geworden.
70 Het criterium aan de hand waarvan het toepassingsgebied van artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte kan worden afgebakend, is derhalve niet zozeer de geografische oorsprong van de vangsten, maar de oorsprong van de vangstquota.
71 In die omstandigheden is de door de Raad in bijlage I van de bestreden verordening gemaakte berekening van het aan Zweden toekomende aandeel, die enkel is gebaseerd op de door de IBSFC toegekende TAC's, met uitsluiting van overdrachten van bestanden als "compensatiekabeljauw", niet in strijd met artikel 121, lid 1, van de Toetredingsakte.
Conclusie
72 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
- het beroep te verwerpen;
- het Koninkrijk Zweden in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1997, L 66, blz. 1; hierna: "bestreden verordening".
(2) - Zogenaamd "Verdrag van Gdansk" (hierna: "verdrag"), waartoe de Gemeenschap is toegetreden bij besluit 83/414/EEG van de Raad van 25 juli 1983, inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen in de Oostzee en de Belten, zoals gewijzigd bij het op 11 november 1982 te Warschau ondertekende protocol van de conferentie van de vertegenwoordigers van de verdragsluitende staten (PB L 237, blz. 4). Het verdrag is in de Europese Economische Gemeenschap in werking getreden op 18 maart 1984.
(3) - Artikelen IX tot en met XI van het verdrag.
(4) - Bijlage 3 bij het verzoekschrift.
(5) - Verordening van 20 december 1992 (PB L 389, blz. 1; hierna: "basisverordening").
(6) - Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21), zoals aangepast bij besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1, blz. 1); (hierna: "Toetredingsakte").
(7) - Hierna: "verdeelsleutel".
(8) - Verordening van de Raad van 20 december 1994 inzake de vaststelling van de voor 1995 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB L 363, blz. 1).
(9) - Verordening van de Raad van 22 december 1995 inzake de vaststelling van de voor 1996 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften (PB L 330, blz. 1).
(10) - Het aan Zweden toe te kennen aandeel wordt berekend als volgt: 35,037 % van 50 000 ton + 40,000 % van 59 600 ton = 41 360 ton, te verminderen met 2 500 ton ter voldoening aan de in het kader van de EER aangegane verplichtingen, zijnde 38 860 ton. Het aandeel van het Koninkrijk Zweden is dus berekend op basis van een totaalbedrag van 109 600 ton, waarbij het verschil van 2 852 ton tussen die hoeveelheid en de hoeveelheid van 112 452 ton "compensatiekabeljauw" vormt.
(11) - Hierna: "verklaring van 1994".
(12) - Verklaring zoals opgenomen in het proces-verbaal van de 1733e zitting van de Raad, gehouden te Brussel.
(13) - Volgens de Raad waren het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland van oordeel, dat het uiteindelijk aan Zweden toegekende aandeel de traditionele visserijstructuren in de Oostzee niet getrouw weergaf.
(14) - Bladzijde 1 van de Franse vertaling van het antwoord van de Raad op de door het Hof gestelde vragen.
(15) - Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat "verklaringen in notulen een beperkte waarde hebben in dier voege, dat zij niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, wanneer de inhoud ervan niet in de tekst van de betrokken bepaling is terug te vinden en dus geen rechtskracht heeft" (arrest van 29 mei 1997, VAG Sverige, C-329/95, Jurispr. blz. I-2675, punt 23). Het nuanceert dit beginselstandpunt evenwel met de overweging, dat "voor zover een dergelijke verklaring erop gericht is, een algemeen begrip (...) [in een richtlijn] te preciseren, (...) die verklaring evenwel voor de uitlegging van een dergelijke bepaling in aanmerking [mag] worden genomen" (arrest van 3 december 1998, Generics (UK) e.a., C-368/96, Jurispr. blz. I-7967, punt 27).
(16) - Op basis van dit berekeningsbeginsel begroot het Koninkrijk Zweden, dat tegen de bestreden verordening heeft gestemd, het aandeel dat hem had moeten toekomen op 39 999 ton (0,35037 x 50 000 ton + 0,40000 x 62 452 ton - 2 500 ton) (blz. 6 van de Franse vertaling van het verzoekschrift).
(17) - Titel V behoort tot het vierde deel, "Overgangsmaatregelen", van de Toetredingsakte.
(18) - Cursivering van mij.
(19) - Blijkens bijlage 1 bij het verweerschrift van de Raad vormt die zone een ICES-zone. De ICES, de afkorting van International Council for the Exploration of the Sea (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee), is een internationaal wetenschappelijk en technisch orgaan dat onderzoeken verricht naar vissoorten, groepen vissoorten en viswateren. Het brengt adviezen uit die hoofdzakelijk zijn gebaseerd op biologische criteria en formuleert aanbevelingen op het gebied van de vangstniveaus of de bijbehorende technische maatregelen.
(20) - Deze wordt in artikel 3, sub a, van de basisverordening gedefinieerd als "de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten".
(21) - Bijlagen nrs. 4, 5 en 6 bij het verzoekschrift.
(22) - Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
(23) - [Deze voetnoot is voor de Nederlandse vertaling niet van belang.]
Full & Egal Universal Law Academy